Grammatica van het Spokaans

<< Hoofdstuk 170 | Hoofdstuk 172 >>
17. Antropologische linguïstiek

171. Temporele uitdrukkingen, klokkijken en kleuren


Opbouw van dit hoofdstuk:
  1. Chronologische indeling
    1. Namen van uur-indelingen
    2. Namen van etmaal-indelingen
    3. Namen van dagen
    4. Namen van weken
    5. Namen van maanden
    6. Namen van seizoenen
    7. Uitdrukking van langere periodes
    8. Tijdstippen gerelateerd aan het moment van spreken
  2. Uitdrukkingen van tijd en tijdsduur
  3. Kleuren

Blokken:


171.1

Dit hoofdstuk is onderverdeeld in drie hoofdsecties:

  1. Chronologische indeling (vanaf § 171.2)
  2. Uitdrukkingen van tijd en tijdsduur (vanaf § 171.25)
  3. Kleuren (vanaf § 171.52)

Met chronologische indeling wordt bedoeld de wijze waarop in het Spokaans (en ook in het dagelijks leven) de klok en de kalender worden onderverdeeld en hoe die delen worden genoemd, zoals "uur", "avond", "etmaal", "zondag", "mei", "eeuw" enzovoort. Er wordt aandacht besteed aan twee kalenders: die van de christelijke tijdrekening (met 7 namen van dagen en 12 namen van maanden), en die van de Ergynne-tijdrekening (met 4 namen van weken en 12 namen van maanden; de dagen zijn genummerd van 1 t/m 10).

Met uitdrukkingen van tijd en tijdsduur worden uitdrukkingen bedoeld die aangeven wanneer, of hoe lang een gebeurtenis plaatsvond. Dergelijke bepalingen kunnen gebaseerd zijn op de chronologische indeling (zoals "verleden jaar in augustus", "morgenochtend") of op substantieven of additieven die een tijdverloop of tijdstip uitdrukken (zoals "lang geleden", "gedurende vele uren", "elke dag". Hieronder valt ook het systeem van "klokkijken".

Sectie C. kleuren is een "toegift" die weinig met tijdsbeleving te maken heeft. Toch vertoont het kleurensysteem een frappante overeenkomst met het tijdssysteem. Beide hebben een indeling die is gebaseerd op een culturele traditie, en niet op absolute waarden. Het tijdstip waarop de "middag" in de "avond" overgaat, is door cultuur en traditie bepaald. Evenzo is de grens tussen "blauw" en "groen" door subjectieve zaken bepaald. In sommige delen van Spokanië waar graslanden een dominerend landschapselement zijn, vindt men de kleur van gras het meest "echte" groen. In de streek rond Lostô, waar religieuze en nationalistische tendenzen sterk leven, vindt men het groen van de Pegrevische vlag de basisvariant voor "groen".

171.2   ad § 171.1   A. Chronologische indeling

De chronologische indeling bestaat uit:

  1. Namen van uur-indelingen (§ 171.3)
  2. Namen van etmaal-indelingen (vanaf § 171.4)
  3. Namen van dagen (vanaf § 171.6)
  4. Namen van weken (alleen voor de Ergynne-kalender) (§ 171.8)
  5. Namen van maanden (zowel voor de christelijke als voor de Ergynne-kalender) (vanaf § 171.9)
  6. Namen van seizoenen (§ 171.14)
  7. Uitdrukking van langere periodes (vanaf § 171.15)
  8. Tijdstippen gerelateerd aan het moment van spreken (§ 171.17)

171.3   ad § 171.2   a. Namen van uur-indelingen

Bij tijdseenheden moeten we onderscheid maken tussen een tijdsaanduiding en een tijdsduur. Ze hebben geen specifieke meervoudsvorm, behalve mit (minuut) en selde (seconde). Elk deel van het uur heet een zurtarr-kanas (uurdeel):

Uur-indeling
tijds-
aanduiding
tijds-
duur
afkorting 
zurtzurtarrzrruur
 holfarrhrrhalfuur
korterkortarrkrrkwart[ier]
mit[s]mitarrmrrminuut
selde[s]seldarrsrrseconde
 pontarr *prr1/60 seconde
 cretarr *crr1/3600 seconde

*Pontarr en cretarr komen we voornamelijk als
wetenschappelijke notatie tegen.

171.4   ad § 171.2   b. Namen van etmaal-indelingen

Een etmaal wordt in het Spokaans in vijf kortere periodes ingedeeld, elk een pivâ geheten. De begin- en eindtijd van deze pivâs zijn slechts globaal aan te geven (maar sluiten wel op elkaar aan), omdat zij in de praktijk begrensd worden door het tijdstip waarop mensen op het platteland hun maaltijden gebruiken en naar bed gaan. Hoewel deze tijden in de steden veelal enkele uren later liggen, blijft de pivâ-indeling toch gebaseerd op de gebruiken op het platteland. Omwille van de volledigheid zijn in onderstaand schema ook de periodes opgenomen die meer dan één pivâ bestrijken (gemarkeerd met *) en verder twee exacte tijdstippen (gemarkeerd met °):

Etmaal-indeling
globale tijdbegrensd doornaam 
  0–24 uurmiddernachtgestriy *etmaal
  4–22 uuropstaan/bedtijdtof *dag
22–  4 uurbedtijd/opstaankÿl *[gehele] nacht
  4–11 uuropstaan/lunchgurtochtend
12 uurgéfer°tussen de middag, "midderdag"
11–17 uurlunch/avondetenfittasmiddag
17–22 uuravondeten/bedtijdlupporavond
22–  1 uurbedtijd/dooftijdmiskofvóór middernacht
24 uurparâs°middernacht
  1–  4 uurdooftijd/opstaanpalfûna middernacht

Uit het schema kunnen we opmaken dat miskof + palfû = kÿl, en dat gurt + fittas + luppor = tof1.
Afgezien van de theoretische begrenzing "middernacht", vormen de andere begrenzingen een duidelijk breekpunt in het dagelijkse ritme van het harde boerenleven. Het "ontbijt" wordt niet als apart breekpunt gezien, maar valt samen met het "opstaan". Nadere uitleg behoeft het breekpunt dat is aangeduid met "dooftijd". Dit tijdstip (ca. 1 uur 's nachts) wordt gezien als het moment waarop het vuur in de keukenhaard is opgebrand. In vele streken in Spokanië was het vroeger bij strenge winters gebruikelijk dat iemand omstreeks dit tijdstip opstond om het vuur weer op te rakelen: een duidelijk breekpunt in de nachtrust. In het moderne stadsleven zijn de breekpunten als het ware opgeschoven: het begin van de periode die vroeger als "lunch" gold, is nu voor velen "ontbijttijd", het begin van de periode die vroeger als "bedtijd" gold, is nu dikwijls het moment van "avondeten", en het begin van de ouderwetse "dooftijd" is voor de meesten tegenwoordig "bedtijd" geworden.


1Tof kan, evenals 'dag', ook wel voor het gehele etmaal gebruikt worden, zeker als het gaat om samenstellingen, zoals de dagen van de week: met lunatof (maandag) wordt niet alleen de periode van 4 tot 22 uur bedoeld, maar het gehele etmaal.

171.5

Omdat de dagdelen fittas en luppor beginnen op het moment dat de lunch, resp. het avondeten, wordt genuttigd, kunnen deze woorden in de spreektaal ook gebruikt worden om de lunch of het avondeten zélf aan te duiden. Vergelijk::

a.Aftel tu zerfaves kult hitt lóf ef luppor?
 VRAAG jullie zien.willen onze oven gedurende de avond
 Komen jullie vanavond langs?

b.Aftel tu zerfaves kult hitt furt ef luppor?
 VRAAG jullie zien.willen onze oven voor de avond
 Komen jullie vanavond eten?

In a. wordt met het voorz. lóf (gedurende) uitgedrukt dat we uitgenodigd zijn om de hele avond bij onze kennissen door te brengen. Er wordt dan verwacht dan we ná het avondeten op bezoek komen. Hier wordt luppor dus in letterlijke zin "tussen 17.00 en 22 uur" bedoeld (al hangt het van het plaatselijke gebruik af, of deze tijdstippen ook precies zo gelden).
In b. wordt met het voorz. furt (voor) uitgedrukt dat we uitgenodigd zijn voor het avondeten. Of we na het eten ook nog de hele avond blijven hangen, hangt meer van de omstandigheden af.

171.6   ad § 171.2   c. Namen van dagen

De christelijke kalender bevat (uiteraard) 7 dagen in een week. Een weekdag wordt mink-tof (mv. mink-terrats) genoemd:

Dagen van de week
dagafkortingvernoemd naar 
kôbotofkôb, ktkôbo (zon)zondag
lunatoflun, ltluna (maan)maandag
tûratof *tûr, ttTyra (Týr, Tiwaz)dinsdag
wetestof *wet, wtWotens (Wodan)woensdag
donatof *don, dtDoner (Donar)donderdag
frÿtof *frÿ, ftFrÿja (Friia)vrijdag
sâmtofsâm, stsâbat (sabbat)zaterdag

De met * gemerkte dagen zijn vernoemd naar Germaanse goden. Hoewel de Germaanse mythologie met deze goden geen onderdeel vormt van de Spokanische cultuur, zijn de namen wel gebruikt om, analoog aan de Germaanse talen, de dagen een naam te geven. De christelijke dagnamen zijn halverwege de 15e eeuw "bedacht" door rooms-katholieke monniken, om de ergynische tijdrekening met 10 genummerde dagen te kunnen vervangen. Het is opvallend dat men toen gekozen heeft voor de Germaanse mythologie, en niet voor de Grieks/Romeinse, zoals die is terug te vinden in de dagnamen van de Romaanse talen.

Het woord sâmtof is een verbastering van het verouderde sâbatof, dat via sâmbatof ten slotte sâmtof is geworden. De verandering van b in mb komt voor in het Môliy-Spokaans van westelijk Jelafo, maar is soms ook in de standaardtaal doorgedrongen (zie ook § 173.28). Bekende voorbeelden zijn de woorden dâmbiy (levenslustig) en frumbiyl (naargeestig), die oorspronkelijk dâb[b]iy en frubbiyl waren. (Deze toevoeging van een m, oftewel pre-nasalisatie, vinden we ook bij diverse andere talen, verspreid over de hele wereld.)

171.7

De Ergynne-kalender kent 10 dagen in een week, maar deze zijn naamloos en hebben slechts een rangnummer. Daarentegen hebben de weken wel hun eigen naam; zie § 171.8.

In sommige streken (met name West-Berref) wordt het element tof (dag) in de namen van de dagen heel letterlijk opgevat: een woord als donatof refereert dan aan de etmaal-indeling "dag" welke de naam "dona" heeft. Het gevolg van deze letterlijke interpretatie is dat samenstellingen als donatof-gurt (donderdagochtend) of frÿtof-luppor (vrijdagavond) beschouwd worden als contradicties, even raar als tof-gurt ("dag-ochtend") of tof-luppor ("dag-avond"). In zulke streken worden dan ook termen als donagurt (donderdagochtend) of frÿluppor (vrijdagavond) gebruikt, letterlijk "donder-ochtend" en "vrij-avond". Dat zulke idiomatische uitdrukkingen juist in die streken gebruikt worden waar vanwege het katholicisme een soort taboe op de Ergynne-kalender rust, lijkt slechts toeval te zijn.

