Woordenboek
Spokaans-Nederlands | Nederlands-Spokaans

Spokaans—Nederlands     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

Nederlands—Spokaans     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 

f:: (naam vd letter F) éf {C}.

fa:: (muzieknoot) {C}.

faalangst:: (bang om fouten te maken) fotelbaniyl {I}.

faam:: (=vermaardheid) yell |well| {C}.

fabel:: fabel {C}; (oorspr Spok) foref {C}.

fabelachtig:: (=ongeloofwaardig) nert miyp'kurre {I}.

fabricage:: fabrikašo {C}; (=vervaardiging) riffaros {C}.

fabriceren:: fabrisere |..˙je| {K}; (=vervaardigen) riffare {K}.

fabriek:: fabriyk {C}, fabrokiy {C}, •riff {SX > C}; (bijv) gasfabriek: gazariff; zie ook Fabrieken in .

fabrieksarbeider:: fabrikast {C}.

fabrieksstad:: fabros˙r {C}.

fabrikaat:: fabritiyn {C}, fabriseros {C}; van slecht ~: fes tildâ fabriseros.

fabrikant:: fabriserer {C}.

faciliteren:: (hulp aanbieden; de gelegenheid/mogelijkheid geven) cirrare {K}.

factor:: (omstandigheid) miprif {C}; (rekenkundig) tufriffer {C}.

factuur:: (=rekening) fesnotos {C}.

faculteit:: (vrnl op universiteit) fakultiy {C}.

fado:: (Portugees) fado {C/S; mv= fadôe}.

Faeröer:: de ~: Fâroer {G}.

Faeröerder:: Fâroero {Cef}.

Faeröers::

  1. (zn: taal) fâroerise {C};
  2. (bv) fâroer {IIef}; ~e vrouw: Fâroera {Cef}.

fagot:: basunn {C}.

fagottist:: basunnmerr {C}.

failliet:: d˙fosmurfiy {I}; ~ gaan: ef tasse fes d˙fosmurfiy; iemand/iets ~ verklaren: ef armtkimore rast/flaju lo d˙fosmurfiy.

faillissement:: d˙fosmurfos {C}.

fakkel:: purriyntân {Crs}; (=toorts) esa {C}.

falen:: (=ontbreken) fâle {K}; ([grote] vergissingen begaan) fotelare {K}.

Falkland-eilanden:: Fâlklandes {G}.

Falklander:: Fâlklando {Cef}.

Falklands:: (bv) fâlklandes {IIef}; ~e vrouw: Fâlklanda {Cef}.

falsetstem:: fâlstos {C}; met ~ praten/zingen: fâlste {U}.

falsificeren:: (de valsheid/onjuistheid aantonen) fâlsifiere |..˙je| {K}.

falsifiëren:: »falsificeren.

familiaar:: frintiy {I}.

familie:: (=gezin) fatasôr {C}, famyliy {C} (arch/poe); (=geslacht) uproje {C; mv= uprôja}; hij is ~ van mij: do melde famila armt gress; zij zijn ~ van hem: óps melde familas armt do.

familielid:: famila {C}; familaa {C} (vrw).

familienaam:: fatasôr-quanka {C} (in Spok: een vd namen ve meestal dubbele achternaam, zoals in de familie v hetzij de man, hetzij de vrouw, wordt doorgegeven); »achternaam; zie ook Familienamen in .

fanatiek:: fanatiyc {I}.

fantaseren:: kâge {K}; (=verzinnen) fofele {K}.

fantasie:: kâgos {C/A}.

fantasieloos:: đ˙miypy {I}.

fantasierijk:: (persoon) rifofel {I}.

fantast:: fofeler {C}.

fantastisch:: (lett: gefantaseerd) kâgiy {I}; (schitterend, heel erg mooi/goed) kâg {I}.

farmaceutica:: fârmasuticiys {Cmv}.

farmacie:: fârmasy {C}.

fascisme:: fasesmiy {C}.

fase:: (=stadium) fas {C}.

fat:: (zeer ijdele man) tyka {C}.

fataal:: (=noodlottig) jéft {I}, pentaliy {I; [mv=enk]}; ~/noodlottig ongeluk (met dodelijke afloop): pentaler {A; mv=enk}.

