Grammatica van het Spokaans

<< Hoofdstuk 121 | Hoofdstuk 123 >>
12. Samengestelde zinnen

122. Semantische onderschikkingen


Opbouw van dit hoofdstuk:

Blok:


122.1   Algemeen

Dit hoofdstuk behandelt de semantische onderschikkingen. Dit zijn onderschikkingen die uitgedrukt worden met behulp van een voegwoord dat een "betekenis" heeft (een semantische inhoud). Daarnaast bestaan er ook nog grammaticale onderschikkingen. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een voegwoord zonder semantische inhoud. Er wordt nu alleen een syntactisch (en pragmatisch) verband gelegd tussen de hoofdzin en de bijzin. Dit wordt behandeld in Hoofdstuk 123.
De semantische onderschikkingen zullen hieronder gewoon "onderschikkingen" genoemd worden. Voor het verschil tussen ONDERschikking en NEVENschikking wordt verwezen naar § 120.1–8.

122.2

Bij onderschikking hebben we te maken met een matrixzin (of hoofdzin) die voorafgegaan of gevolgd wordt door een ondergeschikte bijzin. Zo'n bijzin fungeert feitelijk als een soort adverbiale bepaling bij de matrixzin (zie ook § 120.8). Vergelijk de vetgedrukte elementen:

a.Zûfiy ef pónzo kittianer.Toen werd het gezellig.
b.Zuf do prato, ef pónzo kittianer.Toen hij vertrok werd het gezellig.

De adverbiale bepaling in a. (in § 40.2 een "pred.add." genoemd) vertoont grote syntactische overeenkomst met de ondergeschikte bijzin in b.

122.3

Onderschikkingen worden in het Spokaans op twee manieren verwezenlijkt:

  1. met behulp van een onderschikkend voegwoord (ondersch.voegw.)
  2. met behulp van een onderschikkende determinant (ondersch.det.)

In tegenstelling tot nevenschikking (zie Hoofdstukken 120 en 121) vindt onderschikking alleen op zinsniveau plaats: als zin Z2 een ondergeschikte relatie tot zin Z1 heeft, dan vormen Z1 en Z2 samen een onderschikkende volzin. Onderschikkende volwoorden of volconstituenten komen niet voor.
De onderschikkende voegwoorden en dito determinanten zijn opgenomen in Blok 122.16, maar eerst zal het principiële verschil tussen een voegwoord en een determinant uitgelegd worden.

122.4

Ondersch.voegw.n staan, zoals te verwachten is, aan het begin van een ondergeschikte bijzin. Deze bijzin kan zowel voor als achter de hoofdzin geplaatst worden. Bij vooropplaatsing van de bijzin kan de hoofdzin eventueel ingeleid worden met het add. CAT. III dus (dan). Vergelijk:

(1)a.Kârle ÿrôme éfti, er sener tubôs melde koffon.
  Kârle werkt niet meer, sinds zijn vrouw dood is.

 b.Er groft1 tubôs melde koffon, [dus] Kârle ÿrôme éfti.
  Sinds zijn vrouw dood is, werkt Kârle niet meer.

1Merk op dat het impliciete bez.vnw. sener uit (1a) vervangen moet worden door het expliciete bez.vnw. groft in (1b). Dit omdat een impliciet bez.vnw. alleen mag verschijnen als het antecedent ervoor staat. Zie § 51.10 en § 51.18.

122.5

Ondersch.det.n staan altijd onmiddellijk vóór het predicaat in de hoofdzin (zie ook § 133.68–74). In de bijzin wordt het hulpwerkw. (of, indien er geen hulpwerkw. aanwezig is, het hoofdwerkw.) voor de ondergeschiktheid gemarkeerd met een suffix. Dit suffix komt achter de gramst. en kan zijn:

-ilómein actieve constructies
-ilomijein objectpassieve constructies
-ilomitâin echopassieve constructies

De passieve suffixen zijn feitelijk versmeltingen van -ilóme + -lije respectievelijk van -ilóme + -litâ (zie ook § 90.19).

122.6

Bijvoorbeeld (vergelijk (1) in § 122.4):

(2)Kârle er ÿrôme éfti, groft1 tubôs meltilóme koffon.
 Kârle sindsDET werkt niet.meer, zijn vrouw is-ONDERSCH dood
 Kârle werkt niet meer, sinds zijn vrouw dood is.

Uit (1) en (2) kunnen we concluderen dat er (sinds) als zowel voegwoord als determinant kan optreden. De meeste determinanten hebben echter een andere vorm dan de semantisch equivalente voegwoorden. In een aantal gevallen mist het voegwoord een equivalente determinant, of mist de determinant een equivalent voegwoord (zie Blok 122.16).


1Let op het gebruik van groft in zin (2). In § 51.11 is uitgelegd dat sener in de zinskern van een onderschikking niet is toegestaan, indien de onderschikking door een determinant gemarkeerd wordt. Zie ook § 122.4 voetnoot 1.

122.7

Een -ilóme/-ilomije/-ilomitâ-constructie is níét mogelijk als:

  1. de bijzin vóór de hoofdzin staat;
  2. er geen syntactische eenheid met een hoofdzin is (zoals in vraag/antwoord-paren);
  3. de bijzin ondergeschikt is aan een andere bijzin;
  4. het werkwoord in de bijzin reeds een noodzakelijk suffix draagt, zodat -ilóme etc. niet mogelijk zijn.

122.8   ad § 122.7   a. Bijzin staat vóór de hoofdzin

Vergelijk:

(1)Kârle er ÿrôme éfti, sener tubôs meltilóme koffon.   (= § 122.6 (2))
 Kârle werkt niet meer, sinds zijn vrouw dood is.
(2)* Groft tubôs meltilóme koffon, Kârle er ÿrôme éfti.

Variant (2) is ongrammaticaal, en moet daarom vervangen worden door een voegwoordconstructie als we de bijzin beslist vooraan willen plaatsen:

(2′)Er groft tubôs melde koffon, [dus] Kârle ÿrôme éfti.
 sinds zijn vrouw is dood, [dan] Kârle werkt niet.meer

122.9   ad § 122.7   b. Bijzin is syntactisch los van hoofdzin

Een losstaande bijzin is goed mogelijk als antwoord op een vraag, bijvoorbeeld:

V:Tu axe ef vildul mitulanis?
 jij omhakt de boom waarom
A:Janof ef blaffe fit pert armâtat.
 Omdat hij zo veel licht beneemt.

Een ondersch.det. staat nooit in de bijzin maar altijd in de hoofdzin. Daar in het antwoord hierboven een hoofdzin ontbreekt is er geen plaats voor een determinant, zodat er voor het voegw. janof (omdat) gekozen is.

122.10

Nog een voorbeeld:

V:Kârle ÿrôme éfti er hojelka?
 Kârle werkt niet.meer sinds wanneer
A:a.Er groft tubôs melde koffon.
 b.* Groft tubôs meltilóme koffon.
 Sinds zijn vrouw dood is.

Antwoord b. is ongrammaticaal omdat de -ilóme-constructie geen enkele syntactische relatie heeft met een determinant in een bijbehorende hoofdzin (in de vraag is er hojelka (sinds wanneer) een combinatie van voorz. + vrag.vnw. Er is hier géén voegw. of determinant).

122.11   ad § 122.7   c. Bijzin is ondergeschikt aan andere bijzin

Vergelijk:

(1)Kusami ef merater zâre, té ÿrôme éfti, er sener tubôs melde koffon.
 hier de man woont, die werkt niet.meer, sinds zijn vrouw is dood
 Hier woont de man, die niet meer werkt sinds zijn vrouw dood is.

(2)* Kusami ef merater zâre, té er ÿrôme éfti, groft tubôs meltilóme koffon.
    hier de man woont, die sindsDET werkt niet.meer, zijn vrouw is-ONDERSCH dood

De bijzin sener tubôs melde koffon is ondergeschikt aan de relatieve bijzin té ÿrôme éfti, en daarom is de -ilóme-constructie in (2) ongrammaticaal. Alleen de voegwoordconstructie in (1) is correct.

122.12

Als de bijzin sener tubôs melde koffon geen relatie met de relatieve bijzin zou hebben, maar met de hoofdzin kusami ef merater zâre, dan was een -ilóme-constructie wel mogelijk geweest. Vergelijk (2) met:

(3)Kusami ef merater er zâre, té ÿrôme éfti, groft tubôs meltilóme koffon.1
 hier de man sindsDET woont, die werkt niet.meer, zijn vrouw is-ONDERSCH dood
 Hier woont sinds zijn vrouw dood is de man, die niet meer werkt.

In (3) is de bijzin groft tubôs meltilóme koffon ondergeschikt aan de gehele constructie kusami ef merater er zâre, té ÿrôme éfti.


1Zin (3) is niet voor iedereen acceptabel, omdat de relatieve bijzin té ÿrôme éfti niet geheel aan het eind van de constructie staat. Meer hierover in § 124.6–7.

122.13   ad § 122.7   d. Werkwoord in bijzin draagt verbaal suffix

Een noodzakelijk suffix is bijvoorbeeld -lira in idiomatische gevallen, zoals in:

(1)Do ÿrôme éfti luft X, er ef prest kettelira truste éfti.
 hij werkt niet.meer bij X, sinds de directeur geeft-TDW vertrouwenV niet.meer
(2)* Do er ÿrôme éfti luft X, ef prest kettelira trustilóme éfti.
 Hij werkt niet meer bij X, sinds de directeur niet meer te vertrouwen is.

Zin (2) is ongrammaticaal want truste vormt een soort bepaling bij kettelira, en kan niet in aanmerking komen voor het suffix -ilóme. En -ilóme kan evenmin achter kette[lira] geplaatst worden, omdat dit geen gramst. is. Er blijft dus niets anders over dan een constructie met een ondersch.voegw. zoals in (1).

122.14

De passieve suffixen -ilomije en -ilomitâ komen alleen in niet-samengestelde predicaten voor, want zodra er een hulpwerkw. aanwezig is, krijgt het hulpwerkw. -ilóme en het hoofdwerkw. -lije of -litâ. Vergelijk:

(1)Gress nert brâ arfinecû, blul riffilomije ef oto.
 Ik kan niet komen, want de auto wordt gerepareerd.

(2)Gress nert brâ arfinecû, blul perkilóme beri riffelije ef oto.
 Ik kan niet komen, want de auto moet gerepareerd worden.

122.15

Omdat in een constructie als (2) dankzij het gebruik van -lije achter het hoofdwerkw. (riffelije) weer een infinitief-e beschikbaar is, kan een tijd met een tijdssuffix uitgedrukt worden. Vergelijk (2) met:

(2′)Gress nert brâ arfina, blul perkilóme beri riffalije ef oto.
 Ik ben niet gekomen, want de auto moest gerepareerd worden.

Zie ook § 111.28.

122.16

Hieronder staat het Blok met alle onderschikkende voegwoorden en determinanten. Vanaf § 122.17 zullen de in het Blok opgenomen voegwoorden besproken worden.

Onderschikkende voegwoorden en determinanten
relatievoegwoorddeter-
minant
 besproken
in/vanaf §
GELIJKTIJDIGHEID draiy
er
fara
fitabry
kymentos/
   pejanuf
plôji fara
tussef
zuf

er
fara
fara

 
plôt
âs/zuf
zuf
zodra als
sedert; sinds
als; wanneer
zolang
juist als; op het moment dat
 
telkens als; iedere keer als
terwijl
toen
122.17
122.18
122.19
122.19
122.24
 
122.24
122.21
122.21
VOORTIJDIGHEID futtof
tuksof
ho
ho
voordat; alvorens; voor
totdat; tot
122.25
122.25
NATIJDIGHEID dra
mintof

vel
zodra
nadat; zodra; toen; als
122.17
122.27
VERGELIJKING
faroft
fitfara
fitus
loiy
ÿchûg
arðiyg/
   plâksót
lo
gôf




evenals; gelijk
alsof
zoals
dan [dat]
evenals
naarmate; [al] naar gelang
in hoeverre; in welke mate;
   hoeveel
122.29
122.30
122.31
122.32
122.32a
122.33
122.34
PLAATS ÿr tûp waar 122.35
RICHTING fesenn
mipenn

waarheen; naar wie [toe]
waarvandaan; bij wie
   vandaan
122.36
122.36
TIJD hojelka ka wanneer 122.37
FREQUENTIE pertót hoe vaak 122.38
ONBEPAALDHEID kluft
lomp
folarra
folarkluft
lompol
kolpol
kolpert






wat
wie
welk[e]
wat voor [een]
wie van de
welk[e] van de
hoeveel
122.39
122.39
122.48
122.48
122.48
122.48
122.53
OORZAAK/REDEN janof
lifrostiy
ogâ
brâ
mitulanis
ma
ma
mân[iy]
brâ
doordat; omdat
aangezien
doordat niet; omdat niet
waarom; want
waarom; waardoor
122.56
122.56
122.57
122.58
122.61
WIJZE kol
kol-vrôk/
   kol-wys
syniy
hoe
op welke wijze[n]
122.62
122.66
DOEL cÿrs
fes/fés
lest
opdat
opdat niet; uit vrees dat
122.68
122.69
BEWERING na zoals 122.70
GEVOLG fittof

lÿtiy
 
pek
fes/fés
ny

 
zodat; waardoor
zo niet dan; anders
bijgevolg; ten gevolge waar-
   van; derhalve
dus
122.68
122.71
122.73
 
122.73a
VOORWAARDE
   POSITIEF
âme
das
denerami
hojelkami
dira
das

indien; als; mits
maar dan; en dan
in/voor het geval dat
in welke gevallen
122.74
122.75
122.77
122.37
VOORWAARDE
   NEGATIEF
dâsnû
nÿn
dâsnû
diyrâ
maar [dan] niet
tenzij; indien niet
122.75
122.74
TOEGEVING
   POSITIEF
taufen/os
tur/liquist
ker
tur
hoewel; ofschoon; ondanks dat
maar
122.78
122.79
TOEGEVING
   NEGATIEF
šâm
quâ
tûre
šâm

tûre
zonder dat
behalve dat
maar niet
122.80
122.80a
122.79
TEGENSTELLING
   POSITIEF
ûcâs hyra terwijl; maar 122.81
TEGENSTELLING
   NEGATIEF
hiyrâ terwijl niet; maar niet 122.81
UITSLUITING ziym in plaats van dat 122.81a

122.17   <<   Voegwoorden draiy en dra

De voegw.n draiy (zodra [als]) en dra (zodra) kennen geen equivalente determinanten. Let op dat draiy een gelijktijdigheid uitdrukt, terwijl dra aangeeft dat de gebeurtenis in de matrixzin na de gebeurtenis in de bijzin plaatsvindt. Draiy kan beschouwd worden als een synoniem van de parafrase nurpel fara (onmiddellijk als); dra is een synoniem van de parafrase nurpel mintof (onmiddellijk nadat). Vergelijk:

Óps pónze gurnus, draiy óps finne rifo politiycs.
Ze krijgen ruzie, zodra [als] ze over politiek beginnen.

Draiy ef bidale, Petriy zurre.
Zodra het regent, moppert Petriy/gaat Petriy mopperen.

Tu tumog ef mimpit tukst gress, dra gress enn ef trempe.
Je mag het boek van me lenen, zodra ik het gelezen heb.

122.18   <<   Voegwoord/determinant er

Er (sedert, sinds) kan als voegwoord én als determinant optreden:

Eup quardere kirro éfti, er eup mariane. =
= Eup er quardere kirro éfti, eup marianilóme.
Ze bezoekt ons niet meer, sinds ze getrouwd is.

Er is ook als voorzetsel mogelijk:

er dur zurtvanaf 3 uur
er holssinds gisteren

Zie hiervoor verder Blok 140.8.

122.19   <<   Voegwoorden fara en fitabry; determinant fara

Fitabry (zolang) is een samentrekking van fit (zo) en †habry (lang, uitgerekt).1
Het voegw. fara (als; wanneer) heeft een habituele/duratieve interpretatie: het legt de nadruk op de gelijktijdigheid van twee gebeurtenissen.2 Het voegw. fitabry heeft een actuele/momentane interpretatie: het legt de nadruk op de begrensde periode waarin een gebeurtenis in een actueel geval plaatsvindt.3
De det. fara is equivalent aan beide voegwoorden, maar het onderscheid tussen "habitueel/duratief" en "actueel/momentaan" wordt nu uitgedrukt met de aspectuele markeerders ra (habitueel/duratief) en ek (actueel/momentaan), die in de bijzin achter het predicaat toegevoegd worden. De aspectuele det.n ra en ek worden behandeld in § 110.88–99. Vergelijk:

(1)Gress nert ÿrômecû, fara Hâne pjôle. =
= Gress nert fara ÿrômecû, Hâne pjôlilóme ra.
     ik niet alsDET kan.werken, Hâne praat-ONDERSCH DUR
 Ik kan niet werken, als Hâne praat.

(2)Gress nert ÿrômecû, fitabry Hâne pjôle. =
= Gress nert fara ÿrômecû, Hâne pjôlilóme ek.
 Ik kan niet werken, zolang Hâne praat.