171.8   ad § 171.2   d. Namen van weken

De Ergynne-kalender heeft genummerde dagen; een periode van 9 of 10 dagen vormt een week, en de 3 weken die een maand vormen, hebben elk hun eigen naam:

Namen van weken in de Ergynne-kalender
weekafkorting 
pjaqurrink(p., pj.)"stijgweek"  (1e week van 10 dagen)
agrumink(a., ag.)"topweek"  (2e week van 9 of 10 dagen)
monentink(m., mo.)"daalweek"  (3e week van 10 dagen)

171.9   ad § 171.2   e. Namen van maanden

De christelijke kalender bevat (uiteraard) 12 maanden in een jaar. Een maand wordt hertel (maand) genoemd, maar in officieel spraakgebruik kunnen we ook zemper-hertel (jaarmaand) zeggen, om te benadrukken dat het gaat om de onderverdeling van een christelijk kalenderjaar:

Namen van maanden
 maandafkorting   maandafkorting 
1januyjan, jajanuari   7juljul, jljuli
2februyfeb, fbfebruari   8ogustogu, ogaugustus
3maršemar, mšmaart   9septembrysep, spseptember
4aprilaapr, apapril 10ôktobryôkt, ôkoktober
5maimai, mamei 11nofembrynof, nfnovember
6jûnjûn, jnjuni 12desembrydes, dsdecember

De Ergynne-kalender bevat 12 maanden in een jaar, elk met 29 of 30 dagen. De eerste dag van een maand valt altijd samen met volle maan:

Namen van maanden in de Ergynne-kalender
 maandafk.   maandafk. 
1kôbotel"zonnemaand"   7pâltel"maand v.d. overvloed"
2kÿpontel"droge maand"   8picatelPI"ijsmaand"
3pazzotelPZ"grondmaand"   9axtelAX"hakmaand
4mondôtelMO"herfstmaand" 10lofâtelLO"lentemaand"
5cosistelCO"druivenmaand" 11knôtelKN"knopmaand"
6missistelMI"paddenstoelmaand" 12lekirstelLE"groeimaand"

En dan is er nog een schrikkelmaand:

 maandafk. 
13lunatelLU"maanmaand"

Deze wordt, zodra midzomer (21 juni) binnen kôbotel valt, in het jaar ervoor tussen de maanden pâltel en picatel ingelast, zodanig dat midwinter (21 dec) in lunatel valt.

171.10   Archaïsche maandnamen

In 1844 is de Gregoriaanse tijdrekening officieel erkend, naast de oorspronkelijke Ergynne-kalender. Toen zijn ook de namen voor de maanden officieel vastgesteld, zoals opgesomd in Blok 171.9. De Gregoriaanse tijdrekening was al veel langer in gebruik in het rooms-katholieke deel van Spokanië. In het niet-christelijke deel werd soms werd de christelijke jaartelling gebruikt, en tot 1753 kon dat ook de Juliaanse kalender in plaats van de Gregoriaanse zijn. De maandnamen hadden nog geen officieel vastgestelde vorm, maar dikwijls werd het eerste deel van de internationaal bekende maandnaam gebruikt, gevolgd door hertel (maand). Er was veel variatie. In onderstaand blok worden enkele voorbeelden opgesomd zoals die in oude documenten zijn aangetroffen.

Archaïsche namen van maanden
 moderne
vorm
archaïsche vormen  moderne
vorm
archaïsche vormen
1januyjanhertel   7juljulhertel/julahertel
2februyfebruhertel/ferhertel   8ogustoghertel/oguhertel
3maršemarherel/mashertel/mathertel   9septembrysephertel/spethertel
4aprilaaprihertel/raphertel 10ôktobryôkhertel/ôktohertel
5maimaihertel/methertel 11nofembrynofhertel/novehertel
6jûnjûnhertel/junhertel 12desembrydeshertel

In de namen ferhertel, raphertel en spethertel zijn vormen van metathesis te onderscheiden. De wisseling apr- > rap- is typerend voor het Hazâcki-Spokaans waar we ook vormen als roteff en rûbest in plaats van otreff respectievelijk ûrbest tegenkomen (zie § 173.68).

171.11   Schrijven van data

Er bestaan verschillende conventies om een datum te schrijven. Bij de christelijke kalender wordt ongeacht de variant altijd de volgorde dag–maand–jaar aangehouden. Neem 3 augustus 1980 als voorbeeld:

1.voluit (in een algemene tekst)3 ogust 1980
2.afgekort (in een meer zakelijke context)3 og 1980
3.in cijfers (in informatieve context)03.08.1980 of 03.08.80
4.uitsluitend met cijfers (in informatieve context)030880
5.datering op brieven ed. (met plaatsnaam)Hirdo fes 030880

Variant 1. en 2.: Als de maand in letters (al dan niet afgekort) wordt weergegeven, staat het jaartal altijd met 4 cijfers en krijgt de dag géén voorloop-nul (dus niet 03, maar 3).
Variant 3.: Er worden punten tussen de drie eenheden geplaatst, en het jaar mag zowel met vier als met twee cijfers worden weergegeven. Als een dag of maand uit één cijfer bestaat, wordt er een 0 voor gezet (voorloop-nul).
Variant 4.: Is identiek aan 3., maar dan zonder punten. Deze vorm is bruikbaar als data genoemd worden in agenda's, programma's, tabellen ed., dus buiten een lopende tekst. Maar ook variant 3. kan gebruikt worden, want die is duidelijker.
Variant 5.: Bovenaan brieven, facturen ed. is het de gewoonte om ook de plaatsnaam toe te voegen. Hierachter staat altijd fes (in), gevolgd door variant 4., dus altijd zonder punten.

171.12

Data die onderdeel zijn van een lopende tekst, worden voorafgegaan door de afkorting ked, wat staat voor kaf ef datumas (op de datum), het beste te vertalen met 'op' of 'de dato' (dd), bijvoorbeeld:

(1)Petriy mebara ked 15 feb 1980.
 Petriy is geboren op 15 februari 1980.

(2)Ef megg kettalira lutterafe fes ef Flofarri-teatriy ked 03.05.92.
 De voorstelling was te zien in het Flofarri-theater op 3 mei 1992.

(3)Ef megg kettalira lutterafe fes ef Flofarri-teatriy ked 030592 tf 220592.  OF
Ef megg kettalira lutterafe fes ef Flofarri-teatriy ked 3 mai tukstlef 22 mai 1992.
 De voorstelling was te zien in het Flofarri-theater vanaf 3 mei tot en met 22 mei 1992.

In (3) zijn twee varianten gegeven: in de eerste staan beide data volledig weergegeven in cijfers, waarbij tukstlef (tot en met) is afgekort tot tf. Hier zouden de punten weggelaten mogen worden, maar dat is minder duidelijk. In de tweede variant zijn dag en maand voluit geschreven en is het jaar alleen aan het eind genoemd.

171.12a

Data die alleen bestaan uit een dag + maand (dus zonder jaar) worden bij voorkeur met het voorz. armt uitgedrukt. Vergelijk:

a.Kirro di pratu armt 4 jûn.We zullen [op] 4 juni vertrekken.
b.Kirro di pratu [armt] donatof.We zullen [op] donderdag vertrekken.

Bij namen van dagen (in b.) kan het voorz. achterwege blijven; bij data (in a.) niet.

171.13

Bij data volgens de Ergynne-kalender wordt altijd de volgorde jaar–maand–dag aangehouden. Er zijn drie varianten mogelijk:

1.voluit2074 kôbotel agrumink 5
1.jaar voluit, dag afgekort2074 kôbotel a5
3.geheel afgekort2074-KÔ-a5

Bij de gehele afkorting (variant 3.) worden er koppelstreepjes tussen de drie eenheden geplaatst. Het ergynische jaar 2074-KÔ-a5 (dus: de 5e dag van de week agrumink in de maand kôbotel van het jaar 2074) komt overeen met de christelijke datum 12 juni 1980. Voor de omrekeningstabellen wordt verwezen naar het overzicht in het Archief.

171.14   ad § 171.2   f. Namen van seizoenen

Een 'seizoen' heet in het Spokaans sezonn. Officieel beginnen de seizoenen op 20 maart (lente), 21 juni (zomer), 22 september (herfst) en 21 december (winter) (of een dag later, afhankelijk van de maanstand), maar op het platteland zijn ook andere indelingen gebruikelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die een boer in een periode moet verrichten. In het oude Spokanië werden feitelijk maar twee periodes als "seizoen" herkend, de lente en de herfst. Het waren dus de periodes die zich kenmerkten als een verandering (een overgang van winter naar zomer, resp. een overgang van zomer naar winter) waarvoor het Spokaans een naam had. De meer stabiele periodes van zomer en winter werden beschouwd als een "voorbereiding voor de overgangsperiodes", en dat is gereflecteerd in de taal:

Namen van seizoenen
mondôherfst lofâlente
kormondôzomer kolofâwinter

Het prefix ko[r]- drukt uit dat iets (ter voorbereiding) aan iets anders voorafgaat, vergelijk; fenta ~ kofenta (feest ~ voorbereidingen voor een feest), exâm ~ korexâm (examen ~ voorbereiding voor een examen), dus ook: lofâ ~ kolofâ (lente ~ "voorbereiding voor de lente/voorafgaand aan de lente (= winter)").
Let ook op de etymologie: lofâ is verwant met lofa (blad (aan boom)), dus de lente kan omschreven worden als "de tijd van de (nieuwe) boomblaadjes"; mondô is afgeleid van het Oudspokaanse werkw. monde (vallen (dat dialectisch nog op Lomky voorkomt)). De naam mondô refereert dus aan de vallende bladeren. Het element mon bestaat als add. met de betekenis 'lager gelegen (in geografisch opzicht)' en komt ook voor in het werkw. monente ((af-)dalen) dat een samenvoeging van mon en vente (gaan) is, en eigenlijk als 'naar een lager gelegen plek gaan' geïnterpreteerd moet worden. Het werkw. vente (gaan) is tegenwoordig archaïsch, hiervoor in de plaats wordt de stemhebbende variant vende gebruikt.1


1Het element mon (varianten monne/moene) is ook terug te vinden in geografische namen als Ajaf-Hercô-Monet, Akarmonne, Famon, Monanee, Mone, Moniâ, Moninaa, Mon-Kulâ (boerderij bij Ðebantiy), Monny, Monomasiy, Mont (?), Montrô en Ralmoene.
Gek genoeg komt het antoniem sat (varianten šat/sta/stâ) met de betekenis 'hoger gelegen' zelden voor, behalve als eindelement met de nominale betekenis 'hoger gelegen plaats'. Bijvoorbeeld: Alperstaniy, Amestâ, Arestaliy (?), Finistâ, Hâpyjasta, Husta (?), Keldusta-klemk, Knurfelsta, Lurgiystâ, Oliystâ, Šatoliy, Solôsta, Staef, Trobensta, Wusta, Xolestajo.
Men zou verwachten dat mon en sat (en hun varianten) dikwijls zij aan zij voorkomen in naburige plaatsen, of concreet, dat er bij Staef ook een plaats Monef ligt, dat er bij Alperstaniy ook een Alpermon[n]iy te vinden is. Dit is zelden het geval. Een duidelijk voorbeeld vormen echter de twee boerderijen Mon-Kulâ en Sat-Kulâ (bij Ðebantiy).