fatsoen:: fasonn {SC}.

fatsoenlijk:: (=eerzaam) néruvva {I}; (=gepast) lypônk {I}.

fauna:: faana {C}; zie ook Fauna en flora in .

fauteuil:: (=armstoel) fotull {C}.

fax:: fâx {C; mv= fâxes of regelm.} (afk= fx); per ~ verzenden: fâx-zâlbinase {K}.

fazant:: fâsanta {C} (L. Phasianus colchicus); (als voedsel op tafel) fâsantatiyse {C/S}, fâsantiyse {C/S} (spr); we eten ~: kirro larde fâsantatiyse/fâsantiyse.

februari:: februy {Cef; rs= februte} (afk= fb of feb).

fecaal:: fécaliy {I}.

fecaliën:: (=ontlasting) mipriffos {C}, féces {S}.

feces:: (=ontlasting) mipriffos {C}, féces {S}.

federatie:: federašo {C}.

fee:: (elf/boze geest, vrnl mythologisch) yryff {C}.

feest:: fenta {C}; (fuif) pramt {C} (pop); groot ~ (gezellige bijeenkomst): kofano {Cef}; (volksfeest, feestelijke jaarmarkt) falot {C; mv= falôte} (arch); voorbereidingen voor een ~: kofenta {C}; ~ vieren: fente {U}; op het ~: fes ef fenta; een ~ geven: ef qugle eft fenta; ef kette eft kofano; zie ook Feesten in .

feestdag:: (nationaal Spok, waarop niet gewerkt wordt) fentatof {C}; (in privé-sfeer: feestelijke dag) fente-tof {C; mv= ..-terrats}; (Erg: als zerusstof samenvalt met de 1e dag vd Erg-week) heborettof {C}; zie ook Feestdagen in .

feestelijk:: fento {I}; ~e dag (feestdag: in privé-sfeer): fente-tof {C; mv= ..-terrats}; ~ gewaad: fentômhűls {C}.

feesten:: (=fuiven) pramte {U} (pop).

feestgedruis:: dazenne {C}.

feestje:: »feest.

feestkleding:: fentômhűls {C}; (=gala) galômhűls {C}.

feestmaal:: feninner {C}; (=banket) mala {C}.

feestmaaltijd:: feninner {C}; (gerecht bij feestelijke gelegenheden; in niet-RK deel v Spok) halfâmpiyya {Crs}.

feestvieren:: monche {U; gst= mont}.

feestviering:: monchos {C}.

feilloos:: kronâme {I}.

feit:: f˙t {C; mv= fett}; (geval) fâl {C; mv= fele}; [het] ~ is dat ...: fara f˙t ...; uit het ~ dat ...: na ef eit tu ...; »feite.

feite:: in ~: (zoals het feit is) fara f˙t (afk= f/f of f.f.); (om zo te zeggen) reppany {I}; (=eigenlijk) c˙rl˙o {III}.

feitelijk:: f˙tiy {I}.

fel:: (kleur/licht ed) féra {I}; (handeling) n˙kriy {I; [mv=enk]}; een ~le brand: eft féra buros.

felicitatie:: (=gelukwens) felisitašo {C}; met ~ (gefeliciteerd!): lef jurestiyos (afk= l.ju.) {A}.

feliciteren:: (=gelukwensen) felisitere {K}; gefeliciteerd!: lef jurestiyos! {A} (afk= l.ju.).

feminisme:: feminesmiy {C}.

feministisch:: feministise {I}.

fenegriek:: hôrna-xejafiy {S} (L. Trigonella foenum-graecum).

fenomeen:: ˙rchatt {SC}.

feodaal:: ~ stelsel (zoals in Spok heerste): domenneren {C}.

ferm:: torp {I}.

festijn:: drink- en eetfestijn (braspartij): ôpall {C}.

festival:: tofent˙ {C}.

festoen:: lűnters {C; mv= lűnteori}.

feuilleton:: (=vervolgverhaal) fôlgafiy {C}.

fiasco:: (=mislukking) okođos {C}.

fiche:: pennen {C}.

fictie:: fikšo {C/S}.

fictief:: fikteff {I}.

fier:: dyfôlg {I}, fera {I}.

