Woordenboek
Spokaans-Nederlands | Nederlands-Spokaans

SpokaansNederlands     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

NederlandsSpokaans     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 

s:: (naam vd letter S) s {C; mv= ses}.

's:: avond; middag; morgen; nacht; ochtend; winter; zomer.

's-:: avond; middag; morgen; nacht; ochtend; winter; zomer.

saai:: (zonder afwisseling/opwinding) lyrs {I}; (=duf) palgt {I}; een ~/regelmatig leven: eft ritmise poiros.

saamhorigheid:: gequ'ess {SC; mv= gequ'ester}.

sabbat:: sbat {C}.

sabel:: sabliy {C}.

sabelsprinkhaan:: grote groene ~: hupster rey {C} (L. Tettigonia viridissima).

sabotage:: iycynaros {C}.

saboteren:: iycynare {K}.

saboteur:: saboterr {C}, iycynarer {C}.

sacrament:: sakramentiy {C}.

safari:: safari {C}.

safaripark:: safari-prc {C}.

safe:: (=kluis) hantlot {C}, monylot {C}; (=brandkast) sf {C}.

saffier:: (materiaal) sfer {S}; (steen) sferiyn {C}; van ~ gemaakt; met ~en bezet (saffieren): sfriy {I}.

saffieren:: (van saffier gemaakt; met saffier bezet) sfriy {I}; ~ voorwerp: sferiyn {C}.

saffraan:: safrann {S}, sfrann {S}.

saffraankrokus:: safrann-kroks {C}, sfrann-kroks {C} (L. Crocus sativus).

saga:: (=sage) saga {C}.

sage:: (=saga) saga {C}; (=heldendicht: typisch Spok/Peg) yzlt {C}; zie ook Sagen in .

sago:: sago {S}.

Saks:: Sxo |ks| {Cef}.

Saksen:: (in Zuid-Duitsland) Sxiy |ks| {G}.

Saksisch:: (bv) sxiy |ks| {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Sxa |ks| {Cef}; ~e leverworst: Sxiy-soza |ks| {C}.

salade:: (gerecht met diverse rauwe groentes) fnt {C}; (slaatje: gerecht met sla of andere bladgroente) toslaja = toslaj {C}; slaja {C}; gemengde ~: blotofnt {C}.

salamander:: salamndriy {C} (L. Salamandra of Triturus).

salami:: salamiy {S}; (ong: bep soort gekruide worst) kruttsoza {C}.

salariren:: (=bezoldigen) wagye {K}.

salariring:: (=bezoldiging) wagyos {C}.

salaris:: rralo {C}.

saldo:: kuram {C}.

salie:: salviy {S} (L. Salvia officinalis); kleinbloemige ~: Lerdu-salviy {S} (L. Salvia verbenaca); valse ~: tro-krutt {C/S} (L. Teucrium scorodonia).

Salomonseilanden:: Salomon-ilesets {Gef/mv}.

Salomonszegel:: knzor {C} (L. Polygonatum); veelbloemige ~: jakm-knzor {C} (L. Polygonatum multiflorum).

salon:: (grote woonkamer) salonn {C}.

salonfhig:: (taboe doorbreken; sociaal acceptabel) fianites-oaroamiy {I}.

salontafel:: (bijzettafel: met korte poten) dryk {C}.

salueren:: lpare {K}.

Salvador:: El ~: Slvader {Gef}.

Salvadoraan:: Slvadery {Cef}.

Salvadoraans:: (bv) slvader {IIef}; ~e vrouw: Slvadera {Cef}.

salvo:: toref {C}.

samaritaan:: samaritaniy {C}.

samen::

  1. (tegelijk; met elkaar; in elkaars gezelschap; als n geheel beschouwd) nos {III}; (met zijn tween) lef wlkn {WD}; (met meer dan 2) lef hdn {WD}; de twee zusters komen ~ binnen: ef ten sours arfine-fes nos/lef wlkn; de vier broers komen ~ binnen: ef fr freras arfine-fes nos/lef hdn;
  2. ~ met (tegelijk met): nosef {VZ/VG} (betrekking); ik ga ~ met Petriy op vakantie (in elkaars gezelschap): gress vende nosef Petriy helkara zirrot;
tegelijk.

samenbinden:: binde-zlf {K}; het [samen/vast]binden; datgene wat samengebonden is: bindos {C}.

samendrijven:: (=bijeendrijven: v vee) nare ... lo nos {K}; de boerinnen drijven de koeien bijeen: ef keltosz nare ef boerts lo nos.

samendrukken:: e-nos {K}; (=knijpen) pree {K}.

samengeraapt:: (wanordelijk bijeengegraaid) fnopiy {I}.

samengesteld:: nosamariy {I}; niet ~ (enkelvoudig): nenosamariy {I}.

samenhang:: (=verband) een ~ tussen A en B: eft fgo yargeloh A ur B.

samenhangen:: ~ met: fgoe {K}; (n geheel vormen) fgare {U}; ~ met iets (met iets in verband staan): ef melde fest armt flaju.

samenhangend:: fgoiy {I}.

samenkomen:: armtarfine {U}.

samenkomst:: armtarfinos {C}.

samenleving:: (=maatschappij) (met nadruk op georganiseerd systeem) nopros {C}; (met nadruk op verzameling mensen) toveldur {C}.

samenloop::

  1. (lett) (samenvloeiing: v twee rivieren) iymper {C}; (v wegen of rivieren) pijat {C};
  2. (fig) (v omstandigheden) pijatos {A}, nosrmos {A}; ~ van omstandigheden (toeval): uss {Aef; mv= usta}.

samenlopen:: (lett: v wegen/rivieren) pijate {U}.

samenpersen:: prte {K}, migte-nos {K}.

samenpersing:: prtos {C}.

samenraapsel:: fnopa {C}.

samenrapen:: (bijeengraaien) fnope {K}.

samenscholen:: foste {E}; ef qugle fost.

samenscholing:: fost {C; mv= fosten}.

samensmelten:: smelte-nos {U}; doen ~ (fig): smeltare {K}.

samensmelting:: smeltos {C}.

samenspannen:: (fig: onder n hoedje spelen) nos-trekke {U}; ~ met (heulen met: de vijand): kuralfe lef {U}.

samenspanning:: (fig) nos-trekkos {A}; (het heulen) kuralfos {A}.

samenstel:: (=stelsel) tiyneren {C}; (fig: combinatie) nosame {C}.

samenstellen:: nosamare {K}; iets wat samengesteld is (lett: samenstelling): nosamaros {C}; iets ~ uit: nosamare flaju mip.

samensteller:: (alg) nosamarer {C}; (schrijver: ve boek) miprmer {C}.

samenstelling:: (lett: iets wat samengesteld is) nosamaros {C}; (v voedingsmiddel/gewas) ra {C}; chemische ~: cnsepp {C}.

samenstromen:: (lett/fig: =samenvloeien) zusle {U; gst= zuss}; (=samenvloeien: v twee rivieren) iympe {U}, pijate {U}.

samenstroming:: (lett: =samenvloeiing: plaats waar twee rivieren samenkomen ed) zuslos {C}.

samentrekken:: are {K}; (spier) armttrekke {U}.

samentrekking:: aros {C}; (spier) armttrekkos {C}.

samenvallen:: (fig) fesare {U}; het ~ (samenvalling): fesaros {A}.

samenvalling:: (het samenvallen) fesaros {A}.

samenvatten:: nose {K}, roze {K}; het ~ (samenvatting): rozos {C}; wat samengevat is (=samenvatting): nosos {C}.

samenvatting:: (het samenvatten) rozos {C}; (wat samengevat is) nosos {C}.

samenvloeien:: (lett/fig: =samenstromen) zusle {U; gst= zuss}; (=samenstromen: v twee rivieren) iympe {U}.

samenvloeiing:: (lett: =samenstroming: plaats waar twee rivieren samenkomen ed) zuslos {C}; (=samenloop: v twee rivieren) iymper {C}.

samenvoegen:: are {K}, tuksttpe |tukstpe| {K}; het ~: tuksttpos |tukstpos| {C}; hecht ~: tpe zlf {U}.

samenvoeging:: aros {C}; (het samenvoegen) tuksttpos |tukstpos| {C}.

samenvouwen:: (=opvouwen) nos-folte {K}; het ~ (het opvouwen): nos-foltos {C}.

samenwerk:: samenwerking.

samenwerken:: ~ met (meewerken met): nosrme {K}; het ~ (lett: het gemeenschappelijk met elkaar werken): nosrmos {C}; (samen iets doen, vooral op zakelijk gebied) rfyte {U}.

samenwerking:: (lett: het gemeenschappelijk met elkaar werken) nosrmos {C}; nos-rm {C}; (fig: onderlinge invloed) nosrmos {A}; in ~ met: lef nos-rm rifo/tukst.

samenwonen:: (zn) nos-zros {C}.

samenzijn:: (zn) noseldos {C}.

samenzweren:: ef kette mre'inniy {C}.

samenzwering:: (complot) mre'inniy {C}.

Samoa:: Samoa {G}.

Samuel:: (bijbel) Samul {N}.

sanatorium:: sanatorym {C}; zie ook Sanatoria in .

sanctie:: (straf) pnyros {C}.

sandaal:: (open schoen) drtyg {C}; (met bandjes tussen de tenen) leirmust {C}.

saneren:: sanere |..je| {K}.

sanering:: (alg) saneros {C}; (weer financieel gezond maken) poerteros {A}.

Sanmarinees::

  1. (zn: bewoner) Sinto-Mariny {Cef};
  2. (bv) sinto-marino {IIef}; Sanmarinese vrouw: Sinto-Marina {Cef}.

San Marino:: Sinto-Marino {G}.

Sane:: (Franse rivier) Sane |sne| {G}.

sap:: (v vruchten) sef {S}; een glas ~: eft sefa {C}.

sappig:: (v fruit) sefiy {I}; mals en ~ (bijv biefstuk): pjlp {I}.

sappigheid:: (v fruit) sefiyta {S}.

sarcastisch:: sta {I}.

Sardijns:: (uit/van Sardini) srdenna {IIef}.

sardine:: crtolfo {C; mv= tolfft} (L. Clupea pilchardus).

Sardini:: Srdenna {G}.

sarren:: rtitte {K}.

satansboleet:: dufja-tlc {C} (L. Boletus satanas).

satelliet:: satelitiy {C}.

satijn:: prismtiy |M| {Sef; rs= prismtiyt}; van ~ gemaakt (satijnen): prismtiy |M| {I}.

satijnen:: (van satijn gemaakt) prismtiy |M| {I}.

satijnzwam:: giftige ~: fkomm-koibrer {C} (L. Entoloma sinuatum).

satire:: (=hekeldicht) crspoit {C}.

Saturnus:: Saturnes {N}.

Saudi-Arabi:: Saudi-Arabyja {G}; Arabi- (en afleidingen).

sauna:: (zoals in Finland) sana {C}; kuurbad; zie ook Sauna's in .

saus:: (alg) ssa {S}; dikke ~ (gelei): frylpiy {S}; pikante ~: riypsa {S}; (=jus) rns {C}; (bruine jus met maggi-aroma) soss {S}; [gestoofde] vis in ~: ssa-gtliy {Sef}.

savooiekool:: Milenc-ry {C/S}.

scalpel:: froknyfo {C}.

Scandinavi:: Skndinaviy {G}.

Scandinavir:: Skndinavo {Cef}.

Scandinavisch:: (bv) skndinaviy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Skndinava {Cef}.

scanner:: (digitaal apparaat om afbeeldingen te lezen) jepsarer {C}.

scenario:: stgafiy {C}.

scene:: scne.

scne:: (theater) skn {C}; (emotionele uitbarsting) sgos {C}; [er] een ~ [van] maken (tekeergaan): ef stge lo eft tinelira merdlk; in ~ zetten (=ensceneren): sknsrte {K}.

scepter:: (=waardigheidsstaf) sproa {C; rs= sprt}.

sceptisch:: ksvifiy {I}.

schaaf:: rojel {C}, rer {C}.

schaafwond:: krge-qulos {C}.

schaak:: (het spel) ek {C}; ~ spelen (schaken): ekmerre {U}.

schaakbord:: eknregt |ekregt| {C}, ek-olg {C}.

schaakspel:: ek {C}, ekmert {C}.

schaakspeler:: ekmerr {C}.

schaakstuk:: ektiyn {C}.

schaal::

  1. (alg: =kom/kan) knurf = knuf {C}; gebogen ~: stl {C};
  2. (v aardewerk) (=schotel/terrine) sgla {C}; (=pot/kruik) zps {C};
  3. (v ei): (om ei heen) qustiy {C}; (van ei afgepeld) qustos {C};
  4. (=wijzerplaat: rond, met verdeling in uren, kilometers ed) daqujess {C};
  5. (fig) (verhouding: v landkaart ed) zlt {C}; op grote ~ (=veelomvattend): utfinacc {I}; op kleine ~ (=beknopt): naracc {I}.

schaamte:: iyrkos {A}; (het schamen) sgemmos {A}.

schaamteloos:: eprgstiy {I; mv=enk}, ideiyrkiy {I}.

schaap::

  1. (ntr) hpyja {C}, oves {C} (dl= Lomky); (dat nodig geschoren moet worden) plta-hpyja {C}; (dat pas geschoren is) tfos {C} (dl= Oost-Berref), tyfos {C} (dl= West-Berref); gevlekt ~: lstf {C} (dl= Peg);
  2. (mnl) (=ram) ramiy {C}, qurk {C}; gecastreerd ~ (=hamel/weer): vlk {C};
  3. (vrw) (=ooi) efti {C}, oves {C} (dl= Lomky); jong ~ (vrw lam): lmbe {C};
  4. ("bultbok": bruin tot zwart gekleurd Spok schaap, zeer algemeen op de mliys) brfoh (brahf) |brf| {C} (L. Ovis nigra);
  5. (sprkw) hij heeft zijn ~jes op het droge (het is hem gelukt): do ef rimm minkede; do wrbimapyro.

schaapachtig:: ~ kijken: pyjoe {U; vdw= pyjer}; ~ kijkend persoon: pyjatjen {C}.

schaapherder:: mojeruo {C; rs= mojeruot}.

schaapskooi:: mojeru {C}.

schaar:: (om te knippen) lafex {C}; (klein; ook pincet) blermiys {C}.

schaars:: rofmiy {I; [mv=enk]}.

schaats:: cheltiy {C}.

schaatsen:: chelte {U}.

schaatsenrijder:: (wants) knurfel-farter {C} (L. Gerris lacustris).

schaatstocht:: cheltos {C}.

schacht:: (=cilinder) renoh {C}; (v speer) tos {C; mv= tse of tosz}; (v mijn) sgg {C}.

schade:: sgtos {C}, nenniy {C}; de gezondheid ~ doen (schaden): nenie {K}.

schadelijk:: nenn {I}; ~ zijn voor: ef melde nenn armt/yargeloh; ~ zijn (gevaarlijk zijn; kwaad kunnen): lchimne {E}.

schaden:: (de gezondheid schade doen) nenie {K}.

schadevergoeding:: wms {C}; (verhaal) nenniy-armtganos {A}.

schaduw:: omber {C}, if {C}; ~ werpen op (lett: overschaduwen): lfe {K}; ~ werpen [op] (fig): ef qugle ifs [helkara].

schaduwen:: (stiekem volgen) ife {K}; het ~: ifos {C}.

schaduwgevend:: (=schaduwwerpend) omber-zop {I}.

schaduwloos:: net-omberst {I}.

schaduwrijk:: (=lommerrijk) omberst {I}.

schaduwwerpend:: (=schaduwgevend) omber-zop {I}.

schaften:: lirdare {U}; sppe {U} (pop).

schafttijd:: (lunchpauze) lirdaros {C}; sppos {C} (pop).

schakel:: (alg; ook =gewricht) qublell {C}; (in ketting) lft {C}; (onderdeel v iets: =lid) mart {C}.

schakelaar:: kenker {C}; ([bedienings]knop) cn {C}.

schakelbord:: kenke-rpaaf {C}.

schakelen:: (elektriciteit ed) kenke {K}; het ~ (lett: schakeling): kenkos {C}; (versnelling in auto) poke {U}.

schakeling:: (lett: het schakelen) kenkos {C}.

schakelmateriaal:: (=installatiemateriaal) xagde-partes {Cmv} (ihb alles om een elektrische installatie aan te leggen).

schakelsysteem:: kenkos {C}.

schaken:: (schaak spelen) ekmerre {U}; (roven/ontvoeren ve vrouw) idegabane {K}.

schaker:: (=schaakspeler) ekmerr {C}; (vrouwenontvoerder) idegabaner {C}.

schakeren:: (schakren) (kleuren) marstate {K}; (fig) ferbjare {K}.

schakering:: (v kleuren) marstatos {C}; (fig) ferbjaros {A}.

schaking:: (vrouwenroof) idegabanos {C}.

schallebijter:: paarse ~ (kever): glnte-mofsnerf {C} (L. Carabus violaceus).

schallen:: (vrnl stem) prste {E}; (echond klinken) qunnde {E}; (=schetteren: trompet/harde muziek) sketse {E}; laten ~ (laten klinken): liynbe {K}; het laten ~: liynbos {C}.

schamel:: wrf {I}; (=pover) bavriy {I; [mv=enk]}.

schamen:: zich ~ [voor]: iyrke {K}, sgemme [armt] {Upr}; zich dood ~: ef iyrke lo eft gl ucha'occ; iemand die zich snel schaamt/geneert: sgemme-blsblac {C}; het ~ (schaamte): sgemmos {A}.

schamper:: (met minachting) togyts {I}; ~ lachen: tjge {U}; ~ gelach: tjgos {C}.

schandaal:: sgndalo {C}, prex {Aef}; ~ veroorzakend (schandalig): prexludi {I}.

schandalig:: (als een schandaal) prex {I}; (schandaal veroorzakend) prexludi {I}.

schande:: ciynitros {A}, sgnt {C}; te ~ maken: ciynitriffe {K}.

schandelijk:: ciynitriy {I}; ~ zijn: ciynitre {E; gst= ciynitt}; ~ vinden en afkeuren: nitre {K; gst= nitt}.

schandvlekken:: ~ [als] (fig: brandmerken): ef kette eft stmp zt.

schans:: (verdediging) sgns {C}.

schapenboer:: hpyja-kelte {C}.

schapengras:: hpyja-kles {S} (L. Festuca ovina).

schapenhorzel:: [hpyja-]sms {C} (L. Oestrus ovis).

schapenscheerfeest:: tfos {C} (dl= Oost-Berref).

schapenvacht:: (geprepareerd) dtnt {C}.

schapenvlees:: hpyjatiyse {S}.

schapenzuring:: hpyja-gt {C}, mliy-gt {C} (L. Rumex acetosella).

schar:: (vis) dabe {C} (L. Limanda limanda).

schare:: (=menigte) clma {C}.

scharen:: zich ~ achter: srte blef {Upr}.

scharlakenrood:: skrlt {I}.

scharnier:: greferi {C}.

scharrelen:: (klussen/karweitjes opknappen) scvze {K}; (kip) srte {E}.

schat:: (=kostbaarheid) mony {C}; (geheim/verborgen) pndo {C}; (=lieveling) jllif {C}; ~je (liefje): belt {C}, belkle {C}, derr {C} (pop).

schaterlach:: tarrzjeros {C}.

schaterlachen:: tarrzjere {U}.

schatje:: belt {C}, belkle {C}, derr {C} (pop).

schatkamer:: monymit {C}; (geheim/verborgen) pndomit {C}.

schatrijk:: (zeer veel bezittingen) jl-adoriy {I}; (zeer veel kapitaal) jl-ielba {I}.

schatten:: (=ramen) njame {K; vdw= nja}; ~ op (=taxeren op): kle fes {K}; het ~ (schatting): klos {A}; waarde.

schattig:: (=beeldig) lovve {I}, gylla {I}.

schatting:: (=raming) njamos {C}; (het schatten/taxeren) klos {A}.

schaven:: (=schuren) krge {K}; (v hout) re {K}.

schavot:: [koffon-]ykelp {C}.

schede:: (v zwaard) pol {C}.

schedel:: scl {C}, brenk-celf {C}.

scheef:: (=schuin) jag {I}; schots en ~: lutt ur jag; (fig) kell {I}; ~ gaan staan ([gaan] hellen): frtse {U}; ~ gaan (fig: de verkeerde kant opgaan: v persoon): derngere |..je| {U}.

scheefgezakt:: blf {I}.

scheefzakken:: (=verzakken) kelle {U}.

scheel:: stett {I}.

scheenbeen:: fruma {C}.

scheepsjongen:: (zwabber) dec-kloitt {C; mv= ..-klt}.

scheepsrecht:: (sprkw) driemaal is ~: ef dur kolinis riffe eft rnter.

scheepsruim:: sima {C}.

scheepston:: (1 m) tn {C} (afk= T).

scheepstouw:: (=tros) trs {C}.

scheepswerf:: tek {C}.

scheepvaart:: njebopiy {C}.

scheerapparaat:: re-parat {C}, rer {C}.

scheerkwast:: sep-brst {C}.

scheerlijn:: idetamros {C}.

scheerling:: gevlekte ~: per-larder {C}, dufja-tjoks {C} (L. Conium maculatum).

scheermes:: rits {C}.

scheet:: (=wind) rts {C}.

scheidbaar:: terpamiy {I}.

scheiden::

  1. (uit elkaar doen/houden) ~ [van]: terpe [l] {K};
  2. (ontbinding v huwelijk) ~ [van]: idemariane [n] {U} (n is vz);
  3. ~ van elkaar (alln wederkerig): rterpe wlkn {U} (arch); de twee goede vrienden moeten van elkaar ~: ef perdr quista frints rterps wlkn.

scheiding::

  1. (het scheiden) terpos {C}; (grens tussen twee dingen) terpa {C};
  2. (=echtscheiding) idemarianos {A}; ~ van tafel en bed: korsamm-terpos {C};
  3. (in haar) mir-rimm {C}.

scheidslijn:: terpe-fini {C}.

scheidsrechter:: baxeskater {C}.

scheikunde:: (=chemie) gemiy {C}.

schel::

  1. (zn: =bel) zeft {C}.
  2. (bv) (=schril) (v geluid) hent {I}; (v geluid, kleur, kleurencombinatie) psermt {I}; praten met ~le stem: scegge {E}; [gepraat met] ~le stem: sceggos {C}.

Schelde:: Scelt {G}.

schelden:: zae {U; gst= zat}; ~ op (iemand uitschelden): zaare {K}; ~ [tegen]: lajete {K}.

scheldnaam:: zae-quanka {C}.

scheldpartij:: lajetos {C}.

schelen::

  1. (=deren) uxrte {K}; het kan mij niet[s] ~ (het deert mij niet[s]): ef nert uxrtec gress; (vgl) het doet mij geen verdriet: ef nert uxrte gress;
  2. (onverschillig zijn) het kan me niet[s] ~: gress nert wkorare ef;
  3. (verschil maken) ef farte roffott; dat scheelt 10 euro: 10 euro farte roffott; erg veel scheelt het niet: ef farte roffott noi pert;
  4. (=mankeren) melde qu |m/me| {U}; ik scheel niets; mij scheelt niets: flj melde qu gress;
  5. het scheelt niet veel of ...: (nog net niet) hae {III} (arch); (speciale constructie met tdw) ef vmse ..lira; het scheelde niet veel of ik had een ongeluk: gress vmso lelperrelira eft moplariy; het scheelt niet veel of het vriest: ef vmse cryrelira (het is tegen het vriespunt aan); het scheelt niet veel of de boom is dood (de boom is zo goed als dood): ef vildul vmse meldelira koffon.

schelf:: (=schoof: hooi) ljocc {C}, bdre {C} (dl= Liftka).

schellen:: (=bellen) zefe {U}.

schelling:: (munteenheid) ilen {C}.

schelm:: (=deugniet) myssa {C}; (=rakker) kle {C}.

schelp:: mutlek {C}.

schelpenbrander:: (beroep) mutlek-buratjen {C}.

schelpenbranderij:: (om kalk te maken) mutlek-burs {C}.

scheluw:: hatenx |X| {I}.

schelvis:: hento {C} (L. Melanogrammus aeglefinus).

schema:: sgema {C}.

schemeren:: (halfdonker zijn/vaag zichtbaar zijn) rene {U}; (als de zon onder gaat) tofkoffe {U}.

schemering:: (halfdonker) renos {C}; [avond]~ (tussen "tof" en "miskof"): tofkof {C}; (bij zonsop- of -ondergang) wassiy {C} (dl= Tigof).

schemerlamp:: rentat {C}; staande ~: pazzotat {Crs}.

schenden:: (alg) jsefe {K}; (=overtreden) dccle {K; gst= dcel; wst= dcl}; de rechten worden geschonden: ef inchosz efa dccle; geschonden worden (fig): paneffe {Upr}.

schending:: (alg) jsefos {A}; (=schennis) dcclos {A}.

schenen:: iemand tegen de ~ schoppen (fig): ef trte tygtja ef frumas rifo rast.

schenkel:: (bot met vlees) krest {C}.

schenken::

  1. (lett: v vloeistof) ~ in: lorgisse n {K}; ze schenkt de thee in het kopje: eup lorgisse ef miyna n ef ta; het kopje wordt door haar vol thee geschonken: ef ta lorgisselit pai eup enn ef miyna; te vol ~ (zodat het over de rand loopt): pltlorgisse {K}; ze heeft het kopje te vol geschonken: eup ef ta pltlorgisse; hij schenkt de koffie uit de kan in het kopje: do paine ef cafer mip ef cne fes ef ta;
  2. (fig: =verlenen/geven) (toegang/hulp/vrijheid ed) strjfje n |stfje| {K; gst= strjff}; strjfje n |stfje| {K; gst= strjff} (arch/poe/jur); de ridder schenkt de slaaf zijn vrijheid: ef cbln strjfje ef jolaiy n ef slaviy; geven;
  3. het leven ~ aan: poirare {K}.

schenking:: (het schenken/geven) kettos {A}; (fig: =verlening: toegang/hulp/vrijheid ed) strjfjos |stfjos| {A}.

schennis:: (=schending) dcclos {A}.

schep:: (=spade) ych {C}; (met korte steel) zeze {C}; (zoveel als er op een spade kan) ychos {C}, proos {C}; een ~ zand: eft ychos/proos rifo pleko.

scheppen::

  1. (met schep) proe {K}, yche {K}; het ~ (geschep): ychos {C};
  2. (=creren) qummerte {K}; het ~: qummertos {A}; behagen ~ in: ef putte xrfanos mip {A}.

schepper:: qummertatjen {C}.