Het voegw. fara kan ook als betr.vnw. optreden, zie § 124.37–39.
Verder is fara ook een voorz., zie Blok 140.10.


1De moderne betekenis van habry is 'slangachtig; lang + slap + kronkelig'.


2Het begrip 'gelijktijdigheid' moet niet altijd letterlijk opgevat worden. Bijvoorbeeld:

i.Amiði fara óps enn sener koles-toganys paine, óps geldre beri bâlmerre.
 Pas als ze hun huiswerk hebben gemaakt, mogen ze gaan voetballen.

Feitelijk gaat het in i. om een natijdigheid als we de handelingen (acties) van "huiswerk maken" en "voetballen" aan elkaar relateren. Maar de gelijktijdigheid kan hier zo geïnterpreteerd worden, dat de situatie van "het huiswerk is gemaakt" wordt gerelateerd aan de actie van het "voetballen". We moeten dus niet de tijdstippen van beide acties als zodanig met elkaar vergelijken, maar ook het tijdsaspect erbij betrekken: het voltooid zijn van het huiswerk valt samen met het mogen voetballen.


3In Hoofdstuk 110 zijn de termen "habitueel" resp. "actueel" gebruikt, om de aspecten van ra resp. ek te definiëren. In combinatie met ondersch.det.n komen we ook de termen "duratief" resp. "momentaan" tegen. Uit de voorbeelden die in deze en de volgende paragrafen gegeven worden, zal blijken dat geen van deze 4 definities in alle gevallen adequaat is. Toch zullen we de termen "duratief" en "momentaan" handhaven, ten eerste omdat dit gebruikelijk is, ten tweede omdat meer generaliserende termen niet voorhanden zijn.

122.20

In (1) (§ 122.19) staat een algemene uitspraak, waarbij twee gebeurtenissen met elkaar in verband worden gebracht, zonder op de duur hiervan te letten. In (2) wordt het accent gelegd op een concrete situatie (een begrensde periode) waarin Hâne praat, en ik dus niet kan werken. Uit (2) kan geconcludeerd worden dat ik ervan uitga dat Hâne ophoudt met praten, zodat ik het werk (weer) kan hervatten.

122.21   <<   Voegwoorden tussef en zuf; determinanten âs en zuf

Het voegw. tussef (terwijl) heeft een duratieve interpretatie: het legt de nadruk op de gelijktijdigheid van twee gebeurtenissen die ook (min of meer) even lang duren. Het voegw. zuf (toen) heeft een momentane interpretatie: het legt de nadruk op twee gebeurtenissen die weliswaar op hetzelfde moment plaatsvinden, maar niet even lang hoeven te duren. Tussef is zowel in de def.tijd, neut.tijd als toek.tijd te gebruiken, zuf alleen in de def.tijd.
De det. zuf is equivalent aan beide voegwoorden, maar het onderscheid tussen "duratief" en "momentaan" wordt nu uitgedrukt met de aspectuele markeerders ra (duratief) en ek (momentaan), die in de bijzin achter het predicaat toegevoegd worden. De aspectuele det.n ra en ek worden behandeld in § 110.88–99. De det. âs kan alleen een duratief aspect uitdrukken, en kan dus nooit samengaan met ek. Het is dan een synoniem van de det. zuf, en moet niet verward worden met het dode voorzetsel âs (zie § 132.144). Vergelijk:

(1)Ef bidale/bidala, tussef kirro mirrelira/mirralira. =
= Ef zuf/âs bidale/bidala, kirro mirrilóme ra.
     het terwijlDET regent/regende, wij wandelen-ONDERSCH DUR
 Het regent/regende, terwijl we aan het wandelen zijn/waren.

(2)Ef bidala, zuf kirro mirra. =
= Ef zuf bidala, kirro mirrilóme ek.
 Het regende, toen we wandelden/gingen wandelen.

In (1) is/was er sprake van regen gedurende de gehele wandeling; in (2) ligt de nadruk op een regenbui die korter duurde dan de wandeling.

122.22

De det.n ra en ek kunnen eventueel weggelaten worden als het aspect niet relevant is (zie ook § 110.99). In dat geval zijn in de def.tijd de voegw.n zuf en tussef synoniem, bijvoorbeeld:

(3)Tussef/zuf Elsa vâkummalira, Petriy melda fes ef wik. =
= Elsa zuf/âs vâkummalira, Petriy meltilóme fes ef wik.
 Terwijl/toen Elsa aan het stofzuigen was, zat Petriy in bad.

In (3) wordt primair uitgedrukt dat er twee handelingen tegelijkertijd plaatsvonden: Elsa stofzuigt en Petriy zit in bad. Of beide gebeurtenissen nu precies even lang duurden of niet, is hier niet relevant.

122.22a

Zuf kan ook uitdrukken dat de ene gebeurtenis onmiddellijk op de andere volgt, bijvoorbeeld:

(4)Ef menester ytendo beri zaloe ef lacs, zuf ef ÿrtâness bône.
 De minister was van plan de wet te ondertekenen, toen het kabinet ten val kwam.

In (4) wordt uitgedrukt dat het vallen van het kabinet plaatsvond vlak nádat de minister de wet wilde ondertekenen. Dat het plan om te ondertekenen eerder plaatsvond, wordt uitgedrukt met het suffix -o (tweede niveau), zie hiervoor § 111.68–70.

122.23

Het voegw. zuf en de det. zuf zorgen dat de deiktische beleving van tijd een preteritum is (de gebeurtenis speelt in het verleden af; zie § 111.5). Ook als de zin in syntactisch opzicht in de neutrale tijd staat (§ 111.2), zal deze als preteritum geïnterpreteerd worden. Het voegw. tussef en de det. âs kunnen bij alle tijdsvormen gebruikt worden. Een neutrale tijd zal daarom in eerste instantie als een presens geïnterpreteerd worden. Vergelijk:

a.Do slape, zuf Elsa pjôle piti do. =
= Do zuf slape, Elsa pjôlilóme ek piti do.
 Hij sliep, toen Elsa tegen hem praatte.

b.Do slape, tussef Elsa pjôle piti do. =
= Do âs slape, Elsa pjôlilóme [ra] piti do.
 Hij slaapt, terwijl Elsa tegen hem praat.

122.24   <<   Voegwoorden kymentos, pejanuf en plôji fara; determinant plôt

Kymentos (juist als; op het moment dat) is gevormd van †kyn (gelijk; hetzelfde) en het suffix -mentos (op een ... ogenblik).1 Het voegw. pejanuf is een synoniem van kymentos.
Plôji is een add. CAT. III met de betekenis 'steeds weer; telkens'. Samen met fara wordt het als één voegwoord beschouwd. De det. plôt is een samentrekking van plôji en fit (zo). Zie ook § 122.85–86.
De voegw.n kymentos en plôji fara geven op emfatische wijze aan dat twee dingen gelijktijdig gebeuren. Bij kymentos/pejanuf gaat het om een eenmalig incident, bij plôji fara (met als synoniem de det. plôt) is er sprake van een regelmatig terugkerend incident. Vergelijk:

a.Gress melde fes ef wik, kymentos/pejanuf ef telefonos rupke.
 Ik zit in bad, juist als/op het moment dat de telefoon gaat.

b.Gress melde fes ef wik, plôji fara ef telefonos rupke. =
= Gress plôt melde fes ef wik, ef telefonos rupkilóme.
 Ik zit in bad, telkens als de telefoon gaat.
(vrij vertaald: Altijd als ik in bad zit, gaat op dat moment de telefoon.)

1Het suffix -mentos is de gereduceerde vorm van het (tegenwoordig poëtische) substantief momentos (moment; ogenblik), en komt ook voor in woorden als:

quistamentosop een geschikt ogenblik(quista = 'goed')
crobbementosop een ogenblik met mooi weer(crobben = 'helder')

enzovoort


122.24a

Omdat het bij de in de vorige paragraaf genoemde voegw.n en det. plôt gaat om twee gelijktijdig plaatsvindende gebeurtenissen, kunnen matrixzin en bijzin ook verwisseld worden zonder dat de betekenis verandert. Vergelijk a. en b. met:

a′.Ef telefonos rupke, kymentos/pejanuf gress melde fes ef wik.
 De telefoon gaat, juist als/op het moment dat ik in bad zit.

b′.Ef telefonos rupke, plôji fara gress melde fes ef wik. =
= Ef telefonos plôt rupke, gress meltilóme fes ef wik.
 De telefoon gaat, telkens als ik in bad zit.
(vrij vertaald: Altijd als de telefoon gaat, zit ik op dat moment in bad.)

Alleen de focus ligt bij a′. en b′. anders dan bij a. en b.

122.25   <<   Voegwoorden futtof en tuksof; determinant ho

Futtof is een samentrekking van furt (voor) en mittof (die; dat), en tuksof is een samentrekking van tukst (tot) en mittof.
Het voegw. futtof (voor[dat]; alvorens) heeft een duratieve interpretatie: het legt de nadruk op het feit dat (het begin van) de ene gebeurtenis vóór (het begin van) een andere gebeurtenis plaatsvond. Het voegw. tuksof (tot[dat]) heeft een momentane interpretatie: het legt de nadruk op het feit dat de periode waarin de ene gebeurtenis plaatsvindt, ophoudt op het moment dat er sprake is van een volgende gebeurtenis.
De det. ho is equivalent aan beide voegwoorden, maar het onderscheid tussen "duratief" en "momentaan" wordt nu uitgedrukt met de aspectuele markeerders ra (duratief) en ek (momentaan), die in de hoofdzin achter het predicaat toegevoegd worden. De aspectuele det.n ra en ek worden behandeld in § 110.88–99. Vergelijk:

(1)Lerdu vjolamerra, futtof gress arfina fes. =
= Lerdu ho vjolamerra ra, gress arfinilóme fes.
 Lerdu was viool aan het spelen, voordat ik binnenkwam.

(2)Lerdu vjolamerra, tuksof gress arfina fes. =
= Lerdu ho vjolamerra ek, gress arfinilóme fes.
 Lerdu was viool aan het spelen, totdat ik binnenkwam.

122.26

In (1) hierboven bestaat er geen directe relatie tussen mijn binnenkomst en het vioolspelen. Er zijn twee plausibele interpretaties: (i) uit het feit dat de viool op tafel ligt, maak ik op dat Lerdu daarnet, toen ik er nog niet was, gespeeld heeft; (ii) Lerdu blijft doorspelen als ik binnenkom, maar ik begrijp dat hij al bezig was met spelen toen ik er nog niet was.
In (2) is er een directe relatie tussen mijn binnenkomst en het spelen: op het moment dat ik binnenkom, houdt hij op met spelen. Het eindpunt van de speelperiode is dus door mijn binnenkomst bepaald.
De det.n ra en ek mogen eventueel weggelaten worden, als het niet nodig is om een onderscheid tussen een duratieve en een momentane lezing te maken, bijvoorbeeld:

Ho quÿe-kiyro, ef bidalilóme éfti.
TotDET wachten-wijPASS , het regent-ONDERSCH niet.meer
Laten we wachten totdat het niet meer regent.

Deze zin drukt een situatie uit waarin het zonder meer duidelijk is dat er een directe relatie bestaat tussen het "wachten" en het "regenen". Het eindpunt van de wachtperiode is door het stoppen van de regen bepaald.

122.27   <<   Voegwoord mintof; determinant vel

Mintof (na[dat], toen, als, zodra [als]) is een samentrekking van minkÿr (voorbij; na) en mittof (die; dat). Bij de determinant vel kan onderscheid gemaakt worden tussen een duratief aspect (gemarkeerd met ra in de hoofdzin) en een momentaan aspect (met ek in de hoofdzin). Het voegw. mintof is vaak een synoniem van de duratieve lezing van vel. Vergelijk (1) en (2) hieronder met de voorbeelden in § 122.25, omdat vel als een spiegelbeeld van ho beschouwd kan worden:

(1)Lerdu vjolamerra, mintof gress arfina fes. =
= Lerdu vel vjolamerra ra, gress arfinilóme fes.   (duratief)
 Lerdu speelde viool, nadat/toen ik binnenkwam.

(2)Lerdu vel vjolamerra ek, gress arfinilóme fes.   (momentaan)
 Lerdu speelde viool, nadat/zodra ik binnenkwam.

(3)Ðobiyre Elsa ef pizza fes ef hitt, mintof kirro melde tijâ lef ef šupa. =
= Vel ðobiyre Elsa ef pizza fes ef hitt, kirro meltilóme tijâ lef ef šupa.
 Elsa zal de pizza in de oven zetten, nadat/als we de soep op hebben.

122.28

Zin (1) (§ 122.27) drukt in ieder geval uit dat mijn binnenkomst, en ook de tijd dat ik binnen ben, vergezeld gaat van Lerdu's vioolspel. Het is mogelijk dat hij al vioolspeelde vóórdat ik binnenkwam. In (2) daarentegen is het vioolspelen direct gerelateerd aan mijn binnenkomst: het beginpunt van de speelperiode valt bewust samen met, of onmiddellijk achter, het moment dat ik binnenkom.
In (3) is een duratieve lezing niet mogelijk omdat de handeling van "een pizza in de oven zetten" een momentaan aspect heeft, en niet voortdurend kan plaatsvinden, nog vóórdat (en tevens nádat) we de soep op hebben. Het voegwoord mintof is hier dus momentaan, en de determinant vel hoeft niet met ek voor een momentaan aspect gemarkeerd te worden, omdat een duratieve lezing sowieso onmogelijk is.
In het Nederlands is het onderscheid tussen een duratieve en een momentane lezing niet goed uit te drukken.1


1Zowel in het Spokaans als in het Nederlands kan het een en ander natuurlijk expliciet worden uitgedrukt. Vergelijk (1) en (2) met:

(1′)a.Lerdu vjolamerralira, mintof gress arfina fes. =
= Lerdu vel vjolamerralira ra, gress arfinilóme fes.
  Lerdu was viool aan het spelen, nadat/toen ik binnenkwam.
 b.Lerdu finna beri vjolamerre, mintof gress arfina fes. =
= Lerdu vel finna beri vjolamerre ra, gress arfinilóme fes.
  Lerdu begon viool te spelen, nadat/toen ik binnenkwam.

(2′)Lerdu vel finna beri vjolamerre ek, gress arfinilóme fes.
 Lerdu begon viool te spelen zodra ik binnenkwam.

122.28a

Afhankelijk van de context kan er bij mintof ook een langere periode tussen de twee gebeurtenissen zitten, waarbij het duidelijk is dat de ene gebeurtenis afgelopen moet zijn voordat de andere plaatsvindt. Die is in § 122.27 te zien in zin (3), waar het mogelijk is dat als we de soep op hebben, we nog een half uur moeten wachten voordat Elsa de pizza in de oven zet. Vergelijk ook zin (1) met:

(4)Kult ûsto-mari sértare, mintof kirro venda helkara zirrot. =
= Kult ûsto-mari vel sértare ra, kirro ventilóme helkara zirrot.
 Onze dochter en haar man [gaan] verhuizen, nadat we met vakantie geweest zijn.

Als de afstand tussen de twee gebeurtenissen expliciet wordt uitgedrukt met een tijdsbepaling, is voor veel Spokaniërs de variant met de det. vel niet correct. Vergelijk (4) met:

(4′)Kult ûsto-mari sértare fes ef ôktobry, mintof kirro venda helkara zirrot. ~
~ ? Kult ûsto-mari vel sértare ra fes ef ôktobry, kirro ventilóme helkara zirrot.
 Onze dochter en haar man [gaan] verhuizen in oktober, nadat we met
vakantie geweest zijn.

In (4′) ligt het accent primair op de maand oktober, en secundair op het feit dat de verhuizing ná de vakantie is. Veel Spokaniërs vinden dat de det. vel altijd primair de focus legt op de natijdigheid van de bijzin, terwijl het voegw. mintof een veel lossere semantische band met de hoofdzin heeft, wat ook geïllustreerd wordt door het feit dat de bijzin vooraan kan staan: Mintof kirro venda helkara zirrot, kult ûsto-mari sértare fes ef ôktobry.

122.29   <<   Determinant lo

De det. lo (evenals; gelijk) drukt uit dat de wijze waarop de handeling in de matrixzin plaatsvindt, vergeleken kan worden met de wijze waarop er iets in de bijzin gebeurt. Dikwijls zal een wat vrijere vertaling noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld:

Do lo paino, do chaquintilóme.   Hij deed, gelijk hij sprak.

Óps eft kofano lo kette, eft jabâr moncharilóme sener mariantof.
ze een feest zoalsDET geven, een koning viert-ONDERSCH zijn bruiloft
Ze hebben een feest gegeven, even groots als de bruiloft van een koning.

Zie ook § 143.112.
Verder is lo ook een voorz., zie Blok 140.10.

122.30   <<   Voegwoord faroft; determinant gôf

Faroft is een samentrekking van fara (als) en oft (of). Faroft en gôf drukken uit dat de handeling in de matrixzin op een zodanige wijze plaatsvindt dat de gebeurtenis in de bijzin waar lijkt te zijn (maar dat niet is). Zij kunnen vertaald worden met 'alsof'. Bijvoorbeeld:

Do farte, faroft do yspe. = Do gôf farte, do yspilóme.
Hij loopt alsof hij dronken is.   (maar hij is niet dronken)

Eup chaquinde piti gress, faroft gress melde eft efanty. =
= Eup gôf chaquinde piti gress, gress meltilóme eft efanty.
Ze praat tegen me alsof ik een kind ben.   (maar ik ben volwassen)

Zie ook § 143.88.

