|
|
In het eerste schoolschriftje (1961) vinden we een plaatje van een "Spokin" (ze zou nu "Spokanische" genoemd worden). Haar elementaire lichaamsdelen worden in het Spokaans benoemd:
"[...] Tot ongeveer 1965 fungeerde [het voormalige grootseminarie te Hildi] als een woonkazerne met goedkope twee- en driekamerappartementjes, waarna het pand werd opgeknapt voor een kantoorbestemming. Nu verdienen makelaars, advocaten en reclamelui er hun brood. Maar ook de Spokanische Esperantistenvereniging (Spokana Esperantista Asocio) heeft hier zijn onderkomen. [...] Ook in dit geïsoleerde land wonen idealisten die menen dat je met Esperanto toegang tot de wereld hebt en de vrede kunt bevorderen." (fragment uit Rolandt Tweehuysen & Joost den Haan, Spokanië: Berref, Dominicus-reisboek, 2000, blz. 113) |
Al vanaf zijn 12e jaar (1960) is Rolandt Tweehuysen bezig met het vastleggen van het Spokaans, de standaardtaal van het Koninkrijk Spokanië. Aanvankelijk gebeurde dat met een vulpen in schoolschriftjes, later kwam de schrijfmachine eraan te pas, en de eerste huiscomputer (voor de liefhebber: een Tandy Model III) was maar net op de markt of deze bracht de nodige tijdsbesparing bij het schrijven van de Nederlandstalige standaardgrammatica van het Spokaans. Momenteel - na meer dan 20 jaar werk - bestaat deze grammatica uit zo'n 1500 A4'tjes, en is voor het grootste deel op de website van het Spokanisch Archief te raadplegen (convertering naar html-formaat is nog niet geheel afgerond).
Het is duidelijk: een taal waarvan de gedetailleerde beschrijving zó veel pagina's vereist, heeft niet de simpelheid van een kunsttaal als het Esperanto. Het Spokaans is dan ook een "echte" taal, een "natuurlijk" communicatiemiddel, niet bedoeld als een wereldhulptaal à la Esperanto (of die honderden andere die alle tot mislukken gedoemd zijn). Velen uiten verzuchtingen in de trant van "Zonde van al je tijd om zo veel bladzijden vol te schrijven over een taal die 'niemand' spreekt, en voor buitenstaanders ook veel te moeilijk is om te leren", of "We hebben toch al Esperanto? Waarom ga je dat niet leren" (alsof het leren van een taal hetzelfde is als het scheppen/beschrijven ervan! Tegen een auteur zeg je toch óók niet: zonde van al die tijd om een boek te schrijven, waarom ga je geen goed boek lezen?), of zelfs "Ik vind het schandalig dat u al die tijd verdoet met dat Spokaans, terwijl er zo'n tekort aan leraren is. U had beter leraar Engels of zo kunnen worden" (Havo-leerling uit Schiedam die liefhebberij en beroep door elkaar haalt. Van een kunstschilder wordt toch óók niet verwacht dat hij als huisschilder kozijnen in de verf zet?). Kortom, Rolandt Tweehuysen ziet het schrijven van zo'n omvangrijk grammaticaboek als een liefhebberij, een even legitieme hobby als het verzamelen van postzegels of het bouwen van de Keulse Dom uit lucifershoutjes (ja, ook die persoon bestaat). En wordt van een postzegelverzamelaar verwacht dat hij bij KPN gaat werken, of dat de man van de lucifershoutjes bouwvakker had moeten worden?
En het is nog sterker: ook in Spokanië zijn mensen die zich serieus inzetten voor het Esperanto. Ook in dit opzicht wijken Spokaniërs dus niet af van "gewone" mensen elders op de wereld (zie citaat). |