171.15   ad § 171.2   g. Uitdrukking van langere periodes

Een periode van 10 jaar kan als volgt weergegeven worden:

(1)ef 90-zempersde jaren 90
(2)ef 00-zempersde jaren 0
(3)lóf ef 10-zempersin de jaren 10
(4)lóf ef kiygt 40-zempersin/gedurende de late jaren 40

Bij (1) denken we primair aan de periode 1990–1999; bij (2) aan de periode 2000–2009; (3) is ambigu, het kan zijn 1910–1919, maar ook 2010–2019. Uit de context moet blijken over welke eeuw het gaat, maar dit kan ook expliciet worden uitgedrukt, bijvoorbeeld ef 10-zempers lÿ pÿr 19 (de jaren 10 van de 19e eeuw – dus 1810–1819).
Bij (4) is het onduidelijk wat er met "laat" wordt bedoeld: het zal wel gaan om de tweede helft van de jaren 40 (1945–1949), maar, afhankelijk van de context, zou het ook bijvoorbeeld om 1945–1947 of om 1947–1949 kunnen gaan.
Om expliciet uit te drukken om welke eeuw het gaat, kunnen ook constructies gebruikt worden als:

(1′)ef 1990-zempersde jaren 1990
(2′)ef 2000-zempersde jaren 2000 (oftewel: de jaren 2000–2009)
(3′)lóf ef 1810-zempersin/gedurende de jaren 1810

In plaats van in cijfers kunnen de getallen ook in letters worden geschreven. Bij het klassieke talstelsel kan er een probleem ontstaan, vergelijk:

(1)ef tensa-zempers = ? ef erg-sers zempersde jaren twintig
(2)ef fârsa-zempers = ? ef rân-fâr zempersde jaren veertig

Omdat het bij dergelijke periodes altijd om ronde getallen gaat (iets als *de jaren 23 kunnen we niet zeggen), is het gebruik van de klassieke telwoorden niet logisch, omdat dit geen "ronde" getallen zijn. Zo is erg (14) wel "rond", maar erg-sers (20) niet. Een uitdrukking als ef erg-zempers (lett. "de jaren veertien") zou qua vorm wel logisch zijn, maar het is onduidelijk om welke periode het gaat. Sommigen menen dat het gaat om de hele reeks van erg (14) tot en met erg-râsen (27) (zie § 170.14), dus ef erg-zempers zou dan betekenen '1914 t/m 1927' (aangenomen dat het om de 20e eeuw gaat). Zulke periodes, die niet gebaseerd zijn op decennia van ronde getallen, liggen niet voor de hand. Daarom moet het klassieke talstelsel in zulke constructies vermeden worden.1


1Een frase als lóf ef tenrân-zempers (lett. "in de jaren 72") is voor velen wel acceptabel als er bedoeld wordt "in de jaren 70", omdat 72 en 70 erg dicht bij elkaar liggen.

171.16

Eeuwen worden met een hoofdtelwoord, en niet met een rangtelwoord, uitgedrukt:

(1)fes/lóf pÿr 16in/gedurende de 16e eeuw
(2)holfplepiy pÿr erg-fârhalverwege de achttiende eeuw
(3)eft sért lÿ pÿr main-hefergeen zeventiende-eeuws huis

Soms worden de eeuwen afgekort, bijvoorbeeld: eft sért lÿ p.17 (een huis uit de 17e eeuw). In een context waarbij de Ergynne-kalender gebruikt wordt, wordt met pÿr een andere periode bedoeld. Een ergynisch jaar is 93 jaren op een christelijk jaar vooruit, dus de 19e eeuw (1800–1899) volgens de christelijke kalender is gelijk aan de ergynische jaren 1893–1992, globaal dus de 20e Ergynne-eeuw.

171.17   ad § 171.2   h. Tijdstippen gerelateerd aan het moment van spreken

Met begrippen als 'gisteren, 'eergisteren', 'morgen' en dergelijke wordt gerefereerd aan een moment dat vóór of na het moment van spreken plaatsvindt. Enkele voorbeelden:

hols; hols-kuragisteren; eergisteren
mas; mas-kuramorgen; overmorgen
hols-fittasgistermiddag
mas-gurtmorgenochtend, enz.
mas-kura-gurtovermorgen-ochtend, enz.

Merk op dat mas oorspronkelijk een ideoantoniem was, dat de twee tegengestelde betekenissen 'gisteren' en 'morgen' in zich verenigde. Tegenwoordig kan mas nog steeds 'de dag grenzend aan vandaag' betekenen, met name in de spreektaal. Een definitieve resp. toekomende tijd maakt dan expliciet of er 'gisteren' dan wel 'morgen' wordt bedoeld. Vergelijk:

a.Mas trempe gress ef mimpit.Morgen zal ik het boek lezen;
Morgen lees ik het boek.
b.£ Mas gress enn ef mimpit trempe.Gisteren heb ik het boek gelezen.

Zin a. is zowel spreek- als schrijftaal. Zin b. is typisch spreektaal. In de schrijftaal wordt hier uitsluitend hols (gisteren) gebruikt. Een vorm als mas-kura betekent echter altijd 'overmorgen', en nooit 'eergisteren'.

171.18   Samenstellingen en afleidingen bij chronologische indelingen

Concrete substantieven:

furt-voorgaande
ef furtof (= furt + tof)(de) vorige dag
ef furtmit(de) vorige/afgelopen minuut
ef furtzurt(het) vorige/afgelopen uur
ef furtmink(de) vorige/afgelopen week
ef furthertel(de) vorige/afgelopen maand
ef furtzemper(het) vorig/afgelopen jaar
ef furtpÿr(de) vorige/afgelopen eeuw

pir-volgende/komende
ef pirtofmorgen  (archaïsch/poëtisch)
ef pirmink(de) volgende/komende week
ef pirhertel(de) volgende/komende maand
ef pirzemper(het) volgend/komend jaar
ef pirpÿr(de) volgende/komende eeuw

171.19

Concrete substantieven:

naponto-eind
naponto-1975eind 1975
lelmo naponto-minkaan het einde van deze week; eind deze week
rifo naponto-pÿr 18uit eind achttiende eeuw

ponto-begin
ponto-1975begin 1975
lelmo ponto-minkin het begin van deze week

171.20

Additieven CAT. I:

-sot-lang
terratsotdagenlang
minksotwekenlang
hertelsotmaandenlang
zempersotjarenlang
decadiysotdecennialang
pÿrsoteeuwenlang

Hoewel hier gesuggereerd wordt dat het om het suffix -sot gaat, gaat het feitelijk om het suffix -ot, waarin we het archaïsche add. pot (lang) herkennen. De s van -sot is eigenlijk de meervoudsuitgang van het subst. Zo moet hertelsot feitelijk niet opgesplitst worden in hertel + -sot, maar in hertel + -s + -ot.1

-tiyelke, -lijks
toftiydagelijks, daags, elke dag; doordeweeks, gewoon
minktiywekelijks, elke week
herteltiymaandelijks, elke maand
zempertiyjaarlijks, elk jaar

Het suffix -tiy wordt bij weken, maanden en jaren gebruikt om aan te geven dat iets elke week/maand/jaar plaatsvindt, maar bij toftiy gaat het niet primair om iets dat elke dag plaatsvindt, maar eerder dat iets heel gewoon of alledaags is. Daarentegen betekent toftas '[zo goed als] elke dag'. Het suffix -[t]as wordt in § 171.24 uitgelegd.


1Een indicatie dat de s van -sot feitelijk een meervouds-s is, blijkt uit de uitspraak van decadiysot. Vergelijk decadiy [dekadî] ~ decadiys [dekadis], waarbij de [î] voor de meervouds-s in [i] verandert (zie § 11.3 bij de iy). Zo ook in decadiysot [dekadisot] en níét [dekadîsot].

171.21

Let op de idiomatische constructies met tim (keer, maal). Bijvoorbeeld:

ten zempertiyn timstwee keer per jaar
ÿrsa'ecc zempertiyn timstalloze keren per jaar
10 herteltiyn tims10 keer per maand
Tu puttât-fes ef piyls ér toftiy tim.Je moet de pillen één keer per dag innemen.

171.22

De afleidingen op -tiy (kader in vorige paragraaf) kunnen ook gecombineerd worden met een telwoord, bijvoorbeeld:

(1)fâr-toftiyelke vier dagen, om de vier dagen
(2)ten-minktiytweewekelijks (elke twee weken)
(3)sers-herteltiyzesmaandelijks (elke zes maanden)
(4)dur-zempertiydriejaarlijks (om de drie jaar)

Deze vormen moeten niet verward worden met het suffix -iy, zoals in:

(1)fâr-tofiyvierdaags (vier dagen durend)
(2)ten-minkiytweeweeks (twee weken durend)
(3)sers-herteliyzesmaands (zes maanden durend; zes maanden oud)
(4)dur-zemperiy1driejaars; driejarig (drie jaar durend; drie jaar oud)

Vergelijk:

Petriy sompe eft ten-zempertiy én dur-minkiy curs kura mipšarkiy ekonomiy.
Petriy volgt een tweejaarlijkse, drieweekse cursus over buitenlandse economie.

Het gaat dus om een cursus die om de twee jaar wordt gegeven en dan telkens drie weken duurt. De volgende variant is duidelijker: Jadâk ten zempers Petriy sompe eft dur-minkiy curs kura mipšarkiy ekonomiy (Elke twee jaar volgt Petriy ...).

Het verschil tussen 'tienjaars' en 'tienjarig' lijkt in het Spokaans weg te vallen. vergelijk:

Ef main-zemperiy efanty pónze eft main-zemperiy rente-fôrmler rifo sener fosies.2
Het tienjarige kind krijgt een tienjaarsobligatie van haar ouders.

Het gaat dus om een kind dat tien jaar oud is, en om een obligatie die een looptijd van tien jaar heeft. In beide betekenissen wordt main-zemperiy gebruikt.


1Telwoorden worden met een filâsto aangehecht, echter met één uitzondering: in érzemperiy (eenjarig) wordt ér aan zemperiy vast geschreven. Oorspronkelijk had érzemperiy de specifieke betekenis van "eenjarig = in 1 jaar ontkiemend, bloeiend en zaad gevend", dus een eigenschap van planten, terwijl ér-zemperiy in alle andere betekenissen werd gebruikt. Tegenwoordig wordt dit onderscheid niet meer gemaakt en is de filâsto-loze vorm de standaardspelling geworden.


2Vergelijk ook: eft heferg-zemperiy efanty (een kind van zeven maanden oud – "zevenmaandig") en eft heferg-zemper-efanty (een zevenmaands kind = een kind dat al na zeven maanden is geboren, dus twee maanden te vroeg).