fiets:: pitter {C}; (met één zadel) monogr˙đe {C} (als tegenstelling tot tandem); tweepersoons ~ (tandem): duogr˙đe {C}; zie ook Weggebruikers in .

fietsband:: bent {C}.

fietsen:: pitte {U}; ~ over/op/door: lâpitte {K}; zie ook Fietsen in .

fietsenrek:: pitter-kronâm {C}.

fietsenstalling:: pitter-kul {C}.

fietser:: (=wielrijder) pittatjen {C}.

fietspad:: pitte-mirra {C}.

fietspomp:: bent-echuh {C}.

figurant:: nefstâgatjen = sustâgatjen {C}.

figuur:: figuro {C}; (belangrijk/vreemd persoon) typ {C}.

figuurlijk:: blât {I}.

Fiji:: Fidjiy {G}.

Fijiër:: Fidjiyny {Cef}.

Fijisch:: (bv) fidjiy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Fidjiyna {Cef}.

fijn::

  1. (niet grof: zand, bewerking ed) fyn {I}, jűrn {I}; ~ bewerkte natuursteen: jűrn présizor ciykolini;
  2. (=aangenaam/gezellig) olla {I}, trojo {I; vt= vóz˙r; ot= trotiy; vk= lâgt; mt= qury}; het is ~ om te [zwemmen]: ef melde olla beri [svime]; erg ~ vinden (zaak): lye {K};
  3. (lekker: waarbij je je prettig voelt, comfortabel) trojo {I}; een ~ groot schip: ef trojo hupster karé; ~ (lekker) wandelen: ef mirre lo trojo;
  4. (=kies) rűsaly {I}.

fijnhakken:: (v kruiden ed) jűrnare {K}; fijngehakte peterselie: jűrnaror perselle.

fijnmaken:: jűrnare {K}.

fijnproever:: éb˙datjen {C}.

fijnspar:: pres˙r đôle {C} (L. Picea abies).

fijnstraal:: Canadese ~ (plant): Canada-krutt {C/S} (L. Erigeron canadensis); scherpe ~: râše-brâst {C} (L. Erigeron acer).

fiks:: (=kloek) miyrtiy {I; [mv=enk]}.

file:: (v auto's) ototo {C}.

filet:: (vlees van bot ontdaan; vis van graten ontdaan) cârvos {C}.

filiaal:: (=bijkantoor) ˙rra-sért {C}.

Filipijn:: (bewoner) Filipino {Cef}.

Filipijnen:: de ~: Filipynn {G}.

Filipijns:: (bv) filipynn {IIef}; ~e vrouw: Filipina {Cef}.

Filipino:: (bewoner) Filipino {Cef}.

film:: (nog te belichten) film {C}; (in bioscoop) omâstây {C; rs= omâstâte}; stomme ~: zlabiy-omâstây {C}; (=vlies/dun laagje) w˙ja {C}; zie ook Film in .

filmcabine:: hôc {C}.

filmdebuut:: omâstây-wulparos {C}.

filmmaker:: (=cineast) filmrif {C}.

filmstudio:: mitašôp {C}.

filologie:: filolôiy {C}.

filologisch:: filologise {I}.

filoloog:: filolôche {C}.

filosofie:: (vrnl wetenschap) filosofa {C}; (=levensbeschouwing) poircônsit {C}.

filosofisch:: filosofise {I}.

filosoof:: filosofiy {C}.

filter:: filter {C}, jepser {C}.

Fin:: Finlando {Cef}.

financieel:: finanšela {I}; ~ ondersteunen (tegemoetkomen): xlaharre {K}.

financiën:: finanšos {Cmv}; minister van ~: finanšos-menester {C}.

financiering:: finanšeros {C}.

fine:: ter/ten ~ van: furt ef col rifo (vz-uitdr).

fingeren:: (=verzinnen) fofele {K}.

finish:: (=eindstreep) d˙fl˙nt {C}; de ~ halen (lett/fig): ef šâste ef d˙fl˙nt.

Finland:: Finlandes {G}.

Fins::

  1. (zn: taal) finlant {C};
  2. (bv) finlandes {IIef}; ~e vrouw: Finlanda {Cef}.

