Woordenboek
Spokaans-Nederlands | Nederlands-Spokaans

SpokaansNederlands     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

NederlandsSpokaans     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 

b:: (naam vd letter B) be {C}; zeggen.

baai:: (=inham: smal) fonis {C}; (=inham: breed) mg {C}; (=kreek: breed en ondiep) pnk {C}.

baal:: kimp {C}, ball {C}.

baan:: (=betrekking) jobiy {C}, cijazuit {C}; (=reep: textiel) l {C}; (strook grond: renbaan ed) vliy {C}; (=tennis-/kegelbaan ed) blufk {C}, rutt {C}; (v planeet, projectiel) skn {C}; het is van de ~: ef melde kaf ef ovap; iets in goede banen leiden: ef ripje flaju lango ef hytc skn lef uss; (sprkw) iets op de lange ~ schuiven: ef rgvne flaju fes ef ker (uitstellen en hopen dat het vergeten wordt).

baanbrekend:: slinrelira {I}; ~ onderzoek: slinrelira qulapp.

baanbreker:: (=pionier) skn-dreuter {C}.

baanvak:: (deel ve spoorlijn) rutt-kanas {C}.

baanwachter:: rutterdrer {C}.

baar::

  1. (zn: =draagbaar/brancard) tins {C}.
  2. (bv: geld) clenn {I}.

baar:: att; amiy; n SN.

baard:: brbe {C}; ~je (=sik): ets {C}.

baardeloos:: net-brbor {I}.

baardstoppel:: mirtmp {C}.

baardvleermuis:: brbe-grmiyl {C} (L. Myotis mystacinus).

baarheid:: amer SN.

baarmoeder:: myzlsrt {C}.

baars:: stk {C} (L. Perca fluviatilis) (Spok variteit: gevlekte ~: L. P- punctata).

baas:: (=directeur) nurp {C}; (=chef) was {C} (iro); de ~ spelen: ef nzje sener envanos.

baasje:: (v huisdier) yrge {C}.

baat:: (=nut) mncros {A}; iets te ~ nemen (=aangrijpen): hendre flaju {K; gst= hender}; ef putte flaju fara ef mncros; te ~ nemen (=aanpakken): nastae {K}; ~ vinden bij: axerme kura |X| {U}; baten en lasten: mncros-ur-mul {C}; ten bate van: armt ef ypro furt {C} (vz-uitdr).

babbelen:: dedde {U}; premme {U} (dl= Noord-Liftka); pludde {U; gst= plut} (dl= Munt/Ziyp).

babbelpraatje:: deddos {C}.

baby:: baby {C; mv= babes}, kamy {C} (dl= Cheetuc).

babysitter:: babyerdrer {C}.

babyverzorgster:: (=baker) maqurfiy {C}.

bacterie:: bakteriy {C}.

bacteriologie:: baktereoliy {C}.

bacteriologisch:: baktereologise {I}.

bacterioloog:: baktereolche {C}.

bad:: (ook badkuip) wik {C; mv= wika}; wikto {C} (arch); in ~ zitten: wike {Upr}; ef melde fes ef wik (spr); een ~ nemen: ef putte eft wikos.

badbroek:: (=zwembroek) knurfel-bof {C}.

baden:: (bad nemen) wike {U}; het ~: wikos {C}; (zwemmen: in open water) orefante {U}; (in zee) ze {U}.

badgast:: wikatjen {C}, wike-gs {C}.

badhanddoek:: wikfsto {C; mv= wikfste; rsmv= wikfstott}.

badhokje:: wik-keste {C}.

badhotel:: (particulier hotel aan zee of meer) wik-hotela {C}.

badhuis:: (=kuurbad) prsuntik {C}; (=badinrichting) wik-srt {C}; zie ook Badhuizen in .

badinrichting:: (=badhuis) wik-srt {C}.

badjas:: (=badmantel) wik-kas {C}.

badkamer:: wiktomit {C}.

badkuip:: wiklot {C}, wik {C; mv= wika}; wikpt {C} (kleiner dan wiklot).

badmantel:: (=badjas) wik-kas {C}.

badmuts:: mir-zieo {C; rs= ..-ziet}.

badpak:: (=zwempak) knurfel-sut {C}.

badplaats:: wiksr {C}; (aan zee: zeebad) z-wiksr {C}.

badstrand:: wik-ager {C} (strand met faciliteiten om te zwemmen ed).

badwater:: (sprkw) het kind met het ~ weggooien: ef leste ef martt (rs!) nosef ef iynk-splkke (rs!).

bagage:: tiyns {Cmv}, wagg {S}.

bagagedepot:: wagg-simajos {C}.

bagagedrager:: (v fiets) tiyns-tins {C}.

bagagerek:: (=imperiaal: op auto) wagg-zillepip {C}.

bagageruimte:: (=vrachtruimte) wagglot {C}.

bagagewagen:: (in trein) waggnolac {C}.

bagatelliseren:: syfjrte {K}; (iets minder belangrijk voorstellen dan het is): ef obiyre flaju kaf ef ramiy-nregt.

baggeren:: bgre {K; gst= bgg; vdw= bgas}.

baggering:: bgros {C}.

baggermolen:: bgeriy {C}; [grote] ~ (op zee): medriy-ycher {C}; (vrnl op de Trendon) fyg vluto {C}.

