|
Spokaans
| ![]() Spokanisch Archief |
O zo voorzichtig!Hesta Plôck (1948– ) een fragment uit haar memoires (1999) Fragment uit de memoires van Hesta Plôck, deel 2 ("Op Kousevoeten: de Politieke Jaren 1981-1986"), waarin ze haar bezoek aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in Den Haag in 1983 beschrijft. O zo voorzichtig!
In de limousine richting Den Haag wilde de heer Tweehuysen ons nog een korte "briefing" geven. Ik verzocht hem eerst de deuren van het vehikel te controleren, want zouden die tijdens de rit
openvliegen dan waren wij nog veel verder van huis. Ik geef toe dat ik deze missie nog altijd beschouwde als een knieval voor de zogenaamde "Grote Wereld". Ik walgde van de brede grijns waarmee collega Lôra Emmerliyst-Oliyi elk versnipperd lapje grond bezag - met daarop wat koeien, glasbouw of gewoon een puinhoop van nonchalance en smakeloosheid. En dat terwijl het verkeer veel te hard reed. Hij verheugde zich zeker op de genoegens die hij tijdens ons geplande bezoek (4 dagen) zou gaan beleven in Amsterdam (dingen waarover ik hier liever zwijg). Maar ik ondervond tegelijk de voldoening dat de kleine politieke crisis die ik vlak voor ons vertrek had gecreëerd ons onmiddellijk na de ondertekening zou terugroepen naar het moederland [1]. Hiervan wist de onnozele Emmerliyst-Oliyi natuurlijk nog niks. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat daarentegen maakte op mij een gunstige indruk. Solide, ondanks het vele glas, en zeker niet te klein. Mijn onbehagen betrof eigenlijk alleen het feit dat er geen rode loper lag en dat de minister niet persoonlijk aanwezig was bij de ingang, zelfs niet in de hal. Daar stond het, overigens charmante, nieuwe hoofd van de afdeling Luchtvaartpolitieke Zaken, mevrouw Irene Albers, die ons hartelijk verwelkomde. Hoewel - zo ontspannen dat men merkte dat ze geen moment getwijfeld had of wij wel zouden komen opdagen. De lift stond al open - ik zag wat cryptische stickertjes die op regelmatige controle konden wijzen - en met zijn vijven zoefden we geruisloos naar de 11e verdieping waar de minister, mevrouw Smit-Kroes, haar werkkamer had. Bij de wand van kogelvrij glas die de gang van de minister scheidde van de rest van de burelen ontstond een klein incident: veiligheidsagenten delibereerden in schrapende keelklanken via de intercom of ze ons konden doorlaten (was er gevaar voor het tafelzilver?), maar openden ten slotte de glazen deuren. Wij werden gevraagd een ogenblik te antichambreren, de blauwe koffertjes op schoot. De beroemde Hollandse Haast verdween kennelijk als sneeuw voor de zon wanneer men te maken kreeg met zo'n "onbelangrijk landje". Intussen werden we voorgesteld aan de directeur van Rotterdam Airlines (L. Wilhelmy van Hasselt). De heer Tweehuysen legde mij uit dat het hier een miniem maatschappijtje betrof, met als thuishaven het postzegel-grote vliegveldje Zestienhoven, ook wel aangeduid als Rotterdam Airport.
Enkele heren, komende uit de richting van de ministeriële vertrekken, wierpen steelse blikken op ons en fluisterden openlijk met elkaar. "Ze vragen zich af wat er in onze koffertjes zit", lichtte Tweehuysen toe. Dit was dus de zogenaamde Nederlandse "directheid" waarvoor wij al in de auto gewaarschuwd waren! Ik bespiegelde dat wij Spokaniërs het voordeel van de beschaving hadden.
Gekleed in een nonchalant tweed mantelpakje schudde de minister de delegatie ferm de hand (altijd een curieuze ervaring voor een Spokaniër). In haar gezelschap bevond zich ook het voormalige hoofd van Luchtvaartpolitieke Zaken, de heer Robert Troost, die zich zo beijverd had voor de toenadering tussen onze naties. Hem negeerde ik. De minister straalde, sprak opgetogen over "vriendschapsbanden" en "een historische ontwikkeling", zeeg koket neer op het puntje van de bank in de hoek van haar werkkamer en gebaarde naar de zetels rondom haar. Er werd koffie geserveerd. Een wezen met een aangeplakt baardje verscheen en keek met argusogen rond. Onwillekeurig moest ik even glimlachen dat die Nederlanders ons Spokaniërs zo naïef achtten dat ze hun veiligheidsbeambten in zulke knullige vermommingen ten tonele voerden. [2] De minister boog zich belangstellend naar mij over en informeerde in gebroken Engels waarom wij niet in onze "beautiful national costumes" verschenen waren. Had zij mijn gedachten gelezen? Ik wierp Emmerliyst-Oliyi een veelbetekenende blik toe, aangezien hij er op gestaan had dat wij ons zouden hullen in "modieuze" Europese kledij om zo onze cultuur te verloochenen. De flapdrol Justus Hunn-Mejor, "cultureel attaché" (jawel!), antwoordde dat men "an up and coming young nation" vertegenwoordigde, en dus niet in plattelandstenu liep. De sensitieve mevrouw Smit-Kroes merkte dat mijn humeur niet best was, en wilde dus vaart zetten achter de "plechtigheid". Maar eerst moesten er foto's gemaakt worden. Dat deed de secretaris zelf. Een heel verschil met alle opwinding op het vliegveld van Amahagge waar er wel 20 flitsende fotografen aanwezig waren bij ons vertrek. Hoe dit nu weer te duiden? Wilde men deze schertsvertoning uit de pers houden (en daar kon ik me, gezien al het gesjoemel [3], wel iets bij voorstellen). Of lieten de arrogante Nederlandse journalisten hiermee precies zien hoe ze over het arme, aan de grillen van buitenlanders overgeleverde Spokanië dachten. Drie dikke documenten werden nu binnengebracht, elk met een bloedrood lint. Ze bevatten de Nederlandse, Engelse en Spokaanse tekst van het luchtvaartverdrag Nederland-Spokanië. De secretaris hanneste als een gerant met de tragische menu's, en voorzag de wederzijdse ministers van nepgouden ballpoints. Terwijl ik Emmerliyst-Oliyi daar grijnzend zijn hanepoot zag krabbelen, dacht ik: "wacht maar, jou zal het lachen wel vergaan". Maar ik kon nauwelijks een snik onderdrukken toen het door me heenschoot dat zo, met wat inkt op dood papier, het lieve moederland verkwanseld werd. Natuurlijk, mevrouw Smit-Kroes viel niets te verwijten. In haar plaats had ik hetzelfde gedaan, hoewel wij Spokaniërs niet vaak in de gelegenheid zijn om onze superioriteit zo voelbaar te maken tegenover buitenlanders, en eigenlijk onze moraal dat ook niet toelaat.
Er werd aan de tafel nog een glas champagne geschonken, die decadente drank. Ik zag dat het diplomatenkoffertje van collega Lôra openstond met daarin het document, bedacht me geen ogenblik, en goot slinks de inhoud van mijn glas erin. Met enige tevredenheid zag ik hoe het papier het vocht opzoog. Wij daalden weer af. Beneden in de hal kwam de secretaris buiten adem achter ons aanrennen met de mededeling: "Telefoon voor minister Emmerliyst-Oliyi. De partij-voorzitter uit Hirdo. Het is urgent." Ik liep alvast naar buiten, en in de Haagse middagzon lachte ik voor het eerst die dag. © vertaling: Joost den Haan
NOTEN
TOP 10 nov 2000 |