122.31   <<   Voegwoord fitfara

Het voegw. fitfara is samengesteld uit fit (zo) en fara (als), en betekent 'zoals; de wijze waarop'. Het refereert aan een gebeurtenis die de inhoud van de matrixzin als het ware moet verklaren. Bij uitroepen ed. kan een matrixzin soms geheel achterwege blijven (voorbeeld (3)):

(1)Do paine ef, fitfara do oske.Hij doet het zoals hij [het] gewend is.
(2)Gress nert affionnose, fitfara Pelf merfe.Ik houd er niet van, zoals Pelf liegt.
(3)Fitfara dena deft sen veldefe!Zoals dat wijf te keer gaat!

Fitfara ef rozas clajote fes vilt arâbe, dus ef rozas âs ef kostiy clajotûs.1
Zoals de rozen bloeien in jouw tuin, moeten de rozen in de mijne bloeien.

In (2) drukt de matrixzin feitelijk geen "gebeurtenis" uit die vergeleken wordt met het liegen van Pelf, maar refereert de matrixzin aan een buitentalig feit (bijvoorbeeld dat ik Pelf op een leugen heb betrapt). Ook in (3) refereert de uitroep aan een buitentalig feit.
Zie verder ook § 143.83–87.


1Citaat uit de roman Feelix (1982) van de schrijfster Toliy St.Trofi.

122.32   <<   Voegwoord fitus

Fitus is een samentrekking van fit (zo) en dus (dan), en wordt vertaald met 'dan [dat]'. Het volgt altijd op een matrixzin waarin een vergr.trap of verkl.trap aanwezig is. De voorbeelden spreken voor zich:

Do uokke vluf, fitus ef melde helt armt do.1
hij rookt meer, dan.dat het is gezond aan hem
Hij rookt meer dan [dat] gezond voor hem is.

Óps ufire hups terat, fitus óps ufirÿt.
ze rijden snel VGTR, dan.dat zij mogen.rijden
Ze rijden sneller dan [dat] ze mogen.

Ef miljonarrs kafte oiba tâx, fitus ef meldui kvâmpajé.2
de miljonairs betalen minder belasting, dan het zou.zijn redelijk
De miljonairs betalen minder belasting dan redelijk zou zijn.

Zie ook § 143.96.


1Let op het syntactische verschil tussen het Spokaans en het Nederlands: in het Spokaans volgt na fitus de onpersoonlijke bijzin ef melde helt armt do (het is gezond voor hem), met als subject ef (het). In het Nederlands is "dan dat" geen voegwoord, maar een vergelijkend bijwoord dat deel uitmaakt van de constructie: "meer dan gezond voor hem is". Hierin lijkt "meer" het subject bij "is".


2Vergelijk:

Ef miljonarrs kafte oiba tâx dus ef domenners.
De miljonairs betalen minder belasting dan de grootgrondbezitters.

In deze zin wordt de hoeveelheid belasting van de ene groep vergeleken met die van de andere groep.


122.32a   <<   Voegwoord loiy

Loiy leidt een ondergeschikte bijzin in, en betekent 'evenals'. De bijzin bevat vaak alleen het element of de elementen die níét identiek zijn aan de elementen in de hoofdzin. Zo ontstaat een elliptische constructie die eigenlijk niet meer het karakter van bijzin heeft. Indien de hoofdzin een ontkennend karakter heeft (met nert, kvâ, râst etc.), wordt loiy noi in plaats van loiy gebruikt. Vergelijk:

(1)Ef zomar ytende beri šute cradef ypriys fes ef Korda-plep, loiy stus enn
cradef peplân axe lâst zemper fes ef Koles-mirra.
 De gemeente is van plan om alle iepen in de Kerklaan te rooien, evenals
ze verleden jaar alle populieren in de Schoolstraat hebben omgehakt.

(2)a.Óps kirnem ufege, loiy tsil. =
 b.= Óps tu ufege, loiy óps enn gress.1
  Zij hebben jullie vergeten, evenals mij.
(= "... evenals ze mij vergeten hebben")

(3)Ef chat farta kura ef kelbra, loiy ef feldariy.
 De kat heeft over de tafel gelopen, en ook [over] de kast.

(4)Do lukte kvâ ef hurts, loiy noi râge.
 Hij wast de honden nooit, en borstelt ze ook nooit.
(= "... evenmin als hij ze ooit borstelt")

Zin (1) is een voorbeeld hoe achter loiy een volledige bijzin volgt. De gebeurtenis in de matrixzin wordt hier vergeleken met de gebeurtenis in de bijzin: wat beide gebeurtenissen gemeen hebben, moet uit de context blijken. Wellicht hebben de bewoners in de Schoolstraat verleden jaar tegen het rooien geprotesteerd en wordt er nu ook in de Kerklaan zo'n protest verwacht.
In (3) is de hypothetische bijzin: [loiy] ef chat farta kura ef feldariy.
In (4) vereist het negatieve kvâ in de hoofdzin dat loiy noi (evenmin als) gebruikt moet worden. Als alternatief kan ook kvâ herhaald worden: Do lukte kvâ ef hurts, loiy râge kvâ.
Meer over loiy is te vinden in § 144.2–6.


1Deze constructies zijn uitgebreid behandeld in § 70.73, naar aanleiding van het gebruik van pers.vnw.n 1e en 2e niveau.

122.33   <<   Voegwoord ÿchûg

Het voegw. ÿchûg (naarmate) kent een variant met een idiomatische -lira-constructie. Vergelijk:

(1)a.Do melde nervossott, ÿchûg ef exâm-datumas cÿrane.1
  hij is steeds.nerveuzer, naarmate de examendatum nadert
  Hij wordt steeds zenuwachtiger, naarmate de examendatum nadert.

 b.Ef exâm-datumas cÿrane arfinelira, do melde nervossott.
  de examendatum nadert komen-TDW, hij is steeds.nerveuzer
  Naarmate de examendatum nadert, wordt hij steeds zenuwachtiger.

(2)a.Ef milat tsazze fes ten stânts: ÿchûg ef erfos melde hupster terat, ur ÿchûg
ef slâgteren lef ef poirdÿfer melde mârve terat.
  De erfbelasting gaat in twee gevallen omhoog: naarmate de erfenis groter
is en naarmate de bloedband met de overledene zwakker is.

 b.Ef milat tsazze fes ten stânts: ef erfos melde arfinelira hupster terat, ur
ef slâgteren lef ef poirdÿfer melde arfinelira mârve terat.
  (idem)

Voor de constructie met arfinelira wordt verwezen naar § 160.39. Voor ÿchûg, zie ook § 144.70.


1Voor het suffix -ott, zie § 41.44.

122.34   <<   Voegwoorden arðiyg en plâksót

Voorbeelden van het gebruik van de voegw.n arðiyg en plâksót (in hoeverre; in welke mate; hoeveel):

Gress lelperre nÿf prôx morises, arðiyg/plâksót do merfe.
Ik heb geen flauw idee, in hoeverre/in welke mate hij liegt.

Ef menestera nert eftarse beri klate ef Zâmporementec, arðiyg/plâksót eup trace ef ijâk.
Het lukt de minister niet om de Volksvertegenwoordiging te overtuigen, hoeveel/hoezeer
zij het ook probeert.

Arðiyg kan ook als vrag.vnw. gebruikt worden (zie § 150.89), maar plâksót niet. Vergelijk ook het voegw. van onbepaaldheid kolpert (hoeveel) in § 122.53.

122.35   <<   Voegwoord ÿr; determinant tûp

Het voegw. ÿr (waar) heeft als synoniem de det. tûp:

a.Gress tiffe, ÿr Elsa zâre.
b.Gress tûp tiffe, Elsa zârilóme.
 ik waarDET weet, Elsa woont-ONDERSCH
Ik weet waar Elsa woont.

a.Petriy gvârce fes ef quiyrda, ÿr blul wencatelije ef stâgos.
b.Petriy tûp gvârce fes ef quiyrda, blul wencatilomije ef stâgos.
Petriy zoekt in de krant, waar de voorstelling gehouden wordt.

Ÿr kan ook gebruikt worden als vrag.vnw. (zie § 150.70–75) en als betr.vnw. (zie § 124.37–38).

122.36   <<   Voegwoorden fesenn en mipenn

In plaats van de voegw.n fesenn (waarheen; waarnaartoe; naar wie toe) resp. mipenn (waarvandaan; bij wie vandaan) kunnen ook omschrijvingen gebruikt worden met de voegw.n kluft (wat) of lomp (wie), gecombineerd met de voorz.s helkara (naar) resp. rifonn (vanaf; vanuit). Deze omschrijvingen zijn aan te raden als expliciet moet worden uitgedrukt of het om zaken (en dieren) dan wel om mensen gaat. Vergelijk:

(1)Gress dâlme, fesenn do farte. =
a. = Gress dâlme, helkara kluft do farte.
b. = Gress dâlme, helkara lomp do farte.
 Ik vraag me af, waar hij heen/naar wie hij toe loopt.

(2)Ef polišo nert reppavy, mipenn ef itÿrror efantys arfine. =
a. = Ef polišo nert reppavy, rifonn kluft ef itÿrror efantys arfine.
b. = Ef polišo nert reppavy, rifonn lomp ef itÿrror efantys arfine.
 De politie wil niet zeggen waar/bij wie de gevluchte kinderen vandaan komen.

Zonder verdere context zullen fesenn en mipenn primair begrepen worden als refererend aan zaken (of dieren), dus in de betekenis 'waarheen' resp. 'waarvandaan'. Zie ook § 150.49–51 voor fesenn en mipenn in de functie van vrag.vnw. Vergelijk ook § 150.56.

122.36a

Van fesenn en mipenn bestaan ook de genitiefvormen fesennÿr en mipennÿr (refererend aan zaken en dieren), en fesenner en mipenner (refererend aan personen). Bijvoorbeeld:

Gress dâlme, fesennÿr port ef karé njebope.
Ik vraag me af, naar welke haven het schip vaart.
(= naar de haven in welke plaats)

Eup nert reppavy, mipenner sért Lerdu arfine.
Ze wil niet zeggen, van wiens/wier huis Lerdu vandaan komt.

122.37   <<   Voegwoorden hojelka en hojelkami; determinant ka

Hojelka (wanneer) is een samenvoeging van †hojel en ka, die beide 'wanneer' betekenen. De vorm ka komt nog als determinant voor, en het archaïsche †hojel leeft voort als de det. ho (voordat; totdat) (zie § 122.25–26). Hojelka drukt uit dat iets op een bepaald tijdstip plaatsvindt.
Hojelkami (in welke gevallen) is een afleiding met het suffix -ami, dat uitdrukt in welk geval iets geldt (vergelijk bijvoorbeeld kinur ~ kinurami (ziek ~ in geval van ziekte), of aðiyk ~ aðiykami (laatst ~ in het laatste geval)). Hojelkami drukt uit in welke gevallen er iets plaatsvindt. Vergelijk:

(1)a.Gress nert tiffe, hojelka Elsa prate.
 b.Gress nert ka tiffe, Elsa pratilóme.
  ik niet wanneerDET weet, Elsa vertrekt-ONDERSCH
 Ik weet niet wanneer Elsa vertrekt.

(2)Tu xneppât, hojelkami ef moter nert finnavy.
 Je moet nagaan, in welke gevallen/wanneer de motor niet wil starten.

Merk op dat in zin (2) ook "wanneer" gebruikt kan worden in plaats van "in welke gevallen", maar dat het hier niet gaat om een tijdstip dat de motor niet wil starten, maar om een bepaalde situatie.
Zie ook § 150.69 voor hojelka en hojelkami in de functie van vrag.vnw.

122.38   <<   Voegwoord pertót

Het voegw. pertót betekent 'hoe vaak; hoeveel keer' en drukt een frequentie uit:

Peoll sen nert tâgecû, pertót do enn eft hups-ufire-xyfolos pónze.
Peoll kan zich niet herinneren, hoe vaak hij een boete wegens te hard rijden heeft gekregen.

De vormen kol lilt en kol ment (lett. "hoe vaak") komen soms in de spreektaal voor, maar worden niet als correct beschouwd (zie ook § 122.63 voor kol).
Zie verder ook § 150.88 voor pertót in de functie van vrag.vnw.

122.39   <<   Voegwoorden kluft en lomp

Kluft (wat) en de genitiefvorm kluftecÿr (van wat; waarvan) refereren aan zaken en dieren. Lomp (wie) en de genitief lomper (van wie; wiens; wier) refereren aan personen. De resultatiefvormen kluffte en lommpe zijn archaïsch. Tegenwoordig is de resultatief identiek aan de basisvorm. Kluft en lomp kunnen ook als vrag.vnw. optreden (§ 150.52–60).
Zowel kluft als lomp kan aan een meervoudige entiteit refereren. Als ze als subject optreden, is dit bijvoorbeeld te zien aan de meervoudsvorm van een modaal suffix (in (1)), of aan de meervoudsvorm van een pred.add. (in (2)):

(1)a.Ef polišo nert rafane, lompENK ef njoros klâfavyENK .
  De politie vertelt niet, wieENK de moord wilde plegen.
 b.Ef polišo nert rafane, lompMV ef njoros klâfavesMV .
  De politie vertelt niet, wieMV de moord wilden plegen.

(2)a.Gress dâlme, kluftENK dryche-lango fit reédiyENK kura ef weg.
  Ik vraag me af, watENK er zo irritant over de weg langsdendert.
 b.Gress dâlme, kluftMV dryche-lango fit reédiymMV kura ef weg.
  Ik vraag me af, watENK er zo irritant over de weg langsdendert.

In tegenstelling tot kluft, kan het Nederlandse equivalent 'wat' niet in het meervoud staan. In (2b) zou de meervoudige vorm 'langsdenderen' dan ook ongrammaticaal zijn.

122.40

De voegw.n kluft en lomp kunnen optreden als subject, object of echo. Daar deze drie functies hun specifieke positie binnen de zin kennen, en anderzijds een voegw. altijd aan het begin van de zin moet staan, ontstaat er een conflict indien kluft en lomp in de hoedanigheid van voegw. een andere positie zouden moeten innemen dan in de functie van subject/object/echo (of kortom: basiselement).
Alleen als het basiselement het eerste element van een zin is, komt de positie overeen met die welke een voegw. wil innemen. Bijvoorbeeld:

(1)Gress vraboe, kluft qugle ânkest ón do.
 Ik vermoed, wat hem bang maakt.
(2)Gress nert tiffe, lomp ustjâge do/zirrel.
 Ik weet niet, wie hem bedriegt.

122.41

Als kluft en lomp als object (zonder kernfunctie) optreden, worden zij niettemin vooraan de zin geplaatst (want het zijn tenslotte voegw.n), maar de nu ongebruikte objectpositie wordt opgevuld met een spoor. Dit is in het meest neutrale geval het pers.vnw. ef, maar als wij het geslacht kennen van de persoon aan wie lomp refereert, kan het spoor dit geslacht uitdrukken: do/zirrel (hem) voor een man, en eup/hópsat (haar) voor een vrouw. Ook kan een meervoudig spoor gekozen worden (óps/hifde (zij)) als we weten dat lomp aan meer dan één persoon refereert.1 Zie ook § 70.67. Bijvoorbeeld:

(1)Gress tiffe, kluft Lerdu miype ef.
 Ik weet wat Lerdu denkt.

(2)Gress tiffe, kluft Lerdu miype efs.
 Ik weet wat Lerdu [allemaal] denkt.

(3)Gress nert tiffe, lomp do enn ef ustjâge.
 Ik weet niet wie hij bedrogen heeft.

(4)Gress nert tiffe, lomp do ustjâge eup/hópsat.
 Ik weet niet wie (= welke vrouw) hij bedriegt.

(5)Gress nert tiffe, lomp óps ustjâge hifde.2
 Ik weet niet wie (= welke mensen) zij bedriegen.

Let op het verschil tussen (1) en (2): het enkelvoudige spoor ef in (1) is neutraal: Lerdu kan aan één ding denken, maar wellicht ook aan meer dingen. Het meervoudige spoor efs in (2) drukt expliciet uit dat ik ervan op de hoogte ben dat Lerdu aan meerdere dingen (tegelijk) denkt. Het meervoudige idee kan in het Nederlands met allemaal uitgedrukt worden. Zie verder ook § 130.72–86 voor deze materie.
In zin (3) is het spoor-object ef gebruikt, omdat ik niet weet aan welk geslacht lomp refereert. Bovendien is het object met enn gemarkeerd omdat het hier een def.tijd betreft in een zin die met een ondersch.voegw. (lomp) begint (zie regel II.a. in § 90.7).