171.23

Additieven CAT. III:

-pip(gedurende) de hele
tofpip(gedurende) de hele dag
terratip(gedurende) de hele dag
minkpip(gedurende) de hele week; de hele week door
hertelpip(gedurende) de hele maand; de hele maand door
zemperpip(gedurende) het hele jaar; het hele jaar
pÿrpip(gedurende) de gehele eeuw; de hele eeuw door

Tofpip en terratip zijn synoniemen, hoewel terratip door velen als wat ouderwets wordt gevoeld. Merk ook op dat de eerste p van -pip hier weggevallen is.

171.24

Additieven CAT. III:

Bij een aantal uitdrukkingen van tijd wordt het suffix -[t]as gebruikt om aan te geven dat iets (zo goed als) elke keer op dat tijdstip plaatsvindt. -as is de basisvorm, maar -tas wordt gebruikt als het woord op een klinker eindigt (uitzonderingen zijn toftas, parâstas en gestriyas):

-[t]as[zo goed als] elke, -lijks
bij dag en dagdelen
gestriyaselk etmaal
toftasdagelijks, elke dag
kÿlaselke nacht (22–4 uur)
gurtas's ochtends, elke ochtend (4–11 uur)
géferasaltijd tussen de middag (om 12 uur)
fittasaselke middag (11–17 uur)
lupporaselke avond (17–22 uur)
miskofaselke nacht (22–1 uur)
parâstaselke middernacht (om 24 uur)
palfûtaselke nacht (1–4 uur)

bij dagen
lunatoftas's maandags, elke maandag
tûratoftasdinsdags, elke dinsdag, enz.

bij maanden
februytaselke februari
julaselke juli, enz.

bij seizoenen
kolofâtas's winters, elke winter
kormondôtas's zomers, elke zomer
lofâtaselke lente
mondôtaselke herfst

bij feestdagen
kriystâsaselke Kerstmis
paskaselke Pasen
pentecôtaselke Pinksteren

De vorm zemperas bestaat wel, maar dat betekent 'jaartal; leeftijd', en niet "elk jaar". Hiervoor in de plaats wordt jadâk zemper (elk jaar) gebruikt. Overigens kan jadâk ook wel in plaats van -[t]as gebruikt worden: jadâk gurt is dan min of meer synoniem met gurtas; jadâk kormondô is ongeveer hetzelfde als kormondôtas, enzovoort. Er is een subtiel betekenisverschil tussen -[t]as en jadâk: het suffix drukt uit dat iets "zo goed als" elk tijdstip plaatsvindt (tenzij uit de context blijkt dat het elk tijdstip moet plaatsvinden), terwijl jadâk suggereert dat er geen moment wordt overgeslagen. Vergelijk:

a.Wetestoftas Elsa lelperre sener bowling-luppor.
 's Woensdags heeft Elsa haar bowling-avondje.

b.Jadâk wetestof Elsa lelperre sener bowling-luppor.
 Elke woensdag heeft Elsa haar bowling-avondje.

In a. wordt uitgedrukt dat áls Elsa gaat bowlen, dat altijd op woensdag is. Het is niet gezegd dat ze ook elke woensdag gaat. In b. ligt de nadruk op het feit dat ze élke woensdag gaat bowlen (waarbij in het midden gelaten wordt of ze wellicht ook op andere dagen gaat bowlen).

171.24a

Vergelijk ook:

a.Lerdu lelperre maitas ef mebartof.
 Lerdu is in mei jarig.

b.? Lerdu lelperre ef mebartof jadâk mai.
 ? Lerdu is elke [maand] mei jarig.

Zin a. is correct, maar b. klinkt vreemd omdat hier expliciet wordt gezegd dat hij elke keer in mei jarig is, implicerend dat iemand normaliter níét elk jaar in de zelfde maand jarig is.

171.25   ad § 171.1   B. Uitdrukkingen van tijd en tijdsduur

Uitdrukkingen van tijd(sduur) bestaan vaak in de vorm van een additief. Syntactisch gezien gaat het om predicatieve additieven, die dus een bepaling bij het predicaat vormen. Maar in semantisch opzicht wijken ze van andere predicatieve additieven af omdat ze feitelijk geen nadere specificatie zijn van wat het predicaat uitdrukt, maar de Stand van Zaken relateren aan een bepaald tijdstip of een bepaalde tijdsduur. Vergelijk:

a.Petriy ufnara ôapuqu.Petriy heeft intensief getraind.
b.Petriy ufnara hols.Petriy heeft gisteren getraind.

Hoewel ôapuqu en hols syntactisch gezien beide een pred.add. zijn (zie § 40.30), zegt ôapuqu iets over de manier van trainen, maar expliceert hols iets over de SvZ PETRIY TRAINT, namelijk dat dat gisteren is gebeurd. De relatie tussen "trainen" en "intensief" is dus hechter dan die tussen "trainen" en de tijdsbepaling "gisteren". Daarom kunnen tijdsbepalingen makkelijker op andere posities in de zin staan, zoals geheel vooraan of geheel achteraan (linkse en rechtse dislocatie, zie § 93.77a). Een tijdsbepaling kan ook gemakkelijk met een ander pred.add. gecombineerd worden zonder dat beide add.n een "relatie" met elkaar hebben. Vergelijk:

a.Petriy ufnara ôapuqu én liyrsiy.Petriy heeft intensief en langdurig getraind.
b.* Petriy ufnara ôapuqu én hols.* Petriy heeft intensief en gisteren getraind.
c.Hols Petriy ufnara ôapuqu.Gisteren heeft Petriy intensief getraind.
d.?? Ôapuqu Petriy ufnara hols.? Intensief heeft Petriy gisteren getraind.

In a. zijn twee gelijkwaardige pred.add.n syntactisch met elkaar verbonden omdat ze beide iets zeggen over de wijze van "trainen"; er is dus een semantische overeenkomst. Zin b. is daarom fout omdat alleen ôapuqu iets zegt over het predicaat. In c. staan beide add.n apart (de tijdsbepaling is middels linkse dislocatie naar voren gehaald); dit is natuurlijk taalgebruik. Zin d. is daarentegen gemarkeerd omdat de hechte semantische band die er tussen "intensief" en "trainen" bestaat op een geforceerde manier met de links dislocatie verbroken is, terwijl de positie van "gisteren" juist een hechtere band met "trainen" suggereert. In bepaalde contexten (zoals met sterke emfase op "intensief") is deze zin te verdedigen.

171.26

Uitdrukkingen van een tijd(sduur) kunnen ook uit een substantief bestaan. Hierbij zijn verschillende syntactische constructies mogelijk:

  1. Subst. zonder nadere toevoegingen (§ 171.27)
  2. Subst. met een aanw.vnw. (vanaf § 171.28)
  3. Subst. met een additief (§ 171.30)
  4. Subst. met een voorz. (vanaf § 171.31)
  5. Subst. met een onb.vnw. (§ 171.36)
  6. Idiomatische constructie (vanaf § 171.37)

171.27   ad § 171.26   1. Subst. zonder nadere toevoegingen

Namen van dagen kunnen zonder nadere toevoeging gebruikt worden:

Kirro vende wetestof helkara zirrot.We gaan woensdag op vakantie.
Kôbotof melde ef musém ilba.Zondag zal het museum gesloten zijn.
Eup ef kles moje frÿtof.Ze heeft vrijdag het gras gemaaid.

Het gaat altijd om een bepaalde gebeurtenis die op die ene dag plaatsvindt of plaats heeft gevonden. De dagnaam staat bij voorkeur direct achter het predicaat, of geheel aan het begin (links dislocatie). De dagnaam heeft wat positie in de zin betreft dus het karakter van een pred.add.

171.28   ad § 171.26   2. Subst. met een aanw.vnw.

In § 52.7 is uitgelegd hoe het aanw.vnw. lelmo (dit, deze; enkelvoud concreet) ook gebruikt wordt bij tijdsbepalingen, om een moment uit te drukken dat nog komen moet of reeds aan de gang is. Als het genoemde tijdstip reeds voorbij is, wordt een constructie met het add. lâst (afgelopen; verleden) gebruikt. Vergelijk:

a.Lelmo fittas gress quardere ef koifur.
 Vanmiddag ga ik naar de kapper.

b.Lâst fittas gress ef koifur quardere.
 Vanmiddag ben ik naar de kapper geweest.

De mededeling in a. kan alleen vóór 17 uur gedaan zijn, want dan gaat de "middag" over in de "avond". De mededeling in b. kan alleen ná 17 uur gedaan worden (als de middag al voorbij is). Vergelijk ook:

a.Lelmo Pask kirro tinde fesért.
 Deze/met Pasen blijven we thuis.

b.Lâst Pask kirro tinda fesért.
 Deze/afgelopen Pasen zijn we thuis gebleven.

Zin a. kan gezegd worden als het reeds Pasen is, of als het binnenkort Pasen wordt. Zin b. refereert aan de paasdagen die reeds zijn geweest.
Bij namen van dagen is er een verschil tussen lelmo of het ontbreken ervan:

a.Lelmo sâmtof kirro tinde fesért.
 Deze zaterdag blijven we thuis.

b.Sâmtof kirro tinde fesért.   (vgl. § 171.27)
 Zaterdag blijven we thuis.

Zin a. wordt bij voorkeur zo opgevat dat het gaat om de zaterdag die reeds aan de gang is; in b. gaat het om de eerstvolgende zaterdag. Maar afhankelijk van de context kan a. ook gebruikt worden in de betekenis van b.
Vergelijk ook nog:

c.Lâst sâmtof kirro tinda fesért.
 Afgelopen/verleden zaterdag zijn we thuis gebleven.

171.29

Andere aanw.vnw., zoals het neutrale dena (deze, die), het contextuele mittof (deze), of voor expliciet ver weg, kunnen in bepaalde contexten wel gebruikt worden, maar zijn altijd gemarkeerd. Bijvoorbeeld:

Hols-kura kirro perka beri tinde fesért, brâ mittof kôbotof ef melda eft wâst.
Eergisteren moesten we thuis blijven, want die zondag was het noodweer.

In dit voorbeeld wordt met het contextuele aanw.vnw. mittof expliciet uitgedrukt dat het eergisteren zondag was.

171.30   ad § 171.26   3. Subst. met een additief

Een veelgebruikt add. in combinatie met een tijdsuitdrukking is lâst (afgelopen, verleden) (zie ook de vorige paragrafen). Vergelijk:

Óps prate kôbotof.
Ze vertrekken zondag. (dus de eerste zondag die nog komen moet)

Óps prata lâst kôbotof.
Ze zijn [afgelopen] zondag vertrokken. (dus de laatste zondag die geweest is)

Lâst (geleden) komt vóór het substantief, maar een telwoord kan zowel voor als achter lâst staan:

lâst ten zempers = ten lâst zemperstwee jaar geleden
lâst ér zurtarr = ér lâst zurtarreen uur geleden; afgelopen uur

Als lâst in een overtreffende of verkleinende trap wordt gebruikt (samen met terat resp. oiba), staat het telwoord er altijd achter:

lâst terat dur hertels ≠ * dur lâst terat hertelsmeer dan drie maanden geleden
lâst oiba 6 minks ≠ * 6 lâst oiba minksminder dan 6 weken geleden

Andere additieven kunnen ook in bestaande uitdrukkingen toegevoegd worden, bijvoorbeeld:

a.Lóf ef horit sâmtof pert stovyatjens tryunne pip kaf ef stovy.
 Op de vroege zaterdag staan al veel marktkooplui klaar op de markt.

b.Ef ðârlo kôbotofs kirro tinde fesért.
 De meeste zondagen blijven we thuis.

c.Lelmo ojic kormondô pert entrafers arfine helkara ef xijera.
 Deze prachtige zomer komen veel toeristen naar de kust.