Schepper:: de ~ (God): Qummertatjen {N}.

schepping:: (wat geschapen is) qummertos {C}; (het scheppen) qummertos {A}.

schepsel:: qummertal {C}.

scheren::

  1. (v baard) re {K};
  2. (v schaap) re {K}, tfe {K} (dl= Oost-Berref); tyfe {K} (dl= West-Berref); het ~: ros {C}, tfos {C} (dl= Oost-Berref); tyfos {C} (dl= West-Berref); schaap dat nodig geschoren moet worden: plta-hpyja {C};
  3. (v heg/struik) ole {K; vdw= pole};
  4. (snel bewegen) tiykse {U}; ~ over/langs (rakelings gaan langs): fyme {K}; de meeuw scheert over het water: ef meve fyme ef knurfel; het ~: tiyksos {C}, fymos {C}.

scherenkust:: (kust met veel rotsen) csijera = xijera |ks| {C}.

scherf:: (glas/aardewerk) tt {C}.

schering:: murt {C}; inslag.

scherm::

  1. (=paneel: vooral in samenstellingen) rpaaf {C};
  2. (om iets tegen te houden; ook: =schild) paaftos {C}; scherm: paaf {SX > c}; van een ~ voorzien: paafte {K};
  3. (=beeldscherm: v tv/computer ed) vitrynn {C}, nle-kerpa {C};
  4. (=projectiescherm: v film ed) nle-kerpa {C}.

schermen:: (ww: met degen ed) pagiyrtare {U}; (zn: schermsport) pagiyrtaros {C}.

schermhavikskruid:: delg-lofa {C/S} (L. Hieracium umbellatum).

schermsport:: pagiyrtaros {C}.

scherp::

  1. (zn: v mes) kt {C}.
  2. (bv)
    1. (niet bot: v mes ed) nepjoh {I}, sgrf {I}; ~ maken (slijpen): tosme {K; gst= toss}; ~ maken (verscherpen): idepjochare {K}; ~ worden ([zich] verscherpen): idepjoche {U};
    2. (v hoek/bocht) klrt {I}, migt {I};
    3. (v kant/foto) klrt {I}; ~ worden (verscherpen: lett/fig): klrte {U}; het ~ worden (verscherping: lett): klrtos {C};
    4. (v gehoor/gezicht) migt {I};
    5. (fig) (=ruw/rauw) ras {I}; (v wind) wrt {I}; (v pijn/smaak) riyps {I}; (v concurrentie) gfren {I};
    6. op ~ staan (wapen, klem): ef melde jelp {III}; hij zet de discussie op ~: do vyche ef diskuo lo migt.

scherpschutter:: revatjen {C}.

scherpte:: (v mes ed) sgrfiy {C}; (v kant/hoek/bocht/foto) klrtiy {C}; (v pijn/smaak) riypsa {C}.

scherpzinnig:: agrenlkiy {I; [mv=enk]}.

scherpzinnigheid:: agrenlker {A; mv=enk}.

scherts:: xozjos {A}, xoss {C; mv= xoses}.

schertsen:: (grapje maken) xozje {U; gst= xoss}.

schets::

  1. (tekening) (vlot: als kunstwerk) rlntos {C}, rlntafiy {C}; (vluchtig: als voorstudie voor meer gedetailleerde tekening) todravos {C};
  2. (=opstel) storiy {C};
  3. (globaal) (vertelling) torafanos {C}; (opschrijven) japainos {C};
  4. (ontwerp/concept) nett {C}.

schetsen::

  1. (tekenen) (vlot: als kunstwerk) rlnte {K}; (vluchtig) todrave {K};
  2. (in grote lijnen) (vertellen) torafane {K}; (vertellen/opschrijven) japaine {K}.

schetteren:: (=schallen: trompet/harde muziek) sketse {E}; (grote mond opzetten/luidruchtig beweren) westare {K}.

scheur:: rft {C}, piylas {C}; met ~en (gescheurd): rftiy {I}; ~en gaan vertonen (verzakken: v huis): poire {U}.

scheurbuik:: skrbiyk {C}.

scheuren::

  1. (trans) piylase {K; vdw= piylas}, ky'are {K; gst= kyar}; hij scheurt het papier [af]: do piylase ef kornin; het ~ (gescheur): ky'aros {C}; in stukjes ~ (versnipperen): ttare {K}; het ~ (gescheur): piylasos {C};
  2. (intrans) piylase {Upr; vdw= piylas}; het papier scheurt: ef kornin sen piylase;
  3. (hard rijden) che {U}; hij scheurt door de snelle straatjes: do chelira chyvelira mitai ef nar mirras.

scheut:: (loot: v tak) ls {C}; (v vloeistof) lorg {C}.

schichtig:: trft {I}.

schielijk:: (=haastig) tramm {I}.

schier:: (=bijna) topij = topije {I} (arch/poe); bijna.

schiereiland:: holfe-ileset |hofe-| {C}.

schietbaan:: reve-lirrotiy {C}.

schieten::

  1. (intrans) reve {U};
  2. (trans) ~ op (=beschieten): reve {K}; reve tygtja {U}; (vrnl met vuurwapen) ote {K};
  3. (snel bewegen) fsiyke {U}; de haas schiet de heg in: ef aa fsiyke fesdu ef grs.

schietgat:: (in muur) cmiys {C; mv= cmiyl}.

schietlood:: ry {C}.

schietpartij:: otos {C}.

schietschijf:: rener {C}.

schietwilg:: (=knotwilg) knurfel-iext {C} (L. Salix alba).

schiften:: (v melk) wegte {U}; (uitzoeken) mipcolye {K}; (fig) mipbautoe |mipa..| {K}.

schifting:: (het uitzoeken) mipcolyos {C}; (fig) mipbautoos |mipa..| {C}.

schijf:: (alg: rond en dun) mul {C}; (vrnl technisch) disc {C}; (niet per se rond; =plak: vlees/worst) vlep {C}.

schijfkamille:: gl anurf {C/S} (L. Matricaria matricarioides).

schijn::

  1. (zn) (=vertoon) ovos {A}; (=spoor) glnt {C}; geen ~ van kans: nf glnts rifo chnt;
  2. (niet echt; namaak) nirr {I}, lo {I}; to {PX.zn}; er {SX.add}; (to is prod bij zn, en improd bij add; er is prod bij add; lo wordt pas dan gebruikt als het gebruik v to niet gewenst/mogelijk is); vertoning/schijnvertoning: ovos/toovos; vroom/schijnvroom: blja/bljaer; dood/schijndood: koffon/tokoffon; een schijnvriendelijke/niet echt vriendelijke man: eft lo piaquan merater.

schijn:: schijn 2.

schijnbaar:: (=ogenschijnlijk) rmoiy {I}.

schijndood:: tokoffon {I}.

schijnen::

  1. (v licht/zon) (branden) nle {E}; ~ op/over (=beschijnen): lnle {K}; fel ~ op (blakeren): fre {K}.
  2. (niet zeker; de indruk geven)
    1. (lijken) ~ [te zijn]: tte beri/den {U}; hij schijnt ziek te zijn (hij lijkt ziek [te zijn]): do tte beri melde kinur;
    2. (bewering; wat anderen zeggen) ~ te zijn (er wordt beweerd dat ...): rmoie {K; gst= rmoit; vdw= rmt}; Lerdu schijnt miljonair te zijn (men zegt dat Lerdu miljonair is): Lerdu rmoie eft miljonarr; het verhaal schijnt waar [te zijn]: ef stors rmoie truf (invoeging v lo is incorrecte spr: ef stors rmoie lo truf);
    3. (met nadruk op gerucht: wat volgens anderen wel mogelijk is) pe beri {U; gst= pet}; hij schijnt ziek te zijn (men zegt dat hij ziek is): do pe beri melde kinur; hij schijnt morgen te komen: do pe beri arfine mas.

schijnexcuus:: (=uitvlucht) toellerios {C}.

schijnexecutie:: (schijnproces; his: als "milde" straf) fyrja {C}.

schijnheilig:: tovyrtosiy {I}; (niet echt bescheiden) toelx |X| {I}.

schijnkabinet:: tortness {C; mv= tortnester} (waarvan drie of meer ministers demissionair zijn; meestal gaat het hele kabinet dan vallen).

schijnproces:: (schijnexecutie; his: als "milde" straf) fyrja {C}.

schijnsel:: licht~: armt {C}; (stralen: v licht/zon/maan ed) nlos {C}; fel ~: fros {C}; (zoals het licht valt; lichtval) nl {C}.

schijnspurrie:: (plant) tosperg {C} (L. Spergularia); rode ~: mindefit tosperg (L. S- rubra); zilte ~: z-tosperg {C} (L. S- marina).

schijntje:: (klein beetje) prxer {C}.

schijnvertoning:: toovos {C}.

schijnvroom:: bljaer {I}.

schijnwerper:: nler {C}; [grote] ~ (voorop auto/locomotief, in theater/stadion): crbitat {C}.

schijt:: (=stront) pk {S} (vulg); ~/lak aan iets hebben: ef bloe sener brs n flaju.

schijten:: chte {U} (spr), pje = pke {U} (vulg); ~ op (volschijten): lchte {K} (bijv vogels die alles bevuilen).

schik:: (=pret) gta {C}; (vooral inwendig) kmulle {C}.

schikken:: (in orde brengen) rste {K}; (v bloemen ed) fest-giffe {K}; (beide partijen wat toegeven) tukstcrane |..ksc..| {U}; zich ~ naar: nakirture {K}; het zich ~: nakirturos {A}.

schikking:: (v bloemen ed) fest-giffos {C}; (beetje toegeven v beide partijen) tukstcranos |..ksc..| {A}.

schil:: (peul/dop) plf {C}; (om een vrucht heen) qustiy {C}; (van een vrucht afgeschild) qustos {C}.

schild::

  1. (v schildpad ed) front {C};
  2. (wapentuig) rpaaf {C}; (langwerpig) nreg {C}; (Oudspok; 15e-16e eeuw) chutn {C}; in zijn ~ voeren (stiekem van plan zijn): caliyce {K};
  3. (=scherm) paaftos {C}; schild: paaf {SX > c}; van een ~ voorzien: paafte {K}.

schilder:: (huisschilder) verfuto {C}; (artiest) platiraner {C} (alg), verfuter {C} (pop).

schilderachtig:: verfute-p {I}.

schilderbeurt:: verfutos {C}.

schilderen:: (=verven) verfute {K}; (fig: =beschrijven) vro'egie {K}; (als kunst) kra-verfute {K}; de schuur moet nodig geschilderd worden: ef kul mennirre eft lamir verfutos.

schilderij:: platiranu {C; mv= platirane; rsmv= platirane}.

schildering:: (let: het verven; wat geverfd is) verfutos {C}; (fig: =beschrijving) vro'egios {C}.

schilderkunst:: verfutkra {C}, verfute-kra {C/S}.

schildersbedrijf:: (nadruk op de verkoop v verf, kwasten ed) verfu-misan {C}; (nadruk op uitvoeren v schilderwerk) verfuts {C}.

schilderwerk:: (artistiek) qummertiyn {C}; (werk v huisschilder) toverfutos {C}.

schildklier:: nreglaes {C}.

schildknaap:: enndern {Crs}.

schildpad:: crtj {C}.

schilfer:: ls {C}.

schilferen:: lse {U}.

schillen:: quste {K}; het ~ (geschil): qustos {C}.

schilling:: (munteenheid) ilen {C}.

schilmesje:: quste-texo {C}.

schim:: nyrj {C}.

schimmel:: (bij bederf) natriychos {C}; (wit paard) grister {C}.

schimmelen:: natriyche {U}.

schimpen:: ~ op: pme {K}.

schip:: (=boot) kar {C}; (v kerk) elder {C}; (fig) het zinkende ~ verlaten: ef fistre cupp ef zalatrelira kar; ~ van de woestijn (kameel): dester-kar {C}; zie ook Schepen in .

schipbreuk:: njebostrt {C}.

schipbreukeling:: njebostrter {C}.

schipper:: sgepper {C}; (marinerang: sergeant-majoor) kar-serent {C}; voor militaire rangen, zie  .

schipperen:: (geven en nemen) jagre {E; gst= jagret}.

schitteren:: (lett/fig: stralen) tjiykte {E}; (=uitblinken) kafarmte {U}; water dat in het zonlicht schittert: tlette {C/S}.

schitterend:: (=prachtig) hordaos {I}, ojic {I}; (fantastisch, heel erg mooi/goed) kg {I}; ~ zijn: kge {K}.

schittering:: (lett/fig: straling) tjiyktos {C}.

schminken:: (opmaken: v gelaat) pevutre {K; gst= pevutt}; het ~: pevutros {C}.

schobbejak:: (=schooier) jrfer {C}.

schoeien:: leest.

schoeisel:: tomust {C}.

schoen:: (aan voet) must {C}; te grote ~: frokar {C} (pop/iro); een paar ~en: eft tomust {C}.

schoenmaker:: mustrif {C}, must-riffent {C}.

schoensmeer:: must-psta |musp..| {C}.

schoenveter:: mustbent |muzb..| {C}.

schoenwinkel:: must-misan {C}.

schoep:: (=blad: v waterrad/scheepsschroef/ventilator ed) venn {C}.

schoffel:: (tuingereedschap) otreff {C}.

schoffelen:: otreffe {K}; het ~: otreffos {C}.

schoffelwerkzaamheden:: (het schoffelen) otreffos {C}.

schoft:: (=schooier/schurk) jrfer {C}; (=ploert) stfta {C}; (v paard) nft {C}.

schok::

  1. (lett) (klap; ook elektrisch) st[r]ekos {C}; (stoot) chycc {C}, chycos {C}; met een ~/stoot: lpt {I}; de auto komt met een ~ tot stilstand: ef oto sen festencate lpt;
  2. (fig) (grote schrik) chycos {A}.

schokbreker:: (=schokdemper) st[r]ek-jns {C}.

schokdemper:: schokbreker.

schokken:: (lett) st[r]eke {K}; (schudden) chyce {U}; (fig) (hevig doen schrikken) chycare {K}; (fig) het ~: chycaros {A}.

schokkend:: ~e gebeurtenis: chycaros {A}.

schol::

  1. (vis) plag {C} (L. Pleuronectes platessa).
  2. (vlak voorwerp) (drijvend ijs) wtt {C}; (geologisch: aarddeel tussen breukvlakken) lep {C}.

scholekster:: ager-py {C; mv= ..-piye} (L. Haematopus ostralegus).

scholen:: kolestiyme {K}, zraze {K}.

scholengemeenschap:: kolestiy-cma {C}.

scholier:: koleser {C}.

scholing:: kolestiymos {A}, zrazos {C}.

schommel:: rilkrik {C}.

schommelen:: (alg) rilkrikbe {U; gst= rilkrikk; wst= rilkrik}; zachtjes ~ (=wiegen): krikbe {U; gst= krikk; wst= krik}.

schommelstoel:: rilferdu {C}.

schoof:: (=hooischelf) ljocc {C}; bdre {C} (dl= Liftka).

schooier:: (=bedelaar) joccer {C}; (=schurk) jrfer {C}.

school::

  1. (alg) koles {C}; op ~: fes ef koles; op ~ zitten, ~ gaan: kolestne {U}; hij is naar ~: do melde helkara koles; hij was gisteren niet naar ~: hols do nert vendo helkara koles; zie ook Scholen in ;
  2. (schoolgebouw) kolesrt {C};
  3. (v paarden) kolestos {C};
  4. (als kunstrichting) krabelter {A; mv=enk}; (in namen v typische kunstrichtingen) koles {C}; (bijv) de Conityjaanse School: ef Conityje-koles (literaire stroming); zie ook Scholen in ;
  5. (vissen) csalo {C}.

schoolbord:: mittarener {Crs}.

schoolbus:: koles-gerlas {C}.

schoolgebouw:: kolesrt {C}.

schoolgeld:: koles-jedos {C}.

schoolhoofd:: (ook rector) kolesnurp {C}.

schooljaar:: belde-zemper {C}.

schooljuffrouw:: plurrs {C}; plurstitar {C} (dl= Peg).

schoolkind:: koleser {C}.

schoolreisje:: (uitstapje) [koles-]tjerpiy {C} (pop).

schools:: (slaafs: ongunstig) kolestnelira {I}.

schooltas:: kolescrt {C}.

schoon:: (=netjes) svriy {I; [mv=enk]}; (=rein) clenn {I}; (=lieflijk) lovaniy {I}; niet ~ (onzindelijk): nesvriy {I; [mv=enk]}.

schoondochter:: tosto {C}, sto-mlp {C}.

schoonheid:: (knapheid; het mooi/knap zijn) lovanai {C}.

schoonheidscommissie:: (in Spok ong) still-ratt {C}; (gezien als officile Spok instantie) Still-Ratt {N}.

schoonmaak:: clenos {C}; [grote] ~ (opruiming): tmopp {C} (spr).

schoonmaken:: (alg) clene {K}; (=reinigen) minge {K}.

schoonmoeder:: sientur-mlp {C}; (elke vrouw die als moeder fungeert maar niet de natuurlijke moeder is, ook stiefmoeder) dykse {C}.

schoonouders:: fosies-mlp {Cmv}; fosiers-mlp {Cmv} (arch/dl= Centraal-Berref).

schoonvader:: follus-mlp {C}; de ~s (slechts mnl): ef follusz-mlp.

schoonzoon:: towaler {C}, waler-mlp {C}.

schoonzus:: sour-mlp {C}.

schoorsteen:: (op dak) mrt {C}; (in huis) imche {C}; (op schip/locomotief) uokjamos {C}.

schoorsteenmantel:: imchelot {C}.

schoorsteenveger:: (beroep) mrtcln {C}.

schoorvoetend:: plpiylmiy {I; [mv=enk]}.

schoot:: (deel v lichaam) parvt {C}; (touw: scheepsterm) skt {C}.

schoothondje:: zerrhurt {C}.

schop:: (=spade) ych {C}; (met korte steel) zeze {C}; (met puntig toelopend blad) iyxer {C}; (=trap) loff {C}.

schoppen::

  1. (zn: in kaartspel) ycha {C}.
  2. (ww) (=trappen) trte {K}; wild ~ (herhaaldelijk trappen): idenkare {K}; rel ~: ef tesemre plas; hij schopt het ver: do sen ejelife ef tiyns lo plks.

schor::

  1. (zn) (gors, kwelder) sgora {C}; cvemp {C} (dl= Tjemp/Ales); (aangeslibd stuk land) frnsper {C}.
  2. (bv: hees) crg {I}; ~ zijn: crge {U}; ~ pratend: grsgnabiy {C}.

schorem:: (=tuig) tr {S}; een stelletje ~/tuig: eft fnopiy tebbel.

schorpioen:: scrpjen {C}, srpyre {C}.

Schorpioen:: (sterrenbeeld) Srpyre {N}, Scorpj {N}.

schorpioenvlieg:: srpyre-zler {C} (L. Panorpa communis).

schorrenkruid:: glaza-krutt {C/S} (L. Suaeda maritima).

schors:: (v boom) qursa {S}, zge {Sef}; (=bast) bynt {C}.

schorsachtig:: zge {I}.

schorsen:: (verdagen) miptrekke {K}; (onderbreken) nrenpe {K}; (bij vereniging) gre {K}.

schorsing:: (v vonnis) miptrekkos {A}; (onderbreking) nrenpos {A}; (opheffing) gros {A}.

schort:: (=voorschoot) sgrt {C}; eoh {C} (soms met zakken, zoals bij klederdrachten hoort); groot ~ (voorschoot: met galgen): vrka {C}; (met mouwen) vn {C} (dl= Centraal-Liftka).

schot:: (vrnl met vuurwapen) otiy {C}; (wapen/voetbal) reff {C}; (voortgang) pelbt {C}.

Schot:: (uit Schotland) olny {Cef}.

schotel:: (=kom) alstrah {C}; (=schaal/terrine: v aardewerk) sgla {C}; (groot bord) sejis {C}; vliegende ~: zlumje-sgla {C}.

schoteltje:: (onder kopje) telriy {C; mv= telrs}.

Schotland:: oln {Gef}.

schots:: ~ en scheef: lutt ur jag {I}.

Schots::

  1. (zn: taal) olos {C};
  2. (bv) oln {IIef}; ~e vrouw: olna {Cef}.

schotwond:: kiymtn {C}.

schouder:: birriy {C}.

schouderblad:: birriy-zelf {C}.

schout-bij-nacht:: (marinerang) sutmerall {C}; voor militaire rangen, zie .

schouw:: (stookplaats) burestek {C}.

schouwburg:: (theater: gebouw) flipflor {C}; zie ook Schouwburgen in .

schouwspel:: (theater: spel) flipef {C}.

schraag:: plnkiy {C}.

schraal:: (=stekend/brandend) prola {I}; (=karig) jejn {I}; (=onvruchtbaar) tavriy {I; [mv=enk]}.

schraalheid:: (=karigheid) jejniy {A; mv=enk}.

schram:: (=kras) griye {C}.

schrander:: (=intelligent) mitazerfiy {I}.

schranken:: (tanden ve zaag bijstellen) rpe {K} (dl= Peg).

schrapen:: (=schrappen) krgare {K}; geschraapte keel: grsgnabiy {C}; zij schraapt haar keel terwijl ze zegt: "..."; eup reppe lef eft grsgnabiy: "...".

schrapend:: ~/raspend geluid: krgos {C}.

schrappen:: (=schrapen) krgare {K}.

schreeuw:: (=roep) scerm {C}; (=gil) srutty {C}.

schreeuwen:: ~ [om]: srutte {K}; ~ [tegen]: scemre [n/piti] {E; gst= scemm} (n is vz); (brallen: met harde stem je mening verkondigen) dnde {U}; hij schreeuwt om hulp: do srutte crtiyr.

schreeuwerig:: srutatt {I}; (=brallend) dndiy {I}.

schreien:: (=wenen) hle {U}.

schrift:: (notitieboek) pnt {C; mv= pntiylo}; (=lettersoort) stindosiy {C}; (spelling; zoals geschreven wordt) stinto {C}; in ~: fes ef stinto; iets op ~ stellen: ef riffe flaju fes stintos {=mv v stinto}.

schriftelijk:: stindrom {I}; (op papier gezet) afiy {SX.c/wst}; ~ verzoek (verzoekschrift): prmafiy {C}; ~e uitnodiging: invbafiy {C}.

schrijden:: ef farte korslayc {I}.

schrijfbehoeften:: stintiyns {Cmv}.

schrijffout:: (=verschrijving) stinfotel {C}, stinde-fotel {C}.

schrijfgerei:: stindostjaga {C/S}.

schrijfmachine:: otostinder {C}.

schrijfmachinepapier:: (blanco) otostinde-cfoliys |-cvo..| = otostinde-cvoliys {Cmv}; velletje ~: otostinde-cfoliy |-cvo..| = otostinde-cvoliy {C}.

schrijfpapier:: (meestal ook beschreven) scrfkt |..ft| {C}.

schrijfster:: stindiyta {C; mv= stindiytas}, otra {C}.

schrijftafel:: catea {C}.

schrijfwerk:: (het schrijven) stindos {C}.

schrijfwijze:: stinde-vrk {SC}.

schrijlings:: kegiy {I; [mv=enk]}.

schrijnen:: e {U}; het ~ (geschrijn): os {C}.

schrijnend:: (fig) siy {I}.

schrijven::

  1. (zn) officieel ~ (verklaring): dokumentos {C; mv= dokuments};
  2. (ww) (alg) stinde [n] {K; vdw= stindas}; (v boek/verhaal) hanntelare {K}; ze schrijft [een brief] aan de burgemeester: eup stinde [eft letra] n ef monerc; hij schrijft een verhaal over de oorlog/dat over de oorlog handelt: do hanntelare eft stors kura ef wsr (lett: "hij laat een verhaal over de oorlog handelen"); zijn naam voluit ~: ef stinde ef quanka m pontos; dit woord wordt met bp geschreven: blul stindelije dena wufta tjg bp = dena wufta sen stinde tjg bp; het ~ (schrijfwerk): stindos {C}.

schrijver:: (=auteur) stindiy {C}, otr {C}; (samensteller: ve boek) miprmer {C}.

schrik:: trav {C}; (=ontsteltenis) lp {C}; tot 5.

schrikaanjagend:: travbaniyl {I}.

schrikdraad:: strekos-rf {C}.

schrikkeldag:: binterrat {C}.

schrikkeljaar:: (alg) bindemper {C}; (in Erg tijdrekening: als het jaar een 13e maand bevat) luna-zemper {C}.

schrikkelmaand:: (de maand lunatel in de Erg tijdrekening) bindertel {C}.

schrikken:: doen ~; aan het ~ maken: ahoqugmare {K}, vlagte {K}; ~ van: ahoqugme furt/rifo {U; gst= ahoqugg}.

schril:: (=schel) (v geluid) hent {I}; (v geluid, kleur, kleurencombinatie) psermt {I}; (fig: v tegenstelling) ommon {I}.