1Bij koppelwerkwoorden (zie Blok 102.8) is er geen sprake van een object, maar van een predicatief complement (pred.comp.). Als lomp of kluft als pred.comp. optreedt, kunnen subject en pred.comp. van plaats verwisselen en is toevoeging van een spoor niet nodig. Vergelijk:

a.Gress tajone beri tiffe, kluft Lerdu ytende beri lorerde ef.
 Ik zou wel eens willen weten wat Lerdu van plan is te kopen.
b.* Gress tajone beri tiffe, kluft dena lâptôpecÿr ðÿny melde ef.
c.Gress tajone beri tiffe, kluft melde dena lâptôpecÿr ðÿny.
 Ik zou wel eens willen weten wat de prijs van deze laptop is.

In a. staat het object kluft aan het begin van de zin, en wordt de lege objectpositie achter lorerde met het spoor ef gevuld. Een dergelijke constructie is bij een koppelwerkwoord ongrammaticaal (zie b.), want hier treedt kluft niet op als een object, maar als een pred.comp. In dit geval verwisselen pred.comp. en subject (onderstreept) van positie, zoals in c.


2In § 70.61 is uitgelegd dat in de functie van object een pers.vnw. van het tweede niveau geadviseerd wordt, als er in de functie van subject reeds een pers.vnw. van het eerste niveau gebruikt wordt. Daarom verdient b. de voorkeur boven a.:

a.? Óps1 zerfe óps2 .Zij zien hen.
b.Óps zerfe hifde.(idem)

Ook in zin (5) wordt voor het spoor-object het pers.vnw. 2n hifde gebruikt.


122.41a

Als de toek.tijd uitgedrukt wordt met inversie (§ 111.52–53), staat de zinskern niet meer op een initiële positie, vergelijk:

a.Petriy quamptûne ef mennpriss.Petriy wint de hoofdprijs.
b.Quamptûne Petriy ef mennpriss.Petriy zal de hoofdprijs winnen.

Als deze kern nu de functie van voegw. heeft, ontstaat er een conflict: het voegw. wil een initiële positie innemen, maar de uitdrukking van de toek.tijd vereist dat het werkw. deze initiële positie inneemt. Er zijn nu in principe 4 oplossingen, elk met hun eigen nadeel:

  1. Maak de zin passief, zodanig dat het voegw. geen zinskern meer is. Nu kan een pronominalisatiespoor (pron.-spoor) toegevoegd worden. Nadeel: passivisering is bij intrans.werkw.n onmogelijk.
  2. Plaats het werkw. áchter de kern, maar druk de toek.tijd uit met de determinant di (meestal samen het suffix -u). Nadeel: de toek.tijd. is nu sterk gemarkeerd en heeft een extra betekenis van "plan" of "belofte" (zie § 111.55–59).
  3. Plaats het voegw. vóór het werkw., maar vul de lege positie erachter in met een pron.-spoor. Nadeel: druist in tegen de regel dat zulke sporen nooit met kernen gecombineerd mogen worden.
  4. Handhaaf het voegw. áchter het werkw. Nadeel: druist in tegen de regel dat voegw.n een initiële positie moeten innemen.

122.41b

Voorbeelden van de 4 oplossingen uit de vorige paragraaf (tussen {...} de onderliggende structuur):

  {Ef melde velk yroppiy, quamptûne lomp enn ef mennpriss.} >

(1)a.> Ef melde velk yroppiy, lomp quamptûnelije ef mennpriss pai do/eup/stus.1
  Het is nog spannend, door wie de hoofdprijs gewonnen zal [gaan] worden.

 b.> Ef melde velk yroppiy, lomp di quamptûnu enn ef mennpriss.
  Het is nog spannend, wie de hoofdprijs zal [gaan] winnen.

 c.> * Ef melde velk yroppiy, lomp quamptûne do/eup/stus enn ef mennpriss.

 d.> ?? Ef melde velk yroppiy, quamptûne lomp enn ef mennpriss.
  Het is nog spannend, wie de hoofdprijs zal [gaan] winnen.  (= b.)

Oplossingen (1a) en (1b) zijn geheel correct, maar (1c) is ongrammaticaal, en (1d) is zeer twijfelachtig en wordt als "onverzorgd taalgebruik" beschouwd.2


1Zie § 130.76 voor de handhaving van de determinant pai op de positie van het pron.-spoor.


2Ripau (1965) noemt een constructie als (1d) een Pegrevisme, omdat voegw.n in het Pegrevisch niet zo'n strikte initiële positie hebben als in het Spokaans. Daarom kan in het Pegrevisch een werkw. vóór een voegw. staan. Merk op dat deze relatief vrije positie voor een voegw. een neologisme is die alleen in het Pegrevisch voorkomt, niet in de overige Atlantische talen, en ook niet in het Oud-Atlantisch.

122.42

Vergelijk ook de volgende zinnen. In (2b) is sprake van een def.inversie (object enn ânkest vóór het predicaat). In (2c) is de toek.inversie twijfelachtig (vergelijk (1d) in de vorige paragraaf), en (2d) is correct (vergelijk (1b)):

(2)a.Marje dâlme, kluft qugle ânkest ón do.
  Marje vraagt.zich.af, wat veroorzaakt angst aan hem
  Marje vraagt zich af, wat hem bang maakt.

 b.Marje dâlme, kluft enn ânkest qugle ón do.1
  Marje vraagt zich af, wat hem bang heeft gemaakt.

 c.?? Marje dâlme, qugle kluft ânkest ón do.
 d.Marje dâlme, kluft di quglu ânkest ón do.
  Marje vraagt zich af, wat hem bang zal maken.

1 De objectmarkeerder enn is in de def.tijd verplicht als de zin met een voegw. begint; zie hiervoor § 90.7.

122.42a

Ook als het voegw. géén kern is, maar een object of echo, ontstaat er een conflict bij de toek.inversie:

(3)a.?? Gress tiffe strâ, folarra fortpit zâlbinase gress enn sener ârtycla ón ef.
 b.?? Gress tiffe strâ, zâlbinase folarra fortpit gress enn sener ârtycla ón ef.
  Ik weet nog niet, aan welk tijdschrift ik mijn artikel zal sturen.

In (3a) staat het vette folarra fortpit vanwege het voegw. folarra geheel vooraan de zin, terwijl het onderstreepte zâlbinase óók geheel vooraan had moeten staan om een toek.tijd uit te drukken. In (3b) staat het predicaat weliswaar vooraan, maar het voegw. nu niet. Vergelijk (3b) met (1d) hierboven.
Hier kan de toek.tijd dus beter met di + -u uitgedrukt worden:

(3)c.Gress tiffe strâ, folarra fortpit gress di zâlbinasu enn sener ârtycla ón ef.
  Ik weet nog niet, aan welk tijdschrift ik mijn artikel zal sturen.

122.43

Als basiselementen worden gemarkeerd met pai, enn of ón, komen deze markeringen bij het spoor te staan; dus ze gaan níét mee met het voegw. naar de beginpositie in de zin (zie ook § 130.76). Bijvoorbeeld:

(1)Petriy nert rafane, lomp do kettavy ef mimpit ón ef.
 Petriy vertelt niet, aan wie hij het boek wil geven.

(2)Ef neknôfe, kluft ef âpippolâ póbarelitâ pai ef diller enn efs.
 Het is onbekend, wat aan de politieagent door de drugsdealer is verkocht.

(3)Ef medikiy nert unere, kluft enn ef infekšo quglelije pai ef.
 De dokter begrijpt niet, waardoor (lett. "door wat") de infectie is veroorzaakt.

(4)Blul vro'egielije quista fes dena analyss, kluft sest protestaša kafmiype ón ef.
 In deze analyse wordt goed beschreven, waaraan (lett. "aan wat") zulke
protesten zijn toe te schrijven.

Merk bij zin (2) op dat de drugsdealer meerdere dingen aan de politieagent heeft verkocht; dit blijkt uit het meervoudige efs.

122.44

Voorzetselbepalingen hebben – anders dan basiselementen – geen vaste positie in de zin. Zij kunnen daarom zonder meer op een initiële positie staan, zodat er evenmin sprake is van een "lege" positie die met een spoor opgevuld moet worden. Vergelijk:

a.Ef lydos nert reppe, lomp ef smurf harre ón ef.
 Het bestuur zegt niet aan wie het geld toekomt.

b.Ef lydos nert reppe, piti lomp óps reéde.
 Het bestuur zegt niet aan wie ze zich ergeren.

In a. wordt de echo ón lomp gesplitst in het voegw. lomp en het spoor ef dat op de oorspronkelijke echopositie blijft staan (tezamen met de determinant ón). In b. gaat de gehele voorzetselconstituent piti lomp naar de initiële positie.

122.45

Voorbeelden van de genitieven kluftecÿr (van wat; waarvan) en lomper (van wie, wiens, wier) in de functie van subject:

(1)Gress nert tiffe, kluftecÿr decs melde kaf ef kelbra.
 Ik weet niet waar het deksel van is dat op de tafel ligt.
(lett. "welks deksel op tafel ligt")

(2)Gress nert tiffe, lomper sért melde fara póbaros.
 Ik weet niet wiens/wier huis te koop staat.
(= van wie het huis is dat te koop staat)

Merk op dat het Nederlands twee verschillende genitiefvormen kent: "wiens" voor mannen, en "wier" voor vrouwen en voor het meervoud. Dit onderscheid bestaat in het Spokaans niet, het is altijd lomper.

122.46

Voorbeelden van de genitieven kluftecÿr en lomper in de functie van object:

(1)Óps nert tiffe, kluftecÿr hola do enn ef kaine.
 Ze weten niet van wat (= van welk dier) het hol is dat hij heeft vernield.

(2)Lerdu nert tiffe, lomper mimpit Petriy trempe eup.
 Lerdu weet niet wier boek Petriy leest. (= van wie het boek is dat Petriy leest)

De letterlijke vertaling van (1) klinkt nogal onnatuurlijk; het Nederlands zou hier de voorkeur geven aan de omschrijving "van welk dier" in plaats van "van wat". In (2) drukt het spoor eup (zij) uit dat Lerdu wel weet dat het boek dat Petriy leest van een vrouw is (dat blijkt in het Nederlands uit wier, hoewel dat ook meervoud zou kunnen zijn).

122.47

Voorbeelden van de genitieven kluftecÿr en lomper in een voorz.bep.:

(1)Óps nert rafanaves, kaf kluftecÿr zillepip óps enn eft kloitt zerfe.
 Ze willen niet vertellen, op het dak van wat ze een aap hebben gezien.

(2)Ef polišo rafana, fes lomper vrÿkyrs stus enn ef tomissisÿ minkede.
 De politie heeft verteld in wiens/wier koffers men de drugs heeft gevonden.

De letterlijke vertaling van (1) klinkt nogal onnatuurlijk; het Nederlands zou hier de voorkeur geven aan een omschrijving als "op welk dak", hoewel dat minder nauwkeurig is, want hiermee kan ook het soort dak bedoeld worden, en niet alleen het bouwwerk waarop dat dak zich bevindt.1
In (2) is het niet duidelijk om hoeveel kofferbezitters het gaat (ook één persoon kan meerdere koffers hebben), noch is het duidelijk welk geslacht de kofferbezitter(s) heeft/hebben.


1De uitdrukking "op welk dak" kan in het Spokaans letterlijk vertaald worden, vergelijk (1) met:

(1′)Óps nert rafanaves, kaf folarra zillepip óps enn eft kloitt zerfe.
 Ze willen niet vertellen, op welk dak ze een aap hebben gezien.

Maar anders dan in het Nederlands zal een Spokaniër bij zin (1′) voornamelijk denken aan de eigenschappen die het dak heeft (dus steil, van golfplaat, groen van kleur ed.), en niet aan het bouwwerk dat dit dak "bezit".


122.48   <<   Voegwoorden folarra, folarkluft, lompol en kolpol

De voegw.n folarra (welk[e]), folarkluft (wat voor [een]), lompol (wie van de) en kolpol (welk[e] van de) behoren tot de lidwoordvervangende of "afhankelijke voegw.n": ze worden altijd door een nominale constituent gevolgd1; ze kunnen ook als vrag.vnw. optreden (§ 150.64–68).
Folarra en folarkluft kunnen aan personen, zaken en dieren refereren, zowel in het enkelvoud als in het meervoud.
Lompol kan alleen aan personen refereren, kolpol alleen aan zaken of dieren. Beide kunnen worden gevolgd door zowel een enkelvoudige als een meervoudige constituent. Bij een enkelvoudige constituent gaat het om de keuze van één entiteit uit een groep, bij een meervoudige constituent worden er meerdere entiteiten uit de groep gekozen.


1De nominale constituent kan eventueel nader bepaald worden door een additief of volt.dw., zoals folarra tnefer entrafers (welke buitenlandse toeristen), of kolpol fespildor šÿrtycs (welke van de ingediende voorstellen).
Lompol en kolpol kunnen níét gecombineerd worden met een voornaamwoord; in dat geval wordt een voorz.bep. met mip (uit) gebruikt. Dat geldt ook bij subst.n die voorafgegaan worden door een lidwoordvervangend voornaamwoord (zoals een aanw.vnw.):

* Do falede mas, lompol tu cÿrtirûs.
Do falede mas, lomp mip tu cÿrtirûs.
Hij beslist morgen wie van jullie moeten helpen.

* Gress mÿvare, lompol kirro do di invóbu ef.
Gress mÿvare, lomp mip kirro do di invóbu ef.
Ik ben benieuwd, wie van ons hij zal uitnodigen.

* Ef bibliotekker xnebre, kolpol tem la'ymôr mimpits melde estrar.
Ef bibliotekker xnebre, folarra mip tem la'ymôr mimpits melde estrar.
De bibliothecaris gaat na welke van deze kostbare boeken beschadigd zijn.

122.49

Voorbeelden met een subject als zinskern:

(1)Tu zerfecû fes ef fiyrk-wós, folarra ylâmers ÿrôme fes dena hôspitalo.
 Je kan op de website kijken, welke specialisten er in dit ziekenhuis werken.

(2)Kirro dâlme, folarkluft hÿrðys kulle fes dena hotela.
 We vragen ons af wat voor [soort] gasten er in dit hotel logeren.

(3)Ef Zâmporementec falede mas, kolpol šÿrtycs melde tÿšamiyn.
 De Volksvertegenwoordiging beslist morgen welke van de voorstellen haalbaar zijn.

(4)Ef Zâmporementec falede mas, kolpol šÿrtyc melde tÿšamiy.
 De Volksvertegenwoordiging beslist morgen welk van de voorstellen haalbaar is.

In zin (3) is het subject kolpol šÿrtycs meervoud: het gaat dus om meer dan één voorstel uit een groter aantal voorstellen. In zin (4) is het subject kolpol šÿrtyc enkelvoud: het gaat dus om slechts één voorstel uit een groter aantal voorstellen. Merk op dat het Nederlandse voorstellen altijd meervoudig is, en dat welk kan refereren aan zowel één entiteit als meerdere entiteiten.

122.50

Voorbeelden met een object:

(1)Gress nert tiffe, folarra la'ymôr mimpits do enn efs kuntiyre.
 Ik weet niet, welke kostbare boeken hij gestolen heeft.

(2)Kirro dâlme, folarkluft kles-mojer do lorertavy ef.
 We vragen ons af wat voor [soort] grasmaaier hij wil kopen.

(3)Ef knôfe strâ, lompol ifâm ef lydos di cošu do.
 Het is nog niet bekend, wie van de kandidatenO het bestuurS zal kiezen.

(4)Ef knôfe strâ, lompol ifâm di cošulije pai ef lydos.
 Het is nog niet bekend, wie van de kandidaten door het bestuur gekozen zal worden.

Merk in (1)–(3) de toevoeging van het vetgedrukte spoor op, om de oorspronkelijke objectpositie te vullen (zie ook de uitleg in § 122.41). In (4) staat het object als zinskern sowieso vooraan de zin, dus hier is geen lege objectpositie om met een spoor te kunnen vullen.
In (3) en (4) wordt uitgedrukt dat het bestuur één kandidaat zal kiezen (ifâm is enkelvoud); in (3) wordt bovendien aangegeven dat het om een mannelijke kandidaat gaat (het spoor do is mannelijk enkelvoud). In de passieve variant in (4) ontbreekt de indicatie dat het om een mannelijke kandidaat gaat, zodat deze variant de voorkeur heeft als de kandidaat zowel een man als een vrouw kan zijn.

122.50a

Voorbeelden met een echo:

(5)Ef nert melde ÿrðaag, kolpol fiysdor muséms ef depârtemen lufttiffavy eft
supsiðiy ón efs.
 Het is niet duidelijk, aan welke van de uitgekozen musea het ministerie een
subsidie wil toekennen.

(6)Ef nert melde ÿrðaag, kolpol fiysdor muséms lufttiffelitâ pai ef depârtemen
 het niet is duidelijk, welke.van.de uitgekozen musea toekennen-SxE DtS het ministerie
 enn eft supsiðiy.
 DtO een subsidie
 Het is niet duidelijk, aan welke van de uitgekozen musea een subsidie door het
ministerie toegekend wordt.

In (5) is een spoor (vetgedrukt) toegevoegd, om de oorspronkelijke echopositie te vullen. In (6) staat de echo als zinskern sowieso vooraan de zin, dus hier is geen lege echopositie om met een spoor te kunnen vullen.

