|
* plaats aan een van de eindpunten van het kanaal
Als een kanaal op een -deelkaart is aangegeven, staat het aanklikbare kaartnummer tussen {..}. Deelkaarten worden in een apart venster geopend.
Als een kanaal over meerdere deelkaarten loopt, worden de twee kaarten met het begin- en eindpunt van het kanaal genoemd.
Onderstreepte kanaalnamen kunnen aangeklikt worden om een afbeelding te zien.
-
Ales-kanol (1911; 20 km; 5 sluizen)
{H 05}
Tussen Larmin en het dorp Karr; Grejala, Xalās, Karr*.
Het kanaal is gegraven ten behoeve van de ijzermijn bij Karr, zodat het erts naar de hoogoven van Xalās vervoerd kon worden. Ook diende het kanaal voor de afvoer van het hout uit de bossen bij Karr. Na het faillissement van de ijzermijn (in 1966) was het kanaal alleen nog van belang voor het houttransport. Het onderhoud van het kanaal en zijn sluizen liet echter te wensen over en omstreeks 1985 vond het laatste houttransport plaats.
Na bijna twintig jaar van verwaarlozing wordt sinds 2006 de vaarweg met zijn sluizen weer in oude staat teruggebracht, met de bedoeling er een toeristische attractie van te maken. Trekschuiten en privébootjes zouden dan weer naar Karr kunnen varen, alwaar een keur aan faciliteiten (hotel, restaurant, camping, mijnmuseum enzovoort) gerealiseerd moet worden. Een ambitieus plan waarvan anno 2007 de financiering nog niet rond is.
-
Amahagge-kanol (of Pluf; 1820; 43 km; 2 sluizen)
{H 07} {I 08}
Tussen Larmin en rivier Firani; Amahagge*, Muryhille, Klea-Doecha.
Is ontstaan na kanalisering van de Pluf. De Pluf stroomde oorspronkelijk
tussen St.Groje aan de Zelze en Amahagge. Met de kanalisering ervan is men
in 1820 begonnen; de laatste werkzaamheden vonden plaats in 1900, toen werd
4 km kanaal gegraven, met een nieuwe aansluiting op de Zelze 5 km ten zuiden
van St.Groje.
-
Aas-kanol (1957; 8 km)
{F 02}
Tussen Ef Mora en elektriciteitscentrale Grōndacā; Lift*.
-
Ben-kanol (1943; 6,5 km; 3 sluizen)
{K 03}
Tussen Lompik-zee en elektriciteitscentrale Ben-kanol; Eldelogne*.
Het kanaal is primair bedoeld voor de afvoer van het warme koelwater van de elektriciteitscentrale (het koude zoete water wordt via pijpleidingen uit de bergen aangevoerd). Steenkool die over zee wordt aangevoerd kan bij Eldelogne overgeladen worden op kleinere schepen die de drie sluizen in het kanaal kunnen passeren. Dit is een omslachtige methode die alleen in uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld bij een spoorwegstaking) wordt toegepast.
-
Dajās-kanol (1967; 5 km)
{J 08}
Tussen Vend’ne-kanol en Kjoep-monding; Hoggebim*.
-
Dreegt (1708; 42 km; 1 sluis)
{D/E 04}
Tussen Trendon-kanol en plaats Monny; Cleft, Trupiy, Ameronne, Dreegta, Festruna,
Cjoef-zeces, Monny*.
Vóór de aanleg van het Trendon-kanol liep de Dreegt 10 km verder naar het zuiden door en kwam uit in de rivier Trendon. In 1930 (3 jaar na de aanleg van het Trendon-kanol) is het stuk Dreegt tussen Trendon-kanol en rivier Trendon gedempt.
Er is een autoveer in de verbinding Spejer--Cjoef-zeces. (DOM 130-131)
-
Fontaigny-kanol (1914; 8 km; 1 sluis)
{J 06/07}
Tussen Kjoep en Hazācki-kanol; Tjulle-belt.
-
Hazācki-kanol (1914; 45 km)
{J 06/07}
Rondom Hazācki-pōlder; Tjulle, Tij’, Crybba, Rān, Kerpa a/e Ses.
-
Huftroes (1740; 9 km; 1 sluis)
{F 09}
Tussen Leije en Pitla-pōlder.
-
Kennšeri (1792; 25 km; 1 sluis)
{D 04}
{E 05}
Tussen Dreegt en Trendon-kanol; Trupiy*, Grlabō, Helmyrivo, Klalbā*.