schrobben:: (=schuren: vloer) chnege {K}; stalvoer ~: jogge {U} (dl= Teujan/Noord-Brr).

schroef:: (=bout) iynx |X| {C; mv= iynsen}; ~je (klein): fiys {C}; (=propeller) zlft {C}.

schroefdop:: fiyse-yg {C; mv= ..-iygt}.

schroefdraad:: fiys-ta'olos {C}.

schroefje:: fiys {C}.

schroefsleutel:: (=moersleutel) fiys-k {C}.

schroefveer:: fiys-ost[r]f {C}.

schroeien:: (=blakeren) treoxje {K; gst= treox; vdw= trex}.

schroeiing:: (=blakering) treoxjos {C}.

schroeven:: fiyse {K}.

schroevendraaier:: fiys-gros {C}.

schrokken:: markiyne {K}.

schromen:: (nauwelijks durven; aarzelen) kamrette beri {U} (arch); hij schroomde naar zijn vader te gaan: do kamretta beri vende helkara sener follus.

schroom:: megiycecros {A}.

schroot:: (=schrot) zrt {S}.

schrot:: schroot.

schub:: (v vis) tiyp {C}.

schubvaren:: tiyp-ferre {C} (L. Ceterach officinarum).

schubwortel:: grote ~: groller-ynt {C} (L. Lathraea squamaria).

schuchter:: (=bedeesd) kamr {I}.

schudden:: (iets snel heen en weer bewegen) lminde {K; vdw= plminde}; (lett: schokken) chyce {U}; (v kaartspel) mitacolye {K}; [de beurt van het] het ~: mitacolyos {C}; geschud met je hoofd (het hoofdschudden): hslebos {C}.

schuieren:: (=borstelen) rgare {K}.

schuifdeksel:: efclos {C; mv= efclosz}.

schuifdeur:: efcerat {C}.

schuifelen:: toefce {U}; voorzichtig lopen/voort~ langs (smal pad, richel ed) te {K; gst= tt}.

schuifla:: trekk {C}, fselk {C}.

schuiflade:: schuifla.

schuilen:: lche {U}; ~ [voor]: trne [tygtja] {U}; ~ voor: trnare {K}; het ~ (geschuil): lchos {C}; onder een boom ~: fe {U; gst= fet}; boom waaronder men kan ~: fen {C}; zonder schuilmogelijkheid: fne {I}; een kaal veld waar men niet kan ~: eft fne jakm; er schuilt genoeg creativiteit in hem: plentiy riffek hoerke fes do.

schuilhoek:: isqu {C}, tyna'os {C}.

schuilkelder:: isqumit {C}; onderaardse ~: mofkelr {C}.

schuilplaats:: lcht {C}.

schuim:: (massa blaasjes) pliymp = pliynp {S}; (op bier) lo {S}.

schuimen:: pliympe = pliynpe {U}.

schuimplastic:: (=schuimrubber) fomm {S}; stuk/brok ~: fommtiyn {C}; van ~ gemaakt: fommiy {I}.

schuimrubber:: schuimplastic.

schuin:: (=scheef) jag {I}; ~e mop: srter {C}, vta'o {C}.

schuit:: (boot) njep {C} (pop).

schuitje:: in hetzelfde ~ zitten wat betreft iets: ef zre fes ef monta smyl frpj flaju.

schuiven:: (trans) efce {K; vdw= efto}; het ~: efcos {C}; (intrans) efce {Upr; vdw= efto}; (=glijden) ydne {U}; met kracht in elkaar ~ (harmonica-effect bij frontale botsing ed): futsite {U}.

schuiver:: (gereedschap: sneeuwschuiver ed) efcer {C}; (het schuiven) ydnos {C}.

schuld::

  1. (NIET financieel) ftros {A}, painos {A}; ~ hebben: ftre {E; gst= ft}; (iemand die altijd een ander de ~ geeft/alles op een ander afschuift) liyrshos-ketter {C}; dat is je eigen ~ (dat komt ervan): ef melde rs kaf ef; (sprkw) je moet niet een ander de ~ geven: ef ksanerer vildul qugle ef omber fes vilt arbe;
  2. (financieel) ft {C}; ~ hebben: tild-vende {U}; zich in de ~en steken: ef prap mjoche n ef fts.

schuldbekentenis:: ftre-craelos {C}.

schuldenaar:: ftatjen {C}.

schuldig:: (alg) fter {I}; zich ~ maken aan: fte-fes {K}; schuldig||onschuldig: njata {Iid}; .

schuldige:: ftatjen {C}.

schuldsanering:: ft-poerteros {A}.

schuren:: (=schaven) krge {K}; (=schrobben: v vloer) chnege {K}; (gladmaken v verf/hout ed) pleke {K}; (lett: met wrijving bewegen) qubre {K; gst= qupp}.

schurft:: (huidziekte) mara-mut {C}.

schurftig:: (=goor) dotelira {I}.

schuring:: (lett: ernstige wrijving) qubros {C}.

schurk:: (=schooier/schoft) jrfer {C}.

schurkpaal:: (=wrijfpaal: voor vee) olp {C}.

schut:: voor ~ zetten (fig: voor gek laten staan): mjoche {K}; voor ~ gezet: mjochor {I}.

schutsluis:: gayslue {C}.

schutten:: (v schip in sluis): gaysare {K}.

schutter:: (iemand die schiet) revatjen {C}.

schutting:: (houten wand) rbest {C}.

schuttingwoord:: zlabiy-wufta {C}.

schuur:: kul {C}, otp {C}.

schuurdeur:: kulfers {C}.

schuurpapier:: [vel] ~: plekkornin {C/S}.

schuw:: queff {I}; ~ zijn: queffe {U}.

schuwen:: mipkirture {K}; het ~: mipkirturos {A}; (=afweren) albe {K}.

sciencefiction:: zintes-fiko {S}, science-fiction |Eng.| {S}.

scooter:: scooter |squter| {C}.

score:: (behaalde punten) tnos {C}.

scoren:: het scoort niet slecht: ef fenteste nf tild nels; het ~ (streven naar punten/overwinning): nel-fentestos {A}.

scout:: (=padvinder) pt-minkeder {C} (afk= PM), scoot {C}.

scriptie:: revertafiy {C}.

scrollen:: tylpare {K}.

sculptuur:: klein ~ (beeldje): klp {C}.

seconde::

  1. (tijdsaanduiding) selde {C}; het is acht minuten en twaalf ~n over vier: ef melde fr zurt, ke mits ur tesen seldes;
  2. (tijdsduur) seldarr {C; mv=enk} (afk= srr); ik heb zevenendertig ~n gewacht: gress quo lf rn-r seldarr; enige ~n stilte: gopirus seldarr furt silenco; van ~ tot ~ (=voortdurend): ja seldarrs.
graad.

secondewijzer:: selde-pra {C}.

secretaresse:: letraera {C}.

secretariaat:: sekretart {C}.

secretaris:: letraer {C}, sekretarr {C}.

sectie:: (=deel; ook v wijk/gemeente) kanas {C}; (=lijkschouwing) torkarr {C}.

sector:: (lett) sekter {C}; (fig) siyclo {C}; agrarische ~: siycloukr {C}; de zachte ~: ef soso-siyclo {C} (iro).

secundair:: dussrtiy {I}; (op de tweede plaats komend) tenta {I}; ~e weg: tiffugweg |tiffueg| {C}.

secuur:: (=nauwkeurig) ypramiy {I}; (=zorgvuldig) labinr {I}.

secuurheid:: (=nauwkeurigheid) ypramos {A}; (=zorgvuldigheid) labinriy {C}.

sedert:: sinds.

segment:: segment {C}, kanas {C}.

sein:: sn {C}; ~[en] geven (seinen): sne {U}.

seinbak:: (bij spoorwegen) snlot {C}.

Seine:: Senn {G}.

seinen:: (sein[en] geven) sne {U}; (tekens geven) mippurfille {K}; (telegraferen/telexen) portstinde {K}.

seinhuis:: (bij spoorwegen) sn-kul {C}.

seinpaal:: (armsein/semafoor: bij spoorwegen) snzor {C}.

seinstelsel:: (=seinsysteem: bij spoorwegen) sneren {C}, tosn {C}.

seinsysteem:: (=seinwezen/seinstelsel: bij spoorwegen) sneren {C}.

seinwezen:: seinsysteem.

seizoen:: sezonn {C}.

seks:: S-cre {Cmv}.

seksclub:: S-bar {C}.

sekse:: (=geslacht) seks = sex |ks| {C}.

seksshop:: mennirre-misan {C}.

seksueel:: seksuela = sexuela |ks| {I}.

seksuologie:: seksuoliy {C}.

sekte:: sekte {C}; (religieus) ququl {C}; zie ook Sektes in .

selderij:: epiy {S} (L. Apium graveolens).

select:: (=uitgelezen/uitgezocht) kv {I}.

selecteren:: putte-mip {K; vdw= potter-mip}; geselecteerde groep (elite): kv-grup {C}.

selectie:: puttos-mip {C}, kvter {C}.

selectief:: puttelira-mip {I}, kv {I}, kvtiy {I}.

selfsupporting:: dres-moi {I}; frartiy {Cef; mv=enk}: (nominalisatie v frart); Spokani is een ~ land (kan voor zichzelf zorgen): Spooksoliy melde ef frartiy.

self-supporting:: selfsupporting.

semafoor:: (armsein/seinpaal: bij spoorwegen) snzor {C}.

semantisch:: semantise {I}.

semi:: er {SX.add > add}; semi-.

semi-concreet:: (taalk) ~ substantief: tocnkretter {C}, tocnkrett supstantiviy {C} (in de Spok taal: alle woorden die in dit woordenboek met {SC} zijn gemerkt).

semi-militair:: (bv: paramilitair) militerrer {I}.

seminarie:: (opleiding voor RK geestelijken) teologise institua {C}.

semi-overheidsbedrijf:: tostat-glfiy {C}.

semi-transitief:: (taalk) emmettlelira {I} (in de Spok taal: alle werkwoorden die in dit woordenboek met {E} zijn gemerkt).

senaat:: senatiy {C}.

Senaat:: (Eerste Kamer, of equivalent in andere landen) Senatiy {N}.

Senegal:: Senegall {G}.

Senegalees::

  1. (zn: bewoner) Senegallo {Cef};
  2. (bv) senegall {IIef}; Senegalese vrouw: Senegalla {Cef}.

senior:: (alleen bij personen) qufaa {I; =vt v liftkar} (afk= qf.).

sensatie:: (=gewaarwording) sensao {SC}.

sensor:: senser {C}.

sentimentaliteit:: sentimentalitiy {SC}.

september:: septembry {Cef} (afk= sp of sep).

sequoia:: Californische ~: secoja {C} (L. Sequoia sempervirens).

sereen:: (in rust) dajiy {I; [mv=enk]}; (=ongestoord) kettnor {I}.

sereenheid:: (=soberheid) dajer {A; mv=enk}.

serenade:: klfost {C}.

sergeant:: (alg) serent {C}; voor militaire rangen, zie .

sergeant-majoor:: (land- en luchtmacht) mennserent {Crs}; (marine) kar-serent {C}; voor militaire rangen, zie .

serie:: (=reeks) reks {C}.

serieus:: (ernstig) serio {I}; (nauwgezet; stipt) viola {I}; priy {I; mv=enk} (arch/dl= West-Liftka); (in acht nemend: persoon) kafkroiy {I}.

sering:: vars {C} (L. Syringa vulgaris); Californische ~: wefot-vars {C} (L. Ceanothus thyrsiflorus).

serpeling:: (vis) tkes {C} (L. Leuciscus leuciscus).

serre:: varnda {C}.

serveerster:: (dienster in restaurant) harbatjena {C; mv= harbatjen}.

serveren:: (=opdienen: v eten) armtharbe {K}.

servet:: motrikfsto {C; mv= motrikfste; rsmv= motrikfstott}.

service:: servisiy {C}.

servicestation:: tankstation.

Servi:: Servyja {G}.

Servir:: Servyjany {Cef}.

servies:: tosgl |tosl| {C}.

serviesgoed:: tosgl |tosl| {C}.

Servisch:: (bv) servyja {IIef}; ~e vrouw: Servyjana {Cef}.

set:: (=garnituur) tocrbatt {C}.

Severn:: (Engelse rivier) Severn |sevvern| {G}.

Seychellen:: de ~: Sechell {G}.

Seycheller:: (bewoner) Sechello {Cef}.

Seychels:: (bv) sechell {IIef}; ~e vrouw: Sechella {Cef}.

sfeer:: sfero {C}; (fig: atmosfeer) ln {C}; vijandige ~ (slechte verstandhouding; het gevoel hebben niet geaccepteerd te worden in een gezelschap): bjurnte {C}.

sfeervol:: dajyng {I}.

sfinx:: sfinks {C; mv= sfiynkse}.

's-Gravenhage:: Ef Hagiy {G}.

Shannon:: (Ierse rivier) Shannon |sennen| {G}.

sherry:: sherry |Eng.| {S}; geres {S}; een glaasje ~: eft sherry {C}, eft geres {C}.

shilling:: (munteenheid) ilen {C}.

shirt:: (hemd, blouse) zleba {C}.

shoppen:: (gezellig winkelen) butyccos {S}.

short:: (korte broek) tosiy {C}.

show:: (modeshow) bloos {C}.

showen:: ~ aan/voor (vrnl v kleding): bloe n {K}.

showroom:: (=toonkamer) ovelmit {C}.

si:: (muzieknoot) siy {C}.

Siberi:: Siberiy {G}.

Siberisch:: (bv) siberiy {IIef; mv=enk}.

Siciliaans:: (bv) sisylja {IIef}.

Sicili:: Sisylja {G}.

sidderen:: (trillen) rme {U}; (=huiveren) pakate {U}; (=beven/huiveren) laice {U}.

siddering:: (=gesidder) rmos {C}; (=huivering) pakatos {C}, laicos {C}.

sidderrog:: gewone ~: presr ommon-zru'on {C} (L. Torpedo nobiliana).

siepelen:: (=druppelen) jepse {E}.

sieraad:: lnr {C}; klein ~ (snuisterij): zen {C}; vrouw met veel sieraden behangen: perle-sientur {C/S} (iro: eig. paarlemoer = "parelmoeder").

sierasperge:: (kamerplant) vriys-spers {C} (L. Asparagus sprengeri).

sieren:: hadrae n {U} (n is dt/vz); die bescheidenheid siert jou: k elxiy hadrae n tu.

sierkers:: ("amanogawa") esa-rista {C/S} (L. Prunus serrulata).

sierkleed:: (=draperie) tejnfsto {C; mv= tejnfste; rsmv= tejnfstott}.

sierlijk:: knxiliy {I; [mv=enk]}; (=elegant) li {I}.

sierlijkheid:: (=gratie) lene {C}.

Sierra:: ~ Leone: erleon {G}.

Sierraleoner:: erleony {Cef}.

Sierraleoons:: (bv) erleon {IIef}; ~e vrouw: erleona {Cef}.

sierspeld:: (=broche) ove-tlc {C}; (bij Spok klederdracht) nill {C}.

sigaar:: sigarr {C}.

sigaret:: sigarett {C}.

sigarettenaansteker:: skobed {C}, skop {C} (pop).

signaal:: synl {C}.

signatuur:: (specifiek kenmerk) tvoke-carakterr {SC}; een krant van katholieke ~: eft quiyrda lef ctoliyc tvoke-carakterr.

significant:: significent {I}.

sijsje:: (vogel) yse {C} (L. Carduelis spinus).

sik:: (baardje) ets {C}; (v geit) rf {C}; (=geit) rfer {C} (pop/kindertaal).

sikahert:: opper-ka'en {C} (L. Cervus nippon).

sikkel:: rits {C}, nvot {C}.

siliconen:: silikoniy {S}.

silo:: (graan) silo {C; mv= sile; rsmv= silott}.

simpel:: (=eenvoudig) simpla {I}.

simpelheid:: (=eenvoud) simpel {C}.

simplisme:: (bep architectonische en kunstzinnige stroming in Spok; 1650-1700) simplesmiy {C}.

simplistisch:: simplistise {I}.

sinaasappel:: quariyc {C}.

sinaasappelsap:: (=jus d'orange) quariyc-sef {S}; (pop) quasef {S}.

sinds:: (=sedert)

  1. (vg) er {VG/DT} (gelijktijdigheid vanaf een bepaald tijdstip); ze bezoekt ons niet meer, ~ ze getrouwd is: eup er quardere kirro fti, eup marianilme = eup quardere kirro fti, er eup mariane;
  2. (vz) er {VZ} (tijd); ~ drie uur (tijdsduur: drie uur lang): er dur zurtarr; ~ half vier (tijdstip: vanaf half vier): er/hurtos dur zurt ur holfe; ik heb haar ~ maanden niet meer gezien: gress zerfa fti eup lf hertels; ~dien: er k; erdo {I} (dl= Liftka/Brr).

sindsdien:: (=nadien) er k; erdo {I} (dl= Liftka/Brr).

Singapore:: Sinapore {G}.

singel::

  1. (buitengracht) ronter-sloit {C; mv= ..-sloiyte};
  2. (beplante strook om perceel) rek {C}, ronter-rek {C};
  3. (buitenrand v bos; veelal beplant met ander soort bomen of struiken) moziy-rek {C};
  4. (open strook in bos) kpl {C}, kpl-bent {C}; ba'eff {C} (poe/dl= Ziyp/Bloi).

singularis:: enkelvoud.

sinister:: (=onheilspellend) prsft {I}.

sinologie:: sinoliy {C}.

sint:: Sint- (in [plaats]namen): Sinto- {PX} (afk= St.); de Sint-Pieterskerk: Sinto-Petriy-korda.

Sint-:: sint.

sint-bernardshond:: sinto-berneturt {C}.

sintel:: chc {C}.

Sint-Helena:: Sinto-Helena {G}.

sint-jacobsvlinder:: Jakp-flyddere {C} (L. Tyria jacobaeae).

sint-janskruid:: Jnes-krutt {C/S} (L. Hypericum perforatum).

Sint-Kitts:: Sinto-Kitts {G}.

Sint-Lucia:: Sinto-Lua {G}.

Sint-Pierre:: Sinto-Pyrr {G}.

Sint-Tom:: Sinto-Tomee {G}.

Sint-Vincent:: Sinto-Vinsent {G}.

sirene:: sirenn {C}, skrejatjen {C}.

sirenegeloei:: skrejos {C}.

siroop:: (=stroop) sirop {S}.

sissen:: sie {U}.

sitkaspar:: sitka-le {C} (L. Picea sitchensis).

situatie:: uchafmr |..fMr/..fr| {Aef; rs= uchafmrt}, situao {C}; een pijnlijke/genante ~: eft stgelira ess-farter.

situationeel:: uchafmr |..fMr/..fr| {I}.

sjaal:: cramm {C; mv= cramma}.

sjacheren:: (=sjoemelen) tolebete {U}.

sjalot:: (kleine ui) locc {C}.

sjerp:: fyrt {C}; (ceintuur v reep stof: vrnl bij Spok klederdracht) nedyra {C}.

sjoemelen:: (niet eerlijk handelen) rfse {U}; (=sjacheren) tolebete {U}.

sjofel:: vn {I}, dvrt {I}.

sjokken:: stele {U}.

sjokkend:: ~e wijze van lopen: stelos {C}.

sjorren:: ([stevig] vastmaken) rytare {K}; (=slepen) frtse {K}.

sjouwen:: quazje {K; gst= quasst}; moeizaam ~ (zeulen): synne {E}.

sjwa:: v {C}.

skelet:: (menselijk geraamte) froprft {C}, p'as {C}; (NIET ve mens) prft {C}, p'as {C}.

sketch:: (kort [satirisch] toneelstukje) skete {C}.

ski:: ski {C; mv= skiye; rsmv= skitt}; een paar ~'s: eft toski {C}.

skin:: skifarte {U}.

skilift:: ski-pjaqurt {C}.

ski-uitrusting:: toski {C}.

skyline:: gpp'as {C}.

sla:: (groente) slaja {S}; krop ~: slajiyn {C}.

slaaf:: slaviy {C}.

slaafs:: keltyniy {I; [mv=enk]}; (schools: ongunstig) kolestnelira {I}.

slaafsheid:: keltyner {A; mv=enk}.

slaag:: pak ~: rgos {C}, ott |wott| {C}.

slaags:: ~ raken met: piyrstare {K}.

slaan:: (alg) byte {K}; (harde klap geven: met hand/stok/hamer ed) prcte {K}; erop los ~ (afranselen): oe {K}; (v arm over schouder/v benen over elkaar) plunge {K}; hij slaat zijn arm over mijn schouder: do plnge kost birriy; hij slaat zijn benen over elkaar: do plnge ef bonars; hij slaat zijn linker been over zijn rechter [been]: do plnge ef rilko bonar; een figuur als modder ~: ef jerdonneve fes nucer lbts; dat slaat nergens op: mittof qurstoxe nf cle; waar slaat dat op?: folarra cle qurstoxelije blul?; de boel kort en klein ~: ef byte ef pesk lo pksz; naar binnen ~ (gulzig drinken/eten): byte {K}.

slaap:: (aan het hoofd) cvest {C}; (het slapen) slapos {C}; ~ hebben (slaperig zijn): ef perke slapelira {=tdw v slape}; in ~ sussen: wurre {K}; in ~ vallen (inslapen): essare {U}; in ~ zingen: mmse {K}.

slaapbol:: kruyc {C} (ihb: L. Papaver somniferum).

slaapdronken:: kainodrmiy {I}; ~ persoon: hmatjen {C}.

slaapkamer:: slapelmit {C}.

slaapmiddel:: slape-tiyn {C}.

slaapplaats:: k'ess {C; mv= k'essa}, sat {C} (arch).

slaapverwekkend:: ess-qugliy {I}.

slaapwagen:: (trein) slapelnolac {C}.

slaapwandelaar:: ess-farter {C}.

slaapwandelen:: ess-farte {E}; het ~: ess-fartos {C}.

slaapzaal:: slape-zalas {C}.

slaatje:: (=salade) (gerecht met sla of andere bladgroente) toslaja = toslaj {C}; slaja {C}; (gerecht met diverse rauwe groentes) fnt {C}.

slab:: ~[betje]: dvagfsto {C; mv= dvagfste; rsmv= dvagfstott}, dvf {C} (pop/kindertaal).

slabbetje:: slab.

slacht:: (v dieren) vlemtos {C}; rituele ~: rites-vlemtos {C}; zie ook Godsdienstvrijheid in .

slachtbank:: vlemtykelp {C}.

slachten:: vlemte {K}; laten ~ door iemand: nyle n rast {K}; de boer laat zijn kalf door de slager ~: ef kelte nyle sener pi n ef vlemt.

slachter:: vlemtatjen {C}.

slachthuis:: (=abattoir) vlemtsrt {C}.

slachting:: (=slachtpartij: bijv in oorlog) vlemtos {C}.

slachtoffer:: maecc {C}; (vrw) maecca {C}; (fig) het ~ zijn van: dama'ife {K; gst= damaif; vdw= damf}.

slachtpartij:: (=slachting: bijv in oorlog) vlemtos {C}.

slag::

  1. (alg) (door slaan) bytos {C}; (harde klap) fjs {C}; (harde klap: met hand/stok/hamer ed) prc {C}; hij was op ~ dood: do pnzo koffon m miypos;
  2. (zwiep/snelle heen en weer gaande beweging, v tak/zweep ed) pos {C; mv= posz};
  3. (bij schaatsen/zwemmen ed) zog {C};
  4. (v klok/hart) tsk {C}; de klok is van ~ af: ef kloppa quze;
  5. (bij kaarten) met {C};
  6. (ramp/schrik) jftiy {A; mv=enk};
  7. (winding: bij oprollen) gmulos {C}; nog een ~ om de arm houden: ef kirture ef knuf velk lo tuffes;
  8. (=veldslag) vallinrn {Crs}.

slagader:: ulksiyg {C}.

slagboom:: trat {C}.

slagen::

  1. (in zaken/het leven) mtape {E}; het ~: mtapos {A};
  2. ~ voor (examen): vree ump {U}, mtape frpj {E}; het ~: vreos {A}, mtapos {A}; ~ voor een examen: ef lelde eft eksm (pop);
  3. erin ~ (gelukken): eftarse [beri/den] {E}; de brandweer slaagt erin om het vuur te bestrijden: ef nertflecs eftarse beri tlazre ef flecse (rs!).

slager:: (die zelf slacht) vlemt {C}; (die NIET zelf slacht) buter {C}.

slagerij:: (waar tevens geslacht wordt) vlemts {C}; (waar NIET geslacht wordt) butera {C}.

slagersmes:: vlemt-texo {C}.

slaghoedje:: fjslot {C}.

slagorde:: (opstelling: v troepen) givn {C}.

slagregen:: mnsgura {C}.

slagroom:: (opgeklopte room, al dan niet met suiker of vanille) roma {S}; (schuimige room) pliymp-romya = pliynp-romya {S; rs= ..-romyte}.

slagschaduw:: pstlacif {C}.

slagtand:: (v olifant) kravyn {C}.

slagvaardig:: xnfyggiy {I; [mv=enk]}; (fig: antwoorden ed) boea |boa/regelm.| {I}.

slagvaardigheid:: (fig: bij antwoorden ed) boea |boa/regelm.| {Aef; rs= boet}.

slagvast:: nt-fjs- {PX.c}.

slagveld:: naurrblufk {Crs}.

slagwerk:: (in orkest) tobyt {C}.

slak:: (dier) limaciy {C}; (in kachel) chc {C}.

slaken:: een zucht ~: ef eue eft huss.

slakkenhuisje:: stroflot {C}.

slampamper:: (=leegloper/grote luiaard) plf {C}.

slang::

  1. (slurf) rntiy {C};
  2. (reptiel) zlako {C}; gladde ~: madriy-zlako {C} (L. Coronella austriaca).

slangachtig:: (lang en slap en kronkelig) habry {I}.

slangenden:: (apenstaartboom) arocerja {C} (L. Araucaria araucana).

slangenkruid:: edurr {C/S} (L. Echium vulgare).

slank:: (alg) slenn = slens {I}; (=rank) wibe {I}; slank/rank||log/plomp: kviddiy {Iid}; .

slaolie:: (=spijsolie) larde-ool {S}.

slap:: (niet stijf) svenk {I}; (lett/fig: niet gespannen) pps {I}; lang en ~ en kronkelig (slangachtig): habry {I}; (v karakter/tijd/houding) lufde {I}.

slapeloos:: (v nacht/tijd) ideslapiy {I}; (v mens) nert es'kurre {I}.

slapen:: slape {U}; (maffen) esse {U} (arch/pop); het ~ (slaap): slapos {C}.

slaperig:: xfiy {I; [mv=enk]}; (=doezelig) blriy {I; [mv=enk]}; ~ zijn (slaap hebben): ef perke slapelira {=tdw}.

slapte:: (lett) ppsiy {C}; (fig: vrnl in de handel) ppsiy {A; mv=enk}; (v karakter/tijd/houding) lufdeiy {A; mv=enk}.

slavernij:: slaveren {C}.

slavin:: slaviyta {C}.