122.51

Voorbeelden met een voorz.bep.:

(1)Elsa lelperre nÿf prôx morises, lef folarkluft lammefiyn merbôkus sener
mariant ÿrgote.
 Elsa heeft geen flauw idee met wat voor [soort] onbetrouwbare boeven
haar man zakendoet.

(2)Ef menester falede mas, kaf folarra linnôsta do kettavy eft ÿrtyrâhos.
 De minister beslist morgen op welke vragen hij een toelichting zal geven.

(3)Ef menester falede mas, kaf kolpolt linnôsta do kettavy eft ÿrtyrâhos.
 De minister beslist morgen op welke van de vragen hij een toelichting zal geven.

In (3) gaat het om een toelichting op twee of meer vragen, wat te zien is aan het meervoudige linnôsta. Merk het subtiele verschil tussen (2) en (3) op: in (2) is het niet bekend om welke vragen het gaat, want ze zijn nog niet aan de orde gekomen. In (3) wordt gerefereerd aan een reeks vragen die al aan de orde geweest zijn en dus bekend zijn. Uit deze reeks zal de minister er twee of meer kiezen om toe te lichten.

122.52

In tegenstelling tot het Nederlandse welk[e] en wat voor [een] kunnen folarra en folarkluft niet zelfstandig gebruikt worden. Toevoeging van een spoor als tiyn (§ 132.15–19) is dan nodig. Bijvoorbeeld:

Petriy vÿr mimpits lorerde, tûre do tiffe strâ, folarra tiyn do trempavy bent ef.
Petriy heeft vijf boeken gekocht, maar hij weet nog niet, welk hij het eerst wil lezen.

Gress eft amendle-tróma coše, tûre gress tiffe folarkluft tiyn tu zecofe ef.
Ik heb een amandelgebakje gekozen, maar ik weet niet wat voor een jij graag wil.

Vergelijk ook kolpert (hoeveel) in § 122.54, dat wél zelfstandig kan optreden.

122.53   <<   Voegwoord kolpert

Kolpert (hoeveel) is niet alleen een lidwoordvervangend of "afhankelijk voegw.", maar kan ook zelfstandig gebruikt worden. Het kan aan personen, zaken en dieren refereren, maar altijd in het meervoud of stoffelijk. Kolpert kan ook als vrag.vnw. gebruikt worden (§ 150.61–63). Voorbeelden in een lidwoordvervangende constructie:

(1)Ef knôfe strâ, kolpert ool kôlta cupp ef karé.
 Het is nog niet bekend, hoeveel olie uit het schip is gestroomd.

(2)Ef polišo rafane, kolpert skozafts stus ubere miytjâ óps toftas.
 De politie vertelt hoeveel zakkenrollers men gemiddeld dagelijks oppakt.

(3)Fes ef resepp ef sen nert stinde, kolpert tustus perke beri painelije-luft blul.
 In het recept staat niet, hoeveel eieren er toegevoegd moeten worden.

In zin (2) zien we het algemene spoor óps op de objectpositie die anders leeg zou blijven omdat het object nu geheel vooraan staat.
Zin (3) is een voorbeeld van een subjectloos passief met het object in de zinskern. Inversie is hier onmogelijk, omdat in dat geval blul vooraan de zin zou staan, wat conflicteert met de regel dat het voegw. kolpert op een initiële positie moet staan. Zie hiervoor ook § 91.14b.

122.54

Het voegw. kolpert kan ook zelfstandig gebruikt worden:

(1)Ef polišo dur xaftor leldasts ubere, tûre ef knôfe strâ, kolpert xafta mip ef leld'sért.
 De politie heeft drie ontsnapte gevangenen gepakt, maar het is nog niet bekend
hoeveel er uit de gevangenis zijn ontsnapt.

(2)Petriy nert rafanavy, kolpert do rinne ef.
 Petriy wil niet vertellen, hoeveel hij verdient.

In zin (2) staat het spoor ef op de lege objectpositie.

122.55   Splitsing van voegwoordelijke constituenten

De constituenten de gevormd zijn met de afhankelijke voegw.n folarra (welk[e]), folarkluft (wat voor [een]), lompol (wie van de), kolpol (welk[e] van de) en kolpert (hoeveel), kunnen gesplitst worden, zodanig dat het voegw. vooraan de zin staat, en de rest op de oorspronkelijke subject-, object- of echopositie. Dergelijke constructies gelden als archaïsch en ook als min of meer formele schrijftaal. Vergelijk de a-zinnen (herhalingen van de voorbeelden bij de behandelde voegw.n) met de splitsingen in b.:

(1)a.Gress nert tiffe, folarra la'ymôr mimpits do enn efs kuntiyre.
 b.†$ Gress nert tiffe, folarra do enn ef la'ymôr mimpits kuntiyre.
 Ik weet niet, welke kostbare boeken hij gestolen heeft.

(2)a.Kirro dâlme, folarkluft kles-mojer do lorertavy ef.
 b.†$ Kirro dâlme, folarkluft do lorertavy ef kles-mojer.
 We vragen ons af wat voor [soort] grasmaaier hij wil kopen.

(3)a.Ef knôfe strâ, lompol ifâm ef lydos di cošu do.
 b.†$ Ef knôfe strâ, lompol ef lydos di cošu ef ifâm.
 Het is nog niet bekend, wie van de kandidatenO het bestuurS zal kiezen.

(4)a.Ef polišo rafane, kolpert skozafts stus ubere miytjâ óps toftas.
 b.†$ Ef polišo rafane, kolpert stus ubere miytjâ ef skozafts toftas.
 De politie vertelt hoeveel zakkenrollers men gemiddeld dagelijks oppakt.

In de b-zinnen is het lidwoord ef aan het afgesplitste subst. toegevoegd (een indicatie dat het voegw. inderdaad een "lidwoordvervangende" functie heeft). Merk op dat in (3a) expliciet is aangegeven dat het om één mannelijk persoon gaat (het spoor do), maar dat deze informatie in (3b) door de afwezigheid van dat spoor verloren is gegaan.
Deze constructies worden verder behandeld in § 130.79–81, waar ook zal worden ingegaan op de mogelijke ambiguïteit.

122.56   <<   Voegwoorden janof en lifrostiy; determinant ma

Lifrostiy is afgeleid van het werkwoord lifroste (bekijken; aanzien). Het voegw. janof betekent 'omdat; doordat; daar; aangezien'. Lifrostiy is een schrijftaalvariant waarvan de betekenis het meest overeenkomt met 'aangezien'. De det. ma is een synoniem van beide voegwoorden. Alle drie drukken ze een reden of een oorzaak uit. Bij een reden (a-zinnen) gaat het om de menselijke wil of motivatie; bij een oorzaak (b-zinnen) wordt de onontkoombaarheid van het beschreven oorzakelijke verband benadrukt. Vergelijk:

(1)a.Gress tinde fesért, janof ef bidale. = Gress ma tinde fesért, ef bidalilóme.
  Ik blijf thuis omdat/daar het regent.

 b.Ef mirras melde glal, janof ef cryra. = Ef mirras ma melde glal, ef cryrilóme.
  De straten zijn glad doordat het gevroren heeft.

(2)a.Ef prest cÿrala beri dismyse 100 emploés, lifrostiy sener glûfiy enn eft
hupster perdos zyne. =
= Ef prest ma cÿrala beri dismyse 100 emploés, groft glûfiy enn eft hupster
perdos zynilóme.
  De directeur heeft besloten om 100 werknemers te ontslaan, aangezien zijn
bedrijf een groot verlies heeft geleden.

 b.Ef glûfiy melde dÿfosmurfiy, lifrostiy ef enn eft hupster perdos zyne. =
= Ef glûfiy ma melde dÿfosmurfiy, ef enn eft hupster perdos zynilóme.
  Het bedrijf is failliet, aangezien/doordat het een groot verlies heeft geleden.

Merk op dat de oppositie reden ~ oorzaak in het Nederlands tot uitdrukking kan komen in het verschil tussen omdat en doordat.1 Zie verder § 122.58 voor het verschil tussen janof en brâ.


1Een reden resp. oorzaak kan bij janof worden weergegeven met een expliciete omschrijving. Vergelijk (1a) en (1b) met:

(1′)a.Gress tinde fesért, janof ef baso melde, ef bidalelira.
  (lett. "ik blijf thuis omdat de reden is dat het regent")
 b.Ef mirras melde glal, janof ef zûpstiy melde den ef cryra.
  (lett. "de straten zijn glad doordat de oorzaak is dat het gevroren heeft")

Zulke constructies zijn voornamelijk schrijftaal en geven een nogal krampachtige indruk. Alleen als het vanwege ambiguïteit noodzakelijk is om een reden resp. oorzaak expliciet weer te geven, zijn zulke constructies acceptabel, zoals in:

a.Ef plâkomÿ melde ilba furt ef kûfôs, janof ef baso melde, eft tiyns-oto
vlôtalira armt fléms.
 De tunnel is voor het verkeer gesloten omdat een vrachtwagen in brand
is gevlogen.
b.Ef plâkomÿ melde ilba furt ef kûfôs, janof ef zûpstiy melde, eft tiyns-oto
vlôtalira armt fléms.
 De tunnel is voor het verkeer gesloten doordat een vrachtwagen in brand
is gevlogen.

In a. is het gebruik van de tunnel vanwege de brand door de politie verboden. In b. is het gebruik van de tunnel om fysieke redenen onmogelijk (er staat een brandende vrachtwagen in). Zie ook § 122.61a.


122.57   <<   Voegwoord ogâ; determinant mân[iy]

Ogâ en mâniy zijn de ontkennende vormen van janof en ma, en betekenen dus 'omdat niet; doordat niet'. Mâniy en de korte vorm mân zijn met vocaalwisseling afgeleid van ma (a > â), zie ook Blok 41.51 en § 41.54. In a. staat een uitdrukking van reden; in b. van oorzaak:

a.Eup rofone, ogâ kettelitâ pai Jân enn ef mimpit. =
= Eup mâniy rofone, kettilomitâ pai Jân enn ef mimpit.
    ze omdatDET is.boos, [zij] wordt.gegeven-ONDERSCH DtS Jân DtO het boek
 Ze is boos omdat Jân haar het boek niet geeft.

b.Ef ialefs melde jejûn, ogâ ef bidala nâzja-fort. =
= Ef ialefs mâniy melde jejûn, ef bidalilóme nâzja-fort.
 De oogsten zijn schraal, doordat het geruime tijd niet geregend heeft.

122.57a

In tegenstelling tot andere negatieve voegwoorden en determinanten (zoals tûre (maar niet); nÿn (indien niet); lest (opdat niet); hiyrâ (terwijl niet)) kunnen ogâ en mâniy níét vergezeld worden van een extra negatie als nert (niet) of een negatief zelfst.vnw. als flâjû (niets). Zie ook § 121.19–26. Daarentegen kan ogâ wel vervangen worden door de combinatie janof ... nert, en kan mâniy vervangen worden door ma, plus een negatie in de bijzin. Vergelijk b. in de vorige paragraaf met:

b′.Ef ialefs melde jejûn, janof ef nert bidala nâzja-fort. =
= Ef ialefs ma melde jejûn, ef nert bidalilóme nâzja-fort.
 De oogsten zijn schraal, doordat het geruime tijd niet geregend heeft.

Zie ook (1a) en (1b) in § 92.22.

122.58   <<   Voegwoord/determinant brâ

Tussen brâ (want) en janof (omdat) (§ 122.56) bestaat hetzelfde betekenisverschil als tussen de Nederlandse equivalenten. Bij brâ geeft de spreker een argument dat als verklaring of verantwoording kan dienen voor wat in de matrixzin is uitgedrukt. Bij janof geeft de spreker de reden voor wat in de matrixzin is uitgedrukt. Soms kunnen brâ en janof door elkaar gebruikt worden, maar meestal niet. Het betekenisverschil lijkt in het Spokaans minder sterk aanwezig te zijn dan in het Nederlands, en soms is er helemaal geen verschil, zoals blijkt uit de volgende voorbeelden:

(1)Elsa nert melde fesért, brâ/janof nert ef armâtat nÿle fes belt mittus.
 a.  Elsa is niet thuis, want er brandt geen licht op haar kamer.
 b.  ? Elsa is niet thuis, omdat er geen licht op haar kamer brandt.

(2)Noi ândyrre-tûe lo kâ, brâ/?janof tu di mešanu velk mintof fort.
 a.  Treuzel niet zo, want je zal nog te laat komen.
 b.  * Treuzel niet zo, omdat je te laat zal komen.

(3)Lerdu reppa, do nert probarelira beri arfine, ?brâ/janof ef bidala.
 a.  Lerdu zei dat hij niet wilde komen omdat het regende.
 b.  ? Lerdu zei dat hij niet wilde komen, want het regende.

(4)Gress slapelsatavy horit, brâ/janof gress hômbae graviy.
 a.  Ik wil vroeg naar bed, want ik ben ontzettend moe.
 b.  Ik wil vroeg naar bed, omdat ik ontzettend moe ben.

In (1) geeft de spreker een verklaring waarom hij constateert dat Elsa niet thuis is; dan is brâ een correcte keus, hoewel janof niet geheel afgekeurd wordt. In het Nederlands lijkt alleen want correct; daarentegen drukt omdat eerder uit waarom Elsa had besloten niet thuis te zijn – dit zou kunnen zijn omdat ze weet dat het licht op haar kamer kapot is, en dat ze daarom ergens anders vertoeft.
In (2) ligt het voor de hand om aan te nemen waarom de spreker vindt dat jij niet zo moet treuzelen. Hier zijn alleen brâ en want correct.
Zin (3) wordt primair zo begrepen dat de spreker uitlegt wat de reden is waarom Lerdu niet wilde komen; hier is janof (omdat) de logische keus. Met brâ (want) lijkt eerder uitgedrukt te worden dat de spreker een verklaring geeft waarom Petriy zegt dat hij niet wilde komen, namelijk omdat het regent (oftewel: als het niet had geregend had Petriy het ook niet gezegd).
In (4) lijkt er nauwelijks verschil tussen brâ en janof te zijn. Hier wordt de keuze (mede) bepaald door spreektaal (brâ) tegenover schrijftaal (janof).

122.59

Brâ kan als voegwoord én als determinant optreden, bijvoorbeeld:

Kirro tinde fesért, brâ ef bidale. = Kirro brâ tinde fesért, ef bidalilóme.
We blijven thuis want het regent.

Elsa nert melde fesért, brâ nert ef armâtat nÿle fes belt mittus. =
= Elsa nert brâ melde fesért, nert ef armâtat nÿlilóme fes belt mittus.
Elsa is niet thuis, want er brandt geen licht op haar kamer.

122.60

Let op de typische spreektaalvorm waarbij brâ dubbel gebruikt wordt:

£ Kirro brâ tinde fesért, brâ ef bidale.
Waarom we thuisblijven is omdat het regent.

Het eerste brâ is een determinant, het tweede brâ een voegwoord. Het werkwoord in de bijzin krijgt echter géén -ilóme!
Brâ als nevenschikkend voegw. wordt verder behandeld in § 121.6–7. Verder kan brâ in de spreektaal als vrag.vnw. gebruikt worden; het is dan een synoniem van mitulanis (waarom); zie § 150.82–84.

122.61   <<   Voegwoord mitulanis

Mitulanis (waarom; waardoor) is zowel een voegw. als een vrag.vnw. (§ 150.82–84) Het legt niet uit wat de reden of oorzaak van de uitspraak in de matrixzin is, maar drukt uit dát er een (niet genoemde) reden of oorzaak is. Bij een reden gaat het om de menselijke wil of motivatie. Vergelijk:

a.Ef menester lâchaquinde ef Zâmporementec, janof ef lacsplan melde terat mikkelel ki.
 De minister spreekt de Volksvertegenwoordiging toe, omdat het wetsvoorstel heel
belangrijk is.

b.Ef menester bzagoe ón ef Zâmporementec, mitulanis ef lacsplan melde fit mikkelel.
 De minister legt aan de Volksvertegenwoordiging uit, waarom het wetsvoorstel zo
belangrijk is.

Bij een oorzaak is een menselijke wil afwezig, en wordt de onontkoombaarheid van het beschreven oorzakelijke verband benadrukt. Vergelijk:

a.Ef pijâ sért fjojaburo, janof ef prétt byta fes ef zillepip.
 Het hele huis is afgebrand, doordat de bliksem in het dak sloeg.

b.Ef polišo nert blompecû, mitulanis ef sért fjojaburo.
 De politie kan niet mededelen, waardoor het huis is afgebrand.

122.61a

Het onderscheid tussen reden en oorzaak is in het Nederlands goed uit te drukken, maar in het Spokaans moet dat expliciet omschreven worden, bijvoorbeeld:

a.Ef polišo nert blompecû, yargeloh folarra baso ef 'jan enn ef sért rakle kaf ef buros.
 De politie kan niet mededelen, om welke reden de jongen het huis in brand heeft
gestoken.

b.Ef polišo nert blompecû, tjâg folarra zûpstiy ef sért fjojaburo.
 De politie kan niet mededelen, door welke oorzaak het huis is afgebrand.