Fioringras:: »struisgras.

firma:: ˙nâmpi {C}; (=bedrijf) firma {C; mv= firmâe; rsmv= firmatt}.

fiscaal:: fiskalo {I}.

fit:: (fris, in goede conditie) hirt {I}.

fitis:: Frina-vogily {C} (L. Phylloscopus trochilus).

fitting:: (=lamphouder) ondro-lelder {C}.

fjord:: fjôrt {C}.

flacon:: (=stopfles) đyg-liskos {C; mv= ..-liskosz}; [kleine] ~ (sierlijk parfumflesje ed): ˙li-flest {C}.

fladderen:: flâdre {U; gst= flâtt}, weđe {U}.

flakkeren:: qunde {U}, spéte {U}.

flakkering:: (vlam) mâtat {C}.

flamingo:: flaming {C}.

flanel:: flânel {S}; van ~ gemaakt (flanellen): flâneliy {I}.

flanellen:: (van flanel gemaakt) flâneliy {I}.

flank:: (militair) rogân {C}; (v paard) cénp {C}; (berghelling) cénp {C} (poe).

flankbotsing:: (botsing tegen zijkant v auto/spoorwagon) cénp-qurstoxos {C}.

flaphoed:: (zwart/bruin: bij Spok klederdracht) gryllâ {C}.

flat:: (gebouw) goftius {C}; (woning; appartement) goftróda {C}.

flater:: (=blunder) uas-tegt {C}.

flatgebouw:: goftius {C}.

flatteren:: (flattéren) cârdôfe {K}.

flatwoning:: (appartement) goftróda {C}.

flauw:: (te weinig zout) let {I}; (zwak: licht/stem/bocht) mârve {I}; (kinderachtig/zouteloos) jűxiy {I}; heel erg ~ (reuzeflauw: heel kinderachtig): jűxűxiy {I} (red v jűxiy).

flauwgevallen:: (buiten westen) dalotoje ef âskân; (in zwijm) tohâgg {I} (arch).

flauwheid:: (zwakheid) mârve {Aef}.

flauwte:: (het flauwvallen) festjerpos {C}.

flauwvallen:: festjerpe {U}; het ~ (flauwte): festjerpos {C}; iemand die vaak flauwvalt (en/of zich vaak aanstelt): festjerpe-kors {C}.

flegmatisch:: flegmatise {I}.

flens:: (v wiel) flâng {C}.

flensje:: (pannenkoekje) belt-crepp {C}.

fles:: liskos {C; mv= liskosz}.

flesje:: flest {C}; sierlijk ~ (flacon: voor parfum ed): ˙li-flest {C}.

fleurig:: huroniy {I}.

flexibel:: (zich gemakkelijk aan de omstandigheden kunnen aanpassen) ˙rfóte-âp {I}.

flink:: (=degelijk/aanzienlijk) kogűrus {I}; (=duchtig/lustig) nâš˙ {I}; (=ferm) torp {I}; (=kloek) lenp {I}; (=kranig) vliyn {I}; een ~e tijd/afstand (een hele tijd/afstand): eft kogűrus fort/distânt.

flirt:: (iemand die op de versiertoer is) jelper {C}.

flits:: (licht~/bliksemschicht) kirt {C}; (=flitslamp: bij fotografie) reftat {C}.

flitslamp:: (bij fotografie) reftat {C}.

flodderen:: (=slobberen: kledingstuk) ryppele {U}.

flodderig:: ~ kledingstuk: weđos {C}.

flodderjurk:: (=slobberjurk) ryppel {C}.

flonkeren:: (blinken: ook v sterren) plincre {U; gst= plink}.

flora:: flora {C}; zie ook Flora en fauna in .

Florence:: Florino {G}.

fluisteren:: ogpete {U}; (met trillende stembanden) dezze {U}; (hees spreken: met trillende stembanden) ruvaze {U}.

fluit:: (muziekinstrument; op locomotief) vluto {C}; (bepaald soort houten ~ in Spok) hycc {C}.

fluiten::

  1. (v vogels) lóte {U}; (=kwinkeleren) sâlme {U};
  2. (met de lippen; de wind) w˙rre {U; gst= w˙r; vdw= w˙ror}; hij fluit een liedje: do chafoste eft w˙rrelira chafost;
  3. (op een fluit blazen: muziekinstrument/locomotief) vlute {U}; (=fluitspelen) vlutomerre {U}.