-
Kjutiy-kanol (1900; 10 km)
{M 04}
Tussen Gubina-zee en Zar-fonis. Het oorspronkelijke kanaal diende voor de afwatering bij de drooglegging van het moerasgebied in deze streek (zie
Moerassen, delta's en polders). In 1934 is het kanaal geschikt gemaakt voor de scheepvaart.
-
Kleter Huftroes (1882; 13 km; 2 sluizen)
{F 09}
{G 09}
Door Pitla-pōlder; Āmquff.
-
Kveer-kanol (1914; 8 km; 1 sluis)
{J 07}
Tussen Kjoep en Hazācki-kanol.
-
Mōras (1796; 48 km; 1 sluis)
{C 01}
{B 03}
Tussen Wefot-Lompik-zee en Pālst; Tanburo*, Xerxes, Hent-B’n’r, Tārg,
Jakāmprusot, Flemeuni.
Het stuk Pālst (rivier) tussen Mōras en monding is na de aanleg van de Mōras
gekanaliseerd. Dit gekanaliseerde stuk Pālst wordt daarom wel als vervolg
van de Mōras beschouwd, m.a.w. de Pālst stroomt uit in de Mōras.
Er is een autoveer in de verbinding Flemeuni--Jakāmprusot.
-
Pitla-siyclo (1882; 46 km)
{F 09}
{G 10}
Rondom Pitla-pōlder.
-
Pluf: zie Amahagge-kanol
-
Trendon-kanol (1927; 24 km; 3 sluizen)
{D 04/05}
Langs rivier Trendon; St.Justes.
Tussen Amestā en Trondom; snijdt de Xeest-watervallen en stroomversnellingen in de Trendon af; geopend in 1927; 3 sluizen (elk met een verval van 20 m).
-
Vend’ne-kanol (1914; 39 km; 15 stuwen)
{J 08}
{K 07}
Tussen Hoggebim-fonis en Kjoep-strett; Hoggebim*, Hāpyjasta.
Onbevaarbaar; in 1914 werd het oostelijke deel aangelegd om het Hazācki-meer droog te maken. Na de drooglegging is in 1917 ook het westelijke deel aangelegd. Het kanaal diende toen voor de afwatering van de Hazācki-polder en voor de ontlasting van de Kjoep, als het peil ervan aan de benedenloop (in Hoggebim) te veel dreigt te stijgen.
Tussen 1948 en 1965 zijn de 15 stuwen aangebracht om de stroomsnelheid te reguleren. Het oostelijke deel van het Vend’ne-kanaal loopt vanaf de stuw bij de Hazācki-polder naar de Kjoep-strett. De 8 stuwen in dit oostelijke deel hebben elk een verval van ca. 6 meter. Totaal overbrugt dit deel van het kanaal dus een hoogteverschil van ca. 50 meter.
Het westelijke deel van het kanaal loopt vanaf de stuw bij de Hazācki-polder door Hoggebim naar de Hoggebim-fonis. Ook hier wordt ca. 50 meter overbrugd, met behulp van 6 stuwen, gemiddeld met een verval van ruim 8 meter.
De stuw bij de Hazācki-polder heeft een verval van 7 meter; de polder ligt gemiddeld 57 meter boven de zeespiegel.
-
Vend’ner (1882; 6 km; 1 sluis)
{F 09}
Tussen Kleter Huftroes en Pitla-fonis; Āmquff*.
-
rtazo-kanol (1746; 17 km; 2 sluizen)
{I 08/09}
Tussen plaats rtazo en rivier Firani; rtazo*, Kanol-slue.
-
Ziffon-kanol (1856; 18 km; 7 sluizen)
{E 06}
Tussen rivier Ziffon en plaats Ziffon; Ziffon*, Meaue*.
Kanaal tussen Meaue a/d Ziffon en het plaatsje Ziffon; 7 sluizen, met een totaal verval van 45 m; in 1856 aangelegd voor de afvoer van steenkool uit de mijnen bij Ziffon, naar Hirdo. Tussen het Šōnhe-meer en het eindpunt van het kanaal loopt (via de plaats Ziffon) een ca. 5 km lange pijpleiding om het kanaal aan de hoogste zijde te voeden: het zou "leeglopen" als er regelmatig schepen in de sluizen geschut worden.
Toen in 1903 de spoorlijn Hajequū--Ziffon--Vyl-C’rlaje geopend werd, vond het kolenvervoer hier plaats en raakte het 17 km lange kanaal in verval; tussen 1975 en 1982 zijn de sluizen gerestaureerd en kunnen er toeristische boot-excursies naar de oude mijnen (in 1959 gesloten) gehouden worden.
|