Merk op dat 'volgende' of 'komende' bij tijdsbepalingen niet vertaald wordt met een additief, maar met het prefix pir-. Zie hiervoor § 171.18.

171.31   ad § 171.26   4. Subst. met een voorz.

Tijdsbepalingen kunnen met diverse voorzetsels gecombineerd worden, en dan met name met voorzetsels van tijd (zie Blok 140.8).

a.Óps marianara fes 2008.Ze zijn in 2008 getrouwd.
b.Holfplepiy 2008 óps marianara.Halverwege 2008 zijn ze getrouwd.

a.Ef treno prate kest dur zurt ur holfe.De trein vertrekt om half vier.
b.Hurtos dur zurt ur holfe ef trenos prate
éfti.
Vanaf half vier vertrekken er geen treinen
meer.

a.Fes [ef] aprila kult ÿksanuters di sértaru.In [komende] april gaan onze buren
verhuizen.
b.Kest ef aprila kult ÿksanuters di sértaru.Deze [maand] april gaan onze buren
verhuizen.

Let op het verschil tussen fes en kest in de laatste twee voorbeelden. Bij fes hoort een maand die al geweest is of nog komen moet; bij kest gaat het om de maand die op dat moment aan de gang is. Normaliter mag het lidw. ef achterwege blijven (met name in de spreektaal), maar bij kest is het altijd aanwezig.

171.32

Let op het verschil tussen a. en b.:

a.Sértare gress armt ki ef tof, den Petriy prate.
 Ik zal verhuizen op de dag dat Petriy vertrekt.

b.Sértare gress lóf ki ef tof, den Petriy prate.
 Ik zal verhuizen op/gedurende de dag dat Petriy vertrekt.

In a. wordt de nadruk gelegd op een tijdstip, gedefinieerd als het moment dat Petriy vertrekt. De verhuizing en Petriy's vertrek vallen dus samen. In b. ligt het accent op een tijdsduur: de verhuizing vindt gedurende een hele dag plaats, en ergens in de loop van die dag zal Petriy vertrekken. Beide gebeurtenissen hoeven niet samen te vallen (al vinden ze wel op dezelfde dag plaats).

171.33

Let op het verschil tussen a. en b.:

a.Ef ÿrôm klótarât futtof [ef] tûratof.1Het werk moet vóór dinsdag klaar zijn.
b.Gress prate futtof Petriy.Ik vertrek vóór (= eerder dan) Petriy.

In a. is er een directe relatie tussen het voorz. futtof en het genoemde tijdstip (namelijk "dinsdag"). In b. ontbreekt een directe relatie tussen futtof en Petriy, want "Petriy" is geen tijdstip. Het tijdstip is het niet genoemde moment dat Petriy vertrekt, en dat is gerelateerd aan het moment waarop ik vertrek. In a. is futtof [ef] tûratof in zijn geheel een tijdsbepaling, en deze kan gemakkelijk vooraan de zin geplaatst worden. In b. is futtof Petriy géén tijdsbepaling en daarom klinkt linkse dislocatie niet natuurlijk:

a′.Futtof [ef] tûratof ef ÿrôm klótarât.Vóór dinsdag moet het werk klaar zijn.
b′.? Futtof Petriy gress prate.? Vóór Petriy vertrek ik.

1Bij namen van dagen mag het lidw. ef weggelaten worden. Dit is gebruikelijk in de spreektaal, maar komt ook in de schrijftaal steeds meer voor.

171.34

Soms kan ook een additief met een voorzetsel gecombineerd worden. Zoals in d.:

a.Lef/lóf Kriystâs om kulle ur arfine.Met/gedurende Kerstmis komt oma logeren.
b.Qubâjo Kriystâs om kulle ur arfine.Omstreeks Kerstmis komt oma logeren.
c.Kriystâsas om kulle ur arfine.Elk jaar met Kerstmis komt oma logeren.
d.Qubâjo kriystâsas om kulle ur arfine.Elk jaar omstreeks Kerstmis komt oma logeren.

In a. en b. wordt het subst. Kriystâs nader gespecificeerd met een voorzetsel. Zin d. is bijzonder omdat het voorz. qubâjo gecombineerd is met het additief kriystâsas (zie § 171.24 voor het suffix -âs). Wat dit betreft kunnen we van een idiomatische constructie spreken.

171.35

Nominale tijdsbepalingen zónder voorz. worden soms abusievelijk opgevat als een object, met als gevolg dat zij vóór het predicaat verschijnen om een definitieve tijd uit te drukken. Vergelijk:

Do pitte pert lelmo tof. > £ Do lelmo tof pitte pert.
Hij fietst veel vandaag. > Hij heeft vandaag veel gefietst.

Gress arfine eft lelpiru tim. > £ Gress eft lelpiru tim arfine.
Ik kom een andere keer. > Ik ben een andere keer gekomen.

Zodra er een echt object aanwezig is, vervalt deze foutieve inversie:

Do trempe ef mimpit lelmo tof. > Do ef mimpit trempe lelmo tof.
Hij leest vandaag het boek. > Hij heeft vandaag het boek gelezen.

171.36   ad § 171.26   5. Subst. met een onb.vnw.

Als tijdsbepalingen met jadâk (elke, iedere) of cradef (alle) gespecificeerd worden, blijft een voorz. meestal achterwege. Bij andere onb.vnw.n komt meestal wel een voorz. Vergelijk:

a.lóf minker terrats[gedurende] sommige dagen
b.cradef terratsalle dagen; elke dag

a.fes/lóf teâk miskof[in/gedurende] zo'n nacht
b.jadâk miskofelke nacht

a.Ef ÿrôm génehe noi; armt sest fittasz do mitlâfelira.
 Het werk schiet niet op; op zulke middagen heeft hij er de pest in.
b.Cradef fittasz do lelperre eft slémut.
 Alle middagen/elke middag heeft hij een slecht humeur.

171.37   ad § 171.26   6. Idiomatische constructie

Het onb.vnw. effer (de/het enige (en geen ander)) krijgt een speciale betekenis indien gecombineerd met een enkelvoudige tijdsbepaling. Vergelijk:

a.Effer mirrâtat fes kult zeces tirduse pip lóf ten hertels.
 De enige lantaarnpaal in ons dorp is al twee maanden stuk.

b.Effer tof reparere ef zomar enn ef tirdus mirrâtat.
 Een dezer dagen zal de gemeente de lantaarnpaal repareren.

c.Effer zemper kirro póbare sener sért.
 Een dezer jaren verkopen we ons huis.

Soms wordt niet de geïdiomatiseerde betekenis bedoeld, maar de letterlijke. Vergelijk:

a.Effer hertel kirro póbare sener sért.
 Een dezer maanden verkopen we ons huis.

b.Ef jûn melda effer hertel den do nert lelperra ef ÿrôm.
 Juni was de enige maand dat hij geen werk had.

171.38

Hier nog enkele voorbeelden van idiomatische uitdrukkingen:

[fes] zemper-holfe ten[in] de tweede helft van het/dit jaar
[fes] mink-holfe ér[in] de eerste helft van de/deze week
zemper nert zemper iftamom het [andere] jaar
riyfain toftaswerkelijk elke dag (emfatische variant van cradef terrats)
ef sompat tofde [eerst]volgende dag
Do melde lef 20 zempers.Hij is 20 jaar oud.
fes 10 zempers fortin 10 jaar tijd
fes dur hertels fortin drie maanden tijd
Kirro prate armt arfinn sâmtof.We vertrekken aanstaande zaterdag.

171.39   Tijdsduur als bepaling bij een actie

Een tijdsduur wordt meestal uitgedrukt met het voorz. lóf (gedurende, tijdens, in), zie Blok 140.8 en de voorbeelden in § 140.98. In het Nederlands kan een voorz. vaak achterwege blijven. Vergelijk:

Do pónze jola-tjel lóf ten hertels.Hij krijgt twee maanden gevangenisstraf.
Ef melde diffiyk beri festrekke ef aderm
lóf 10 mitarr.
Het is moeilijk om 10 minuten je adem in
te houden.
Óps perka beri quÿe lóf vluf dus eft kortarr.Ze moesten meer dan een kwartier wachten.

171.40

Een met lóf gemarkeerde tijdsduur kan ook bepaling vormen bij een nominaal gebruikte infinitief (§ 50.35):

(1)Ef quÿe lóf 2 zurtarr melde eft kogûrus fort.
 Twee uur wachten is een hele tijd.

(2)Eup nert affionnose ef tupplipe lóf pert zurtarr.
 Ze houdt er niet van om vele uren te reizen.
(lett. "Ze houdt niet van reizen gedurende vele uren")

(3)Ef mirre lóf eft pijâ tof melde har ef tork kikaiy armt kost liftkar follus.
 Een hele dag wandelen is nogal vermoeiend voor mijn oude vader.

171.41

In § 141.101b is besproken hoe een nominaal gebruikte infinitief gedeverbaliseerd moet worden indien de infinitief als fundament bij een voorz. optreedt. Deverbalisering wordt uitgedrukt met het circumfix ÿ--os of l--os. Zo'n gedeverbaliseerde infinitief kan ook samengaan met een tijdsduur. Vergelijk (1)–(3) met:

(4)Mintof ef ÿquÿos lóf 2 zurtarr Elsa lelperra melkari ef jermiy.
 Na twee uur wachten was Elsa eindelijk aan de beurt.

(5)Os ef ÿtupplipos lóf pert zurtarr óps mešana velk cerviym.
 Ondanks vele uren reizen kwamen ze nog opgewekt aan.

Merk op dat in zin (4) feitelijk sprake is van twee tijdsbepalingen: de bepaling lóf 2 zurtarr (gedurende 2 uur) is geïncorporeerd in de tijdsbepaling mintof ef ÿquÿos (na het wachten). Oftewel: lóf 2 zurtarr vormt een nadere bepaling bij mintof ef ÿquÿos.
Zo'n combinatie van twee tijdsbepalingen maakt een alternatieve constructie mogelijk. Vergelijk:

(6)a.Mintof ef ÿquÿos lóf 2 zurtarr Elsa lelperra melkari ef jermiy.
 b.Mintof 2 zurtarr lóf ÿquÿos Elsa lelperra melkari ef jermiy.
 Na twee uur wachten was Elsa eindelijk aan de beurt.