fluitenkruid:: c˙rfűne-zômpos {S} (L. Anthriscus sylvestris).

fluitje:: (v politie/scheidsrechter) tnips {C}.

fluitspelen:: (=fluiten) vlutomerre {U}; (ook op andere soorten fluiten dan de hycc) hyccmerre {U}.

fluor:: fluor {S}; met ~ (fluorhoudend): fluora {I}.

fluoresceren:: fluoresere |..˙je| {U}.

fluorhoudend:: (met fluor) fluora {I}.

fluoride:: fluoritt {S}.

fluweel:: manceste {Sef}; van ~ gemaakt (fluwelen): manceste {I}.

fluweelpootje:: (eetbare paddenstoel) manceste-tiffug {C} (L. Flammulina velutipes).

fluwelen:: (van fluweel gemaakt) manceste {I}; ~ lap/stof: mancestefâsto {C; mv= mancestefâstôe; rsmv= mancestefâstott}.

fobie:: baniylos {C}; (meestal in het mv:) hij heeft een ~: do lelperre baniylôsta.

focus:: (=brandpunt) focus {C} (vrnl fig); in de ~: fes focus (fig); »brandpunt.

focussen:: ~ op iets (gefocust zijn): ef lelperre flaju fes focus; de op het scoren gefocuste sporter: ef sporter lef ef nel-fentestos fes focus.

foedraal:: (=hoes/étui) simm {C}.

foei!:: hâss!.

foeilelijk:: ch˙t-kariy {I; [mv=enk]}.

foelie:: (specerij) masi {S}.

foeteren:: ~ op: crôstene tygtja {U}.

föhn:: (valwind in een bergdal; in Spok kan het ook een vochtige wind zijn, vooral langs de westkant vh Az˙-gebergte op West-Berref) laffa {C}; waaien van een ~ (laffa): laffate {U}; (haardroger) mir-k˙ponjer {C}.

fok::

  1. (zeil) polliy {C}.
  2. (het fokken) demarrinos {C}.

fokken:: demarrine {K}; het ~ (fok): demarrinos {C}; (v paarden) kafryte {K}.

fokkerij:: (alg) demarriyn {C}; (v paarden) kafrytos {C}.

fokstier:: demarriner {C}.

fokvee:: todemarrin˙ {Srs}.

folder:: (=vouwblad) foltos {C}.

folklore:: zampôro {C}.

folly:: fôliy {C}; zie ook Folly's in .

folteren:: (=pijnigen) fromigte {K}.

foltering:: (=pijniging) fromigtos {C}.

fonds:: (alg) fônts {C; mv= fôntses}; (kapitaal gereserveerd voor bepaald doel) colsmurf {S}; (alle boeken v uitgever) clobjiyt {C}.

fonetisch:: fonetise {I}.

fonkelen:: chiqure {E}; (glanzen) kifre {U; gst= kiff}; ~de wijn: glântelira weinoh.

fonkeling:: chiquros {C}.

fonkelnieuw:: gryde-kleter {I}.

fonologie:: fonolôiy {C}.

fonologisch:: fonologise {I}.

fonoloog:: fonolôche {C}.

fontein:: knurfelstiy {C}.

fonteinkruid:: tanko-krutt {C/S} (L. Potamogeton); gekroesd ~: plônsor tanko-krutt (L. P- crispus); drijvend ~: svâmor tanko-krutt (L. P- natans); "gespleten ~" (alleen in sommige vennen op Berref): xochor tanko-krutt (L. P- fissilis).

fooi:: (ongebruikelijk in Spok) hastram {C}.

foppen:: (bij de neus nemen) xozjare {K}.

forceren:: (lett: openbreken) forsere |..˙je| {K}; het ~: forseros {C}.

forel:: drót {C} (L. Salmo trutta).

forens:: (=pendelaar) cômuter {C}, fôren {C}.

forenzen:: (=pendelen) cômutere |..˙je| {U}.

formaat:: (afmeting[en]) tűrg {C}; van het ~: âfry ef tűrgs.

formaliteit:: fôrmalitiy {C}; (uiterlijke vorm) tovlass {C; mv= tovlassa}.