Slavisch:: (bv) slavise {I}.

slecht::

  1. (=euvel) tild {I; vt= albam; ot= derviy; vk= ormt; mt= apecc}; jer {I} (arch); zijn gezondheid is ~er dan de mijne (maar we hebben allebei een ~e gezondheid): groft helten melde albam dus ef kostiy; Petriy beweert dat alcohol minder ~ is dan tabak: Petriy zjoffe, lkool meldelira ormt dus tobacc; jij leert je les het minst ~ (maar het is nog steeds ~): tu belde apecc sener belasto; ~ zijn: tildne {U}, tilde {E}; ~ zijn voor: tildne n {U} (n is vz); het is ~ om [veel te roken]: ef melde tild beri [uokke pert]; ~[er] worden (verslechteren): tildare {U}; jammerlijk ~: arkette-tild {I};
  2. (=ondeugdelijk) flx {I};
  3. (=lelijk/boos) miva {I}; slecht mens||goed mens: rn {Cid}; ;
  4. (idioom) het ~ hebben: ef feldre kaf ef tild ferdu; ~ gestemd/gehumeurd: prtina {I}; iets ~s in de zin hebbend; iets ~s van plan zijnd: slmiypiy {I}; op een ~/ongelegen ogenblik: tildmentos {III}.

slechten:: (=afbreken) idelbe {K}; het ~ (afbraak): idelbosiy {A; mv=enk}; (met de grond gelijkmaken) fjojae {Krs; gst= fjojat; vdw= fjojt}.

slechtheid:: tildniy {A; mv=enk}; mivaiy {A; mv=enk; rs= mivatt}; slecht.

slechts:: (=alleen/louter) tuffianto {I}, ne'ma {III}; nog ~ (nog maar): velk tuffianto; ~/alleen de stations waar de Intercity's stoppen, worden genoemd: blul kimorelije ki ef tuffianto garrents, luft mit ef Intercitys verge; (de combinatie ne'ma me wordt gereduceerd tot ne'ma of ne'me:) ~ als de zon schijnt zullen we gaan wandelen: ne'ma/ne'me ef kbo nle, kirro di mirru; maar.

slechtvalk:: vita-pesml |M| {C; rs= ..-pesmlt} (L. Falco peregrinus).

slede:: slee.

sledetocht:: glytos {C}.

slee:: (alg) sl {C}, ret {C; mv= ort} (dl= Noord-Liftka/Teujan); (Oost-Peg soort) rons {C}.

sleedoorn:: iazot {C} (L. Prunus spinosa).

sleen:: glyte {U}.

sleep:: zlepp {C}.

sleepboot:: lajfka {C}.

sleepkabel:: (=sleeptouw) ga'len {C}.

sleepschoen:: frfte-bl {C}.

sleeptouw:: (=sleepkabel) ga'len {C}.

slenteren:: slentre {U; gst= slenter}; (=sloffen) tue {U}.

slepen:: (trekken) lajfgre {K; gst= lajfgret}; (=sleuren) chylfe {K}; (=sjorren) frtse {K}; (glijden) frfte {U}.

slepend:: (v ziekte) nqulo {I}.

sleuf:: (=keep) quke {C}.

sleur:: enollf {C}, srepentecc {C}; (fig: tredmolen) zmbara-tjek {C}.

sleuren:: (=slepen) chylfe {K}.

sleutel:: (voor slot) k {C}; (een- of tweebaardige heraldische sleutel, in wapens en vlaggen, vrnl op Liftka) kmplo-k {C}; (in muziek) mos {C}; (fig: v code ed) miprm {C}.

sleutelaar:: (=knutselaar) ker {C}.

sleutelbeen:: clavec {C}.

sleutelbloem:: echte ~: boert-ingoch {C} (L. Primula veris).

sleutelbos:: k-msoll {C}.

sleutelen:: (=knutselen) ke {U}.

sleutelgat:: cmiys {C; mv= cmiyl}.

slib:: blep {S}.

sliert:: fyrt {C}; (nat of vet) fls {C}.

sliertig:: ~ en vet/nat (zoals natte/ongewassen haren; lange spaghettislierten ed): zix {I}.

slijk:: rfs {S}; (=modder) medriy {S}.

slijm:: bls {S}.

slijmdiertje:: (amoebe) amba {C}.

slijmerig:: blsa {I}.

slijmkop:: grijsbruine ~ (eetbare paddenstoel): zvmp-blsnurp {C} (L. Hygrophorus camarophyllus).

slijmvis:: gemarmerde ~: spiyc-n {C} (L. Coryphoblennius galerita).

slijpen:: (v mes) idepjohe {K; gst= idepjot}; (scherp maken) tosme {K; gst= toss}; het ~: tosmos {C}.

slijper:: (iemand die stenen/diamanten slijpt) tosmatjen {C}.

slijpsteen:: erulsiy {C}.

slijtage:: rstos {C}, tijfartos {C}.

slijten:: rste {U}; (verslijten, doen opraken) tijfarte {K}; (verkopen v sterke drank) pntele {K}.

slijterij:: (=drankwinkel) spiryt-misan {C}.

slijtvergunning:: (verkoop v sterke drank) pntele-jabincos {A}; .

slik:: (het slikken) kvrt {C}.

slikken:: kvrde {U}; (v pil ed) kegte {K}; het ~ (geslik): kvrdos {C}; het ~ (slik): kvrt {C}; ik slik een aspirientje: gress kegte eft spirynn; het is voor ons even ~, dat ...: kirro perke beri putte-fes fit, den .... slim:: siklaji {I}; (=leep) miyqu {I}; (=handig) lkibiy {I}; ~ handelen; ~ te werk gaan: lkibe {U}; het is niet ~ om je tas te vergeten: ef nert melde lkibiy beri ufege vilt lk.

slimheid:: siklaji {Aef}.

slinger:: (=kruk) sgros {C}; (v klok) starch {C}; (als versiering) zlako {C}; (als beweging) plungos {C}.

slingerbeweging:: plungos {C}.

slingeren:: (heen en weer gaan) sgre {K; gst= sgret}; (zwiepende beweging) plunge {U}; (v honing) mifle {K}; (v schip) rilkrikbe {U; gst= rilkrikk; wst= rilkrik}; ~ en stampen tegelijk (=werken: schip): rilke {U}.

slingerplant:: sgre-ardekir {C}.

slingerworm:: medusa-mir {C} (L. Tubifex tubifex).

slinken:: (=indrogen) frnspe {U}; inkrimping 2.

slinking:: (=indroging) frnspos {C}.

slip:: (=pand: v jas) ingoch {C}; (het slippen) ydnos {C}; (glippartij) sliys {C}; de auto raakte in een ~: ef oto arfinaro armt eft sliys.

slipgevaar:: (in verkeer) ydne-hartiy {C}.

slippen:: (=glippen) sliyse {U}; (=schuiven) ydne {U}; het ~ (slip): ydnos {C}; laten ~ (laten glippen/ontsnappen): idebere {K}; de auto begon te ~ (de auto raakte in een slip): ef oto arfinaro armt eft sliys.

slobberen:: (=flodderen: kledingstuk) ryppele {U}.

slobberjurk:: (=flodderjurk) ryppel {C}.

sloddervos:: (=slons) nkeh {C}.

sloep:: resmti |M| {C; rs= resmtit}, prka {C}.

slof:: (=pantoffel) zveje-tiffug {C}, zvejet {C} (pop); ~ sigaretten: bxlot |ks| (bkslot) {C} (sigarett-bxlot is een tautologie).

sloffen:: (=slenteren) tue {U}.

slok:: (ook: hap) jx {C}; een ~ nemen (ook: happen): jxe {K}; met kleine ~jes drinken (nippen): smege {K}.

slokdarm:: kvrtarm {C}.

slons:: gter {C}; (=sloddervos) nkeh {C}.

sloom:: (=suf) duff {I}, dm {I}.

sloop:: (het slopen) yrdos {C}; rijp voor de ~: yrdp {I}.

sloot:: dita {C}, utets {C} (dl= Zuidwest-Liftka).

slootkant:: (=walkant) texiy {C}.

slop:: ([doodlopend] straatje) toterf {C}.

slopen:: (vernielen/wild verwijderen) yrde {K}; het ~ (sloop): yrdos {C}; (=afbreken) terfte {K}.

sloppenwijk:: (=achterbuurt) hjach {C}.

slordig:: (niet precies) nk {I}; (rommelig, onverzorgd) gtrs {I}; ~ werk (geknoei): gtt {C}; ~/dik/vies wijf: rsiy-krgt {C} (pej).

slordigheid:: (vrnl als eigenschap) gtrsiy {A; mv=enk}; (handeling, dat wat slordig is) buft {C}; (nonchalance) nevioll {C}.

slot::

  1. (=kasteel) husof {C};
  2. (sluiting) (v deur) grent {C}; (voor sleutel) cm {C}; (op deksel ed) closiy {C}; op ~ (dicht): trf {I}; op ~ (met sleutel): closs {I}; op ~ doen (sluiten): hantre {K; gst= hant}, cloe {K}; op ~ zetten (fig: blokkeren): ef paine fes ef kupiy; het op ~ doen (sluiting): cloos {C};
  3. (=einde) dfo {C}; (afsluiting: laatste deel v verhaal, film, gesprek, vergadering ed) croift {C}; ~ volgt: k'mi-dfo-ki {III}.

slotenmaker:: cmrif {C}.

slotgracht:: permn {C}, hm {C}.

slotsom:: wuxat {C}; tot de ~ komen: ef ejelife ef wuxat.

slotwoord:: (in boek; laatste woorden bij een vergadering ed) ncarolija {C}.

Sloveen:: Slovenjany {Cef}.

Sloveens:: (bv) slovenja {IIef}; ~e vrouw: Slovenjana {Cef}.

Sloveni:: Slovenja {G}.

Slowaak:: Slovako {Cef} (sinds de splitsing v Tsjechoslowakije).

Slowaaks:: (bv) slovakiy {IIef}; ~e vrouw: Slovaka {Cef} (sinds de splitsing v Tsjechoslowakije).

Slowakije:: Slovakiy {G} (sinds de splitsing v Tsjechoslowakije).

sluier:: (=voile) tull {C}; (bij Spok klederdracht) wornut {C}; een tule ~: eft tulliy tull; met een ~ (lett: gesluierd): ltullor {I}.

sluik:: (v haar) mdriy {I}.

sluikhandel:: trnebet {C}.

sluimeren:: zumme {U}.

sluimering:: (=gesluimer) zummos {C}.

sluipen:: tlemme {E}; (lett) cresse {U}; het ~ (gesluip): cressos {C}.

sluis:: slue {C; mv= sluen}.

sluiskolk:: vetse {C}.

sluiswachter:: slue-gert {C}.

sluiten::

  1. (=dichtdoen) cjole {K}, ilbaje {K; gst= ilbat};
  2. (ophouden te bestaan; gesloten worden) ilbaje {K/Upr; gst= ilbat}; de fabriek sluit volgende maand (wordt volgende maand gesloten): ef fabriyk sen ilbaje ef pirhertel; de milieu-inspectie sluit de fabriek: ef poire-jakm-ntriyos ilbaje ef fabriyk;
  3. (op slot doen) cloe {K}, hantre {K; gst= hant}; het ~ (sluiting): hantros {C};
  4. (v gordijnen) mintepote {K};
  5. (=afsluiten; v weg, gebouw ed) cjolare {K};
  6. een lening ~: ef preipsrte eft tumos.

sluitijzer:: (klink: v deur) tk {C}.

sluiting::

  1. (=slot) (voor sleutel) cm {C}; (op deksel ed) closiy {C};
  2. (v broek, jas) cjoliy {C};
  3. (het op slot doen) cloos {C}; (het sluiten) hantros {C};
  4. (ihb ophouden te bestaan) ilbajos {C}.

sluitingstijd:: (v school/theater/kantoor) quaros {C}.

slungel:: flnk {C}; lange ~ (zowel mnl als vrw): iynkbl {C}.

slungelig:: flnka {I}.

slurf:: (=slang) rntiy {C}.

slurpen:: sfse |sv..| {K}, flspe {U}.

sluw:: mre'ine {I}.

sluwheid:: (=list) mre'in {C}; (het sluw zijn) mre'iniy {A; mv=enk}.

smaad:: (gehoon) feshustaos {A}; (=hoon) pmah {Aef}; met ~ behandelen: pmahare {K}.

smaak::

  1. (het proeven) ls {C}; bittere ~ (bitterheid): ystiy {A; mv=enk}; zeer zure ~: teldo-ls {C}; zonder ~ (lett: smakeloos): motrik-stylf {I}; goed van ~ (lekker): lekk = lekkoh {I}; met ~ eten (smullen): slge {K}; op ~ brengen: llse {K}; breng de saus met peper op smaak (in recept): llsen ef ssa tjg crpep;
  2. (esthetisch gevoel) jt {Aef};
  3. (door een bepaalde samenstelling bepaald) ra {C}.

smaakstof:: (=essence) ls-izardos {C}.

smaakvol:: (=keurig) jt {I}.

smachten:: (v dorst) pliyfgerre {E}; ~ naar (vurig verlangen naar): rhendre {K; gst= rhender}.

smadelijk:: (=honend) pmah {I}; ~e behandeling: pmaharos {A}.

smaden:: (=honen) feshustae {K}.

smak:: (=dreun) crup {C}, smk {C}, spf {C}.

smakelijk:: crst {I}; eet ~! (wordt in Spok zelden gezegd): quista-larde!.

smakeloos::

  1. (lett: zonder smaak: v voedsel/drank) motrik-stylf {I};
  2. (zonder goede smaak/esthetisch gevoel) prmu {I};
  3. (zonder gevoel voor verhoudingen) migt {I};
  4. (afkeer inboezemend, tactloos: v vertoning ed) mipvendelira {I}.

smakeloosheid:: prmuiy {A; mv=enk; rs= prmute}.

smaken:: [lekker] ~: quistse {U}; dat smaakt! (heerlijk!): quistselira!; bitter ~: yste {E}; ~ naar/als: crstyne lo {E}; het vlees smaakt me niet: ef fijnta nert quistse n gress.

smal:: (lett: =eng) nar {I}; ~[ler] maken (versmallen): nare {K}.

smaldeel:: (=eskader) skader {C}.

smalen:: ~ op: xennde {K}; het ~ (gesmaal): xenndos {C}.

smalfilm:: nar-film {C}.

smaragd:: (materiaal) ton {S}; (steen) toniyn {C}; van ~ gemaakt; met ~en bezet (smaragden): tona {I}.

smaragden:: (van smaragd gemaakt; met smaragd bezet) tona {I}; ~ voorwerp: toniyn {C}.

smart:: pluh {SC}; hevige ~: ofuxrt {A}.

smartelijk:: plute {I}.

smeden:: mecre {K; gst= mecc}.

smederij:: mecrs {C}.

smeedijzer:: mecrequl {S}; van ~ gemaakt: mecrequliy {I}.

smeedijzeren:: (van smeedijzer gemaakt) mecrequliy {I}.

smeekbede:: (het smeken) tijprsos {A}.

smeekschrift:: iyterafiy {C}.

smeerkaas:: blars-psta {S}.

smeerolie:: felol {S}.

smeersel:: (=olie en vet) felos {S}; (=pasta) psta {S}.

smeersysteem:: feleren {C}; (=smering) fel {C}.

smeerwortel:: ool-prvs {C} (L. Symphytum officinale).

smeken:: mrce {U}; ~ om: tijprse tukst {K}; het ~ (smeekbede): tijprsos {A}.

smekend:: mrciy {I}.

smele:: bochtige ~ (grassoort): wervoser {C} (L. Deschampsia flexuosa).

smelleken:: (soort valk) Irano-pesml |M| {C; rs= ..-pesmlt} (L. Falco columbarius).

smelten:: (trans) [doen] ~: smelte {K}, zne {K; gst= znt}; (intrans) smelte {Upr}; (v ijs) tje {U; gst= tt}; gesmolten deel van een ~de stof: znos {C}; gesmolten boter/metaal: plistep {S} (arch).

smeltpunt:: smelte-ponto {C}; (v ijs) tje-ponto {C}.

smeltwater:: znos {C}.

smeren::

  1. (=strijken) meste |smeste/este| {K}; het ~: mestos |smestos/estos| {C};
  2. (olie op assen ed) fele {K};
  3. (v boterham) brtece {K};
  4. 'm ~ (er tussenuit knijpen): bautoe {K; vdw= bauter} (pop); 'm ~ (pleite gaan): ef lukte sener tiffugs (pop); hij is 'm gesmeerd (hij heeft de plaat gepoetst): do vlemte ef rene.

smerig:: (=vuil) dirtiy {I}; (=goor) dotelira {I}; (erg vies) sgp {I}.

smerigheid:: (=vuil) dirt {S}; (grote viezigheid) sgpiy {C}.

smering:: (=smeersysteem) fel {C}.

smeris:: (politie) plys {C} (pop/pej).

smetteloos:: nefojeldra {I}.

smeug:: (lett) tramiy {I; [mv=enk]}; (fig: vertellen ed) tobror {I}.

smeulen:: stenne {U}, vabje {U; gst= vapp}.

smid:: mecratjen {C}.

smient:: Ochert-dlze {C} (L. Anas penelope).

smijten:: (krachtig gooien) simue {K}; (wild (ongericht) gooien) trke {K}.

smoel:: (bakkes) kegt {C} (vulg), jugg {C} (vulg); hou je ~!: texe dena beder! (vulg).

smoesje:: (uitvlucht) eft jelpjevor niyft (pop).

smog:: smg {S}.

smoking:: (kostuum) klelbi {C}.

smokkel:: (het smokkelen) trnos {C}.

smokkelaar:: wertyer {C}, trner {C}.

smokkelen:: wertye {K}, trne {K}; het ~: trnos {C}.

smoren:: (trans) ([doen] stikken) pjare {K}; (intrans) mque {U}; (gisten, sudderen) trte {E}; het ~ (gesmoor): mquos {C}.

smoring:: pjaros {C}.

smullen:: (met smaak eten) slge {K}, lurfe {U}.

smurrie:: (=blubber) sti {S} (spr).

snaar:: (v muziekinstrument) cmpello {C}.

snack:: totft {C} (snel [uit de vuist] te eten hap; meestal tussen de maaltijden door).

snackbar:: (zelfbediening zonder sterke drank) bar {C}.

snakken:: ~ naar (alg): ortare {K}; naar adem ~: ef funse furt frs.

snappen:: hij snapt niets (maar doet net alsof hij zeer snugger is): do nert meane.

snars:: hij begrijpt er geen ~ van: do unere ef grultser danos; do unere nf ln otiys.

snateren:: sysiyre {U}.

snauwen:: ~ tegen (toesnauwen): kriye n {U; gst= kriyt}.

snauwerig:: kriy {I; mv=enk}.

snavel:: snebbe {C}.

snede:: vek {C}, ba'efros {C}.

sneep:: (vis) nes-fisa {C} (L. Chondrostoma nasus).

sneeuw:: sn {S}; (en/of ijs) rc {S}; ~ ruimen; van ~ ontdoen: glytare {K}.

sneeuwbal:: snbl {C}; ble {C} (iro/kindertaal).

sneeuwbes:: (struik) blakker pn {C} (L. Symphoricarpos albus).

sneeuwen:: plurre {E}, sn-bidale {U} (poe); ~ en/of hagelen: plurre {E} (dl= Liftka/Brr).

sneeuwgans:: blakker uas {C} (L. Anser caerulescens).

sneeuwhaas:: tr {C} (L. Lepus timidus).

sneeuwhoen:: bergo-jlp {C} (L. Lagopus mutus).

sneeuwjacht:: plurmns {C}.

sneeuwklokje:: sn-cnp {C} (L. Galanthus nivalis).

sneeuwlandschap:: wit ~: blakkeren {C); wit.

sneeuwrijk:: (met veel sneeuw, waar vaak/veel sneeuw valt) snst {I}.

sneeuwruimen:: glytare {U}; het ~: glytaros {C}.

sneeuwstorm:: urrvu {C}.

snel:: (alg: =vlug) gesvint {I}; (vrnl met hoge snelheid) vita {I}; (=rap) pf {I}; (=hard: beweging) hups {I}; zo ~ mogelijk (beweging/in tijd): ofiy {I; [mv=enk]}; ~/hard/luid zijn: hupse {U}; ~ groeiende boom of plant; puber die ~ is gegroeid: stuter {C}; snel||langzaam: rittah {Iid}; ; tmopiy {Iid}; .

snelgroeiend:: (boom/plant) stut {I}; ~e boom of plant: stuter {C}.

snelheid:: (=vaart) upk {C; mv= upka}; (vrnl wetenschappelijk/ambtelijk) viteo {C}; ~ vermeerderen (gas geven: in auto/vliegtuig ed): kafe {E}; maximum ~: mksm viteo (afk= M.V.).

snelheidsmeter:: tmopiy-messer {C}.

snelheidsvermeerdering:: kafos {C}.

snelkookpan:: pres-pn {C}.

snellen:: gesvinte {U}.

sneltrein:: gewone ~ (in Spok: stoptrein-materieel dat echter alleen bij de grotere stations stopt): vita-treno {C} (afk= VT); (luxe intercity) menntreno {Crs} (afk= MT), mtiy {C} (oorspr afk v menntreno).

snelverkeer:: verkeer.

snelvoetig:: ~e Achilles: ritttiffug-Akills.

snerpend:: (geluid) getts {I}; (koude) chfelira {I}; (pijn) ortiy {I}.

snert:: (=erwtensoep) mjla-upa {S}.

sneu:: quzp {I}.

sneuvelen:: (omkomen) naurre {E}; het ~: naurros {C}.

snijboon:: soka {C}.

snijden:: ba'efre {K; gst= baeff}.

snijplank:: (voor brood/vlees) platt {C}.

snijpunt:: (raakvlak, overeenkomst) sume-ponto {C}.

snijtand:: (alg) kravyn {C}.

snik:: egt {C}, sik {C}; hij is niet goed ~: do melde l ef Pors (mliy-gebied in Noord-Munt; vroeger zeer arm en eenzaam).

snikheet:: (weer) tjonde-kjupt {I}.

snikken:: crsike {U}; ~/huilend zeggen of vertellen: pvente {K}.

snipper:: (papier) tt {C}.

snit:: ba'efros {C}.

snoeien:: (v heg ed) snue {K}, weste {K} (dl= Centraal-Berref); het ~: westos {C} (dl= Centraal-Berref); [kunstig] gesnoeide heg: snuos {C}.

snoeimes:: uzaknyf {C}.

snoek:: jec {C} (L. Esox lucius); steen~: kaklbes {C} (snoekachtige vis; vrnl in de grote rivieren v Liftka: L. Esox saxosus).

snoekbaars:: snder {C} (L. Stizostedion lucioperca).

snoepen:: slgare {K}; het ~: slgaros {C}.

snoepje:: (zuurtje) grum {Cef}, grume {C}.

snoer:: strn {C}; (kabel/draad: elektrisch) patio {C; rs= patie}.

snoet:: (=snuit) prsst {C}; (gezicht) tinko {C}.

snoever:: (=bluffer) eper {C}.

snor:: musstasiy {C}.

snotjongen:: (fig: =snotneus) skt {C}, mjocc {C}.

snotneus:: (lett) td {C}; (fig: =snotjongen) skt {C}, mjocc {C}.

snotolf:: (vis) frpenst {C} (L. Cyclopterus lumpus).

snuffelen:: smyfge {U; gst= smyff}, nesse {U}.

snufje:: (zout) tip {C}; (gril: mode) beltbu {C}.

snugger:: rge {I} (pop).

snuifje:: (tabak) tip {C}.

snuisterij:: tocht {C}; (klein sieraad) zen {C}.

snuit:: nrkriy {C}; (=snoet) prsst {C}; dier met een lange ~: habrynes {C}.

snuiten:: de neus ~: nesclne {U}; (v kaars) ideiyxare {K}.

snuiven:: snufe {U}; (=proesten: v paarden) funse {U}.

snurken:: snge {U}; zachtjes ~: m'ne {U}; zwaar ~ (ronken): zorsnge {U}.

snurker:: (iemand die [veel/luid] snurkt) snger {C}.

sober:: zober {I}; (=matig/eenvoudig) poriy {I; [mv=enk]}.

soberheid:: (=matigheid) poriyte {SC}; (=sereenheid) dajer {A; mv=enk}.

sociaal:: soala {I}; ~[voelend]: lg {I}; het ~-zijn; het streven naar sociale verhoudingen (een evenwichtige verdeling vd welvaart): soalo {SC}; (~voelendheid, socialisatie, je ~/solidair [met anderen] gedragen) lgiy {A; mv=enk}; sociale ondersteuning (hulp, bijstand): soala-moios {C}; sociale dienst (ong): mrmiy-mg {C} ("werklozenraad": instantie die zich met arbeidsbemiddeling en uitkeringen bezighoudt); Sociale Dienst: Soala Harbos {N} (in Spok: gemeentelijke instantie om burgers te helpen bij financile problemen, zoals het niet kunnen betalen v belasting, het saneren v schulden, het aanvragen v uitkeringen ed; deze dienst is echter niet verantwoordelijk voor de uitbetaling v uitkeringen ed).

sociaal-democratisch:: soala-demokratise {I}.

sociaalvoelend:: lg {I}.

socialisatie:: (sociaalvoelendheid, je sociaal/solidair [met anderen] gedragen) lgiy {A; mv=enk}.

socialisme:: soalesmiy {SC}.

socialist:: soalistiy {C}.

socialistisch:: soalistise {I}.

sociteit:: (verenigingsgebouw) ququlsrt {C}; (besloten (exclusieve) club) lger {C}.

sociolingustiek:: soolinguistiyc {C}.

sociologie:: sooliy {C}.

sociologisch:: soologise {I}.

socioloog:: soolche {C}.

soda:: sod {S}.

sodawater:: tsyre-knurfel {S}.

sodemieter:: ~ op! (donder op!): erupteren! |..eren| (vulg).