Vergelijk ook § 122.56 voetnoot 1.

122.62   <<   Voegwoord kol; determinant syniy

Het voegw. kol (hoe) kan ook als vrag.vnw. optreden (§ 150.85–87). Als voegw. kent het als synoniem de det. syniy. Bijvoorbeeld:

(1)a.Do nert tiffe, kol gress tiffe ef storâs.
 b.Do nert syniy tiffe, gress tiffilóme ef storâs.
 Hij weet niet hoe ik het verhaal ken.

(2)a.Kol ef pramter kurra beri itÿrre kura ef ûrbesst, ef melde eft jâchtos.
 b.Ø
 Hoe de inbreker over de schutting heeft kunnen vluchten, is een raadsel.

Voor zin (2a) bestaat geen alternatief met de det. syniy omdat een matrixzin met een determinant altijd vóór de bijzin moet staan.

122.63

Kol kan goed gecombineerd worden met een additief. Er zijn twee mogelijkheden: óf het additief vormt samen met kol één voegwoordelijke constituent (in a.), óf kol staat als los voegw. vooraan de zin terwijl het additief op zijn oorspronkelijke positie blijft staan (in b.). In zulke constructies drukt kol niet een "wijze" uit, maar veeleer een bepaalde "mate".1 Vergelijk:

(1)a.Gress nert tiffe, kol quista do kurre beri chelte.
 b.Gress nert tiffe, kol do kurre beri chelte quista.
 Ik weet niet, hoe goed hij kan schaatsen.

(2)a.Ef musém fesketta quoss, kol la'ymôr ef platiranu melde.
 b.Ef musém fesketta quoss, kol ef platiranu melde la'ymôr.
 Het museum heeft nauwelijks beseft, hoe kostbaar het schilderij was.

(3)a.Ef safari-pârc-quardaliys nert probara beri haóge, kol kviksiyn ef
jolafartelira môntrazens melde.
 b.Ef safari-pârc-quardaliys nert probara beri haóge, kol ef jolafartelira
môntrazens melde kviksiyn.
 De bezoekers van het safaripark wilden niet begrijpen hoe gevaarlijk de
loslopende tijgers zijn.

In sommige gevallen bestaat er een apart voegw. dat kol + add. vervangt. Zo is pertót (hoe vaak) gebruikelijker dan kol lilt of kol ment (zie ook § 122.38). En in plaats van kol pert wordt altijd kolpert (hoe veel; hoeveel) gebruikt (feitelijk niet meer dan het aaneenschrijven van beide woorden); zie § 122.53.


1Ook zonder een bijbehorend additief kan kol een bepaalde "mate" uitdrukken. Vergelijk:

a.Tu lelperre nÿf belt morises, kol do knôfosa ón eup.
 Je hebt geen idee hoe hij haar heeft leren kennen.
b.Tu lelperre nÿf belt morises, kol do lye eup.
 Je hebt geen idee hoe hij van haar houdt.

a.Eup stinda, kol eup probare beri arfine.
 Ze heeft geschreven hoe ze wil komen.
b.Eup stinda, kol eup bladide beri arfine.
 Ze heeft geschreven hoe graag ze wil komen.

In de a-zinnen drukt kol de wijze uit waarop de handeling van het predicaat plaatsvond of plaatsvindt. In de b-zinnen drukt kol uit in wat voor mate de handeling van het predicaat plaatsvindt.


122.64

Het probleem met de b-zinnen in de vorige paragraaf is dat deze ambigu kunnen zijn omdat kol ook opgevat kan worden als een voegw. met de betekenis 'op welke wijze'. Vergelijk:

(1)Gress dâlme, kol Lerdu kurre beri chelte quista kaf dena ošo pica.
 a.  Ik vraag me af, hoe goed Lerdu op dat natte ijs kan schaatsen.
 b.  Ik vraag me af, hoe Lerdu goed op dat natte ijs kan schaatsen.

Betekenis (1a) legt de nadruk op de schaatscapaciteiten van Lerdu (hij kan goed schaatsen, maar nu het ijs zo nat is, valt nog te bezien of hij nog net zo goed kan schaatsen als anders). Betekenis (1b) legt de nadruk op de vraag of Lerdu wel in staat is om op dat natte ijs te kunnen schaatsen (of hij góéd kan schaatsen, is hier niet relevant, wel of het hem op de een of andere manier op dat natte ijs zal lukken).

122.65

Vergelijk ook de ambiguïteit in (3′) (dit is een herhaling van (3b) uit § 122.63):

(3′)Ef safari-pârc-quardaliys nert probara beri haóge, kol ef jolafartelira
môntrazens melde kviksiyn.
 a.  De bezoekers van het safaripark wilden niet begrijpen hoe gevaarlijk
     de loslopende tijgers zijn.
 b.  De bezoekers van het safaripark wilden niet begrijpen hoe (= op welke
     wijze) de loslopende tijgers gevaarlijk zijn.

Betekenis (3′a) legt het accent op het feit dat die tijgers heel gevaarlijk zijn en dat de bezoekers kennelijk denken dat ze niet gevaarlijk zijn. Zin (3′b) drukt uit dat de bezoekers waarschijnlijk wel snappen dat de tijgers gevaarlijk zijn, maar niet op welke wijze dat gevaar tot uitdrukking komt.
Om betekenis a. expliciet uit te drukken, kan gekozen worden voor een constructie als zin (3a). Betekenis b. kan expliciet gemaakt worden door kol bijvoorbeeld te vervangen door kol-vrôk (op welke wijze) (zie § 122.66).

122.66   <<   Voegwoorden kol-vrôk en kol-wys

Kol-vrôk en kol-wys zijn samengesteld uit kol (hoe) en vrôk = wys (wijze, manier) en betekenen 'op welke wijze/manier'. Ze kunnen ook als vrag.vnw.n optreden (zie § 150.90–92). Voorbeelden:

(1)Ef blaffoser tiffavy, kol-vrôk/kol-wys Petriy enn ef tiyn idevlazze.
 De belastinginspecteur wil weten op welke wijze Petriy gefraudeerd heeft.

(2)Piga bzagoa bloirâ, kol-vrôk/kol-wys eup verfutavy ef mittus.
 Piga heeft precies uitgelegd op welke wijze ze de kamer wil schilderen.

In (1) zouden kol-vrôk en kol-wys eventueel vervangen kunnen worden door kol (hoe) zonder dat de betekenis van de zin veel verandert. Bij (2) lijkt kol tot een andere betekenis te kunnen leiden. Vergelijk (2) met:

(2′)Piga bzagoa bloirâ, kol eup verfutavy ef mittus.
 Piga heeft precies uitgelegd hoe ze de kamer wil schilderen.

In (2) wordt de nadruk op de wijze van schilderen gelegd, dus bijvoorbeeld of Piga het met een kwast, roller of verfspuit gaat doen. In (2′) lijkt het accent meer te liggen op het resultaat van het schilderen, dus hoe de kamer eruit komt te zien, afhankelijk van de kleur van de verf, of de verf mat of glimmend is, of het houtwerk een andere kleur krijgt, enzovoort.

122.67

Kol-vrôk en kol-wys kunnen ook aan méér dan één wijze of manier refereren. Om dit expliciet uit te drukken, kan eventueel ook voor een omschrijving gekozen worden, vergelijk:

a.Piga bzagoe, kol-vrôk/kol-wys kirro kurre beri bzaée ef ÿrmyjâs.
b.Piga bzagoe, fes folarra vrôks/wysz kirro kurre beri bzaée ef ÿrmyjâs.
Piga legt uit op welke wijzen/manieren we de ratten kunnen vangen.

In zin b. gebruikt het Spokaans een expliciet meervoud, evenals het Nederlands. Een expliciet enkelvoud (dus met de nadruk op het feit dat er maar één manier is) kan eveneens met een omschrijving bereikt worden, zoals in:

Piga bzagoe, fes folarra buchâ vrôk/wys stus kurre beri téte ef ÿrmyjâs.
Piga legt uit op welke enige wijze/manier men de ratten kan doden. =
= Piga legt uit wat de enige wijze/manier is waarop men de ratten kan doden.

In dit laatste voorbeeld klinkt een wat vrijere Nederlandse vertaling natuurlijker.

122.68   <<   Voegwoorden cÿrs en fittof; determinant fes/fés

Fittof is een samenvoeging van fit (zo) en mittof (die; dat). De det. fes is historisch gezien identiek aan het voorzetsel fes (in). In de spreektaal zijn beide vormen van fes uit elkaar te houden doordat de determinant het zinsaccent krijgt. In de schrijftaal werd dit zinsaccent vroeger wel aangegeven met een accent aigu, dus: fés. Deze geaccentueerde e is in de loop der decennia verbasterd tot de letter é, en wordt nu ook zo uitgesproken.
Het voegw. cÿrs drukt een doel uit, en betekent 'opdat'. Soms kan cÿrs ook vertaald worden met een infinitiefcomplement, ingeleid met 'om te ...'. Het voegw. fittof drukt een gevolg uit, en betekent 'zodat; waardoor'. Synoniem met zowel cÿrs als fittof is de det. fes (met als variant fés). Deze determinant maakt dus geen onderscheid tussen een doel (a-zinnen) en een gevolg (b-zin). Vergelijk:

a.Riffe gress eft feldariy, cÿrs Wulâ simatecû sener mimpits. =
= Fes/fés riffe gress eft feldariy, Wulâ kurrilóme beri simaje sener mimpits.
 Ik zal een kast maken, opdat Wulâ haar boeken kan opbergen.

 Ef Skândinavos pliyfone, cÿrs óps yspare. =
= Ef Skândinavos fes/fés pliyfone, óps ysparilóme.
 Scandinaviërs drinken om dronken te worden.

b.Ef bidale, fittof gress nert affionnose beri bôrade ef myl. =
= Ef fes/fés bidale, gress nert affionnosilóme beri bôrade ef myl.1
 Het regent, zodat/waardoor ik geen zin heb om de hond uit te laten.

1Deze zin moet niet verward worden met:

Ef bidale fes/fés hups, gress nert affionnoselira beri bôrade ef myl.
Het regent hard, dat ik geen zin heb om de hond uit te laten.

Hier treedt fes/fés op met de betekenis 'zo', waarachter een complementaire -lira-bijzin volgt. Dit is behandeld in § 100.84.


122.69   <<   Determinant lest

De det. lest is het antoniem van fes/fés uit de vorige paragraaf, en betekent 'opdat niet'. Dit is een leenwoord uit het Engels, met dezelfde betekenis. Soms is in het Nederlands een infinitiefcomplement mogelijk, dat ingeleid wordt met 'om niet te ...'. In de bijzin mag eventueel de ontkenning nert toegevoegd worden. Het gebruik van een negatief zelfst.vnw. is in de bijzin verplicht (vergelijk ook § 121.26):

Tu lest fespiltât eft prÿmafiy, ef errosz [nert] bzaûttilóme.
jij opdatDET moet.indienen een schriftelijk.verzoek, de vergissingen [niet] ontstaan-ONDERSCH
Je moet het verzoek schriftelijk indienen, opdat er geen misverstanden ontstaan.

Gress lest dvébe-kest eft cÿramm, [nert] pónsilóme jôrm-ÿkatle.
ik opdatDET omdoe een sjaal, [niet] krijg-ONDERSCH keelpijn
Ik doe een das om, om geen keelpijn te krijgen.

Óps lest jymazôzja fâr tims, flâjû/*flaju kurrilóme beri jâûge.
Ze hebben vier keer gerepeteerd, opdat er niets mis kan gaan.

Als de det. lest niet gewenst of mogelijk is, kan het voegw. cÿrs gebruikt worden, samen met een ontkenning, bijvoorbeeld: Óps jymazôzja fâr tims, cÿrs flâjû jâûgecû (Ze hebben vier keer gerepeteerd, opdat er niets mis kan gaan).

122.70   <<   Voegwoord na

Het voegw. na betekent 'zoals', en leidt een bijzin met een performatief werkwoord in, zodanig dat de inhoud van de hoofdzin als een soort herinnering naar voren gebracht wordt. De gebruiksmogelijkheden van na zijn beperkt; de volgende voorbeelden spreken voor zichzelf:

(1)Ef nert di eftarsu, na gress reppo.
 Het zal niet lukken, zoals ik [al] zei.

(2)Na Petriy verka'ete riyfain, ef hâpyjas kaf ef uba Kulano-plajus lelperre
lippiones lef querdo flândoros.
 Zoals Petriy altijd volhoudt, hebben de schapen op de steile hellingen van het
Kulano-gebergte poten van verschillende lengte.

(3)Goe ÿozôsta melde riyfain ber ôptimistise, oft na menester Zâfte Bulger-Ÿriymme
hitso beri reppe: "Eft ÿozos melde eft klozos".
 Begrotingen zijn altijd te optimistisch, of, zoals minister Zâfte Bulger-Ÿriymme
placht te zeggen: "Een begroting is een lijdensweg".

In zin (3) is het gebruik van na te verklaren door aan te nemen dat het er hier primair niet om gaat om letterlijk weer te geven wat de minister van financiën zei, maar om binnen de context van de mededeling dat begrotingen altijd te optimistisch zijn, de lezer eraan te herinneren dat de minister hier een specifieke uitdrukking voor had.
Na is niet alleen een voegwoord maar ook een voorzetsel (zie Blok 140.10). Met name in de spreektaal worden beide functies niet altijd duidelijk uit elkaar gehouden.1 Zie ook § 144.34–38.


1Vergelijk (1) en (2) met de volgende performatieve constructies:

(1′)Gress reppo, ef nert di eftarsulira.
 Ik zei, dat het niet zal lukken.

(2′)Petriy verka'ete riyfain, ef hâpyjas kaf ef uba Kulano-plajus lelperrelira
lippiones lef querdo flândoros.
 Petriy houdt altijd vol, dat de schapen op de steile hellingen van het
Kulano-gebergte poten van verschillende lengte hebben.

In de spreektaal worden de constructies met een ondergeschikte na-bijzin wel verward met bovenstaande performatieve constructies, zodat we een combinatie krijgen van een na-bijzin met een -lira-bijzin, in de trant van:

(1′′)£ Na gress reppo, ef nert di eftarsulira.
 * Zoals ik al zei, dat het niet zal lukken.

(2′′)£ Na Petriy verka'ete riyfain, ef hâpyjas kaf ef uba Kulano-plajus
lelperrelira lippiones lef querdo flândoros.
 * Zoals Petriy altijd volhoudt, dat de schapen op de steile hellingen van
het Kulano-gebergte poten van verschillende lengte hebben.

Het voegw. na heeft hier dus het karakter van een markeerder voor een performatieve zin gekregen, en de oorspronkelijke hoofdzin is nu een ondergeschikte -lira-constructie geworden. Zie ook § 125.40 voor dergelijke -lira-zinnen.
Een combinatie van een na-bijzin met een performatieve den-bijzin is hoe dan ook onmogelijk, zoals: * Na gress reppo, den ef nert di eftarsu.


122.71   <<   Determinant ny

De det. ny betekent 'zo niet dan; anders'. Het Nederlandse equivalent met de negatie "niet" doet vermoeden dat ny een negatieve determinant is, maar dit is niet het geval. Het maakt dus wel degelijk verschil of de bijzin al dan geen negatie in de vorm van nert of een negatief zelfst.vnw. bevat. Vergelijk dit met het negatieve mâniy in § 122.57. De voorbeelden spreken voor zich:

Tu ny hurtiyrât, ef treno di meltilóme tijâ.
Je moet je haasten, anders/zo niet dan zal de trein vertrokken zijn.

Eup ef oto ny lukte, Petriy vrontesilóme.
Ze heeft de auto gewassen, anders wordt Petriy boos.

Eup ef oto ny lukte, Petriy nert probarilóme beri ufire fes ef.
Ze heeft de auto gewassen, anders wil Petriy er niet in rijden.

Óps ny jymazôssûs pert tims, jâûgilóme brôep flaju.
Ze moeten vele keren repeteren, zo niet dan zal er zeker iets mis gaan.

122.72

In plaats van de det. ny kan ook gekozen worden voor een constructie met een voegwoord, gevolgd door het additief kûf (anders; overigens). Vergelijk de voorbeelden uit de vorige paragraaf met:

Tu hurtiyrât, brâ kûf ef treno di meldu tijâ.
Je moet je haasten, want anders zal de trein vertrokken zijn.

Eup ef oto lukte, janof Petriy vrontese kûf.
Ze heeft de auto gewassen, omdat Petriy anders boos wordt.

Eup ef oto lukte, brâ Petriy nert ufiravy fes ef kûf.
Ze heeft de auto gewassen, want Petriy wil er anders niet in rijden.

Óps jymazôssûs pert tims, janof kûf brôep jâûge flaju.
Ze moeten vele keren repeteren, omdat er anders zeker iets mis zal gaan.

122.73   <<   Voegwoord lÿtiy

Het voegwoord lÿtiy betekent 'ten gevolge waarvan; [en] bijgevolg; [en] derhalve'. Lÿtiy is voornamelijk schrijftaal. In de spreektaal klinkt het erg plechtig:

$ Do moplara hols, lÿtiy do miptrekkât sener zirrot.
Gisteren heeft hij een ongeluk gekregen, en derhalve moet hij zijn vakantie uitstellen.