formeel:: (=vormelijk) vobariy {I}; (=stijf) trótiy {I; [mv=enk]}; (=officieel) đekmâc {I}.

formule:: fôrmuliy {C}; (geijkte uitdrukking) festlénos {C}.

formuleren:: fôrmulere |..˙je| {K}.

formulier:: fôrmeler {C}, scrift {C; mv= scriyfte}.

fornuis:: warmohit {C; mv= warmohita}; kokina {C} (dl= Tigof/Lomky).

fors:: (gebouwd) turf {I}; (=struis) brulapiy {I; [mv=enk]}.

fort:: (vestingwerk) fôrt {C}; (als deel ve stad: vesting) bavân {C}.

fortuin:: (hoop geld) fr˙ccsmurf {S}.

fortuinlijk:: (=gelukkig) huresent {I}.

forum:: forum {C}.

fosfor:: fôsfor {S}; met ~ (fosforhoudend): fôsforiy {I}.

fosforhoudend:: (met fosfor) fôsforiy {I}.

fossiel:: (zn) fôsyll {C}; (bv) fôsylliy {I}.

foto:: foto {C; mv= fotôe of fôtôe; rsmv= fotott of fôtott}.

fotoalbum:: foto-platimip {C}; zie ook Fotoalbum in .

fotograaf:: fotografos {C; mv= fotografosz}.

fotografie:: fotografijâ {C}.

fotografisch:: fotografise {I}.

fototoestel:: fotoriff {C}.

fouilleren:: frokiyne {K}.

fout::

  1. (zn) fotel {C}; één ~ maken: fotele {U}; [een hoop] ~en maken: fotelare {U}; bang om ~en te maken (faalangst): fotelbaniyl {I};
  2. (bv) fot {I}; (onzuiver; niet volgens de waarden en normen) kell {I}; alles ~ doen (afgaan): jerdonneve {U}; ~ gaan (fig: de verkeerde kant opgaan: v persoon): derângere |..˙je| {U}; »onjuist.

foutloos:: (=onfeilbaar) zjôrp {I}.

fraai:: (mooi) frâl {I}; korsamen {I} (iro); een ~ weertje! (als het noodweer is): korsamen wónzol!; ~ ogend: naliyczerfiy {I}.

fractie:: pârgrup {C} (groep volksvertegenwoordigers die tot dezelfde politieke partij behoren, of tot verschillende partijen, maar met identieke opvattingen).

fragment:: (=gedeelte) indon {C; mv= indino}.

fragmentarisch:: (in gedeelten) indonsót {I}.

framboos:: (vrucht) frâmbosiy {C}; (struik) tofrâmbosiy˙ {C} (L. Rubus idaeus).

frame:: (=geraamte) prâft {C}.

Francaise:: »Française.

Française:: Frakana {Cef}.

franciscaan:: (mnl lid v RK kloosterorde) frânsisker {C}.

franciscanes:: (vrw lid v RK kloosterorde) frânsiskera {C; mv= frânsisker˙}.

franco:: lef mirrofsmurf (afk= l/ms) {S}.

franje:: fimbrâ {S}; vol ~; van ~ gemaakt: fimbrâiy {I}.

franjemos:: fimbrâtiy {S} (L. Ptilidium); (ihb gewoon ~ of boom-~ (L. P- pulcherrimum)).

franjepoot:: (vogel) faja {C} (L. Phalaropus); rosse ~: ligt faja (L. P- fulicarius); grauwe ~: zutter faja (L. P- lobatus).

franjezwam:: fimbrâ-missis {C; mv= ..-missisa} (L. Thelephora); gewone ~: frot fimbrâ-missis (L. T- terrestris); stinkende ~: nort fimbrâ-missis (L. T- palmata).

frankeren:: gorbase {K}.

frankering:: (porto) gorbasos {C}.

Frankrijk:: Frakas {G}.

Frans::

  1. (zn: taal) frakânda {C};
  2. (bv) frakas {IIef}; ~e vrouw (=Française): Frakana {Cef};
  3. ~ Guyana: Frakas Gujana {Gef};
  4. ~ Polynesië: Frakas Polynesiy {Gef}.