Soedan:: Sudann {G}.

Soedanees::

  1. (zn: bewoner) Sudanny {Cef};
  2. (bv) sudann {IIef}; Soedanese vrouw: Sudanna {Cef}.

soep:: upa {C/S} (in Spok meestal brijachtig, als hoofdmaaltijd gebruikt); (helder/dun, als voorgerecht) znt upa {C/S}.

soepbord:: (diep bord) upttel {C}.

soepel:: (lett) siyrsiy {I; [mv=enk]}; (=lenig) lens {I}; (zonder haperingen) wcha {I}; ~/zacht/week voorwerp (klomp deeg, kwal ed): jitu {C}.

soepelheid:: (lett) siyrser {C}; (=lenigheid) lensiy {A; mv=enk}.

soeverein:: sovrn {I}.

soezen:: (suffen) hme {U}.

sofa:: sofa {C; mv= sofe; rsmv= sofatt}.

software:: software |Eng.| {S}, toprogrm {S}.

soiree:: lupp-fenta {C}.

sok:: (=kous) kors {C}.

sokkel:: (=voetstuk) plp {C}.

sol:: (muzieknoot) s {C}.

soldaat:: (alg) rey {C}, (vrw) resta {C; mv= restas} (ook: nefresta ed); ~ 3e klasse: (landmacht) surey {C}, (luchtmacht) nefrey {C}; ~ 2e klasse: (landmacht) mennrey {Crs}, (luchtmacht) presr rey {C}; ~ 1e klasse: (landmacht) jiyst-rey {C}, (luchtmacht) mennrey {Crs}; voor militaire rangen, zie .

soldatenvlieg:: zwarte ~: rey-doazler {C} (L. Hermetia illucens).

soldeer:: slt {S}.

soldeerbout:: [slde-]raddyf {Crs}.

soldeersel:: slt {S}.

solderen:: slde {K}.

soldering:: sldos {C}.

soldij:: (=loon) wagy {C}.

solidair:: rpainiy {I}, lg {I}; ~ met iets/iemand: rpainiy n flaju/rast (n is vz); zich ~ verklaren met iemand/iets: ef declare sener rpainer n rast/flaju; ~ zijn (je ~/sociaal [met anderen] gedragen; sociaalvoelendheid): lgiy {A; mv=enk}.

solidariteit:: (het partij kiezen voor) ovapos {C}, rpainer {A; mv=enk}; (goede verstandhouding, gemeenschappelijk aanvoelen ve bepaalde sfeer, merken dat je geaccepteerd wordt) jntycc {C}; (solidair zijn; je solidair/sociaal [met anderen] gedragen; sociaalvoelendheid) lgiy {A; mv=enk}.

solide:: (=deugdelijk) nemercel {I}; (=stevig/massief) kiyp {I}.

solist:: (muziek) mainkeler {C}.

soliste:: (muziek) mainkelta {C; mv= mainkeltas}.

sollen:: met zich laten ~: ef munke armt sener krnt.

sollicitant:: slisitatjen {C}.

sollicitatie:: slisitao {C}.

sollicitatiebrief:: rekomendere-letra |..je-| {C}.

sollicitatieplichtig:: slisitere-duetiy {I}.

solliciteren:: ~ naar: slisitere tukst |..je| {Upr}.

solo:: (in muziek) mainka {C}; hij treedt ~ op: do stge fara mainka.

som:: (totale bedrag) mt {C}; (rekenkundige opgave) mtos {C}; te betalen ~ (verschuldigde bedrag): yje {C}; ~ gelds: yje {C}.

Somali:: Somall {G}.

Somalir:: Somallo {Cef}.

Somalisch:: (bv) somall {IIef}; ~e vrouw: Somalla {Cef}.

somber:: crdrg {I}; ~ stemmend (=naargeestig): frumbiyl {I}; donker.

somberheid:: crdrgiy {C}.

sommige:: verscheidene.

soms:: (niet altijd) menokka {III}, lafes {I} (arch); (=wel eens) iftams'ter {III}; (=misschien: alleen in vragende zin) tam {III}, dus {III}; (tam duidt op positieve houding vd vraagsteller; dus op negatieve:) ken je hem ~?: aftel tu tiffe do tam?; lieg je ~?: aftel tu merfe dus?.

sonate:: sonatiy {C}.

songfestival:: chatofent {C}.

sonnet:: sonett {C}.

sonoor:: (=welluidend) fliynkiy {I}.

soort::

  1. (alg: =aard/type) frenvu {C}; dit ~ mensen: dena frenvu rifo veldurs; een nieuw ~ auto: eft kleter frenvu rifo oto; ~ zoekt ~: (sprkw) br luft tjoks ur tjoks luft br;
  2. (=kwaliteit) wtriyn {C}; de beste ~ (van de bovenste plank): mynall-nurp {C};
  3. (biologisch) uza {C}.

soortelijk:: uzate {I}.

soortgelijk:: kervrkiy {I}.

sop:: (zeep~) bm {S}; het ruime ~: ef trn z; in zijn ~ gaarkoken (fig: verrekken): fldre {U; gst= fltt}; (sprkw) het ~ is de kool niet waard: ef fenta nert la'yce ef wein.

soppen:: (v brood) plurte {K}.

sopraan:: sopraniy {C}.

sorry:: ~! (pardon!): elleria!, eller! (spr/dl= Berref).

sorteren:: frenvute {K}; (=schiften) mipcolye {K}; (goede en slechte delen van elkaar scheiden: uitschiften) pele {K}.

sortering:: (dat wat gesorteerd is) frenvutiy {C}; het ~: frenvutos {C}; (=schifting) mipcolyos {C}.

souffleur:: stgtariy {C}.

souper:: lupplejon {C}.

souterrain:: chucernuflif {C}.

souvenir:: miype-cht {C}; (=aandenken) miypar {C}.

Sovjet-Unie:: de ~: Sovjet-n {G}; van/uit de ~ (bv: Sovjetrussisch): sovjet-n {IIef}.

Sovjetrussisch:: (bv: van/uit de Sovjet-Unie) sovjet-n {IIef}.

sowieso:: (=hoe dan ook) fara fit truf.

spaak:: (in wiel) cx {C}, piyn {C}; (sprkw) een ~ in het wiel steken: ef blkere eft grelira mjl.

spaan:: (=spaander) pks {C}.

spaander:: pks {C}.

Spaans::

  1. (zn: taal) spanise {C};
  2. (bv) spana {IIef}; ~e vrouw: Spana {Cef}.

spaarbank:: feszolle-benc |feso..| {C}.

spaarbankboekje:: feszolle-register |feso..| {C}.

spaarcentjes:: (=spaargeld) tofeszollos |..feso..| {C}.

spaarder:: feszoller |feso..| {C}.

spaargeld:: (=spaarcentjes) tofeszollos |..feso..| {C}.

spaarpot:: (=spaarvarken) smurf-vult {C}.

spaarrekening:: (bij bank) feszolle-nota |feso..| {C}; geld op een ~: smurf fes eft feszolle-nota.

spaarvarken:: (=spaarpot) smurf-vult {C}.

spade:: (=schop) ych {C}; (met korte steel) zeze {C}; (met puntig toelopend blad) iyxer {C}.

spaghetti:: spacetti {S}.

spalk:: spen {C}.

span:: (paarden) rut {C}.

Spanjaard:: Spany {Cef}.

Spanje:: Spana {Gef}.

spanjolet:: spilclos {C; mv= spilclosz}.

spanne:: ~ tijds (poos): panot {C}.

spannen:: (v veer ed) roite {K; vdw= roit}; het ~: roitos {C}; (v trekdier) heke {K}; (fig: spannend zijn) yroppe {U}.

spannend:: yroppiy {I}.

spanning::

  1. (lett: v veer ed) roit {C};
  2. (elektrisch) (officile benaming) elektrisitiy-miltefiy {C}; (dagelijkse benaming) elmiltefiy {C} (afk= elmil of EM); er staat ~ op die draad/leiding: dena patio/lftos kette elmiltefiy; dena patio/lftos poire;
  3. (fig: geestelijk) yroppos {A}; in ~ zittend: kabt {I}.

spant:: ro'i {C}.

spar:: le {C} (L. Abies); blauwe ~: qurt-le {C} (L. Picea pungens "Glauca").

sparappel:: dennenappel.

sparen:: (geld) feszolle |feso..| {K}; het ~: feszollos |feso..| {C}; [gaan] ~ (geld): ef vende lelperre; iemand het leven ~: ef kirture rast lo poire-spkln {C}.

sparrengroen:: late {S}.

sparrenkegelzwam:: quista quiff-chnt {C} (L. Strobilurus esculentus).

spartelen:: sprtle {U; gst= spret}, tjste {K}; (=trappelen) idenke {U}.

spat:: (=spetter) hoss {C; mv= hossa}, jeps {C}.

spatbord:: (v auto) medriypaaf {C}, medriy-rpaaf {C}.

spatie:: blakk {C}.

spatiebalk:: (op toetsenbord) blakk-trajiy {C; mv= ..-trjen}.

spatten:: (=spetteren) hosste {U; gst= hosstt}; (v vonken) tliytse {U}; uit elkaar ~: uiteenspatten.

specerij:: iyltiyn {C}.

specht:: (alg) zreg {C; mv= zrge of regelm.}; groene ~: [mes] zreg (L. Picus viridis); kleine bonte ~: belt zreg (L. Dendrocopos minor); grote bonte ~: hupster zreg (L. Dendrocopos major); zwarte ~: doffiy zreg (L. Dryocopus martius).

speciaal:: (=bijzonder) flacr {I}; ([in het] bijzonder) speala {I}.

specialisatie:: (dat waarop men zich toegelegd heeft) luftsrtos {C}.

specialiseren:: zich ~ in (zich toeleggen op): luftsrte {K}.

specialist:: luftsrter {C}; (arts) ylmer {C}.

specialiteit:: spealitiy {C}; (=bijzonderheid) flacrtiyn {C}; (aanbevolen gerecht in restaurant) machos {C}.

specificatie:: spesifikao {C}.

specificeren:: spesifisere |..je| {K}.

specifiek:: spesifiyc {I}; (=onderscheidend) distingeror {I}.

spectaculair:: (zeer opzienbarend) okrech {I}.

spectrum:: (alle kleuren vd regenboog) mindrr {C}.

speculaas:: (ong: bep soort gekruide koek) krutt-rafeo {C; rs= ..-rafette}.

speculant:: spekulaer {C}.

speculatie:: (=speculering) spekulao {C}.

speculeren:: ~ in: spekulere lef |..je| {U}.

speculering:: (=speculatie) spekulao {C}.

speedboot:: vitaka {C}.

speeksel:: (=spuug) csull {S}, f {S}.

speelbank:: (=casino) casino {C}.

speelfilm:: stgfilm {C}.

speelgoed:: merre-tiyn {C}.

speelkaart:: karte {C}.

speels:: merraniy {I}.

speelsheid:: merraner {A; mv=enk}.

speelweide:: merblufk {C}.

speen:: (v dier) svef {C}; (v zuigfles) sfg |svg| {C}.

speenkruid:: star-ksto {S} (L. Ficaria verna).

speenvarken:: fltsknok {C}.

speer:: spero {C}, gratn {C}; klink~ (bepaald soort Spok speer; 16e eeuw): iyxekliynk {C}.

speerpunt:: (beleidsonderdeel met extra aandacht) iyxegratn {C}.

spek:: (alg) trx {S}; (niet vet: =bacon) bakn {S}; uitgebakken ~: pndu {S} (dl= Peg/Lomky/Tigof).

spektakel:: rgt {C}.

spel:: (om te spelen; ook fig) merriyc {C}; (het spelen ve spel) merros {C}; iets op het ~ zetten: ef fixe flaju fes ef merros; in het ~ brengen (mee laten doen): cirre {K}; (op muziekinstrument/als sport) mert {SX.c}; (spr) er moet [een misverstand] in het ~ zijn (er is sprake van ...): [eft taoblskros] lelperrt ef progrm; zie ook Sport en spel in .

speld:: priyk {C}; (sierspeld/broche: bij Spok klederdracht) nill {C}.

speldenknop:: priyk-nurp {C}.

spelen:: (met speelgoed) merre {U}; (v muziek, toneelstuk ed) merre {K}; (spel beoefenen) merrare {K}; (in film) stge {U}; (v grammofoonplaat ed) kuramerre {K}; ~ op (een instrument): lmerre {K}; ze speelt op een oude piano: eup lmerre eft liftkar pjano; het ~ (ve spel): merros {C}; hoofdrol.

speler:: (beoefenaar v spel) merratjen {C}; (toneel, muziek ed) meggatjen {C}; (sport, muziek) merr {SX.c}.

spelfout:: idestabos {C}.

speling:: (lett: =tussenruimte; fig: =in tijd ed) jarutros {C}; ~ hebben: jarutre {E; gst= jarutt}.

spellen:: stabe {K}.

spelling:: (=orthografie) stabos {C}.

spelonk:: parako {C}.

spersein:: (bij spoorwegen) barere-sn (brere-sn) {C}.

spelt:: (wintertarwe) nrs {S}.

sperma:: sperma {S}.

sperwer:: lelart {C} (L. Accipiter nisus).

sperzieboon:: br-bjln {C}.

spetter:: (=spat) hoss {C; mv= hossa}, jeps {C}.

spetteren:: (=spatten) hosste {U; gst= hosstt}.

speuren:: spure {U}, ndre {K; gst= nder}.

speurhond:: ndre-hurt {C}, ndrer {C}.

speurneus:: (overdreven nieuwsgierige onderzoeker) spurpits {C}.

spie:: (=wig) weg {C}.

spieden:: otste {U}.

spiegel:: mirrr {C}, trtzerfi |trdz..| {C}.

spiegelbeeld:: pallefjy {Crs}.

spiegelei:: tustu-kbo {C}.

spiegelen:: mirrre {K}; [doen] ~: mirrore {K} (ook fig).

spiegelglad:: blenk-glyl {I}.

spiegelglas:: palleglaza {Sef/rs}; van ~ gemaakt: palleglaza {I}.

spiegelreflexcamera:: trtzerfi-camera |trdz..| {C}.

spieken:: (afkijken) jepsare {K}.

spier:: (alg) fjera {C}; (met nadruk op inwendig orgaan) blpf {C}; (met nadruk op zichtbare gespierdheid) muskla {C}; hij heeft een spier verrekt: do eft blpf gvnare; de bodybuilder spant zijn spieren: ef frolber roite sener musklas.

spiering:: (vis) smelt {C} (L. Osmerus eperlanus).

spierkracht:: muskla-crf {C}.

spiernaakt:: fors-nucer {I}.

spierwit:: iyns-blakker {I}.

spies:: (wapen) ltmka |M| {C; rs= ltmkat}.

spiesmelde:: (plant) ynt-oracha {C} (L. Atriplex hastata).

spijbelen:: zurtputte {U}.

spijker:: (=draadnagel) nacry {C}.

spijkerbroek:: jeans |Eng.| {C; mv= jeanses}, frojns {C} (pop).

spijkerschrift:: tvet-stindosiy {C}.

spijkerzwam:: slijmige ~: bls-missis {C; mv= ..-missisa} (L. Gomphidius glutinosus).

spijl:: (=tralie) woche {C; mv= wx}.

spijs:: (=voedsel) ubara {S}.

spijskaart:: (menu[kaart]) larde-kinner {C}, menuiy {C; rs= menute}.

spijsolie:: (=slaolie; ook om te braden, bakken) larde-ool {S}.

spijsvertering:: idelardos {A}.

spijt:: lett {Aef}; (het betreuren) rypjos {A}; ~ hebben van iets: ef qugle lett n flaju.

spijten:: plirre {Upr}; het spijt me: gress sen plirre.

spijtig:: lett {I}; ~ zijn: lette {U}.

spil:: (=as) spil {C}.

spilfunctie:: spil-fnko {C}.

spin:: (geleedpotig dier) rstipp {C}; (tollende beweging) spiyn {C}; hij geeft de bal veel ~: do kette pert spiyns n ef gmbl; do kette eft spiynbl.

spinazie:: htquzy {S}.

spinnen:: (kat) smze {U}; (v wol) qugie {K}, gmule {K} (dl= Berref); ze zit te ~ (op spinnewiel): eup pitte ef qugier.

spinnenweb:: slf-qundr {C}.

spinner:: (man die op spinnerij werkt) qugiatjen {C}.

spinnerij:: qugiy {C}.

spinnewiel:: qugier {C}; tr, trje {C} (dl= Tigof/Lomky).

spinrag:: slf {S}.

spion:: otster {C}.

spioneren:: otstare {K}.

spionnetje:: (spiegel aan raam) otstezerfi {C}.

spiraal:: crfe {C}, strof {C}.

spirant:: (sisklank: s, z; in Spok ook ch, ) sios {C}.

spiritus:: spirity {S}.

spit:: (braadspit) wt {C}; (in de rug) xst {C}; aan het ~: kaf ef wt, lwtor {I}.

spits:: (bv) eks {I}; (=puntig) xest {I}; ~ uiteinde: xesta {C}.

Spitsbergen:: Svalbert {G}; van/op ~ (Spitsbergs): svalbert {IIef}.

Spitsbergs:: (van/op Spitsbergen) svalbert {IIef}.

spitsen:: de oren ~: (lett: v roofdieren) murnpe {E}; (fig: v mensen) ef melde jelp {III}.

spitsuur:: crt {C}, mennzurtarr {Crs}.

spitten:: uzre {K; gst= uss}.

spleet:: (alg: =voeg) stiymf {C}; (=kier) ajer {C}; smalle ~ licht (glimp): sg {C}.

splijten:: trtje {K; gst= tret}; (=splitsen) sperde {K}; (=splitsen: vrnl v hard materiaal) xoche {K}.

splijting:: trtjos {C}; (=splitsing) sperdos {C}; (=splitsing: vrnl v hard materiaal) xochos {C}.

splinter:: nx {C}.

splinteren:: nxe {U}, triyte {U}.

split:: (in rok ed) sc {C}.

splitlevel:: (zn) trda-dlavos {C}.

split level:: (bv) trda-dlavor {I}; een split-level bungalow: eft trda-dlavor rastobos.

splitsen:: (=splijten) sperde {K}; (=splijten: vrnl v hard materiaal) xoche {K}.

splitsing:: sperdos {C}; (=splijting: vrnl v hard materiaal) xochos {C}; (v wegen) grefiy {C}.

spoed:: (=haast) hurtiyo {C}; spoed||traagheid: vloda {Cid}; .

spoedeisend:: (=dringend) forsm {I}.

spoeden:: (zich snel begeven naar iets) trammende {U} (= tramm + vende).

spoedgeval:: (medisch) forsm spolos {A}.

spoedig:: fes belt fort (afk= f.b.f.); (=eens/binnenkort) zft {III; vt= wnta; ot= bent}; ik wacht al een uur, ~ moet hij [toch] komen: gress que pip lf r zurtarr, zft do arfint.

spoel:: (winding, klos) bobynn {C}, gmul {C}; (weefspoel) lafron {C}.

spoelen:: (=winden) gmule {K}, zlofe {K}; (v vloeistof) smlme {K}; ~ om (omsplen): smlmare {K}; de golven ~ om het rotsblok: ef jeks smlmare ef lb.

spoeling:: (het doorspoelen) smlmos {C}.

Spokaans:: (alg: Spokanische taal; ihb: West-Spokanisch): spoknda {C}; wat betreft het ~: spokndaiy {I}; een boek over het ~: eft spokndaiy mimpit; (belangrijkste Spok dialect, gesproken op vrijwel geheel Berref, West-Liftka en West-Tigof; de standaardtaal in Spok behandeld in dit woordenboek) wefot-spoknda {C}; Spokanisch; zie ook Grammatica van het Spokaans in en Spokaanse teksten in .

Spokani:: Spooksoliy |spk../regelm.| {G}; [het] Koninkrijk ~: Kindistee Spooksoliy {N}; zie ook het Spokanisch Archief in .

Spokanir:: Spooksl {Cef}.

Spokanisch::

  1. (zn: taal); Spokaans;
  2. (bv) spooksoliy |spk../regelm.| {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Spooksli {Cef}.

spokanistiek:: spokanistiyc {C}; wat betreft de ~: spokanistise {I}.

spoken:: (ronddolen van geesten) tjfe {E}; (v gedachten) jerbye {U}; (op zee) otse {U}.

sponning:: lesta {C}.

spons:: (materiaal, vastgegroeid) munt {C/S}; (voorwerp om mee te wassen) muntiyn {C}.

sponsachtig:: (=sponzig) muntiy {I}.

sponsor:: spnser {C}.

sponszwam:: grote ~: brenkbl {C} (L. Sparassis crispa).

spontaan:: vmang {I}; (=ad rem: geen blad voor de mond nemend) nfxu {I}.

sponzig:: (=sponsachtig) muntiy {I}.

sponzigheid:: munter {C}.

spook:: (=geest) tjftr {SC; mv= tjftra}.

spookachtig:: hzy {I}, tjftriy {I}.

spookhuis:: tjfos-srt {C}.

spookkasteel:: tjfos-husof {C}.

spookverhaal:: tjftr-zeffos {C}.

spookverschijnsel:: ~[en] (gespook): tjfos {C}.

spoor:: (markering) spura {C}; (v wiel/dier) skn {C}; in het ~ lopen (sporen): skne {U}; (aan laars) cgt {C}; (=schijn/zweem) glnt {C}; ze vertoont geen ~ van medelijden: eup ove nf glnts rifo ef overiy.

spoorbaan:: (=rails) rels {C} (enk); (ihb spoorrails: voor trein) trenomirra {C}.

spoorboekje:: (dienstregeling) treno-forts {Cmv}.

spoorboom:: rels-trat {C}.

spoorlijn:: treno-skn {C}, arnka {C}.

spoorloos:: idespuror {I}.

spoorrails:: (voor trein) trenomirra {C}.

spoorrijtuig:: (=spoorwagen) relsnolac {C}.

spoorstaaf:: (=rail) rels-zeff {C}.

spoorwagen:: (=spoorrijtuig) relsnolac {C}.

spoorweg:: arnka {C}; Spokanische Spoorwegen: Spooksoliy Arnkas (afk= SA); zie ook Spoorwegen in .

spoorwegemplacement:: emplasement {C}.

spoorweglocomotief:: arnkanolac {C} (ook wagen/wagon: alles wat op rails rijdt).

spoorwegmaterieel:: arnkanolacs {Cmv}.

spoorwegovergang:: (verweg) kurarels {C}.

spoorwegwagon:: arnkanolac {C} (ook loc: alles wat op rails rijdt).

sporadisch:: (heel soms) ja cle; (=zeldzaam) erunt {I}.

sporen:: (in het spoor lopen) skne {U}; het ~: sknos {C}.

sporkehout:: (boom) sperter {C} (L. Frangula alnus).

sport:: (v ladder) spta {C}; (tussen stoelpoten) cx {C}; (spel) sport {C}; zie ook Sport en spel in .

sportauto:: vita-oto {C} (afk= v.o.), ivo {C} (pop).

sportbeoefening:: sport-ufnos-kaf {C}.

sporthal:: (grote overdekte ruimte om sport te beoefenen) sport-hall {C}.

sportief:: (v sport houdend) sportiy {I}; (=eerlijk) tuffes-eitiy {I}.

sportman:: sporter {C}.

sportsman:: sporter {C}.

sportterrein:: (ihb voetbalveld) [merre-]nunn {C}; (met gras, maar NIET voor voetbal) merblufk {C}.

sportveld:: (ihb voetbalveld) [merre-]nunn {C}; (met gras, maar NIET voor voetbal) merblufk {C}.

sportwagen:: vita-oto {C} (afk= v.o.), ivo {C} (pop).

spot:: crspos {A}; vrolijke ~ (=gekschering): vniestos {C}.

spotnaam:: (=bijnaam) ndre-quanka {C}.

spotprent:: (=cartoon) crspafiy {C}.

spotten:: crspe {U; wst= crs}.

spottend:: [vrolijk] ~ (=ondeugend): deliy {I; [mv=enk]}.

spouwmuur:: hnto-krur {C}.

spraak:: (uiting) chaquint {C}; (=taal) mux {C}.

spraakgebrek:: chaquinert {C}.

spraakmakend:: poahos-kettelira {I}.

spraakzaam:: chaquindyna {I}.

sprake::