$ Do moplara, lÿtiy do di krupelÿnu.
Hij heeft een ongeluk gehad, tengevolge waarvan hij mank zal blijven.

In de spreektaal wordt de voorkeur aan een voegwoord als fittof (zodat) gegeven (§ 122.68). Voor lÿtiy, zie verder § 121.34–37.

122.73a   <<   Voegwoord pek

Het voegwoord pek betekent 'dus' en drukt op neutrale wijze een voor de hand liggende conclusie uit:

(1)Tu quarderog ral ef dokerat, pek tu motât mas ef kles.
 Je mag nu naar de bioscoop, dus moet je morgen het gras maaien.

(2)Ef menester merfo, pek do reppe den ef quiyrdas enn groft šâfpos colinare.
 De minister heeft gelogen, dus zegt hij dat de kranten zijn bewering hebben
verdraaid.

In (1) dient de bijzin met pek als een soort herinnering: we hebben reeds afgesproken dat je het gras zal maaien. In (2) wordt gesuggereerd dat we uiteraard kunnen verwachten dat de minister vindt dat de pers zijn beweringen verdraait. De bijzin drukt dus iets uit wat de hoorder geacht wordt te weten, maar waar hij aan herinnerd wordt. Vergelijk dit met:

(2′)Ef menester merfo, fittof do reppe den ef quiyrdas enn groft šâfpos colinare.
 De minister heeft gelogen, zodat hij zegt dat de kranten zijn bewering hebben
verdraaid.

In (2′) geeft de bijzin nieuwe informatie: we hebben in de krant gelezen dat de minister heeft gelogen, en nu blijkt dat hij van mening is dat de kranten de feiten hebben verdraaid (wat dan feitelijk een tweede leugen is).
Zie § 121.28–33 voor pek als nevensch.voegw.

122.74   <<   Voegwoorden âme en nÿn; determinanten dira en diyrâ

Het voegw. âme (als; indien; mits) kent als antoniem nÿn (tenzij; indien niet). Beide voegwoorden hebben een determinant als synoniem: dira resp. diyrâ. Diyrâ is met vocaalwisseling (i > iy en a > â) van dira is afgeleid. Zie hiervoor ook Blok 41.51 en § 41.54.
De det.n dira en diyrâ vereisen een future tijdsvorm met de markeerder di in de bijzin (zie ook § 111.62a voor di). Bovendien mag dira weggelaten worden. Dit is het enige geval dat er een -ilóme-constructie kan verschijnen zónder dat er een determinant in de hoofdzin aanwezig is; en omdat dit het enige geval is, weten we dat de ontbrekende determinant dira moet zijn. Bij diyrâ mag in de bijzin eventueel de ontkenning nert toegevoegd worden. Het gebruik van een negatief zelfst.vnw. is in de bijzin verplicht (vergelijk ook § 121.26). Voorbeelden:

Tu pónze eft zlef, âme quandro tu âlbe bent eft kredek. =
= Tu [dira] pónze eft zlef, quandro tu di âlpilóme bent eft kredek.
    jij als/mitsDET krijgt een paard, zelf jij TOEK bouwt-ONDERSCH eerst een stal
Je krijgt een paard, als/indien/mits je eerst zelf een stal bouwt.

Gress rÿte, nÿn ef bidale. =
= Gress diyrâ rÿte, ef [nert] di bidalilóme.
Ik rij paard, tenzij het regent; ... indien het niet regent.

Elsa nert idesÿrtecû ef pâlriy, nÿn rast cÿrtire. =
= Elsa nert diyrâ idesÿrtecû ef pâlriy, râste/*rast di cÿrtirilóme.
Elsa kan het kastje niet verplaatsen, tenzij iemand helpt.
OF  ... indien niemand helpt.

122.75   <<   Voegwoorden/determinanten das en dâsnû

De woorden das (maar dan; en dan) en dâsnû (maar dan niet; en dan niet) kunnen optreden als voegwoord en als determinant. Bij dâsnû mag in de bijzin eventueel de ontkenning nert toegevoegd worden. Het gebruik van een negatief zelfst.vnw. is in de bijzin verplicht (vergelijk ook § 121.26). Das en dâsnû hebben vaak ook een waarschuwend of dreigend aspect in zich. Voorbeelden:

Ef menester ðôpainavy ef gaza-tareffs, das ef mikar elek pónze syliy.
De minister wil de gastarieven verlagen, maar dan wordt de elektriciteit duurder.

Gress kette 10 ón tu kaf tim aðiyk, dâsnû tu [nert] wempog velk. =
= Gress dâsnû kette 10 ón tu kaf tim aðiyk, tu [nert] geltilóme beri wempe velk.
    ik maar.danDET geef 10herco aan jou voor keer laatst, jij [niet] mag-ONDERSCH INF zeuren nog
Ik geef je voor de laatste keer 10 herco, maar dan moet je niet meer zeuren.

Gress kette ral 10 ón tu, dâsnû tu pónze flâjû/*flaju mas. =
= Gress dâsnû kette ral 10 ón tu, tu pónsilóme flâjû/*flaju mas.
Ik geef je nu 10 herco, maar dan krijg je morgen niets.

Als nevensch.voegw. zijn das en dâsnû reeds behandeld in § 121.24–27.

122.76

Let ook op de vrije vertaling in:

Ef blaffoser nert das unere ef kleter tâxeren, ef presÿr veldurs
de bel.inspecteur niet maar.danDET begrijpt het nieuwe bel.stelsel, de gewone mensen
    kurrilóme beri unere ef pijâ noi.
    kunnen-ONDERSCH INF begrijpen het helemaal niet

De belastinginspecteur begrijpt het nieuwe belastingstelsel niet, maar dan
kunnen de gewone mensen het [al] helemaal niet begrijpen.
OF  Als de belastinginspecteur het nieuwe belastingstelsel al niet begrijpt, dan
kunnen de gewone mensen het helemaal niet begrijpen.

Zie ook de behandeling van retorische vragen in § 150.154

122.77   <<   Voegwoord denerami

Denerami betekent 'in/voor het geval dat', en is emfatischer dan het meer neutrale âme (indien):

Ralputte-tûe ef ké, denerami gress nert melde fesért.
Neem de sleutel mee, voor het geval ik niet thuis ben.

Denerami is een afleiding van het aanw.vnw. dena (die; dat; deze; dit) met het suffix -ami, dat uitdrukt in welk geval iets geldt (vergelijk bijvoorbeeld kinur ~ kinurami (ziek ~ in geval van ziekte), of aðiyk ~ aðiykami (laatst ~ in het laatste geval)).

122.77a

Er is een syntactisch verschil tussen het voegwoord denerami en het additief micaðami. Vergelijk:

a.Denerami eft buros melde, gÿrs fesrupkûs ef stÿrðer.
 in.geval.van.dat een brand is, u moet.waarschuwen de conciërge
b.Luft micaðami buros gÿrs fesrupkûs ef stÿrðer.
 bij in.geval.van brand u moet.waarschuwen de conciërge
In geval van brand dient u de conciërge te waarschuwen.

De zinnen a. en b. kunnen op identieke wijze vertaald worden, maar in a. is er sprake van een bijzin met een voegwoord (onderstreept), in b. gaat het om een voorzetselbepaling (onderstreept) in de hoofdzin. In onverzorgde spreektaal worden denerami en micaðami wel door elkaar gehaald.

122.78   <<   Voegwoorden taufen en os; determinant ker

De voegw.n taufen en os, en de det. ker drukken een positieve toegeving uit, te vertalen door 'hoewel; ofschoon; ondanks dat'.
Het voegw. os is archaïsch. Tegenwoordig wordt vrijwel uitsluitend nog taufen gebruikt. Als voorzetsel is os met de betekenis 'ondanks' echter heel algemeen (zie ook Blok 140.10). Voorbeelden:

(1)Drys gyre eft brôepwet sektâ-liskos, taufen/†os ef értef tiyn velpere strâe.1 =
= Drys ker gyre eft brôepwet sektâ-liskos, ef értef tiyn velperilóme strâe.
 Drys maakt alweer een fles wijn open, ondanks dat/hoewel de eerste nog niet leeg is.

(2)Bôrade gress ef hurts, taufen/†os ef bidale wet. =
= Ker bôrade gress ef hurts, ef bidalilóme wet.
 Ik zal de honden uitlaten, hoewel het weer regent.

1Vergelijk (1) met (1′), waarin os als voorz. optreedt, met een gedeverbaliseerde bijzin als fundament:

(1′)Drys gyre eft brôepwet sektâ-liskos, os ef értef tiynex ef strâe ÿvelperos.
 Drys opent een alweer wijnfles, ondanks het eerste ding-GEN het nog.niet leeg.zijn
 (lett. "Drys maakt alweer een fles wijn open, ondanks het nog niet leeg-zijn van
de eerste")

Vergelijk § 126.24 voor dergelijke gedeverbaliseerde constructies.


122.79   <<   Voegwoorden/determinanten tur en tûre; voegwoord liquist

De woorden tur (maar) en tûre (maar niet) kunnen optreden als voegwoord en als determinant. Bij tûre mag in de bijzin eventueel de ontkenning nert toegevoegd worden. Het gebruik van een negatief zelfst.vnw. is in de bijzin verplicht (vergelijk ook § 121.26). Het voegw. liquist is synoniem aan tur, maar klinkt veel archaïscher of poëtischer. Het Nederlandse "[e]doch" is hier een goed equivalent voor. Liquist is een samentrekking van lich (toch) + quista (goed), dus feitelijk betekent het "[het is] tóch goed [dat]". Voorbeelden:

Do promise beri kafte-tÿrt cratiyn, tur/†liquist gress hozâve nÿf tiyns.
Hij belooft alles terug te betalen, maar/doch ik geloof er niets van.

Gress ef mimpit trempe, tûre gress [nert] cônsidere ef lo yroppiy. =
= Gress ef mimpit tûre trempe, gress [nert] cônsiderilóme ef lo yroppiy.
    ik het boek maarDET lezen, ik [niet] vind-ONDERSCH het als spannend
Ik heb het boek gelezen, maar ik vind het niet spannend.

Eup zléfta fes ef pjaqurt, tûre râste/*rast enn eup cÿrtira. =
= Eup tûre zléfta fes ef pjaqurt, râste/*rast enn eup cÿrtirilóme.
Ze zat vast in de lift, maar niemand heeft haar geholpen.

122.79a

Ondergeschikte bijzinnen met tur en tûre kunnen níét voor de hoofdzin staan, al komt dat in onverzorgde spreektaal wel voor. Vergelijk:

(1)a.Do promise beri kafte-tÿrt cratiyn, tur gress hozâve nÿf tiyns.
  Hij belooft alles terug te betalen, maar ik geloof er niets van.
 b.? Tur gress hozâve nÿf tiyns, do promise beri kafte-tÿrt cratiyn.
  * Maar ik geloof er niets van, hij belooft alles terug te betalen.

In plaats van (1b) kan er wel een den-bijzin worden gebruikt, maar in dat geval is tur geen voegwoord maar een additief:

(2)Tur gress hozâve nÿf tiyns, fitfara do promise beri kafte-tÿrt cratiyn.
 Maar ik geloof er niets van, zoals hij belooft alles terug te betalen.
OF  Toch geloof ik er niets van, ...

Als nevenschikkend voegw. en additief zijn tur en tûre reeds behandeld in § 121.19–20.

122.80   <<   Voegwoord/determinant šâm

Šâm kan optreden als voegwoord en als determinant. De betekenis is 'zonder dat', en er komt eventueel een extra ontkenning (nert) in de bijzin. Het gebruik van een negatief zelfst.vnw. is in de bijzin facultatief. Bijvoorbeeld:

Ef gura zôluarvenda, šâm ef [nert] finna beri bidale. =
= Ef gura šâm zôluarvenda, ef [nert] finnilóme beri bidale.
De bui is overgetrokken, zonder dat het ging regenen.

Do fartarvende eup, šâm do reppe flaju/flâjû ón eup. =
= Do šâm fartarvende eup, reppilóme flaju/flâjû ón eup.
    hij zonder.datDET voorbijloopt haar, zegt-ONDERSCH iets/niets DtE haar
Hij loopt haar voorbij zonder dat hij iets tegen haar zegt.
OF  Hij loopt haar voorbij zonder iets tegen haar te zeggen.

Šâm kan ook een voorz. zijn met de betekenis 'zonder'; in dat geval kent het als synoniem ðÿm. Als nevenschikkend voegw. is šâm reeds behandeld in § 121.14–18.
Voor šâm als voorz., zie Blok 140.10.

122.80a   <<   Voegwoord quâ

Quâ (behalve dat) is een onderschikkend voegw. met een negatieve toegeving:

Ef wónzol meldo quista, quâ ef bidalo eft vloja érpâf fes fort.
Het weer was goed, behalve dat het zo nu en dan een beetje regende.

Quâ Lerdu ysparo wet purfillus, ef melda kiykirot eft lûfiy fenta.
Behalve dat Lerdu weer verschrikkelijk dronken werd, was het toch een leuk feest.

Als nevenschikkend voegw. is quâ behandeld in § 121.8–13.

122.81   <<   Voegwoord ûcâs; determinanten hyra en hiyrâ

Het voegw. ûcâs en de det. hyra drukken een tegenstelling uit, meestal van eigenschappen of gewoontes. Ze worden vertaald met 'terwijl; maar'. Het antoniem van hyra is hiyrâ, met de betekenis 'terwijl niet; maar niet'. Hiyrâ is met vocaalwisseling (y > iy en a > â) van hyra is afgeleid. Zie hiervoor ook Blok 41.51 en § 41.54. Verder vereist hiyrâ altijd de negatie nert of een negatief zelfst.vnw. in de bijzin. Voorbeelden:

Do nert brae crepps, ûcâs gress larde tevi tem. =
= Do nert hyra brae crepps, gress lartilóme tevi tem.
Hij lust geen pannenkoeken, maar ik eet ze graag; ... terwijl ik ze graag eet.

Goe hurts helderte, ûcâs efs nert miôlecos. =
= Goe hurts hiyrâ helderte, efs nert kurrilóme beri miôle.
    LW honden terwijlDET blaffen, zij niet kunnen-ONDERSCH INF miauwen
Honden blaffen, terwijl ze niet kunnen miauwen.
OF  Honden blaffen maar ze kunnen niet miauwen.

122.81a   <<   Voegwoord ziym

Het voegw. ziym betekent 'in plaats van dat':

Quardere gress eup ber Amahagge, ziym eup arfine 'kara Tona.
Ik zal haar in Amahagge opzoeken, in plaats van dat zij naar Tona komt.

Ziym tu lÿsselira lo kâ, ef melde gulder den tu cÿrtire har gress.
In plaats van dat je zo loopt te luieren, kun je me beter even helpen.
OF  In plaats van zo te lopen luieren, kun je me beter even helpen.

Ziym als nevenschikkend voegw. wordt besproken in § 121.14–18.

122.82   Additieven en voegwoorden/determinanten

Additieven kunnen soms een bepaling bij een voegwoord vormen. Vergelijk het betekenisverschil tussen (1a) waarin šalo (meestal) als pred.add. in de matrixzin optreedt, en (1b) waarin šalo een bepaling bij het voegwoord mintof vormt:

(1)a.Mintof Jân enn ef myl bôrade, do zirde šalo fes helle.
  Nadat Jân de hond heeft uitgelaten, doet hij meestal een dutje.

 b.Šalo mintof Jân enn ef myl bôrade, do zirde fes helle.
  meestal nadat Jân DtO de hond uitlaat, hij ligt in dutje
  Meestal nadat Jân de hond heeft uitgelaten, doet hij een dutje.

In (1a) wordt geïmpliceerd dat Jân soms geen dutje doet na het uitlaten van de hond. In (1b) staat dat Jân soms de hond niet heeft uitgelaten, maar wel een dutje doet.

122.83

Nog een voorbeeld:

(2)a.Xôviy lelperre messe nurp-ÿkatle, fara ef tómare.
  Xôviy heeft vooral hoofdpijn als het onweert.

 b.Xôviy lelperre nurp-ÿkatle, messe fara ef tómare.
  Xôviy heeft hoofdpijn, vooral als het onweert.

In (2a) is het een bekend gegeven dat Xôviy tijdens het onweer ergens aan lijdt. Nieuwe informatie is, dat ze dan met name aan hoofdpijn lijdt (en bijvoorbeeld niet aan buikpijn).
In (2b) is de hoofdpijn van Xôviy een bekend gegeven, de nieuwswaarde ligt bij het feit dat ze daaraan vooral tijdens het onweer lijdt (en bijvoorbeeld niet tijdens de storm).

122.84

Determinanten kunnen daarentegen níét nader bepaald worden door een additief:

(3)a.Xôviy fara lelperre nurp-ÿkatle, ef tómarilóme.
  Xôviy heeft hoofdpijn als het onweert.

 b.* Xôviy messe fara lelperre nurp-ÿkatle, ef tómarilóme.
 c.* Xôviy fara lelperre nurp-ÿkatle, messe ef tómarilóme.