In (6a) wordt primair gezegd dat het wachten 2 uur duurde voordat Elsa aan de beurt kwam. In (6b) ligt de nadruk op het feit dat Elsa pas na 2 uur aan de beurt kwam. De fundamenten ef ÿquÿos en 2 zurtarr zijn in b. feitelijk van plaats verwisseld. Merk op dat in zin b. het lidwoord ef voor de gedeverbaliseerde infinitief ÿquÿos ontbreekt. Dit is alleen mogelijk in deze temporele constructie, en daarom kan dit als een idiomatische constructie beschouwd worden.
Een variant als (6b) is alleen mogelijk als het om twee tijdsbepalingen gaat waarbij de ene geïncorporeerd is in de andere. Zin (7b) is daarom ongrammaticaal, omdat het voorz. os (ondanks) geen tijdsbepaling uitdrukt, maar een reden:

(7)a.Os ef ÿtupplipos lóf pert zurtarr óps mešana velk cerviym.
 b.* Os pert zurtarr lóf ÿtupplipos óps mešana velk cerviym.
 Ondanks vele uren reizen kwamen ze nog opgewekt aan.

171.42

Ook afstanden kunnen analoog aan een tijdsduur in dergelijke constructies verschijnen:

(1)Ef bensynn melda pip tijâ fes 35 kilometers lóf lufiros.
 De benzine was na 35 kilometer rijden al op.

(2)Mintof 6 kilometers lóf ÿmirros do melda zirde-hômba.
 Na zes kilometer wandelen was hij doodmoe.

De overeenkomst tussen de uitdrukking van tijd en de uitdrukking van afstand is ook te zien in zin (2), waar het voorzetsel mintof (na) feitelijk een temporele uitdrukking is. Hier wordt dus de nadruk gelegd op de periode die het afleggen van de zes kilometer duurt. In (1) daarentegen drukt fes (na) expliciet de fysieke afstand uit (zie Blok 140.9).

171.43

We moeten onderscheid maken tussen een substantief dat als tijdsbepaling fungeert, en een substantief dat refereert aan een bepaalde tijdsperiode. Vergelijk:

a.Lelmo ojic kormondô pert entrafers arfine helkara ef xijera.
 Deze prachtige zomer komen veel toeristen naar de kust.

b.Lelmo ojic kormondô trekke pert entrafers.
 Deze prachtige zomer trekt veel toeristen.

In a. is het onderstreepte deel een tijdsbepaling: deze drukt uit wanneer de toeristen naar de kust kwamen. In b. gaat het echter om de uitdrukking van een seizoen, in de functie van subject. In a. kan de tijdsbepaling ook achter het werkwoord geplaatst worden: Pert entrafers arfine lelmo ojic kormondô helkara ef xijera (Veel toeristen komen deze prachtige zomer naar de kust). In b. staat het onderstreepte deel op de vaste subjectpositie.

Vergelijk ook:

(1)a.Fes ef februy nert pert entrafers arfine kusami.
  In februari komen hier niet veel toeristen.
 b.Ef februy nert melde eft zampôrquiyr entrafer-hertel.
  Februari is niet een populaire toeristenmaand.

(2)a.Tûratof gress nert ÿrôme.
  [Aanstaande] dinsdag werk ik niet.
 b.Ef tûratof melde kost jolaiyðe.
  Dinsdag in [altijd] mijn vrije dag.

In de a.-zinnen is het onderstreepte deel een tijdsbepaling; in b. worden februy resp. tûratof als uitdrukking van een bepaalde maand/dag gebruikt: ze zijn het subject in de zin, en krijgen ook een lidwoord.

171.44   Klokkijken

Evenals het weer, wordt ook de tijd gezien als een "omgevingsvariabele" die taalkundig gezien zonder subject wordt uitgedrukt. Daarom wordt als "dummy-subject" het spoor ef gebruikt:

Ef melde fâr zurt.Het is vier uur.

In § 132.77 is uitgelegd dat in de spreektaal ef vermeden kan worden door de tijdsbepaling vooraan te plaatsen, als een soort zinskern:

£ Fâr zurt melde.Het is vier uur.

In een ietwat ouderwetse, deftige of dialectische variant kan ef vervangen worden door een frase met kloppa als subject. Het woord zurt kan dan soms weggelaten worden. Bijvoorbeeld:

a.℗/?† Ef kloppa rafane fâr zurt.lett. "De klok vertelt vier uur."
b.?† Ef kloppa kette fâr [zurt].lett. "De klok geeft vier [uur]."
c.Δ Ef kloppa šove fâr [zurt].lett. "De klok toont vier [uur]."

Variant a. is poëtisch/verheven en voor sommigen gewoon ouderwets. Variant c. is ouderwets en c. is dialectisch (Liftka). Zie ook § 171.51.

171.45

In het Spokaans wordt de tijd altijd vooruit gerekend vanaf een heel uur: de grootste eenheid ("half"), wordt er het eerst bij opgeteld, vervolgens "kwart", dan "minuut" en ten slotte "seconde". Bijvoorbeeld:

Ef melde fâr zurt.Het is vier uur.
Ef melde fâr zurt ur ten [mits].Het is tien over vier.
Ef melde fâr [zurt] ur korter.Het is kwart over vier.
Ef melde fâr [zurt], korter ur dur
   [mits].
Het is achttien minuten over vier.
OF  Het is twaalf minuten voor half vijf.
Ef melde fâr, holfe ur sers.Het is zes over half vijf.
Ef melde fâr, holfe ur korter. =
= Ef melde fâr [ur] holfe korter.
Het is kwart voor vijf.
Ef melde fâr, holfe, korter ur râsen. =
= Ef melde fâr [ur] holfe korter râsen.
Het is twee minuten voor vijf.
(lett. "vier uur + half + kwartier + dertien")

Merk op dat het woord zurt voornamelijk toegevoegd wordt bij ronde uren en bij uren + minuten. Zodra de woorden korter of holfe toegevoegd zijn, kan zurt vervallen, en bij nog complexere aanduidingen blijft zurt altijd weg. Verder zien we drie mogelijkheden om de tijdseenheden neven te schikken:

  1. volgens het reguliere patroon X, Y ur Z
  2. volgens het idiomatische patroon X ur Y Z
  3. volgens het elliptische patroon X Y Z

Hoe meer elementen de tijdsaanduiding bevat, hoe meer de voorkeur aan het elliptische patroon gegeven wordt.
Merk op dat in de uitdrukking fâr ur holfe korter de elementen holfe en korter als nevengeschikt beschouwd moeten worden, en niet zodanig dat holfe een bepaling bij korter is, dus een "half kwartier" (= 7½ minuut).

171.46

In zeer vlotte spreektaal kunnen alle elementen weggelaten worden behalve de telwoorden en de woorden holfe en korter:

Vraag:Folarra zurt melde?Hoe laat is 't?
Antwoord:Dur holfe âke.Acht over half vier.

Een populaire manier om "kwart voor ..." uit te drukken is:

?£ Fâr dur korters.Kwart voor vijf.
(lett. "vier drie kwartieren")

Deze frase kan verwarrend zijn vanwege de twee opeenvolgende telwoorden (het tweede telw. is natuurlijk altijd dur), en bovendien wordt er gebruikgemaakt van een meervouds-s, die normaliter ongrammaticaal is achter korter (dit woord heeft geen gemarkeerde meervoudsvorm; zie § 171.3).

 
Ér [zurt], holfe, korter ur vÿr
"één [uur], half, kwartier en vijf"

171.47

Bij het klokkijken worden voor de getallen 11 t/m 14 altijd de klassieke telwoorden gebruikt, en nooit de (langere) samengestelde rekenkundige varianten. Overigens hebben de klassieke varianten voor 11 t/m 14 sowieso de voorkeur, zoals in § 170.31 is uitgelegd. Vergelijk:

a.Ef melde âke, holfe, korter ur tesen.
b.?? Ef melde âke, holfe, korter ur main-ten.
Het is drie minuten voor negen.
(lett. "het is acht, half, kwart en twaalf")

171.48

Bekijk:

Ef melde heferg zurt.Het is zeven uur.
Ef melde ér ur korter.Het is kwart over één.
Ef melde dur, holfe ur sers.Het is zes over half vier.

Omdat de vetgedrukte tijdsaanduidingen niet beschouwd worden als nominale elementen, maar veeleer als eigenschappen die het karakter van een additief hebben, wordt in de betekenis "worden" het koppelwerkw. pónze gebruikt, en niet tinkere (zie ook § 102.12–13):

Ef pónze ÿpf ér ur korter.
* Ef tinkere ÿpf ér ur korter.
Het wordt snel kwart over één.

Ef loke jazy, ef pónzelira kvâ heferg zurt.
* Ef loke jazy, ef tinkerelira kvâ heferg zurt.
Het lijkt wel of het nooit zeven uur wordt.  (kan gezegd worden
door iemand die lang zit te wachten tot het zeven uur is)

171.49

Er kan op twee manieren naar de tijd worden gevraagd:

Folarra zurt melde?(lett. "Welk uur is [het]?")
Ef kloppa reppatéf?(lett. "Wat zegt de klok?")
Hoe laat is het? 

In § 150.107 is uitgelegd dat antwoordende zinnen het liefst de focus in de kern hebben. Als er naar de tijd gevraagd wordt, is de focus de eigenlijke tijdsbepaling, en daarom ligt het voor de hand om deze in het antwoord als kern op te voeren. Op vraag (1a) kan dan ook antwoord (1b) verwacht worden; variant (1c) is als antwoord minder natuurlijk:

(1)a.Folarra zurt melde?Hoe laat is het?
 b.Fâr ur holfe [melde].Het is half vijf.
 c.? Ef melde fâr ur holfe.

In § 132.78–79 is uitgelegd dat linkse dislocatie ter vermijding van het spoor ef feitelijk alleen mogelijk is bij de koppelwerkw.n melde, pónze en tinde, en in de spreektaal ook bij bijvoorbeeld loke (lijken), ÿrmoie (schijnen [te zijn]) en frute (zou wel eens kunnen zijn). Bij andere werkwoorden is linkse dislocatie niet acceptabel en dan ontstaat er een conflict, zoals in:

(2)a.Folarra zurt melde?
 b.® Ef tóte beri melde âke zurt.
 c.?* Âke zurt tóte beri melde.
 Het schijnt acht uur te zijn.

171.50

Constructie (2b) in de vorige paragraaf is op zichzelf grammaticaal maar als antwoord minder natuurlijk, omdat de focus âke zurt niet als kern optreedt. Variant (2c) is zo goed als ongrammaticaal, omdat het predicaat niet een typisch, semantisch zwak, koppelwerkw. is. Uit de markeringen ® en ?* kan opgemaakt worden dat variant (2b) toch nog de beste oplossing is. Sprekers die het heel nauw met hun taal nemen, kunnen nog voor een derde variant kiezen:

(2)d.Ef zurt tóte beri melde âke.
  (lett. "Het uur schijnt acht te zijn.")

Hier is zurt een echte zinskern geworden en de constructie verschilt niets van algemeen voorkomende zinnen in de trant van Lerdu tóte beri melde kinur (Lerdu schijnt ziek te zijn). Variant (2d) is grammaticaal en pragmatisch geheel correct, maar wordt door sommigen op semantische gronden afgekeurd omdat hier feitelijk niet verteld wordt "hoe laat het is", maar "wat het uur is": er wordt een eigenschap van de entiteit "uur" gegeven (ervan uitgaande dat het telwoord âke hier als een eigenschap-uitdrukkend additief optreedt, en ook dat is twijfelachtig).