  1. ter ~ brengen (aan de orde stellen): crlnare {K};
  2. ter ~ komen (aan de orde komen): crlne {E}, yae {K; gst= yat; vdw= pya of regelm.}; wat ter ~ komt: antrn {I}; datgene wat ter ~ komt (wat aan de orde is): crlnos {A};
  3. er is ~ van iets: flaju chaquinde fes ef wertl; (spr) er is ~ van [een misverstand] (er moet ... in het spel zijn): [eft taoblskros] lelperrt ef progrm; waar ~ van is (onderhavig): pjlt {I}; hier is ~ van affectief taalgebruik: ef kusamiss antrn tiyn melde affectiy mux-uos; ter ~ zijn (aan de orde zijn): crlne {E}.

sprakeloos:: nert mux'kurre {I}.

sprankelend:: (fris, helder, glinsterend) prinnket {I}.

spreek:: (zang) cha {PX} (drukt uit dat iets mondeling, met mond/stem/zingen verband houdt); gebaren/spreken: quinde/chaquinde.

spreekbeurt:: (=lezing) wuxos-furt {C}.

spreekbuis:: (fig) chajns {C}.

spreektaal:: (in tegenstelling tot meer plechtige schrijftaal) wuxe-mux {C}.

spreekuur:: nmpzurt {C}.

spreekvaardigheid:: pjle-lnsos {A}.

spreekwoord:: mipa-seg {C}; (=gezegde) kruf {C}.

spreekwoordelijk:: (algemeen bekend) fry mipa-seg.

spreeuw:: nff {C} (L. Sturnus vulgaris).

sprei:: (over bed) kura {C}.

spreiden:: chmpje {K; gst= chmpt}.

spreiding:: chmpjos {A}.

spreken::

  1. een taal ~: chaquinde eft lngr {K}; hij spreekt Spokaans: do chaquinde spoknda; iemand over iets ~: chaquinde piti rast rifo flaju {U}; ik heb hem gesproken: gress chaquinda piti do (chaquinde kan hier NIET trans. gebruikt worden!); ~ met/tegen/tot iemand over iets: chaquinde lef/n/piti rast rifo flaju {U} (kura is fout!); ~ over iets met iemand: chaquindare flaju n rast {K}; ~ over (gewag maken van): tyre {K}; hees ~ (fluisteren: met trillende stembanden): ruvaze {U}; luid ~: jerche {U} (dl= Plef); raadselachtig ~: ef stinde tjg blakker iynk; bij wijze van ~: fara frenvu rifo muxe; mag je ~ van een chaos?: aftel stus kimorog ef ts lo eft gaos?;
  2. (zich in taal uitdrukken) ~ [over/van]: muxe [kura] {E}; hij spreekt over "mijn poppetjes" als hij zijn honden bedoelt: do muxe kura "kost kyls" fara do splnje sener hurts;
  3. (fig) van zich doen ~ (zich doen gelden): merte {U}; de waarheid ~: ef chaquinde ef kmpaiy; uit zijn ogen spreekt woede: groft eits chaquinde kaf ef korsta;
praten.

sprekend:: (v uiterlijk) fara Labane; ze lijken ~ op elkaar (alleen gezegd bij broer/zus, broer/broer, zus/zus): Labane melde hift sientur.

spreker:: (alg) chaquindatjen {C}.

sprenkelen:: miynte {K}, zopelynare {K}; het ~ (gesprenkel): zopelynaros {C}.

sprenkeling:: (=gesprenkel) zopelynaros {C}.

spreuk:: avis {C}; (=uitdrukking) lnos {C}; (Erg: met magisch karakter) hln |hln/hn| {C}.

spriet:: ~[je]: pmt {C}.

sprietje:: pmt {C}.

springen:: jumpetece {U}, vlte {U}; [uit elkaar] ~ (=ontploffen): pltse {U}.

springplank:: vlte-prart {C}.

springstof:: pltse-tmlek {S}.

sprinkhaan:: klesjumper {C}; bruine ~: presr klesjumper (L. Chorthippus brunneus).

sproeien:: zopelyne {K}; het ~ (gesproei): zopelynos {C}.

sproeier:: zlnker {C}.

sproeiing:: (=gesproei) zopelynos {C}.

sproeiwagen:: zopelynolac {C}.

sproet:: spiyc {C}.

sprokkelhout:: at {S}.

sprong:: jump {C}, vlt {C}.

sprookje:: cofiy {C}.

sprookjesboek:: cofiymip {C}.

spruit:: (=kiem) pjp {C}; spruitje.

spruiten:: pjpe {U}.

spruitje:: (groente) sprizziyn {C}; ~s: sprizze {S}.

spruitjes:: spruitje.

spugen:: csule {U}.

spuien:: (=lozen) njame {K; vdw= nja}.

spuigat:: (op scheepsdek) tufnjam |..nam| {C}.

spuit:: jsper {C}, chiqut {C}; (fig) ~ elf geeft modder: vilt crt nert lelperre eft ryf.

spuiten:: (alg) jspe {K}; (met verf) jsperfute {K}.

spuitfles:: jspe-liskos {C; mv= ..-liskosz}.

spuitgast:: (=brandweerman) jspatjen {C}.

spuitwater:: afacha {S} (koolzuurhoudend bronwater, oorspr uit Afacha).

spulletjes:: tiyns-ur-tiynstes {Cmv}.

spurrie:: gewone ~ (plant): sperg {C} (L. Spergula arvensis).

spuug:: (=speeksel) csull {S}, f {S}.

spuwen:: (=spugen) csule {U}; (braken: vuur/lava) kafierque-mip {K}; het ~: kafierquos-mip {C}.

squash:: (balspel) squash |Eng.| {C}; (officile term) krur-tennis {C}.

Sri-Lanka:: Srilanka {G}.

Srilankaan:: Srilankany {Cef}.

Srilankaans:: (bv) srilanka {IIef}; ~e vrouw: Srilankana {Cef}.

staaf:: (v metaal) zeff {C}; (NIET v metaal of hout) riyt {C}; stok.

staak:: (=staf) qunskrono {C}.

staal::

  1. (=monster) trijos {C}.
  2. (metaal) astyl {S}; van ~ gemaakt (stalen): astyliy {I}.

staaltje:: trijos {C}.

staan::

  1. (lett: verticale houding) giffe {U}; hij staat te roken: do uokke ur giffe; ze hebben een wereldbol op de kast ~: ps lelperre eft claba, giffelira kaf ef feldariy; gaan ~ (=opstaan): gifare {E}; stil [gaan] ~: giffere {E}; (gebruik v zirde = "liggen" terwijl er v "staan" sprake is drukt gerriteerdheid/boosheid uit:) zie je dan niet dat het boek in de kast staat!: ef mimpit zirde[lira] fes ef feldariy!;
  2. iemand laten ~ (laten wachten, niet ophalen): xrbe rast {K};
  3. (uiterlijk) goed ~ ([goed] zitten, passen: v kleding): hlse {U}; dat staat je goed! (kleding ed): k melde eft tjst tjef!;
  4. (fig) het staat in de brief: ef sen stinde fes ef letra; het staat in het boek: ef sen kabie fes ef mimpit; hij stond in de krant: do sen jikata fes ef quiyrda; het geld staat op een Zwitserse bank: ef smurf melde fes eft sanoprof benc; ~ achter (partij kiezen voor): ovape {K}; we ~ achter de democratie (we zijn vr ...): kirro melde ort ef demokrao; hoe staat het met...? (wat is de situatie): ... hude kol?; ik sta voor een raadsel: gress melde st ef jchtsta; wij ~ voor grote problemen: kirro crbo'estre hupster mntyosz; ~ boven (verheven zijn boven): kuraroite {K}; iets in de weg ~: ef nertuie n flaju {U; gst= nertuit}; (dreigen) de brug staat op instorten: ef pnt rupke kura ef fesbnos; dat plan staat of valt met een goede organisatie (is geheel afhankelijk van): mittof plan melde fes ef dren riyos rifo eft quista rganisao; laat ~ [dat] ... (om maar niet te spreken van): ur kirturelira den ...; hij kan zichzelf niet onderhouden, laat ~ dat hij zijn familie kan onderhouden: do sen nert naliycec quandro, ur kirturelira den do naliycec sener fatasr.

staand:: ~e houding (het staan): giffos {C}.

staanplaats:: (alg: plaats waar iets/iemand moet/kan staan) obiyros {C}; (v toeschouwers) kronmos {C}; (voor caravan ed) wfersencos {C}.

staart:: (v dier) trunn {C}; (v letter, zoals bij de b of q) tos {C; mv= tse}.

staartmees:: trunn-helk {C} (L. Aegithalos caudatus).

staat::

  1. (=natie) spiratso {C}, stat {C};
  2. (=toestand/gesteldheid) xnrf {Aef}, sty {PX.c > c}; ~ van onderhoud: stynaliycos {C}; in slechte ~ van onderhoud: luft eft tild stynaliycos; in ~ van ontbinding (v lijk): armt stytros; in goede staat||vervallen: tjest {Iid}; ;
  3. (gelegenheid/bij machte) iemand in ~ stellen om/tot ...: ef holare rast fes ef kurre, den ...; in ~ zijn tot iets: ef melde fes ef kurre n flaju (n is vz); in ~ zijn om: ef melde fes ef kurre beri; in ~ zijn: kunnen.

staatkunde:: spiratsoliy {C}.

staatsbezoek:: stat-dx {C}.

staatsbosbeheer:: (ong) arkalmos {C} ([instantie die belast is met het] beheer v bos/heide); (als Spok overheidsinstantie, vgl Staatsbosbeheer) arkaleemos {N}.

staatsgreep:: flepsatos {C}.

staatshoofd:: statater {C}.

staatsvorm:: spiratso {C}.

stabiel:: feststentiy |festen..| {I}; (lett: in evenwicht) olaniy {I}; ~ zijn (in balans/ovenwicht zijn: niet omvallen): olane {U}.

stabiliteit:: feststenter |festen..| {A; mv=enk}.

staccato:: stacat {I}.

staccato-achtig:: stacater {I}.

stad:: (=plaats) srt {C}; burg {C} (poe/dl= West-Liftka/Oost-Berref); ~ in de bergen: bergosr {C}; ~ door wallen omgeven: uln-srt {C}; in de ~; wat betreft de ~/steden: srtal {I}; in een ~ wonen: burge {U}; het wonen in een ~: burgos {C}; (fig) ~ en land aflopen: ef farte lef blof ur boert; zie ook Steden in .

stadhouder:: (his; ong) lebler {C}.

stadhuis:: (=raadhuis) srsrt {C}.

stadion:: staon {C}.

stadium:: (=fase) fas {C}.

stadsbewoner:: (=stedeling) srter {C}.

stadsdeel:: (=wijk; ook administratief) oftian {C}; (groter deel vd stad) srt-kanas {C}; ~ binnen de wallen: uln-srt {C}.

stadskern:: [oude] ~ (binnenstad): kruiy {C; rs= krute}, touln {C}.

stadslicht:: (v auto) nefarmtat = suarmtat {C}.

stadslucht:: srt-ayr {S}; ~ maakt vrij: srt-ayr qugle ef jolaiy.

stadsmuur:: srt-uln {C}.

stadsuitbreiding:: oftianos {C}.

stadswijk:: oftian {C}; (groter deel vd stad) srt-kanas {C}.

staf:: (=staak) qunskrono {C}; generale ~: generala stf {C} (afk= GeSt); zegenstaf.

stafkaart:: verest-kinner {C}.

stagnatie:: (=oponthoud) ybe {Aef}; met ~: ybe {I}.

stagneren:: (stokken in de ontwikkeling) vsellare {U}.

staken:: dfie {U}.

staker:: (zoals hij zichzelf noemt) dfier {C}, (zoals de werkgever hem noemt) dfiatjen {C} (pej); (zoals een buitenstaander hem in pop taal noemt) Brefcch-trner |..kk..| {C} (pop).

staking:: dfei {C; rs= dftt}.

stakker:: (=zielenpoot) ostral {C} (pop).

stal::

  1. (alg) ferr {C}; r {C; mv= ra} (dl= Liftka/Teujan/Brr); op ~ zetten: ferr-kette {K};
  2. (voor paarden) kredek {C} (dikwijls openbaar: om je paard tijdelijk te "parkeren").

stalactiet:: tgtebirr {C}.

stalagmiet:: preipebirr {C}.

stalen:: (van staal gemaakt) astyliy {I}.

staljongen:: stalknecht.

stalknecht:: (=staljongen) dis {C; mv= diyse}, pentes {C} (dl= Centraal-Berref), dvf {C} (dl= Tigof/Lomky); (meestal ve kredek) kredeker {C}.

stalkruid:: kruipend ~: blacroelira onones {C} (L. Ononis repens).

stallantaarn:: ferrtat {C}.

stallen:: (alg: v auto/boot/kar ed) garage {K}; (v dieren) tmopplime {K}; het ~ (stalling: v dieren): tmopplimos {C}; (v paarden) kredeke {K}.

stalles:: (=parket: voorste rijen, gelijkvloers, in theater) suqutt {C}.

stalling:: (ihb v auto's: =garage) gara |gAra/garA| {C; mv= garaes}; (het stallen: v dieren) tmopplimos {C}; (voor fietsen/boten ed) zollos {C}; stal.

stam:: (v boom) zn {C}; (mensen) dokverf {C}; (taalk) stemm {C}; grammaticale ~ (n vd twee stammen ve Spok ww): grmerr-stemm {C} (de zelfstandige vorm ve infinitief zonder e); (bijv) farte/fart; melde/melt.

stamboek:: (v vee) trejanafiy {C}.

stamboom:: trejaniy {C}; zie ook Stamboom koningshuis in .

stamelen:: (=hakkelen) me'eke {U}; (v verlegenheid) rike {K}.

stamgast:: nlpry {C}.

stammen:: ~ uit: hocile {K}.

stammoeder:: futientur {C}.

stampen::

  1. (geluid v machines) rmpe {U};
  2. (v schip) tramte {U}; ~ en slingeren tegelijk (=werken): rilke {U};
  3. (met voet) tppe {U}; (met voet of werktuig: samendrukken/verpulveren) welgte {K}; het ~ (gestamp): welgtos {C}.

stamper:: (v bloem) sru {C}; (werktuig) welgter {C}.

stamppot:: (Spok nationaal gerecht in 1 pan met groente, fruit, vlees of vis) bre {C/S; rs= bret}.

stampvoeten:: tiffug-welgte {U}.

stampvol:: (=propvol) klxa {I}.

stamvader:: hociler {C}.

stand::

  1. (ligging v gebouw) locteos {C}, ps {C; mv= psa}; het huis is op nette ~ (staat in een keurige buurt): ef srt lelperre eft pena locteos; een huis op goede ~: eft srt fes quista ps;
  2. (=houding) utiyf {C};
  3. (alg: =klasse) kafkanas {C}, teps {C};
  4. (sociale klasse) teps {C}; van/uit lagere ~: bo'efy {I}; met iemand/mensen van een lagere ~ omgaan (encanailleren): enkanajere |..je| {U}; met iemand/mensen van een hogere ~ omgaan: ef melde fianites {I};
  5. (situatie op een bepaald moment) gifiy {C}; hoe is de ~?: ef gifiy meltatf? (bij puntentelling ed); burgerlijke ~ (=bevolkingsregister): rnteram {C} (afk= r/am); in ~ houden: xxe {K}; tot ~ komen: ae {E; gst= at; vdw= pa}; volgens de laatste ~ van zaken (up-to-date): ralsompiy {I};
  6. (Eng.: op tentoonstellingen ed) plnkiy {C}.

standaard:: (lett: =statief) kronm {C}; (fig) xloe {C; rs= xloet}; (=norm) rn {C}; koninklijke ~: stent {C}.

standaardiseren:: (een norm geven) rn-kette {K}.

standaarduitvoering:: xloe-plto {C}.

standaardvorm:: xloe-vobaros {C}.

standbeeld:: monumentos {C; mv= monumentosz}; een ~ van X: (X voorstellende) eft monumentos kura X; (door X gemaakt) eft monumentos pai X; (in het bezit van X) eft monumentos rifo X.

standhouden:: wychole {U}.

standhouding:: wycholos {A}.

standje:: (=berisping) wriy {C}, quistarafiy {C} (pop); iemand een ~ geven: ef obiyre rast kaf eft wriy.

standplaats:: (vaste halte: taxi/autobus ed) staon {C}; (v persoon) wfersr = wfersrt {C}; (v ambt/baan) pryk-srt {C}.

standpunt:: rmetiyn {SC}; op het ~ staan: crfitte {U}; vanuit hun ~ [gezien]: mean hift rmetiyns.

standsverschil:: (=klassenonderscheid) tobo'efyt {C}.

standvastig:: (=onverzettelijk) stitiy {I; mv=enk}, net-ojabriy {I}.

standvastigheid:: (=onverzettelijkheid) stiter {A; mv=enk}.

stang:: (v metaal) zeff {C}.

stank:: (in oplopende mate van viesheid:) mrgos {C}; afdrah {C}; ervos {C}.

stap::

  1. (lett: voetstap/pas) (alg) stebe {C}; (met nadruk op beweging) lappos {C}; (met nadruk op voetafdruk/resultaat vh stappen) ps {C}; ~je voor ~je voortgaan (stapvoets lopen): varote {U};
  2. (fig) tjen {C}; stebe {C}; ~pen doen/ondernemen: paine {Upr}; we moeten ~pen ondernemen tegen zijn achterbakse optreden: kirro sena pains, den do nert quxe fit simajelira.

stapel::

  1. (lett/fig: berg/opeenhoping/hoop; min of meer wanordelijk) tnr {C}; een ~ (boel) werk: eft tnr rifo rm; een stapel boeken: eft tnr rifo mimpits;
  2. (lett: min of meer ordelijke op[een]stapeling): dius {C};
  3. (idioom) van ~ lopen (lett: te water gelaten worden): ef vende njebope; (fig) op ~ staan: biae |bae| {U; gst= bit; vdw= bijer}.

stappen:: lappe {E}.

stapsteen:: (in beek ed) grl-tach {C}.

stapvoets:: lappiy {I}; (v paard) varo {I}; paard dat ~ loopt: varotlat {C}; ~ lopen (stapje voor stapje voortgaan): varote {U}.

star:: ut {I}.

staren:: lijeuve {U}; ~ naar (=aanstaren): llijeuve {K}, qume helkara {U}; ~ over een vlakte/zee: ef lijeuve armt eft jakm/z; ~de blik (gestaar): lijeuvos {C}; het ~: qumos {C}; (met opengesperde ogen kijken) tste {U}.

start:: (=aanloop) start {C}; (begin v vliegreis) zecc-finne {C}; van ~ gaan (fig: losbarsten ed): ef wuxe ef bjiyc.

starten::

  1. (intrans) (v wedstrijd) starte {U}; (=aanslaan: v motor) slitare {Upr}; (spr) finne {U}; de motor wil niet ~/aanslaan: ef moter sen nert slitaravy; ef moter nert finnavy;
  2. (trans) (v motor) slitare {K}; hij start de motor: do slitare ef moter.

starter:: (v auto) finner {C}.

startmotor:: (in auto) slit-finner {C}.

statement:: een ~ geven: ef qugle eft declaros.

Staten-Generaal:: (niet in Spok) Stats-General {N}.

statief:: (=standaard) kronm {C}.

statiegeld:: hakfos {C}; ~ heffen op iets: ef hfe eft hakfos kaf flaju.

statig:: przamiriy {I} (eig: "met een koninklijk kapsel").

station:: (vrnl v spoorwegen) garrent {C}, staons {Cmv} (dl= Tigof/Lomky); (wetenschappelijk: radio-/proefstation ed) kipt {C}; zie ook Stations in .

stationair:: de motor draait ~: ef moter quze {U}.

stationschef:: garrentpip {C}.

statistiek:: statistiyc {C}; zie ook Statistiek in .

statistisch:: statistise {I}.

status:: status {C}.

statuut:: statutiy {C}; (=reglement) tukstblaffos |..ksbl..| {C}.

staven:: (=bekrachtigen) pitiqume {K}.

staving:: (=bekrachtiging) pitiqumos {A}.

stedelijk:: (in de stad; wat betreft de stad/steden) srtal {I}.

stedeling:: (=stadsbewoner) srter {C}.

stedenschoon:: tonn {C}.

steeds:: ~ [weer] (=telkens): plji {III}; ~ meer: riyfain {III}; ~ groter (hoe langer hoe groter): riyfain hupster terat; ~ meer; ~ erger: vuf {I}; ~ meer (meer en meer): vuff {I; =red v vuf}; ~ weer (telkens): plji {III}; maar; nog; telkens.

steeg::

  1. (zn: =straatje) terf {C}; (in Peg) kliyf {C}.
  2. steeg:: (bv: koppig/niet van zijn plaats willend) (v paard) wyp {I}, silntiy {I; [mv=enk]}; (v geit) silntiy {I; [mv=enk]}.

steegs:: steeg B.

steek::

  1. (hoofddeksel) pmps {C}, gts {C};
  2. [naai-/brei-]~: hell {C};
  3. (=prik) gays {C}, xt {C};
  4. (idioom) in de ~ laten: clajzuobe {K}; het in de ~ laten: clajzuobos {C}; iemand een ~ onder water geven: ef chiype armt raster snuls.

steekhoudend:: lef stent {C}.

steekmug:: gewone ~: vpje-nod {C} (L. Culex pipiens).

steekpenning:: ~[en]: fesmite-smurf {S}, gdre-quf {C} (pop).

steekvlam:: bede-flm {C}.

steel:: (=stengel) iynk {C}, tos {C; mv= tse}; (v bezem/pan ed) criazor {C}; ~ van een [grote] hamer: vasstfmk |M| {C; rs= vasstfmkt}.

steels:: (=verholen) riflt {I}.

steen:: (ook baksteen) kolini {C/Sef}; van ~ gemaakt (stenen): kolini {I}; (=kei) tff {C}; grote ~ (kei): tach {C}; hoopje stenen: trovc {C}; ~ des aanstoots: ommon-kolini {C}; klauteren.

steenachtig:: (=stenig) kolinier {I}.

steenarend:: giyliy {C} (L. Aquila chrysaetos).

steenberg:: (berg v afval uit kolenmijn) qugt {C}.

steenberk:: knp {C} (soort ruwe berk met knoestige stam: L. Betula petraea).

steenbewerker:: prsizatjen {C}.

steenbok:: kolini-mitr {C; mv= ..-mitrja/..-mitrje} (L. Capra ibex ibex).