Fransman:: Frakann {Cef}.

frappant:: bytelira {I}.

frase:: môto {C}.

fratsen:: stadse ~: s˙rt-p˙rt {S} ("stad-gekheid": de negatieve kijk die plattelandsbewoners op stadsbewoners hebben).

fraude:: idevlazzos {A}, cjestovliy {C}, vlass-cjestovliy {C}; (=geknoei) vlass-g˙tt {C}; (=verschrijving: eufemisme voor vervalsing om belasting te ontduiken) toidenotos {A}.

frauderen:: idevlazze {K}.

frauduleus:: idevlazziy {I}.

freewheel:: (v fiets) kir-trôchâ {C}.

frequent:: (vaak plaatsvindend) lâc˙rs {I}, frecent {I} (schr).

frequentie:: frecenšo {C}.

fresco:: fresko {C}.

friemelen:: (=frutselen) friylpe {U}; (=prutsen) pitstice {U}.

fries:: (bouwkunst) frisa {C}.

Fries::

  1. (zn: bewoner) Fryslando {Cef};
  2. (zn: taal) fryslant {C};
  3. (bv) fryslandes {IIef}.

Friesland:: Fryslandes {G}.

Friezin:: Fryslanda {Cef}.

fris:: (=vers) zâm {I}; (schoon en helder) nopa {I}; (=fit, in goede conditie) hirt {I}; (erg koel) frot {I}; ~ zijn: frote {U}; (zuurstofrijke lucht, niet bedompt) fôrsiy {I}; »gezondheid.

frisdrank:: sôft {S}.

friseertang:: cűrle-tânk {C}.

frisjes:: (luchtig, niet benauwd) b˙a {I}.

frituurvet:: tjonde-rôsiy {S}.

frons:: (gefrons) frontaos {C}.

fronsen:: frontae {K}; »wenkbrauw.

front:: (leger) krura {C}; (voorkant) furtovap {C}; (weerkundig) frônt {C}.

fruit:: belk {S}; groente en ~ (eetbaar plantaardig): sipót {C}; gedroogd ~: Mari-belk {S}.

fruitboom:: (=vruchtenboom) tobelk˙ {C}, belks-vildul {C}.

fruitig:: (smaak v wijn) lâbelkor {I}.

fruitvliegje:: belk-zôler {C} (L. Drosophila funebris).

frustratie:: répâxos {A}.

frustreren:: (=tegenwerken) répâxe {K}.

frutselen:: (=friemelen) friylpe {U}.

fuif:: (feest) pramt {C} (pop).

fuifnummer:: (persoon) pramt-larder {C} (pop).

fuik:: reltakô {C}.

fuiven:: (feesten) pramte {U} (pop).

fulmineren:: ~ tegen: fűlminere tygtja |..˙je| {U}.

functie:: fűnkšo {C}.

functioneel:: fűnkšonela {I}.

functioneren:: fűnkšonere |..˙je| {U}.

functionering:: fűnkšoneros {A}.

fundament:: (lett: =fundering) fűnderos {C}, stent {C}; (fig: =basis) stala {SC}.

fundamenteel:: fűndamentela {I}; (fig: basis•) stafiy {I; [mv=enk]}.

funderen:: (lett) fűndere |..˙je| {K}.

fundering:: (lett: fundament) fűnderos {C}.

funest:: ményte {I}; (noodlottig) jéft {I}.

fungeren:: ~ als: eaquppűe |wa..| {K; gst= eaquppűt}.

fungering:: eaquppűos |wa..| {A}.

fuseren:: smelte {Upr}.

fusie:: smeltos {C}.

fusillade:: tjel-revos {C}.

fusilleren:: tjel-reve {Krs}.

fust:: (vat: vrnl voor drank) dâm {C}.

futiel:: (=nietig) flâjűtiy {I}.

futiliteit:: (=nietigheid) flâjűter {C}.

futuur:: (taalk) futuriy {I}.

fuut:: litôter {C} (L. Podiceps cristatus); "moeras~" (fuut-achtige moerasvogel, zonder kuif): flechâ-ur-klavior {C; mv= flechâs-ur-klaviors} (L. Podiceps clavius).

fysiek:: froâp {I}.

fysiotherapeut:: frotiyneren-teraputer {C}.

 

© (2000) De Twee Hanen v.o.f. • Kimswerd • The Netherlands

DICTIO