Het probleem dat er op een bepaalde vraag geen correct antwoord gegeven kan worden, had de vraagsteller reeds kunnen omzeilen door te vragen: Ef kloppa reppatéf?. Nu kan het antwoord zonder problemen als volgt geformuleerd worden:

Âke zurt tóte beri reppelije pai ef kloppa.
(lett. "acht uur schijnt er door de klok gezegd te worden")

Dit vraag- en antwoordpaar is grammaticaal volkomen correct, maar klinkt toch wel zo badinerend en omslachtig dat het niet anders dan ironisch opgevat kan worden.

171.51

Het is opvallend hoeveel dialectische variatie er bestaat bij de tijdsaanduidingen (zie bijvoorbeeld ook § 173.34 en § 173.75). Een wel heel bijzonder idioom kennen sommige dialecten op Centraal-Liftka. Hier wordt vooruit gekeken naar het hele uur dat nog komen moet. Maar sommige dialecten doen dat pas als er al een half uur verstreken is, terwijl andere dat al vanaf het hele uur doen. Het volgende voorbeeld kan dus twee verschillende dingen betekenen, al naar gelang het dialect:

Δ Ef šove korter âke loiniy fâr.
(lett. "het toont [een] kwartier en acht [minuten] in de
richting van vier [uur]")

a.  Het is 23 minuten over drie.   (gerekend vanaf 3 uur)
b.  Het is 7 minuten voor vier.   (gerekend vanaf half 4)

De dialecten die betekenis b. gebruiken, drukken de eerste 30 minuten na het hele uur als volgt uit:

Δ Ef šove korter âke rifonn dur.
(lett. "het toont [een] kwartier en acht [minuten] vanaf drie [uur]")
Het is 23 minuten over drie.

171.52   ad § 171.1   C. Kleuren

Kleuren kunnen op twee manieren weergegeven worden: (i) met een add.; (ii) met een prefix. Add.n. en prefixen drukken niet altijd precies dezelfde kleuren uit. In het volgende blok staan de kleurnamen, alfabetisch gerangschikt op de Nederlandse naam. De zogenoemde "basiskleuren" zijn te vinden in het spectrum (de kleuren van de regenboog); ze zijn hier met * gemarkeerd:

Kleuren
 additiefprefix 
lómiyazuren
bešebeige
*blotterblauw
*nydamesâblauwgroen
miterusbruin
aljâgôtsocrème
nyda-donkerblauw/blauwzwart
zefblotterdonkerblauw, diepblauw
bilysdonkerbruin/rossig
qundy-donkergroen (archaïsch, poëtisch)
kursuus-qundy-donkerrood (archaïsch, poëtisch)
*kolaikola-geel
mitra-geel/oker/bruin
gristgrijs
*mesâgroen
plemplema-lichtblauw
lati-lichtblauw/blauwgroen
zvelle-lichtgroen/geelgroen
*partanlila, violet
o'icrâoker
*roffiyrofa-oranje
*bârÿrbâra-paars
*mindefitminda-rood
rošaroodbruin/rossig
littitroze/lichtrood
vlybâsturquoise
blakkerblak-wit
doffiydoa-zwart

Speciale aandacht verdienen de prefixen mitra-, lati- en zvelle-, omdat deze niet één kleur aanduiden maar een aantal verwante kleuren, en alles daartussenin. Hoewel mitra- duidelijk verwant is met miterus (bruin), omvat het alle kleurschakeringen van geel via oker naar bruin. Evenzo omvat lati- alle kleurschakeringen van lichtblauw naar blauwgroen. En zvelle- gaat van lichtgroen naar geelgroen.
Voor een preciezere kleuraanduiding is meestal een add. beschikbaar. Als bijvoorbeeld mitra- te vaag is omdat het om alle kleurvariaties tussen geel en bruin kan gaan, kunnen de add.n kolai (geel), o'icrâ (oker) of miterus (bruin) gebruikt worden. Alleen bij zvelle- bestaan geen verwante add.n om hetzij "lichtgroen" hetzij "geelgroen" uit te drukken. Hier moeten samenstellingen gebruikt worden in de trant van vjârt-mesâ (lichtgroen; zie § 171.67) of kolamesâ (samenstelling van kola- (geel) en mesâ (groen); zie § 171.55).
Ook het prefix kursuus-qundy- (donkerrood, dieprood) is opvallend, omdat qundy- op zichzelf 'donkergroen, diepgroen' betekent. Door de samenstelling met kursuus (bloed) wordt "groen" ineens als "rood" geïnterpreteerd!

171.53

Een kleuraanduidend prefix wordt normaliter alleen aan substantieven gehecht:

ef nydavâtjahet [donker]blauwe vest
ef rofaotode oranje auto
ef latisnÿde groene sneeuw

171.54

Indien er voor een bepaalde kleur zowel een add. als een prefix beschikbaar is, wordt het prefix bij voorkeur gebruikt als de kleur een inherente eigenschap is. Dit zien we vooral bij namen van planten en dieren, waarbij de toevoeging van een kleur op een specifieke soort duidt. Vergelijk:

a.eft mindatrunneen gekraagde roodstaart (vogel)
b.eft mindefit trunneen rode staart

a.kolamutverfbrem (bepaalde plant)
b.kolai mutgele brem (alle brem die geel is)

a.eft blakstÿkeen wijting (bepaalde vis)
b.eft blakker stÿkeen witte baars

a.eft plemaflyddereeen bleek blauwtje (bepaalde vlinder)
b.eft plem flyddereeen lichtblauwe vlinder

a.doatustûr(bep. soort donker roggebrood,
vaak met stroop, uit Zuidoost-Jelafo)
b.doffiy tustûrzwart brood (algemeen)

a.mitrazjolbruinkool
b.miterus zjolbruine steenkool

Maar er zijn ook uitzonderingen met een aangehecht add. in plaats van een prefix, zoals:

eft mindefit-ÿc
(niet * mindaÿc)
een Amerikaanse eik (Quercus rubra)

ef blakker-ojel
(niet * blakojel)
de kerkuil (Tyto alba)
vgl. ef blakker ojelde witte uil

Als een kleurprefix ontbreekt, is een add. natuurlijk de enige mogelijkheid. Er blijft echter een onderscheid tussen een samst. en een losse combinatie, zoals in:

littit-zé-klesEngels gras (Armeria maritima)
littit zé-klesroze zeegras

Ook bij eigennamen en specifieke begrippen heeft een kleuraanduidend prefix de voorkeur:

Stus garagog ne'âma fes ef latizône.
Niet:  blotter zône
Je mag alleen in de blauwe zone parkeren.
 

Óps trempe Ef Kolaveemân.
Niet:  ef Kolai Veemân
Ze lezen "De Gele Vlag"
(een kritisch rooms-katholiek opinieblad).

Sâmtof Doaplinker Lostô merre ber
Mollefin.
Niet:  Doffiy Plinker
Zwarte Ster Lostô speelt zaterdag in Mollefin
(een bepaalde voetbalclub).

171.55

Voor tussenkleuren kunnen samenstellingen van een prefix + add. gebruikt worden. Merk op dat kleuraanduidende prefixen normaliter alleen aan subst.n gehecht kunnen worden (zie § 171.53), en dat aanhechting aan add.n alleen mogelijk is als het add. zelf ook een kleur aanduidt. Bijvoorbeeld:

rofamindefitoranjerood, roodoranje
bârablotterblauwpaars, paarsblauw

kolamesâgeelgroen
? latikolai? groengeel

kolamiterusbruingeel, geelbruin
? mitrakolai? bruingeel

Merk op dat de kleurnamen latikolai en mitrakolai vreemd zijn, omdat de prefixen lati- en mitra- een "te groot bereik" hebben, wat wil zeggen dat ze niet één kleur weergeven, maar een kleurenreeks: met lati- kan een heel palet van groen naar blauw bedoeld worden, en mitra- kan verwijzen naar een heel palet van donkergeel naar bruin.

171.56

Kleuren kunnen verder altijd omschreven worden met samenstellingen en afleidingen die een vergelijking uitdrukken met een voorwerp of stof waarvoor de kleur kenmerkend is. Enkele voorbeelden:

ÿðycu-littitvleeskleurig (lett. "vlees-roze")
oljyvo-mesâ = oljyvo-marâsiyolijfgroen, olijfkleurig
huldu-mindefit = huldu-marâsiykersenrood
skés-miterus = skés-marâsiypoepbruin
jâstep-marâsiymosterdgeel, mosterdkleurig
šifer-marâsiyzilverkleurig
jôl-marâsiygoudkleurig
korojelerÿkoraalkleurig (zacht oranje-rood;
lett. "koraal-achtig")
horerusoker, donkergeel (zoals van vroegere
wegwijzers)

-marâsiy (-kleurig) kan gebruikt worden indien het soort kleur inherent aan het voorwerp is: olijven hebben een typisch groene kleur, kersen zijn (vrijwel) altijd rood.
Let op korojelerÿ, een add. dat niet specifiek aan een kleur refereert, maar de idiomatische betekenis 'zacht oranje-rood' heeft gekregen (terwijl koraal natuurlijk ook allerlei andere kleuren kan hebben).
Ook horerus is een opvallend add.: het is een versmelting van de eerste lettergreep van hormâ (verkeersbord, wegwijzer) met de laatste twee lettergrepen van miterus (bruin). Horerus was oorspronkelijk de merknaam van een speciaal soort reflecterende okerkleurige verf die tussen ca. 1945 en 1960 voor wegwijzers werd gebruikt. In de loop der tijd is de merknaam ook als kleurnaam in zwang gekomen. Na 1960 zijn de wegwijzers lichter van kleur geworden, om de leesbaarheid te vergroten.

171.57

Diverse samenstellingen met kleurnamen geven niet zozeer een specifieke kleurvariant aan, als wel een intensiteit van de kleur. Bijvoorbeeld:

snÿ-blakkersneeuwwit = heel wit
kursuus-mindefitbloedrood = felrood
avyro-blotterhemelsblauw = helder blauw
zân-miterus"stambruin" (mooi diepbruin)
lofa-mesâ = râx-mesâ(poëtisch) bladgroen (helder/fris groen)

171.58

Als twee additieven die een kleur aanduiden met een filâsto verbonden worden, geeft het nieuwe samengestelde additief aan dat beide kleuren aanwezig zijn (geruit, gestreept ed.); er is dus géén sprake van een mengvorm (zie ook § 41.46):

eft mindefit-mesâ bofeen rood-groene broek
   (= met rode en groene strepen/ruiten)
Svedenex ef kolai-blotter flâde geel-blauwe vlag van Zweden
eft blotter-mesâ prexâsót vâtjaeen blauw-groen gestreept vest
   (met blauwe en groene strepen)

Vergelijk dit met het gebruik van kleurprefixen voor de uitdrukking van tussenkleuren (zie § 171.55):

ef rofiy-mindefit cÿrammeen oranje-rode sjaal
   (met oranje en rode strepen of blokken)
ef rofamindefit cÿrammeen oranjerode sjaal
   (kleur tussen oranje en rood in)

171.59

Sommige subst.n gaan dikwijls samen met een "idiomatische kleur"; het is algemeen bekend wat de kleur precies is, maar de feitelijke omschrijving is niet juist. Zoals:

ef kolai plekohet gele zand (ook gezegd van het zand langs de
   Spokanische kusten dat duidelijk wit is)
ef blotter knurfelhet blauwe water (bedoeld wordt: het heldere water,
   bij zonsondergang kan het er ook oranje uitzien)
ef doffiy kursuus(archaïsch/poëtisch) het donkerrode bloed (zoals
   dat uit een wond op het slagveld stroomt)
ef grist skât-canazâhet grijze graniet (bedoeld wordt: grauw, niet mooi
   van kleur)

Littit Preenâ gyre ef argerat lo ajeruffelira ur kajjynte ef marestjer.1
De roze Preenâ opent de deur op een kier en kijkt de vazal zodanig aan
dat hij er verlegen van wordt.  (er wordt niet bedoeld dat Preenâ "roze" is,
maar dat ze een gezonde kleur heeft, wellicht blozend)

Het gaat vaak om poëtische of literaire uitdrukkingen (ze komen heel veel in de sagen voor).