Steenbok:: (sterrenbeeld) Kolini-mitree {N}, Capricrnes {N}.

steenbolk:: (vis) dort {C} (L. Trisopterus luscus).

steenbreek:: (plant) kolinixog {C} (L. Saxifraga).

steenbreekvaren:: xocher {C} (L. Asplenium trichomanes).

steendruk:: kolini-kabi {C}.

steeneik:: kjupt-c {C} (L. Quercus ilex).

steenfabriek:: koliniriff {C}.

steengroeve:: [kolini-]hst {C}.

steenhaai:: (= ruwe haai) pleko-haje [C}, lsiynes-haje {C} (L. Galeorhinus galeus).

steenhoopje:: glytt {C} (in Krappa-gebergte: een opgestapeld bergje stenen duidt op menselijke activiteit en houdt daarom de trollen op een afstand).

steenhouwer:: kolini-riatjen {C}.

steenkool:: (=kolen) zjol {S}; stuk ~: zjoliyn {C}; (verzamelnaam voor) aardgas en aardolie en ~: ciytrn {C}; (ciytrn bevattende; van ciytrn gemaakt) ciytrniy {I}; [met] ~ stoken: zjolare {U}; een stoomlocomotief die met ~ gestookt wordt (een kolengestookte locomotief): eft zjolarelira frads.

steenkoud:: cryr'martel {I}.

steenmarter:: kolini-sustas {C} (L. Martes foina).

steenmassa:: (=rotsen) lb {C/S}.

steenpuist:: plomoscrg {C}.

steenraket:: (gewone ~) kolini-brbarea {C/S; rs= ..-brbareat} (L. Erysimum cheiranthoides).

steenslijmvis:: n {C} (L. Lipophrys pholis).

steensnoek:: zee~: z-kaklbes {C} (snoekachtige vis, vrnl langs Zverostakust en in de Leije en Trendon) (L. Esox marinus).

steenuil:: kib-ojel {C} (L. Athene noctua).

steenvlieg:: klarbr-zler {C} (L. Perla bipunctata).

steenworp:: op een ~ afstand (zeer dichtbij): jumpetece-plks {III}; hij woont op een ~ afstand: do zre jumpetece-plks.

steevast:: lef ef tjeks.

steiger:: (bouw~) lbe-kronm {C}; (om boot aan te leggen) tjg {C}; stygg {C} (dl= Tjemp/Plef).

steigeren:: (v dier) xbre {U; gst= xpp}.

steil:: uba {I}, zluch {I}; zie ook Steile wanden en ravijnen in .

stek:: (afgesneden tak/jonge boom) laber {C}; (=stokje) grty {C}; (vaste hengelaarsplaats) ebes-nupp {C}.

stekeblind:: mle-bliynt {I}.

stekel:: (scherpe punt) stiyk {C}; (=doorn) qurt {C}; vol ~s (=stekelig): lqurtor {I}; vol ~s (=doornig): qurtt {I}.

stekelbaars:: [driedoornige] ~: qurt-fisa {C} (L. Gasterosteus aculeatus).

stekelbrem:: mut {C} (L. Genista anglica).

stekelig:: (lett: vol stekels) aiy {I; [mv=enk]}, lqurtor {I}; (=doornig) qurtt {I}; (lett/fig) ts {I}; ~e opmerking: fatlonos {C}.

stekelkamgras:: brst-trunn {C} (L. Cynosurus echinatus).

stekelrog:: qurt-zru'on {C} (L. Raja clavata).

stekeltrilzwam:: blakker mutlek-missis {C; mv= ..-missisa} (L. Pseudohydnum gelatinosum).

stekelvarken:: riygt-knok {C} (L. Hystrix cristata).

steken:: (=prikken) gaye {K}, xte {K}, tnesste {K}, priyke {K}; ik steek mij aan de doorn: ef qurt tnesste gress; ~ in (lichaamsdeel): priyke {Upr}; ik steek in mijn vinger: kost re rliriy sen priyke; (pijn doen) tnesstere {U}; er bovenuit ~ (superieur zijn): proe {U}; ze blijft ~ in ...: eup sen tinde beri klmare fes ...; de auto blijft in de modder ~: ef oto sen festare fes ef rfs; zich in de schulden ~: ef prap mjoche n ef fts.

stekend:: (brandend/schraal) prola {I}.

steker:: stekker.

stekker:: (plug/stop: elektrisch) plg {C}.

stel:: (paar: mensen) tiyp {C}; (=groep) grup {C}.

stelen:: kuntiyre {K; vdw= kuntaro}; ~ van iemand (iemand bestelen): tijkuntiyre rast {K}; het ~ (diefstal): kuntiyros {C}; (fig) hij kan me gestolen worden: gress csule kaf do.

stellage:: kronmos {C}, ykelp {C}.

stellen:: (=regelen) xuriyme {K}; het ~: xuriymos {C}; (=poneren) qurtare {U}, essee {K} (arch); deze theorie stelt dat ...: dena teoriy qurtare den ...; een vraag ~: ef kette eft linnos; een vraag ~ aan iemand: ef riffe eft linnos piti rast; iets ter discussie ~: ef obiyre flaju lo diskuo; zich gesteld zien voor (geconfronteerd worden met): crbo'estre {K; gst= crbs; wst= crbo'est}; stel dat ... (neem aan dat ...): esseer {III}; (met tdw-constructie in bijzin:) stel dat het mist, dan vertrekt het vliegtuig niet: esseer ef doube, ef plano nert pratelira; waagschaal.

stelletje:: (paartje: mensen) tiyp {C}.

stellig:: (=beslist) g {I}; (vast en zeker) tfiy {I; [mv=enk]}; ~ niet: noi g.

stelling:: (=bewering) zjoffos {C}; (leger) tesln {C}.

stelpen:: (v bloed) brtare {K}.

stelsel:: (systeem) wmpiy {C}; (=samenstel) tiyneren {C}; (in samenstellingen) eren = jeren {SX.c > c}; (bijv) belastingstelsel: txeren {C}.

stelselmatig:: (=methodisch) metodise {I}; (=opzettelijk) fes proba {SC}.

stelt:: tiffugzor {C}; de boel op ~en zetten: ef wente ef oryccsrt.

steltloper:: (iemand die op stelten loopt) tiffugzor-vender {C}; (waadvogel: iha steltloperachtige: vogel met lange poten, de orde vd charadriiformes) zrpe-vogily {C}.

stem:: (menselijk geluid) (alg) pretr |prer| {C}; (mbt taal) rg {C}; (kiesstem) vott {C}; krakende ~: cherros {C}; harde/galmende ~: vrezobiy {C}; persoon met heldere [en harde] ~: liynber {C}; praten met bibberende ~: prdre {U}; er gaan ~men op dat ...: pretrs melde, reppelira den ....

stemband:: rg-ryf {C}.

stembiljet:: votafiy {C}.

stembureau:: vote-buro {C}.

stemdistrict:: (waar een stembureau werkzaam is) vote-buro-bavn {C}.

stemhebbend:: (v consonant) rg-rg {I}.

stemloos:: (v consonant) rg-velp {I}.

stemmen::

  1. (kiezen) vote {U}; het ~ (stemming): votos {C}; opnieuw ~ (verstemmen): ns-vote {U};
  2. (v muziekinstrument) ef riffe malod; zij stemt haar viool: eup riffe malod fes sener vjola.

stemmig:: (=ingetogen) erft {I}; (niet opzichtig: vooral kleding) lanbiy {I}; ~ gekleed: kerly {I}.

stemming:: (=geestesgesteldheid) tlta {C}; (het stemmen) votos {C}.

stempel:: (apparaat) stempiy {C}; (afdruk) stmp {C}; van de oude ~: mip ef labora dm.

stempelafdruk:: stmp {C}.

stempelen:: stmpe {K}.

stempelkussen:: stmpe-wat {C}.

stemrecht:: votelmstj |votemst| {C}.

stemverheffing:: preipos {A}.

stemvork:: malod-bjiyc {C}.

stenen:: (van steen gemaakt) kolini {I}.

stengel:: (=steel) iynk {C}, tos {C; mv= tse}.

stenig:: (steenachtig) kolinier {I}.

stenigen:: tfftte {K}.

steniging:: tffttos {C}.

stenografie:: stenografij {C}.

step:: autoped.

ster:: plinker {C}, star {C}.

stereo:: stereofonisch; stereo-installatie; stereometrie.

stereofonisch:: (geluid) stereofonise {I}, sterfo {I}.

stereo-installatie:: sterfo-todreut {C}, sterf {C} (pop).

stereometrie:: stereometrij {C}.

sterfbed:: sterdelsat {C}.

sterfelijk:: dote-p {I}.

sterfgeval:: poirdfos {C}.

sterfte:: dotos {C}, sterdos {C}.

sterk:: (alg) miltef {I}; ~er maken (lett: versterken): miltefe {K}; (v koffie/karakter) rt {I}; (hard: v wind) mnt {I}; (ranzig: v boter) mitsiy {I; [mv=enk]}; (v verhaal) qurstoxelira {I}; (heel goed: v acteur, spel, optreden ed) styp {I}; een ~e voorstelling: eft styp stgos; ~e/alcoholische drank: spiryt {S}.

sterken:: (kracht geven) gjle {K}.

sterkstroom:: miltefelek {S}.

sterkte:: (alg) miltefiy {A; mv=enk}; (windkracht) mntiy {C}; (koffie/karakter) rtiy {A; mv=enk}; zijn ~/nut/kracht tonen: ofe {U}.

stern:: sterna {C} (L. Sterna); grote ~: hupster sterna (L. S- sandvicensis).

sterrenbeeld:: tostar {C}; .

STERRENBEELDEN
  (spr) (vakjargon)
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
20 jan 18 feb
19 feb 20 mrt
21 mrt 19 apr
20 apr 20 mei
21 mei 21 jun
22 jun 22 jul
23 jul 23 aug
24 aug 23 sep
24 sep 23 okt
24 okt 22 nov
23 nov 21 dec
22 dec 19 jan
Waterman
Vissen
Ram
Stier
Tweeling
Kreeft
Leeuw
Maagd
Weegschaal
Schorpioen
Boogschutter
Steenbok
Knurfelater
Fisas
Ramiy
Stajir
Teranty
Krefet
Lee
Vergiy
Drak-tiyn
Srpyre
rcatjen
Kolini-mitree
Aquarys
Pisces
Arjes
Tores
Geminiy
Cnser
Le
Virgo
Libra
Scorpj
Sagitarys
Capricrnes

sterrenkunde:: stroliy {C}; astrologie.

sterrenstelsel:: stareren {C}.

sterrenwacht:: (observatorium) star-zs {C}, pservatorym {C}.

sterrog:: ynt-zru'on {C} (L. Raja radiata).

stersteenbreek:: plezuvyty-kolinixog {C} (L. Saxifraga stellaris).

sterven:: dote {E}; (=overlijden) poirdfe {U}; (=doodgaan) sterde {E}; (=verrekken) ute {U} (vulg); hij is aan kanker gestorven: do doto tjg knks; op ~ liggen: ef paine dotelira; ef zerfe Erget.

steun:: (lett: stut) etla {C}, stunn {C}; (console voor [boeken]plank) nregtrp {C}; (lett: het steunen) etlos {C}; (fig: =steunpunt) stunnos {A}; (fig: =opbeuring) idemulos {A}; ~ vinden bij/in ...: ef minkede eft stunn luft/fes ....

steunbeer:: (=stut) mmts {C}.

steunen:: (lett: =leunen) stunne {U}; ~ op (lett: =leunen op): etlane {K}; het ~ (lett: =steun): etlos {C}; (fig) iemand ~ (financieel ed): stunne n rast {U}; ~ op (fig: berusten op): lenne {K}.

steunpunt:: (lett: =ondersteuning) stunnos {C}, etlanos {C}; (fig: =steun) stunnos {A}.

steur:: (vis) sturr {C} (L. Acipenser sturio).

steven:: (v schip) stamm {C}.

stevig:: (alg) styp {I}; (=sterk) miltef {I}; (=hecht/massief/solide) kiyp {I}; (potig: persoon) cmrta {I}; een ~e hap/soep/stamppot: eft miltef tft/upa/bre.

stevigheid:: (=stevigte) stypiy {A; mv=enk}; (=degelijkheid) stalatiy {C}.

stevigte:: (=stevigheid) stypiy {A; mv=enk}.

stewardess:: (alg) stevardess {C; mv= stevardessa}; (in vliegtuig) korsasjeus {C}.

stichten:: (v stad/staat ed) yjore {K}; het ~ (stichting): yjoros {C}; (=oprichten: v vereniging/stichting ed) laane {K}; het ~ (oprichting): laanos {A}.

stichter:: ( v stad/staat ed) yjoratjen {C}; (v vereniging ed) laanatjen {C}.

stichting:: (gebouw: instituut ed) yjosrt {C}; (instelling, organisatie) feslosos {C}; (het stichten) yjoros {C}, laanos {A}; (indien een eigennaam begint met de kwalificatie Feslosos [furt] ..., gaat het om een "stichting" in juridische zin (bijv Feslosos furt Baniylsta = Stichting voor Fobien); bij een zn samengesteld met feslosos gaat het om een instelling/organisatie in het algemeen (bijv eft zomar-feslosos = eft zomarte feslosos = een gemeentelijke instelling).

sticker:: (plakplaatje) gorbas {C}.

stiefkind:: (van wie de moeder overleden is) keltefanty {C}; (van wie de vader overleden is) hocils {C}.

stiefmoeder:: (elke vrouw die als moeder fungeert maar niet de natuurlijke moeder is) dykse {C}; (indien de natuurlijke moeder nog leeft) sientur-mlp {C} (ook: schoonmoeder).

stiefvader:: (man die de overleden vader "vervangt") sompfollus {C}; (indien de natuurlijke vader nog leeft) follus-mlp {C}; de stiefvaders (slechts mnl): ef follusz-mlp.

stiekem:: (heimelijk: wat niet verteld kan worden) neprs {I}; (in het geniep) fiysor {I} (pop); ~ doen: liyce {K}; ~ van plan zijn (in zijn schild voeren): caliyce {K}.

stier:: stajir {C}; jonge ~ (kalf: mnl rund): stuft {C}.

Stier:: (sterrenbeeld) Stajir {N}, Tores {N}.

stift:: pc {C}.

stijf:: (niet slap) kab {I}; ~ maken (verstijven): kabare {K}; ~ worden: kabe {U}; het ~ maken (verstijving): kabaros {C}; het ~ zijn (verstijving): kabos {C}; (=formeel) trtiy {I; [mv=enk]}; ~ persoon (houterig): olp {C}; stijve pik (erectie): slfiy {C} (vulg).

stijfsel:: kabta {S}.

stijgbeugel:: dupylfa {C}.

stijgen:: (lett) pjaqurre {U}; het ~ (stijging): pjaqurros {C}; (v temperatuur, stemming) farte-armt {U}; stijgen||dalen: xme {Uid}; [op]stijgen: .

stijging:: (het stijgen) pjaqurros {C}; (v temperatuur/stemming) fartos-armt {C}.

stijgingsregen:: preip-overcho {C}.

stijl:: (in kunst) still {C}.

stijven:: (v kleren) kabe {K}; het ~: kabos {C}.

stikken::

  1. (geen lucht krijgen) pje {U; gst= pp; vdw= pl}; het ~: pjos {C}; [doen] ~ (smoren): pjare {K}; het [doen] ~: pjaros {C}; (fig) ze laat haar kinderen ~ (ze geeft geen donder om haar kinderen): eup chnege ef ferr miskofas frpj sener efantys; stik! (schiet op!): jru!;
  2. (grof naaien) codrare {K};
  3. (overvloedig aanwezig zijn) ~ van (vergeven zijn van): ef melde ybervelira lef (pop); het stikt hier van de wespen: kusami melde ybervelira lef vnas.

stiksel:: codraros {C}.

stikstof:: nitrogenym {S}; van ~ gemaakt (stikstofhoudend): nitrogena {I}.

stikstofhoudend:: (van stikstof gemaakt) nitrogena {I}.

stil:: (geen geluid) flapirus {I}, silens {I}; ~ zijn: silencare {U}; (zonder beweging) verg {I}; ~[letjes] (zachtjes): plurt {I}; (=afgelegen) xog {I}.

stilhouden:: (=stoppen) festencate {K}, vergare {U}.

stilletjes:: (=onopgemerkt) tng {I}; (zachtjes) plurt {I}.

stilleven:: verg-poiros {C}.

stilstaan:: (niet [meer] bewegen) verge {U}; ~ bij (fig): telstje {K; gst= telst; wst= telst; vdw= telsen}; het ~ bij (iets): telstjos {A}; de ontwikkeling heeft niet stilgestaan: ef wlfa'ecos nert wro fes eft verg maklu.

stilstand:: vergos {C}; iets tot ~ brengen: ef qugle verg n flaju.

stilte:: (geen geluid) silenco {C}; (geen beweging) vergos {A}; (geen wind) dgter {C}; (=rust; geen verkeer of drukte) liry {C}; in ~ (stilletjes, heimelijk, onopgemerkt): tng {I}; ~ voor de storm (ook fig): ef dgter futtof ef bresk; enige minuten ~ (geen geluid): gopirus mitarr furt silenco; in [alle] ~ (zonder ruchtbaarheid of aankondiging; zonder zich te laten storen): fes sener lirys; de begrafenis heeft in ~ plaatsgevonden: ef terrafanos crchof'to fes sener lirys; ik wil in alle ~ kunnen werken: gress kurravy beri rme fes sener lirys.

stilzwijgen:: (ww) ~ over: llane {K}; (zn: zwijgzaamheid) lanos {C}; het ~ opleggen: lanare {K}.

stimuleren:: stimulere |..je| {K}; (opkrikken, aansporen) trekke-preip {K}; (=motiveren; tot een bepaalde inspanning aanzetten) ndvore {K}.

stimulering:: stimulao {C}.

stinken:: erve {U}; ~ [naar]: mrge [lo] {U}; een uur in de wind ~: ef erve calyje mns-hyber.

stinkend:: mrg {I}; ~ rijk: somn ielba.

stinksatijnzwam:: mrge-koibrer {C} (L. Entoloma sinuatum).

stinkzwam:: nort-falus {C}; grote ~: kea nort-falus (L. Phallus impudicus); kleine ~: fyg nort-falus (L. Mutinus caninus).

stip:: tjk {C}.

stippel:: tjk {C}.

stipt:: (=nauwgezet) viola {I}.

stiptheid:: (=nauwgezetheid) violl {C}.

stobbezwammetje:: (kleine bundelzwam) belt stobe-chnt {C} (L. Kuehneromyces mutabilis).

Stockholm:: Stkhlm {G}.

stoeien:: (=dartelen) pe {U}.

stoel:: ferdu {C}; hoge ~ (=kruk): hajlen {C}; laag ~tje (=krukje): rt {C; mv= rta}.

stoelleuning:: (=rugleuning) ferdublef {C}.

stoelpoot:: ferdu-lippio {C; mv/rsmv= ..-lippiones; rs= ..-lippt}.

stoelriem:: (=veiligheidsgordel: in auto) qurubos-giyrt {C}.

stoeltje:: stoel.

stoep::

  1. (trottoir) (verhoogd) platform {C}; (NIET verhoogd) kiyk {C}; (de meeste trottoirs in Spok zijn niet verhoogd);
  2. (opstap: voor deur ed) prart {C}; ze stonden onverwacht op de ~: ps menkerato net-chentamiym armt ef argerat.

stoeprand:: kiyk-brt {C}.

stoer:: ssiy {I; [mv=enk]}; (=gehard) sliy {I; mv=enk}; ~e kerel (met aantrekkelijk uiterlijk): sst {C}; ~e kerel (met nadruk op grofheid): lb {C}.

stoet:: (in het gelid lopende groep mensen/ganzen) xltos {C}; in een ~ meelopen: xlte {U}; (ongeordende groep mensen die iets volgen: =gevolg) somp {C}; (=optocht) gs {C}.

stof::

  1. (=doek/textiel) tpre {S}; fsto {SX > c; mv= fste; rsmv= fstott}; van ~/textiel gemaakt (stoffen): tpriy {I};
  2. (chemisch) rs {S};
  3. (voor een boek/lezing ed) ra {C};
  4. (fijn vuil) tst {S}.

stoffeerder:: fetuer {C}.

stoffelijk:: rsiy {I}; ~ overschot: frors {C}; (taalk) ~ substantief: rsiyer {C}, rsiy supstantiviy {C} (in de Spok taal: alle woorden die in dit woordenboek met {S} zijn gemerkt).

stoffen:: (van stof/textiel gemaakt) tpriy {I}.

stoffer:: tst-rg {C; mv= ..-reg}.

stoffig:: rr {I}, tstiy {I}.

stoffigheid:: (=vuiligheid) tster {C}.

stofje:: (=pluisje) tus {C}.

stofnaam:: rsos {C}.

stofwisseling:: froqulsfen {C}.

stofzaad:: plf dufja-efanty {C} (L. Monotropa hypopithys).

stofzuigen:: vkumme {U}; de kamer [stof]zuigen: ef vkumme fes ef mittus.

stofzuiger:: vkumm {C; mv= vkumo}.

stok:: (=staaf): zor {SX > c}; (bijv: vlaggen~: flzor); (alg) jeglazor; palo {C} (dl= Tigof/Lomky); (waarmee veehoed(st)er het vee opjaagt) pets {C}; (v letter, zoals bij b of q) tos {C; mv= tse}; (zitstok) grty {C}; de kippen gaan op ~: ef vults vende helkara ef grty; de kippen zitten op ~: ef vults lfeldre ef grty.

stokbrood:: Frakas-tjoks {C/S}.

stokdoof:: tan-deff {I}; (doof als een kwartel) deff lo ef prens rifo ef knurfel.

stoken::

  1. (actief bezig zijn met het aanmaken/aanwakkeren v vuur/kachel ed) flecse {K}; het ~: flecsos {C}; hij stookt de kachel hard op: do flecse hups ef warmohit;
  2. (actief bezig zijn met het aanhouden v vuur) strle {K}; het ~: strlos {C};
  3. (vuur/kachel aanhebben: zonder er iets aan te doen) lote {U}; zij ~ pas in november (zij doen pas in november de kachel aan): ps lote amii fes nofembry;
  4. (bepaalde brandstof gebruiken) [met] cokes ~: cocare {U}; [met] hout ~: crotare {U}; [met] olie stoken: oolare {U}; [met] steenkool ~: zjolare {U}; een stoomlocomotief die met cokes/hout/olie/steenkool gestookt wordt: eft cocarelira/crotarelira/oolarelira/zjolarelire frads;
  5. (=distilleren) strlizarde {K}.

stoker:: strler {C}.

stokerij:: (=distilleerderij) strlizardatjen {C}.

stokje:: ipjrf {C; mv= ipjst}; er een ~ voor steken: ef e eft palo ja ef cset.

stokoud:: kltiy {I}.

stokpaardje:: (fig) cirrlot {C}.

stokroos:: keldus-roza {C} (L. Alcea rosea).

stokstijf:: ~ blijven staan: giffare lo cryrtiy.

stokvis:: lenen {C}.

stollen:: (alg) kpe {K}; het ~ (stolling): kpos {C}; (v vet/bloed) brte {U}.

stolling:: (alg: het stollen) kpos {C}; (v vet/bloed) brtos {C}.

stolp:: rivef {C}.

stolsel:: brtos {C}.

stom:: (niet kunnende spreken) pchaquintiy {I}; (v letter/klank) koffon {I}; (sprakeloos) zlabiy {I}; (=dom/bot) pl {I}; ~ zijn (v persoon): ple {U}; te ~/dom zijn: plleve [beri/den] {U}; hij is te ~ om voor de duvel te dansen: do plleve beri terde tukst ten; ~ aanstaren (aangapen): gaffe {K}.

stomdronken:: ideqursor {I}; (=zat) pici {I} (spr), mes-pici {I} (spr).

stomen::

  1. (ontsnappen v stoom) tmpe {U}; de locomotief staat te ~: ef frads tmpelira;
  2. (voedsel gaar stomen) tmpare {K};
  3. (chemisch reinigen) gemislukte {K}, tmpare {K}.

stomerij:: (chemische wasserij) gemisluktos {C}.

stomheid:: (=botheid) pliy {A; mv=enk}.

stommerik:: (=uilskuiken) hpyja-nurp {C}; (=domkop) kokk-nurp {C} (pop); (=kluns) strt {C} (pej).

stommiteit:: strt-ups {C}.

stomp::

  1. (zn) (=duw) prynt {C}; harde ~: ofprynt {C}; ~ geven: bxe |ks| {U}; stompje.
  2. (bv) (bot: v mes) tiympiy {I}; (zonder punt: v neus) olosiy {I}; woord.

stompen:: prynte {K}, bxe |ks| {U}.

stompje:: (klein stukje potlood ed) olos {C}, tmp {C}.

stompzinnig:: neg-pl {I}.

stomverbaasd:: slat-klytjef {I}.

stoof:: (voetenwarmer) kjuptlot {C}.

stoofpan:: tjonder {C}.

stoofpot:: stoofschotel.

stoofschotel:: (alg: gestoofd gerecht) niynecos {C}; (Spok nationaal gerecht in 1 pan met groente, fruit, vlees of vis) bre {C/S; rs= bret}.

stookinstallatie:: burestek {C}.

stookplaats:: (=schouw) burestek {C}.

stoom:: (=damp) tmp {S}.

stoomboot:: (=stoomschip) tmpka {C}.

stoomketel:: bliy {C}, tmplot {C}.

stoomlocomotief:: tmpnolac {C}.

stoommachine:: tmpreut {C}.

stoomschip:: (=stoomboot) tmpka {C}.

stoornis:: sjelos {C}; (fig: =hinder) tygtjauberos {C}.

stoot:: (per ongeluk) bmk {C}; (=duw: iha opzettelijk) tk {C}, ommonecoliy |ommnecoliy/regelm.| {C}; met een ~/schok: lpt {I}; een hevige ~ (een harde duw): eft lpt tk.

stootblok:: (bij doodlopend spoor) grvnlot {C}.

stootkussen:: (ook: bumper) grvnos {C}.

stop:: (dop: om fles/bad ed af te sluiten) yg {C; mv= iygt}; (prop: gatdichting) kps {C}; (houten kegeltje/plug) jesk {C}; (=zekering) fst {C}; (=stekker: elektrisch) plg {C}; (in sok) qundra {C}; (het stoppen/ophouden) stpos {C}; ~!: (=halt!) halt!, stp!.

stopbord:: (verkeersbord dat tot stoppen dwingt) stpe-kfsrm {C}.

stopcontact:: (=wandcontactdoos) lydoslot {C}.

stopfles:: (flacon) yg-liskos {C; mv= ..-liskosz}.

stoplicht:: (=remlicht: achter op auto) pramstat {C}, stptat {C}; verkeerslicht.

stoppel:: (op veld) cjt {C}.

stoppen::

  1. (=ophouden) dfe [beri] {U}, fistre {U} (pop); Yvonn stopt om 5 uur met werken: Yvonn dfe beri rme kest 5 zurt; Yvonn fistre ef lrmos kest 5 zurt; ~ met (=ophouden met): stpe n {U}; het ~ (stop): stpos {C};
  2. (=stilhouden) (ihb na beweging) festencate {K}, vergare {U}; (ihb na rijden: v trein) verge {U}; de meeste treinen ~ niet in ons dorp: ef rlo trenos nert verge fes kult zeces; ~ bij (stil/halt houden bij): lstpe {K};
  3. (vullen: v gat) kpse {K}; (v sokken) qundrae {K};
  4. (=doen) paine {K}; je moet de vogel in de kooi ~: tu paint ef vogily fesdu ef mlarres; iets in de [broek]zak ~: sakoe flaju {K}.

stoppenkast:: fstlot {C}.

stopplaats:: (=halte: bus/tram) stpiy {C}.

stopsein:: (alg: =stopteken: gebaar of bord) stp-sn {C}; (bij spoorwegen: seinpaal of lichtsein dat "stop" vertoont) stpe-sn {C}.

stopteken:: (alg: =stopsein: gebaar of bord) stp-sn {C}.

stoptrein:: (=lokaaltrein) sutreno (soms ook: neftreno) {C}; (=boemeltrein) zeces-treno {C}.

stopverf:: mstek {S}; stuk/homp ~: msteksrf {C}.

stopzetten:: (stopgezet worden) de subsidie is stopgezet: ef supsiiy fistra.

storen:: (alg: ook v radio/tv) henke {K}; zich ~ aan: henke fes {Upr}; (iemand in zijn werk ed) sjele {K; vdw= ske}; het ~ (v iemand in zijn werk ed): sjelos {C}.

storing:: (alg) henkos {C}; (vrnl op radio en tv) henky {C}; in geval van ~, als zich een ~ voordoet: henkosami {I}.

storm:: mns {C}, bresk {C}; tegen de ~ in: mns-hyber {I}; een ~ in een glas water: eft mns nt eft upttel; ~ lopen (zeer druk bezocht worden): ef vende kaf ef dufja.

stormachtig:: (lett) mnsiy {I}; (fig) nramytelira {I}.