De ongrammaticaliteit van (3c) is een indicatie dat messe in (2b) inderdaad een eenheid vormt met het voegw. fara. Zou messe een vooraangeplaatst adverbiaal additief zijn (zoals het Nederlandse "vooral"), dan had (3c) eveneens acceptabel moeten zijn.

122.85

In één geval is de combinatie van additief + voegwoord zo gelexicaliseerd, dat we kunnen spreken van een geheel nieuw voegwoord, en wel in het geval van plôji fara (telkens als; iedere keer als). Een indicatie dat plôji hier niet meer als een zelfstandig additief beschouwd wordt, is de aanwezigheid van de det. plôt die een samenstelling is van plôji met fit (zo), en hetzelfde betekent. De hechte band tussen additief en voegwoord wordt nog bevestigd door de uitspraak: [plôfara] of [plófara]. Er is dus alle reden om deze combinatie op te nemen in Blok 122.16. Bijvoorbeeld:

(1)a.Plôji fara gress melde fes ef wik, [dus] ef telefonos rupke.
  Telkens als ik in bad zit, gaat de telefoon.

(2)a.Tek finne beri hizjyše, plôji fara eup zerfe gress.
  Tek begint INF giechelen, telkens als zij ziet mij
  Tek begint te giechelen, elke keer als zij mij ziet.

122.86

Ook nu weer bestaat er een betekenisverschil tussen plôji fara in de a-zinnen hierboven, en de b-zinnen hieronder, waarin het voegw. fara gecombineerd is met het add. plôji (telkens) in de matrixzin:

(1)b.Fara gress melde fes ef wik, [dus] ef telefonos rupke plôji.
  Als ik in bad zit, gaat de telefoon telkens.

(2)b.Tek finne beri hizjyše plôji, fara eup zerfe gress.
  Tek begint telkens te giechelen, als zij mij ziet.

In (1a) is het rinkelen van de telefoon niet zo uitzonderlijk, maar bijzonder is het feit dat ik nooit in bad kan gaan zonder door de rinkelende telefoon gestoord te worden. In (1b) is het een bekend gegeven dat ik (wel eens) in bad zit. Nieuwswaarde heeft het feit dat in zo'n geval de telefoon om de haverklap rinkelt.
In (2a) is Teks gewoonte om te giechelen een bekend gegeven. Nieuwe informatie vinden we in de mededeling dat zij mij nooit een keer kan zien zonder daarom te giechelen. In (2b) is het niets bijzonders dat Tek mij (wel eens) ziet, maar dat zij dan meer dan eens in een giechelbui vervalt, is nieuwe informatie.
Tussen (1a) en (1b) is het verschil duidelijk semantisch; tussen (2a) en (2b) is er een minder duidelijk verschil; het gaat hier meer om een verschil in focus.

122.87

Als het voegw. âme (indien; als; mits) bepaald wordt door het additief ne'âma (slechts), dan treedt er haplologie op. Dit verschijnsel is algemeen te definiëren als "weglating van één van twee gelijke en opeenvolgende lettergrepen". De combinatie ne'âma + âme versmelt dan tot ne'âma, en soms tot ne'âme. Deze laatste vorm wordt met name gebruikt als expliciet aangegeven moet worden dat ne'âma niet optreedt als een additief, maar als een combinatie van additief + voegwoord. Bijvoorbeeld:

(1)Ne'âma/ne'âme ef kôbo nÿle, kirro di mirru.1
 Slechts als de zon schijnt, zullen we gaan wandelen.

(2)Tu geldre beri merre musiyc lo astyl-hups, ne'âma/ne'âme râste melde fesért.
 Je mag keihard muziek draaien, [maar] slechts/alleen als niemand thuis is.

1Een wat formeler synoniem van ne'âma is tuffianto. In plaats van (1) kan dus ook gekozen worden voor:

(1′)Tuffianto âme ef kôbo nÿle, kirro di mirru.
 (idem)

122.88

Vergelijk (2) hierboven met:

(2′)Tu geldre beri merre ne'âma musiyc lo astyl-hups, âme râste melde fesért.
 Je mag slechts keihard muziek draaien, als niemand thuis is.

In (2′) vormt ne'âma een addit.bepaling bij merre, wat geïnterpreteerd kan worden als: "het enige wat je mag doen als er niemand thuis is, is keihard muziek draaien (dus niet stiekem roken, bier drinken of een woest feest geven)".

122.89   Enkele bijzondere gevallen

Als twee bijzinnen nevengeschikt zijn, kunnen ze als volbijzin op twee manieren met de hoofdzin verbonden worden: (i) als een exclusieve onderschikking (want het ondersch.voegw. staat buiten de volbijzin; dit is in § 120.18 "type I.b" genoemd), of (ii) als een inclusieve onderschikking (want het ondersch.voegw. staat binnen de volbijzin – en moet in beide nevengeschikte leden herhaald worden; dit is in § 120.19 "type I.c" genoemd). In (1a) staat een exclusieve onderschikking, in (1b) een inclusieve. Let op het betekenisverschil:

(1)a.Ef telefonos rupke, plôji fara gress melde fes ef wik ur Yvonn slape ur zirde.
  de telefoon roept, telkens als ik ben in het bad en Yvonn slaapt en liggen
  De telefoon gaat telkens als ik in bad zit en Yvonn ligt te slapen.

 b.Ef telefonos rupke, plôji fara gress melde fes ef wik ur plôji fara Yvonn
slape ur zirde.
  De telefoon gaat telkens als ik in bad zit, en telkens als Yvonn ligt te slapen.

122.90

In (1a) is er sprake van één gebeurtenis waarbij de telefoon altijd rinkelt: ik zit in bad en Yvonn ligt op dat moment te slapen. In (1b) worden twee verschillende gebeurtenissen genoemd waarbij de telefoon altijd rinkelt: ofwel ik zit in bad, ofwel Yvonn ligt te slapen (maar het hoeft niet zo te zijn dat ik in bad zit terwijl Yvonn ligt te slapen).

122.91

Een inclusieve onderschikking wordt als minder correct ervaren, indien er feitelijk sprake is van twee Standen van Zaken (SvZ'n; zie ook § 110.3 voor de definitie ervan) die niet los gezien kunnen worden van elkaar (dus als er één mentaal beeld gepresenteerd wordt). Vergelijk:

(2)a.Jân melde kinur, fittof kirro miptrekkûs ef gadros, oft Elsa eaquppûtât ef ziytera.
  Jân is ziek, zodat wij moeten.uitstellen de vergadering, of Elsa moet.fungeren.als de voorzitster
  Jân is ziek, zodat we de vergadering moeten uitstellen of Elsa als voorzitter moet
fungeren.

 b.? Jân melde kinur, fittof kirro miptrekkûs ef gadros, oft fittof Elsa eaquppûtât
ef ziyter.
  ? Jân is ziek, zodat we de vergadering moeten uitstellen, of zodat Elsa als
voorzitter moet fungeren.

122.92

Omdat Jân ziek is, moet er een keuze gemaakt worden tussen twee maatregelen: of (i) we stellen de vergadering uit, of (ii) Elsa treedt als voorzitter op (kennelijk in de plaats van Jân). Omdat de SvZ JÂN IS ZIEK één "wereld" presenteert, vindt ook de keuze tussen (i) en (ii) in deze ene "wereld" plaats (ofwel: deze keuze roept één mentaal beeld op).1
In (2b) drukken de twee voegw.n fittof ook twee verschillende mentale beelden (dus twee verschillende werelden) uit. Dit is onverenigbaar met de ene wereld waarbinnen de SvZ JÂN IS ZIEK aanwezig is.


1Met "één wereld" wordt bedoeld dat Jân als één entiteit gepresenteerd wordt, die op één concreet moment (namelijk als de taaluiting gedaan wordt) ziek is.

122.93

In (3) hieronder (vergelijk (2b)) verdeelt het add. menokka (soms) de SvZ JÂN IS ZIEK over meerdere "werelden" (het komt meer dan eens voor dat Jân ziek is). In dat geval is de externe onderschikking met het dubbele gebruik van fittof wél acceptabel, want (3) kan geïnterpreteerd worden als: "in een bepaald geval is Jân ziek, en dan moeten we de vergadering uitstellen, en in een ander geval is Jân ziek, en dan treedt Elsa als voorzitter op":

(3)Jân melde menokka kinur, fittof kirro miptrekkûs ef gadros, oft fittof Elsa
eaquppûtât ef ziyter.
 Soms is Jân ziek, zodat we [dan] de vergadering moeten uitstellen, of zodat
Elsa [dan] als voorzitter moet fungeren.

122.94

Soms worden zinnen met een voegwoord op een andere manier geïnterpreteerd dan zinnen met de synonieme determinant. Dit is bijvoorbeeld het geval als een negatie toegevoegd wordt. Vergelijk (1) en (2):

(1)Gress nert trempa ef mimpit, janof gress tiffe ef otôr rifo ef.
 ik niet las het boek, omdat ik ken de schrijver van het
 Ik heb het boek niet gelezen, omdat ik de schrijver ervan ken.

(2)Gress nert ma trempa ef mimpit, gress tiffilóme ef otôr rifo ef.
 a.  (= (1))
 b.  Ik heb het boek gelezen, [maar] niet omdat ik de schrijver ervan ken.

In (1) is nert een ontkenning van trempa, zodat hier staat: ik heb het lezen van het boek achterwege gelaten, want ik ken de schrijver ("ik las het boek niet |, omdat ...").
Zin (2) is ambigu, want nert kan opgevat worden als (i) een ontkenning van trempe, zodat de betekenis identiek is aan die van (1), of (ii) een ontkenning van ma, wat leidt tot de betekenis: de reden dat ik het boek las is níét omdat ik de schrijver ken (maar bijv. wél omdat de recensie zo goed was) ("ik las het boek,| maar niet omdat ...").1


1Het is niet mogelijk om in (2) nert en ma om te draaien, zodat nert een negatie bij trempa wordt:

* Gress ma nert trempa ef mimpit, gress tiffilóme ef otôr rifo ef.

Helaas verhindert de strenge regel die zegt dat ondersch.det.n onmiddellijk vóór het predicaat moeten staan, zo'n elegante inversie-oplossing om de determinant buiten de invloedsfeer van de negatie te houden, waardoor ambiguïteit opgeheven had kunnen worden.


122.95

Als de voegw.n ÿr (waar), hojelka (wanneer) en kol (hoe) voorkomen in een bijzin die onderdeel is van een ja/nee-vraag (ingeleid met aftel, zie vanaf § 150.4), dan heeft deze ja/nee-vraag een andere betekenis dan de variant waarin de voegwoorden vervangen zijn door hun synonieme det.n tûp, ka en syniy. Vergelijk:

(1)a.Aftel tu tûp tiffe, Jân zârilóme?
  VRAAG jij waarDET weet, Jân woont-ONDERSCH
 b.Aftel tu tiffe, ÿr Jân zâre?   (vgl. § 150.105 zin (3))
  VRAAG jij weet, waar Jân woont
 Weet je waar Jân woont?

(2)a.Aftel gÿrs ka reppecû, ef bentarfinelira treno helkara Gret pratilóme?
 b.Aftel gÿrs reppecû, hojelka ef bentarfinelira treno helkara Gret prate?
 Kunt u [me] zeggen wanneer de eerstvolgende trein naar Gret vertrekt?

(3)a.Aftel Yvonn syniy tiffecûte curmel, gress kurrilóme beri reparere ef
tirdus sôglot?1
 b.Aftel Yvonn tiffecûte curmel, kol gress reparerecû ef tirdus sôglot?1
 Zou Yvonn misschien weten hoe ik de kapotte stortbak kan repareren?

1Let op de Potentialis in tiffecûte. Zie § 110.56.

122.96

In principe geldt voor vragen die met aftel ingeleid worden, dat zij alleen beantwoord kunnen worden met "ja" of "nee" (of eventueel: "weet ik niet"). Het zijn dus polaire vragen (zie § 150.4). De a-zinnen hierboven zijn voorbeelden van zulke polaire ja/nee-vragen. Of concreet: in (1a) weet de vraagsteller waarschijnlijk waar Jân woont, maar hij wil verifiëren of de aangesprokene dit óók weet. De aangesprokene kan dus volstaan met de antwoorden "ja" of "nee".
In (2a) wil de vraagsteller verifiëren of de aangesprokene (ook) op de hoogte is van de vertrektijd; hij verwacht dus als antwoord "ja" of "nee". Merk op dat vraag (2a) vreemd is als deze door een reiziger aan de stationschef gesteld wordt, want in dat geval ligt het voor de hand dat de reiziger de vertrektijd van de stationschef wil vernemen, niet dat hij slechts geïnteresseerd is in de parate kennis van deze beambte.
In (3a) wil de vraagsteller weten of de aangesprokene op de hoogte is van het technische inzicht van Yvonn. Antwoordt de aangesprokene met "ja", dan weet de vraagsteller dat hij zich tot Yvonn kan richten voor de reparatie.

122.97

Als de polaire aftel-vragen een voegwoord bevatten dat tevens als vrag.vnw. kan fungeren (zoals in de b-zinnen hierboven), gaan deze voegw.n/vrag.vnw.n de aanwezigheid van aftel als het ware overheersen: we hebben dan niet meer met een ja/nee-vraag te maken die met behulp van aftel gesteld wordt, maar met een informatievraag waarin het voegw./vrag.vnw. "bevraagd" wordt (zie ook § 150.33). Dit betekent in concreto dat de vraagsteller in (1b) zelf níét weet waar Jân woont, en deze informatie van de aangesprokene wil hebben. Zin (1b) is dus een variant van de directe vraag: Jân zâre ÿr? (Waar woont Jân?). Het antwoord moet dus Jâns adres bevatten.
Evenzo betekent (2b) dat de vraagsteller van de aangesprokene verwacht dat deze de vertrektijd meedeelt. Dit zou dus een normale vraag kunnen zijn die een reiziger aan de stationschef stelt, als variant van: Ef bentarfinelira treno helkara Gret prate hojelka? (Wanneer vertrekt de eerstvolgende trein naar Gret?).
De vraag uit (3b) is niet direct aan Yvonn gericht; kennelijk is het de bedoeling dat de aangesprokene een zodanige actie onderneemt dat Yvonn contact met de vraagsteller opneemt om hem het een en ander over de reparatie van stortbakken uit te leggen.
Het onderscheid dat er tussen de a-zinnen en b-zinnen hierboven bestaat, kan bij de overige voegw.n/vrag.vnw.n niet gemaakt worden, omdat deze geen synonieme determinanten kennen.

122.98   Kaltrosqunn

Ten slotte noemen we nog een voegwoord dat zich van alle hierboven behandelde voegwoorden onderscheidt doordat het altijd gevolgd wordt door een elliptische of gedeverbaliseerde bijzin, namelijk kaltrosqunn (om; vanwege: uitdrukking van reden).
Onder "elliptische bijzin" moet hier verstaan worden een bijzin waarin in ieder geval hetzij het predicaat, hetzij de zinskern ontbreekt (ook andere elementen kunnen ontbreken).

Kaltrosqunn kan een elliptische bijzin inleiden, die niet méér bevat dan een "sleutelbegrip" dat verklaart waarom de hoofdzin waar is. Dit zijn typische spreektaalvormen:

(1)£ Gress lye tu, kaltrosqunn vilt mirs ur eits.
 Ik hou van je, om je haar en ogen.
(= "je hebt zulk mooi haar en zulke lieve ogen, dat ik dáárom van je hou")

(2)£ Kirro zâre tevi kusami, kaltrosqunn ef [hordâ] surront.
 We wonen hier graag, vanwege de [mooie] omgeving.
(= "deze omgeving is hier zó mooi, dat we daarom graag hier wonen")

(3)£ Noft, gress nert lorertecû eft jagt, kaltrosqunn nÿf smurf.
 Nee, ik kan geen zeiljacht kopen, ik heb geen geld.

122.99

Verder kan kaltrosqunn gevolgd worden door een gedeverbaliseerde zin, mits deze heel kort is (zie ook § 126.77). Zulke constructies komen zowel in de spreek- als in de schrijftaal voor:

(4)Kirro méte eup wémagen kvâ, kaltrosqunn eupex ÿzâros ber Bôrâ.
 wij ontmoeten haar vrijwel nooit, vanwege zij-GEN wonen-DV te Bôrâ
 We ontmoeten haar vrijwel nooit, omdat zij in Bôrâ woont.

Voorbeeld (5) is (zeker in de spreektaal) niet erg correct, omdat de bijzin te lang is en redundante informatie bevat (een goed alternatief staat in (3) hierboven):

(5)? Noft, gress nert lorertecû eft jagt, kaltrosqunn gressex ÿlelperros enn nÿf smurf.
    nee, ik niet kan.kopen een zeiljacht, vanwege ik-GEN hebben-DV DtO geen geld
 Nee ik kan geen zeiljacht kopen, vanwege het feit dat ik geen geld heb.

TOP
<< Hoofdstuk 121 | Hoofdstuk 123 >>

© (2000) Rolandt Tweehuysen, Kimswerd, the Netherlands