1Citaat uit Âldergeeneëx ef Yzlât (Sage van Âldergeene). Het werkwoord kajjynte betekent 'iemand zo aankijken dat hij er verlegen van wordt of met zijn houding geen raad weet'.

171.60

Evenmin als andere add.n, kunnen kleuraanduidingen substantivisch gebruikt worden. Hier is toevoeging van een subst.-spoor noodzakelijk. In het algemeen kan tiyn gebruikt worden, maar ook semantisch rijkere woorden als marâs (kleur) of verfu (verf) zijn mogelijk. Vergelijk:

Ef mindefit tiyn kaf ef kul melde terat fér ki.Het rood van de schuur is erg fel.
Gress nâs-verfutavy ef kolamesâ wÿja.Ik wil het geelgroen overschilderen.
(lett. "de geelgroene laag")
Ef bârÿr marâs rifo ef slapelmit nert insule
gress.
Het paars van de slaapkamer staat me niet
aan.  (lett. "de paarse kleur")

Zie ook § 171.62 voor de mogelijkheid om middels een afleiding een subst. te vormen.

171.61

In een aantal idiomatische gevallen heeft een kleurnaam het karakter van een echt subst. gekregen, zoals:

STOFFELIJK:ef blakkerde witkalk (om muren te witten)
 ef blotterde blauwe verf (hier: grijsblauwe verf, in vele streken
gebruikt om kozijnen en buitendeuren te schilderen)
 ef doffiya. het zwartsel (poeder om kachels en fornuizen zwart
    te poetsen)
  b. zwarte schoensmeer
 ef miterusbruine schoensmeer
CONCREET:ef blakker1de blanke (man/vrouw)
 ef grist2de schimmel (wit paard)

Merk op dat alle stoffelijke subst.n de naam van een product zijn dat dient om een oppervlakte een bepaalde kleur te geven. In dit betekenisveld is de substantivering van kleurnamen tamelijk productief.3


1Analoog aan ef blakker (de blanke) bestaan ook ef doffiy (de zwarte = neger); ef mindefit (de rode, roodhuid = indiaan), ef kolai (de gele = Aziaat) en ef miterus (de bruine = Latino of Noord-Afrikaan). Het zal duidelijk zijn dat al deze huidskleur-aanduidingen tegenwoordig uiterst racistische en discriminerende scheldwoorden zijn. Vreemd genoeg wordt de pejoratieve connotatie bij ef blakker niet zo gevoeld. Dit is aanleiding tot een al jaren telkens weer oplaaiende discussie of ook ef blakker dan maar als taboewoord vermeden moet worden. Waarbij steevast het argument genoemd wordt, dat áls je ef blakker acceptabel vindt, er niets op tegen is om ook de andere huidskleur-benamingen acceptabel te vinden. De discriminatie zit hem niet in deze woorden of het gebruik ervan, maar in het feit dat mensen racistische en discriminerende gevoelens hebben (of denken dat anderen dat hebben), als ze zulke woorden gebruiken of horen. En omdat er talloze woorden bestaan die voor de ene taalgebruiker volkomen neutraal en aanvaardbaar zijn terwijl een ander ze als scheldwoord gebruikt (denk aan "homo", "katholiek" of "bejaarde"), waarom zouden de huidskleurbenamingen dan niet neutraal kunnen zijn – ook al misbruiken mensen met racistische ideeën ze? Deze discussie is goed geanalyseerd door Kjobee Beelmânt in zijn boek Ef politiyca quâfe-tiyn ur ef kell politiyc (De politieke correctheid en de foute politiek; 2002).


2Meer algemeen is de afleiding ef grister (de schimmel), zie § 171.62.


3De productiviteit wordt goed geïllustreerd in de namen van schoensmeer. In navolging van de "zwarte" en "bruine schoensmeer" is ook een term als ef mindefit (de rode schoensmeer) heel goed mogelijk.

171.62   Afleidingen van kleurnamen

Kleurnamen kunnen met het suffix -en als subst. gebruikt worden. Dit suffix kan zowel achter een kleur-add. als achter een kleur-prefix. Bijvoorbeeld:

Ef mindefiten/mindaen rifo ef arâbe-bankres melde terat fér ki.
Het rood (de rode kleur) van de tuinbank is erg fel.

Dena zvelleen melde jazy eft tjâst tjef ón tu!
Dat lichtgroen/geelgroen staat je erg goed!

ef mesâen rifo ef vilduls1     het groen van de bomen

Ook het suffix -en om een elliptisch gerundium uit te drukken (zoals ufiren lôftquar! (langzaam rijden!)) wordt door sommige grammatici gezien als verwant aan de kleurnaam-afleiding (§ 110.49a). Zie ook § 171.60 voor omschrijvingen met een kleurnaam.

Van kleur-add.n kunnen ook subst.n afgeleid worden waarvoor de kleur een kenmerkende eigenschap is. Dit gebeurt meestal met het suffix -er:

grist ~ ef gristergrijs ~ de schimmel (wit paard)

mesâ ~ ef mesâergroen ~ a.  de groenling  (vogel: Carduelis chloris)
             ~ b.  het groentje  (vlinder: Callophrys rubi)

aljâgôtso ~ ef aljâgôtsercrèmekleurig ~ de ivoorboleet (Suillus placidus)

1Ef mesâen heeft ook de betekenis van 'het [groene] gebladerte' gekregen.

171.63

Andere, niet-productieve, afleidingen:

mindefit ~ ef mindefitosrood ~ a.  blos  (op wangen)
           ~ b.  menie (rode/oranje verf)

roša ~ ef rošesrossig ~ de kopvoorn  (vis: Leuciscus cephalus)

mesâ ~ ef mesâdul1groen ~ de altijd groene boom
           ~ mesâmesâ2            ~ klein wintergroen  (Pyrola minor)

doffiy ~ ef doffiybâ3zwart ~ de zwarte bes
            ~ ef doffâr            ~ de braam[bes]

Er bestaat één afleiding van een kleurenprefix:

mitra- ~ mitraarebruin ~ tanen, gelig worden

1-dul is de gereduceerde vorm van vildul (boom), een tamelijk productief suffix.


2Mesâmesâ is feitelijk geen afleiding maar een reduplicatie.


3-bâ is de gereduceerde vorm van labâ (bes); deze vorm is improductief.

171.64

Het is niet ongewoon dat de naam van een product de basis vormt voor een kleurnaam. Zo komt "oranje" van het Franse orange (sinaasappel), komt "oker[kleurig]" van de stofnaam oker, en komt "turquoise" van de halfedelsteennaam turkoois.
In het Spokaans zijn de volgende kleurnamen afgeleid van een ouder subst.:

roff ~ roffiy(stoffelijk) oranje gloed (vuur, ondergaande zon) ~ oranje
aljâ-gôts ~ aljâgôtsoaljâ-steek1 ~ crèmekleurig (de kleur van zulke steken)

Let ook op de namen blotter en blakker. Dit zijn moderne varianten van de Oudspokaanse vormen †blot[t] (blauw) en †blak[k]2 (wit). Dit laatste add. heeft niets te maken met het Engelse black, maar is een leenwoord van het Franse blanc3.


1Dit is een steek (hoofddeksel) van een aljâ = landvoogd (historisch: persoon die namens de koning een district bestuurt).


2Het woord blakk komt in modern Spokaans nog voor in de betekenis van 'spatie'. Ook dit is dus een voorbeeld van een kleur-add. dat een substantivische betekenis heeft gekregen.


3In het Spokaans valt de n wel vaker weg voor de k. Zie ook § AT.68.

171.65

Let op de volgorde bij samenstellingen waarin de kleur van een materiaal gegeven wordt: eerst materiaal, dan de kleur, als een scheid.samst.:

eft marcatâ-kolai robôeen geelbrokaten jurk
eft plastic-blakker amâreen witte plastic emmer
ef katona-mesâ ur ôc-mindefit kÿponfâstôede groene en rode katoenen handdoeken

171.66

Het gebruik van kleurprefixen wordt als dialectisch (Môliy- en Hazâcki-Spokaans) gekenmerkt (zie § 173.33 en § 173.74):

Δ eft kolamarcatâ robôeen geelbrokaten jurk
Δ eft blakplastic amâreen witte plastic emmer

Het gebruik van dergelijke prefixen is natuurlijk wel acceptabel als er niet een kleur maar een soort is bedoeld, vergelijk:

a.eft kolakolini sért
 een geelstenen huis  (= een huis gebouwd van
een bepaald soort gele baksteen)
b.eft kolini-kolai sért
 een geel stenen huis  (= een huis gebouwd van
welke gele steensoort dan ook)
1

1Vergelijk ook nog: eft kolai, kolini sért (een geel, stenen huis); hier staan twee kwalificaties bij "huis": zijn kleur is geel, en zijn materiaal is steen.

171.67

Het karakter van een kleur kan nader omschreven worden met een hele reeks additieven, die op zichzelf níét een bepaalde kleur aanduiden, zoals:

vjârtlicht(gekleurd)
zutterdonker(gekleurd)
ligtlicht(gekleurd)
trótiyeffen
férafel
grÿgrauw
marâsiygekleurd (met één hoofdkleur)
marâsótkleurig (vol kleuren)
pertmarâsiy =
= pert-marâsiy
bont (met veel kleuren)
dur-marâsiy driekleurig (enz.)
pluquahbont (veelkleurig)

Zulke add.n kunnen vaak gecombineerd worden met een specifieke kleur. Als de kleurnaam een add. is, is het gebruikelijk om beide add.n met een filâsto aan elkaar te hechten (zie a.), als de kleurnaam een prefix is, staat het add. er los bij (in b.):

a.eft féra-kolai kaseen felgele jas
b.ef zutter mindabofeen donkerrode broek

TOP
<< Hoofdstuk 170 | Hoofdstuk 172 >>

© (2000) Rolandt Tweehuysen, Kimswerd, the Netherlands