stormen:: (zware wind) mnse {E}; aan [komen] ~: drse {U}.

stormmeeuw:: zvellesnep-meve {C} (L. Larus canus).

stormram:: bosn {C}.

stormvloed:: (lett/fig) inelk {C}.

stormvogel:: Noordse ~: Yslandes-nesnep {C} (L. Fulmarus glacialis).

stortbak:: (v toilet) sglot {C}.

stortbui:: tiystos {C}.

storten::

  1. (v water/menigte ed) sge {U}; het ~: sgos {C}; de auto stort in de rivier: ef oto sge fesdu ef prusot; beton ~: ef kette tujen;
  2. (v geld op rekening) mitapilde {K}; gestort bedrag (op een bankrekening ed): mitapildos {C}; het ~ (v geld op rekening): mitapildos {A};
  3. zich ~ in (problemen: fig): ibjeffite {K}; zich ~ op (onderzoek ed): lplnse {K}.

storting:: (v beton/zand/grind ed) tujen {C}; (het storten: v geld op rekening) mitapildos {A}.

stortregen:: bidalos-sg {C}.

stoten:: bmke {K}, ommonecole |ommnecole/regelm.| {E}; zich ~: flpse {U}; ik stoot mijn elleboog: kost re ennef flpse; (=botsen) grvne {K}.

stotend:: (lett) ommon {I}.

stotteren:: tske {U}.

stout:: (=lastig) nerovret {I}; (=ondeugend) xg {I}; (=lastig/ondeugend) rvrete {I} (dl= Liftka); ~ kind (ondeugd): wyde {C}.

stoutmoedig:: (=boud) mmtsiy {I}.

stoutmoedigheid:: mmtser {A; mv=enk}.

stouwen:: (in schip) armtlade {K}.

stouwing:: armtlados {C}.

stoven:: (v vlees ed) stobe {K}.

straal:: (v licht/water/zon) chiqurs {C}; (v licht/water) rgt {C}; (v licht) nnk {C}; stralen (mv: schijnsel: v licht/zon/maan ed): nlos {C}; (meetkundig: v cirkel) raus {C}.

straaljager:: (=straalvliegtuig) jet {C}.

straalvliegtuig:: (=straaljager) jet {C}.

straat:: (alg) mirra {C} (afk= mra); (met bomen: =laan) plep {C}; (breed/belangrijk: =weg) weg {C}; [doodlopend] ~je (slop): toterf {C}; op ~, in de ~: tehaste {I}; kaf/fes ef mirra; over ~ zwalken: tff-chelte {U}; zie ook Straten in .

straatarm:: ruinn-pr {I}; pr lo eft fors kaf ef clamia.

straatgras:: tff-kles {S} (L. Poa annua).

straatje:: (=steeg) terf {C}; (in Peg) kliyf {C}.

straatjeugd:: (=schorem) tr {S}.

straatjongen:: bbr {C}.

straatmuzikant:: hast-musicer {C}.

straatnaam:: mirra-quanka {C}; zie ook Straatnamen in .

straatruzie:: (=opstootje/relletje) pla {C}, trert {C} (pop).

straatsteen:: (=klinker) krf {C}.

straf::

  1. (zn) pnyros {C}, tjel {C}; opleggen 3.
  2. (bv: krachtig: v wind) pit {I}.

strafbaar:: tjelblaf {I}; ~ zijn: tjelblafe {U}.

straffen:: pnyre {K}, tjelfe {K}.

strafkamp:: tjelfe-necn {C}.

strafport:: xyfolos-pstsmurf {C} (afk= XP).

strafrecht:: tjel-rigteren {C}; wetboek.

strak:: roit {I}, ux {I}; (gespannen: v elastiek/touw/zeil) pit {I}.

straks:: (=weldra) kelt {III}; ~ nog: velk kelt (iets dat onvermijdelijk zal gebeuren); ~ beroven ze haar nog: stus xstiche hepsatt velk kelt.

straktrekken:: (aantrekken: v touw) rpe {K}.

stralen:: (alg) strle {K}; (v licht) nnke {U}; (lett/fig: =schitteren) tjiykte {E}.

stralenbundel:: chiqurs-mlt {C}.

stralend:: (lett) tjiyk {I}.

straling:: (alg) strlos {C}; (lett/fig: schittering) tjiyktos {C}.

stram:: cray {I}, rett {I}.

stramien:: muriy-pildos {C}.

strand:: (vrnl langs zee) ager {C}; aan het ~: kaf ef ager; strand (kust): litoraliy {I}.

strandduizendguldenkruid:: ager-Eunnes-huron {C} (L. Centaurium littorale).

stranden:: doen ~: alycre {K; gst= alycer}; het schip strandt: ef z alycre ef kar.

stranding:: (v schip) alycros {C}.

strandjutter:: (in Spok een beroep) svme-lelder {C}.

strandkrab:: gewone ~: pleko-chertn {C} (L. Carcinus maenas).

strandloper:: (vogel) xifart {C} (L. Calidris); kleine ~: miterus xifart (L. C- minuta); paarse ~: littit xifart (L. C- maritima); kanoet~: grist xifart (L. C- canutus).

strandmelde:: brc {C/S} (L. Atriplex littoralis).

strandplevier:: ager-plier {C} (L. Charadrius alexandrinus).

strategie:: qurstoxuriy {C}.

stratenmaker:: (=wegarbeider) hastrif {C}.

streber:: (eerzuchtig mens) er {C}; (overmatig eerzuchtig persoon) gissramyt {C}.

streek::

  1. (geografisch) (=gebied) districa {C}; (=landstreek) manta {C}; zie ook Streken in ;
  2. (haal) (streling; het strijken) fyms {C}; (met penseel) uster {C};
  3. (daad) (zet/geestigheid) snep {C}; gemene ~: fkommos {C}, vlaxno {C}; rare ~ (kuur): bu {C}; (slimme/brutale daad) tach {C}; vol rare streken (vol kuren): buiy {I};
  4. (emotie) van ~ (=ontdaan): stugt {I}; (=ontsteld/ontdaan): jesmor {I}.

streekmuseum:: manta-musm = manta-muzm {C}, manta-aptoppat |-ato..| {Crs; mv/rsmv= ..-aptoppest}.

streekproduct:: manta-prodk {C}.

streep:: (lijn) lnt {C}; (kort streepje) tec {C}; schuine ~ (/): jag-lnt {C}; (onder een woord ed) lntos {C}; (smalle baan) prex {C}; (=haal/kras) zjf {C}; een ~ door het woord: eft zjf kura ef wufta.

streepje:: streep.

streepjescode:: (=barcode) prex-kote {C}.

streepvaren:: groene ~: lprexor zvelleferre {C/S} (L. Asplenium viride).

streepzaad:: mitr-krutt {C/S} (L. Crepis); klein ~: presr mitr-krutt (L. C- capillaris); vol ~ (alleen op Berref): rg mitr-krutt (L. C- plena).

strekken:: (alg) trne {K}; (=uitrekken) gvne {K}; de hals ~: ef riffe ef nurp lo hardlap.

strekking:: (=uitrekking) gvnos {C}.

strelen:: (=strijken) fymare {K}; (=liefkozen) zerre {K}.

streling:: (=streek; het strijken) fyms {C}; (=aai) aos {C}; (=liefkozing) zerros {C}.

stremmen:: (v verkeer) kafhindre {K; gst= kafhinder}; (v melk) palegte {K}; het ~: palegtos {C}.

stremming:: (v verkeer) kafhindros {C}.

stremsel:: palegtos {S}.

streng:: (bv) rbr {I}; (=gebiedend) br {I}.

streperig:: nnsu {I}.

stress:: stress {S}.

streven:: (pogen; trachten) teme {U}; ~ naar: nzje {K; gst= nss}.

strijd:: jesfs |jest/jefs| {C}, strett {C}; een ~ tegen iets (ook fig): eft strett qu flaju; in ~ met: meldelira pallequgel lef (vz-uitdr).

strijdbaar:: (=manhaftig) jesfe {I}.

strijden:: strette {E}.

strijder:: strettn {C}.

strijdig:: pallequgel {I}.

strijdlied:: jesfs-chafost {C; mv= ..-chafosten}.

strijdlust:: strette-tin {C}.

strijdlustig:: strette-tiniy {I}.

strijdvaardig:: (fig) pugnatiy {I}; ~ persoon: noln {C}.

strijdvraag:: progrm-linnos {C}.

strijkbout:: raddyf {Crs}.

strijken::

  1. (=strelen; met strijkstok) fymare {K}; het ~ (gestreel): fymaros {C};
  2. (v kleding) plette {K}; het ~ (v kleren): plettos {C};
  3. (v zeil/sloep) pre {K}; het ~ (v zeil/sloep): pros {C};
  4. (=smeren) meste |smeste/este| {K}.

strijkgoed:: plettos {C}.

strijkijzer:: helbimdros {C}.

strijkinstrument:: fymtyss {C; mv= ..tiysse}.

strijkkamer:: plettemit {C}.

strijkorkest:: fymgrup {C}.

strijkplank:: plette-kelbra {C}.

strijkstok:: fymazor {C}.

strik:: (=knoop) tejn {C}; (dierenval) klk {C}; in een ~ vangen (strikken): klke {K}; dier dat in een ~ gevangen zit: klkos {C}.

strikken:: (=knopen) tejne {K}; (in een strik vangen) klke {K}.

strikt:: (=streng) br {I}.

strikvraag:: riyft-linnos {C}.

strip:: strook.

stripverhaal:: fjy-pirmer {C}; fjypy {C} (kindertaal).

stro:: zer {S}.

strodak:: zerzill {Crs}.

stroef:: (lett/fig: niet glad/soepel) st[r]yniy {I; [mv=enk]}; (oneffen: v oppervlak) greps {I}.

strofe:: (=couplet) zimalo {C}.

strohoed:: korfe {C}.

stroken:: ~ met: trgjue lef {U}.

stromen:: (alg: =vloeien) klte {U}; (ihb v water) vende {U}; het gat stroomt vol [met] water: ef klafas klte-rg lef knurfel; het ~ (fig): lyna {C}; over de rand ~ (lett: overlopen): zanyke {K}; op het punt staan om over de rand te ~/lopen: nyke {K}; langzaam gaan ~ (v water: omdat het op het punt staat om te gaan bevriezen): kerte {U}; stroperig.

stroming:: (lett/fig) kltos {C}; (=stroom: v water) hksa {C}; (=drift) svm {C}; (trend, tendens) jeklbos {A}.

strompelen:: stmple {U; gst= stmp}.

stronk:: (boom) strnc {C}.

stront:: cht {S}, st[r]f {S}; (=kak) pk {S} (vulg).

strontlazarus:: mes-pici {I} (spr).

strooien:: jiyxe {K}; (=zaaien) gisse {K}; het ~ (het zaaien): gissos {C}.

strooiing:: (=gestrooi) jiyxos {C}.

strooisel:: jiyxos {S}.

strook:: (alg: =band/reep/strip) bent {C}, bjelt {C}; (v papier ed) ryf {C}; (v metaal/plastic ed) ryfa {C}; (v leder: =riem) ryf {C}; (gras/bos/water ed) rek {C}; open ~/plek in bos (gekapt: =tra): kpl {C}.

stroom:: (stroming: v water) hksa {C}; met de ~ mee: furt ef hksa; (elektrisch, NIET v vloeistof) lyna {C}, el {S} (spr).

stroomafnemer:: (op tram, trein) chylfer {C}.

stroomafwaarts:: px {I}.

stroomgebied:: (=rivierengebied) neto {C}.

stroomlijn:: kltkerrdravos {C}.

stroomopwaarts:: hyber {I}.

stroomversnelling:: frs {C}; (fig) in een ~ raken: ef tasse fes eft frs.

stroop:: (dik: v suiker) krai {S; rs= krait}; (dunner: =siroop) sirop {S}.

strooptocht:: (=rooftocht) maquipoh {C}.

strop:: (=galg) yrmvriy {C}; (=tegenvaller) perlot {C}, vuzindre {C}.

stropdas:: cravato {C}.

stropen:: (jagen) prtje {K; gst= pret; wst= prt; vdw= prt}; gestroopt dier: prtjos {C}.

stroper:: prtjatjen (prtatjen) {C}.

stroperig:: (als stroop) zp {I}; ~ worden (v warme vloeistof die afkoelt): kerte {U}; stromen.

stropharia:: roodbruine reuzen~ (paddenstoel): Plsten-rafeo {C; rs= ..-rafette} (L. Stropharia rugosoannulata).

strot:: ru'egg {C}.

strottenhoofd:: ru'eger {C}.

strubbeling:: ~en (problemen met onenigheid of ruzie): towerv {S}.

structureel:: strkturela {I}.

structuur:: strkturiy {C}.

struik:: lyot {C}; (=heester) srialyot {C}; verdorde ~: cht {C} (arch).

struikbegonia:: lojiy-begonja {C} (L. Begonia metallica).

struikelblok:: tygtjauberos {C}.

struikelen:: falle {E}; ~ over iets: fallare flaju {K}; falle kura flajue (rs!); (v paard) biyre {U}.

struikelpartij:: (alg) fallos {C}; (v paard[en]) biyros {C}.

struikgewas:: tosrialyt {C}; klein ~ (bosje): trek {C}.

struikheide:: morer {C/S} (L. Calluna vulgaris).

struikrover:: hast-maquijy {C}.

struis:: (=fors) brulapiy {I; [mv=enk]}.

struisgras:: jqu-kles {S} (L. Agrostis); gewoon ~: presr jqu-kles = fyg jqu-kles (L. A- tenuis); wit ~: blakker jqu-kles (L. A- stolonifera).

struisvaren:: jqu-ferre {C/S} (L. Matteuccia struthiopteris).

struisveermos:: strt-fedre {C} (L. Ptilium crista-castrensis).

struisvogel:: strt {C} (L. Struthio camelus).

studeerkamer:: oltakiymit {C}.

student:: stdent {C}; [zeer] ijverige ~: pleftiyer {C} (pop); ~ zijn (studeren): ef gre pleftiy {C} (pop).

studeren:: stdere {U}; oltake {K}; het ~ (studie: het actief bezig zijn): stderos {C}; medicijnen/taal ~: ef oltake pgen/lngr; (student zijn) ef gre pleftiy {C} (pop).

studie:: (bestudering; ook: muzikale compositie bedoeld om later uit te werken tot groter geheel) oltakos {A}; ~ maken van ([be]studeren): oltake {K}; (beoefening ve vak) stos {C}; (geschrift/voorwerp/tekening ed) stderafiy {C}; (het studeren; het actief bezig zijn) stderos {C}; een ~ voor cello en piano: eft oltakos furt vjolensell n pjano.

studiebeurs:: (=[rijks]studietoelage) garenta {C}.

studieboek:: beld'mimpit |belm..| {C}, belmip {C}.

studiegenoot:: stdere-ralaer {C}.

studietoelage:: studiebeurs.

studio:: (v radio/tv) rlfmit {C}.

stug:: (lett: niet mee willen geven) bots {I}; (lett/fig: niet glad/soepel) st[r]yniy {I; [mv=enk]}; (onvriendelijk) herfy {I}.

stugheid:: (lett) botsiy {C}; (fig: v personen) botsiy {A; mv=enk}.

stuifmeel:: svusa {S}.

stuiptrekking:: rulliy {C}.

stuiten:: (tegenhouden) kre {K}; ~ op (fig): kerksare {K}; (=stuiteren: v bal) paake {U}.

stuitend:: pallepjl {I}.

stuiteren:: (v bal) paake {U}.

stuiting:: (tegenhouding) kros {C}.

stuitje:: start {C}.

stuiven:: (lett: zand/sneeuw) ske {U}; [doen] ~: skare {K}; het ~: skos {C}; de wind doet het zand ~: ef omelech skare ef pleko.

stuk::

  1. (zn)
    1. (deel v iets; ding) tiyn {C}; in ~ken (in mootjes): ttlep-leptt {III}; hij heeft de tafel in ~ken gehakt: do ef kelbra rie lo ttlep-leptt; in ~ken slaan (inhakken op): berke {K; gst= berek}; het in ~ken slaan (gehak): berkos {C}; 5 6 ~s 10: 5 tukst 6 tiyns ri'ef 10;
    2. (=brok) lep {C};
    3. (toneel-/muziekstuk ed) st {C};
    4. (fig) van zijn ~ brengen: koldre-kest {Krs; gst= kolt-kest; wst= kold-kest; vdw= koldr-kest}; iemand die zich niet van zijn ~ laat brengen: mast {C}; gauw van zijn ~ gebracht (labiel): slipurus {I}; op het ~ van: frpj ef tiyn rifo (vz-uitdr); een ~ of (zon, ongeveer): effers {I}; een ~ of acht mensen: effers ke veldurs.
    stukje.
  2. (bv: =kapot) tirdus {I}, frx {I}.

stukadoor:: plst[r]aber {C}.

stukadoorwerk:: gepsos {C}.

stukadoren:: plst[r]abe {K}, gepse {K}.

stukbreken:: tirdusbne {U}.

stukgaan:: kapotgaan.

stukje:: (deeltje v iets; eindje: papier/touw ed) tt {C}; (worst ed) kanas {C}; ~s worst: soza-kanasz (als borrelhapje ed); in ~s scheuren (versnipperen): ttpiylase {K}, ttare {K}; in ~s gesneden/gehakt (v groente/fruit ed): ttiy {I}; een ~ (een beetje) groter/verder: hupster terat/lilepiy fes eft h tt.

stukmaken:: (=kapotmaken) tirdusriffe {K}; kind dat alles stuk maakt: plnder {C}.

stuks:: stuk A.1.

stulpen:: (=uitstulpen) pvmpe {U}.

stumper:: zoll {C}.

stunt:: strek {C}.

stuntman:: strek-darer {C}.

sturen:: (v auto) lenke {K}; (v alle vervoermiddelen, behalve auto; ook fig: ergens richting aan geven) rozjepe {K}; (=verzenden) zlbinase {K}; iets ~ aan/naar iemand: ef zlbinase flaju n rast; voor zich uit ~/zenden: zlbinase-furt {K}.

stut:: (lett: steun) etla {C}; (lett: ondersteuning) moios {C}; (steunbeer) mmts {C}; (lett/fig: hoeksteen) mtos {C}.

stutten:: (lett: ondersteunen) moie {K; gst= moit; vdw= mt}.

stuurboord:: stubert {C}; aan ~: stubertiy {I}; kaf stubert.

stuurcabine:: (in vrachtauto) hc {C}.

stuurhuis:: (stuurhut: op schip) quratjen-celf {C}, rozjeplot {C}.

stuurhut:: cockpit |kok..| {C}; (op schip) quratjen-celf {C}.

stuurinrichting:: (=besturing) torozjepos {C}, tolenkos {C}.

stuurkolom:: (=stuurstang) loin-zeff {C}.

stuurloos:: het schip drijft ~ rond: ef kar quze.

stuurlui:: de beste ~ staan aan wal: (sprkw) ef claler rafane n ef krodr, kol do krodurt ef tjoks.

stuurman:: (=bestuurder: v vervoermiddel, behalve auto) rozjeper {C}; stuurlui.

stuurmanskunst:: rozjepecur {C}.

stuurstang:: (=stuurkolom) loin-zeff {C}.

stuurwiel:: [oto-]rozjep {C; mv= [oto-]rozjep}.

stuw:: (in beek/rivier) klte-dl {C}.

stuwdam:: lardae-tex {C}, bra |bra/brA| {C; mv= braes}.

stuwen:: kafierque {K}.

stuwing:: kafierquos {C}.

stuwmeer:: lardae-ses {C}.

styropor:: (schuimplastic) fomm {S}; stuk/brok ~: fommtiyn {C}; van ~ gemaakt: fommiy {I}.

subatomair:: ~ deeltje: atomerr nefkanas {C}.

subject:: (taalk: =onderwerp) supjecc {C}.

subjectief:: (taalk: wat betreft het onderwerp) supjekteff {I}.

subjectiviteit:: subjectiviteit||objectiviteit (partijdigheid||onpartijdigheid) tsp {Aid}; .

subsidie:: supsiiy {C}; 200 miljoen herco aan ~: 200 meln herco furt supsiiy; een ~ van het District Jelafo (gegeven door): eft supsiiy pai Jelafoex ef Lebl.

substantie:: (alg) sti {S}.

substantief:: (taalk: zelfstandig naamwoord) tiynelder {C}, supstantiviy {C}; abstract; concreet; semi-concreet; stoffelijk.

substantivisch:: (taalk: als zelfstandig naamwoord) supstantivise {I}.

subtiel:: zoft {I}.

subtropisch:: totropise {I}.

succes:: skes {SC}, zoss {SC; mv= zosta}; ~ boeken: ome {U}; zonder ~ (onverrichter zake): rpte-xstich {I}.

succesnummer:: (=tophit) tp {C}.

successierechten:: (ong) mipzurrere-la'yc-tx {C} (afk= milat); milat {C}.

succesvol:: zossludi {I}; (=geslaagd) om {I}, m {I} (arch); (wat meetelt, ertoe doet) lo juftelira; ~ zijn: ome {U}, me {U} (arch).

sudderen:: koke {U}, trte {E}.

suf:: (=sloom) duff {I}, dm {I}.

suffen:: (=soezen) hme {U}; (=dromen) lme {U}.

sufferd:: hmatjen {C}.

suffig:: (=doezelig) blriy {I; [mv=enk]}.

suffix:: (taalk: =achtervoegsel) mipfiy {C}.

suggereren:: mitamorise {K}.

suggestie:: mitamorisos {C}.

suiker:: sucro {S}.

suikerbiet:: sucrolse {C}; .

suikerbietenteler:: (suikerbietenverbouwer) sucrolse-rpoer {C}.

suikerfabriek:: sucroriff {C}.

suikerglazuur:: (=glac) sucro-glazera {S}.

suikerklontje:: wik {C}, sucrotiyn {C}.

suikerpot:: sucro-pt {C}.

suikerriet:: sucro-ritt {S}.

suikervrij:: idesucror {I}.

suikerzakje:: sucro-hull {C}.

suikerziekte:: grum-kvlo {C}.

suite:: (muziek) svitt {C}; (2 of meer kamers achter elkaar) ensvitt {C}.

suizen:: chyve {U}, zmme {E}.

sukade:: skatt {S}.

sukkel:: (=kluns: onhandig persoon; zowel mnl als vrw) tde {C}, prp {C} (pop).

sukkelen:: (hannesen; onhandig doen) cramre {U}; (met gezondheid; moeilijk voortbewegen) crloste {U}.

sul:: (=lummel) nokt {C}.

sulfaat:: sulfatiy {S}.

sulfiet:: sulfitiy {S}.

summier:: fyg {I}.

superieur:: (=allerbeste) superierr {I}; ~ zijn [aan] (er bovenuit steken): proe [armt] {U}; zichzelf ~ voelend (op iedereen neerkijkend): ytraiy {I}.

supermarkt:: (in Spok vooral: grote winkel [met weinig keus], maar grote voorraden en lage prijzen) lorerde-srt {C}.

supertanker:: (heel groot tankschip) super-tenkka {C}.

suppoost:: (=zaalwachter) zalas-gert {C}.

supporter:: (v sportclub) hajemjerer {C}.

surfen:: surfe {U}.

surfplank:: surfe-olg {C}.

Surinaams:: (bv) srinama {IIef}; ~e vrouw: Srinama {Cef}.

Suriname:: Srinama {G}.

Surinamer:: Srinamy {Cef}.

surplus:: (=overschot) vek'net {C}.

surrealisme:: (als kunststroming) surrealesmiy {SCrs}.

surrealistisch:: (als kunststroming) surrealistise {I}.

surrogaat:: (=vervangingsmiddel) replass {C; mv= replassa}; (namaak) tonziy {C} (pej); (bv: kunstmatig) kratiy {I}; ~koffie: kratiy cafer.

sursance:: ~ [van betaling]: smurfmiptrekkos {A}.

sussen:: (doen bedaren) ftachare {K}; in slaap ~: wurre {K}.

suzerein:: ssrn {I}.

Swazir:: Svazilando {Cef}.

Swaziland:: Svazilandes {G}.

Swazilands:: (bv) Swazisch.

Swazisch:: (bv: Swazilands) svazilandes {IIef}; ~e vrouw: Svazilanda {Cef}.

syllabe:: (=lettergreep) troj {C}, toroji {C; rs= torojite}.

syllabisch:: sylabise {I}.

symbiose:: ypro-nopros {C}.

symbolisch:: symbolise {I}.

symbool:: (alg) symboliy {C}; (=teken) priva {C}; het crana-teken is het ~ voor de Ergynne: ef crana melde ef Ergynne-priva; ef crana melde ef priva furt ef Ergynne.

symfonie:: symfoniy {C}.

symmetrie:: symetrij {C}.

symmetrisch:: symetrise {I}.

sympathie:: rako {Aef}.

sympathiek:: rako {I}, st[r]aliatan {I}.

symposion:: sympoon {C}.

symptoom:: kin-ldo {C}.

synagoge:: synagogg {C}.

synchronisatie:: syngronisao {C}.

synchroniseren:: syngronisere |..je| {K}.

synchroon:: syngroniy {I; [mv=enk]}.

synoniem:: (zn) synonimiy {C}; (bv) synonimise {I}.

syntaxis:: syntx {C}.

synthese:: syntesiy {C}.

synthetisch:: syntetise {I}.

Syri:: Syriy {G}.

Syrir:: Syriyno {Cef}.

Syrisch:: (bv) syriy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Syriyna {Cef}.

systeem:: systemm {C}; (in samenstellingen) eren = jeren {SX.c > c}; belasting~: txeren; smeer~: feleren.

systematisch:: systematise {I}.

 

© (2000) De Twee Hanen v.o.f. Kimswerd The Netherlands

DICTIO