Bahamaan:: (man vd Bahama's) Bahamany {Cef}.

Bahamaans:: (bv) bahama {IIef}; ~e vrouw: Bahamana {Cef}.

Bahama's:: de ~: Bahama {G}.

Bahrein:: Barenn {Gef}.

Bahreiner:: Barenny {Cef}.

Bahreins:: (bv) barenn {IIef}; ~e vrouw: Barenna {Cef}.

baileybrug:: Bailey-pnt |Eng.| {C}.

bajes:: (=bak/nor) jall {C} (pop), qundr {C} (pop).

bajonet:: bajonett {C}.

bajonetfitting:: (voor gloeilamp) [ondro-]-gre-lelder {C}.

bajonetsluiting:: -gre-fest {C}.

bak:: (=doos) tr {C}; (v metaal/steen/plastic; bijv plantenbak) iysteh {C}; (=trog) prajilot {C}; (voor drinken, eten ed) alot {C}; (nor/bajes) jall {C} (pop), qundr {C} (pop); (=mop: meestal schuin) gluff {C}.

bakbeest:: dracc {C}, elefnt-tiffug {C}.

bakboord:: babert {C}; aan ~: babertiy {I}; kaf babert.

baken:: gratyliy {C}.

baker:: (=babyverzorgster) maqurfiy {C}.

bakermat:: (fig) ilchae {C}.

bakfiets:: tiyns-pitter {C}.

bakhuisje:: (apart gebouwtje met oven) frioiy {C; rs= frit}; (bij klemk; soms uitbouw aan schuur) lmt {C}.

bakkebaard:: rifom {C; mv= rifomi}.

bakken::

  1. (v deegwaren) krodure {K}; (v klei) klalbe {K};
  2. (=braden: vis/vlees ed) (intrans) gyne {U}; (trans) lgyne {K}; de vis bakt: ef fisa gyne; zij bakt de vis: eup lgyne ef fisa.

bakker:: krodr {C}.

bakkerij:: krodurs {C}.

bakkes:: (=smoel) kegt {C} (vulg).

baksel:: (=bakwerk) kroduros {S} (soortnaam: alles wat v deeg gebakken is); (concreet voorwerp) tokrodur {C}.

baksteen:: (alg) kolini {C/Sef}; (materiaal) derrs {Sef}; (voorwerp) derrs {Cef}, briyk {C}; tiyn {C} (dl= Peg); (bep soort grijze ~, vrnl in Peg) flk {C}; (bep soort rood of groen geglazuurde ~, vrnl in Bloi) tigge {C}; van ~ gemaakt (bv: =bakstenen): derrs {I}.

bakstenen:: (v baksteen gemaakt) derrs {I}.

bakwerk:: (=baksel) kroduros {S} (soortnaam: alles wat v deeg gebakken is); (concreet voorwerp) tokrodur {C}.

bakzeilhalen:: (=terugkrabbelen) prare {Upr}; (minder hoge toon aanslaan: toon).

bal::

  1. (rond voorwerp) (=bol) kp {C}; (=bal) bl {SX > c}; [rubberen] ~ (=speelbal: alg; hoeft niet per se van rubber te zijn): gmbl {C}; sneeuw~: snbl {C}; (sprkw) je weet nooit hoe het ~letje kan rollen (hoe een koe een haas vangt): ef kbo gtec zft armt wefot.
  2. (=dansfeest) bala {C}.

balans:: (met arm en 2 schalen) drak-tiyn {C}; (lett: =evenwicht) tygtjadraka {C}; (boekhouden) reparr {C}; (v stereogeluid) glistipros {A} in ~ (in evenwicht): (lett) olaniy {I}; in ~ zijn (stabiel zijn: niet omvallen): olane {U}.

baldadig:: fitsec {I}, nosiy {I; [mv=enk]}.

baldadigheid:: sprot {C}.

balein:: balynn {C}, kval-knociy {C}.

balie:: bar {C}; (bij rechtbank) bert {C}.

balk:: (dik: v hout) trajiy {C; mv= trjen}; (v metaal) giyrt {C}; (dwars op een trajiy of giyrt) grde {C}.

Balkan-den:: Kulano-sparot {C} (L. Pinus peuce).

balkon:: (aan huis; 1e verdieping in theater) blcon {C}; (in trein, tram) plt {C}.

ballade:: (in Spok, 15e-17e eeuw, begeleid met prggah) karja {C}.

ballast:: iylft {C}; (als zwaar gewicht) svartiy {C}.

ballen:: (balspel beoefenen, met een bal spelen) ble {U}.

ballerina:: balettera {C}.

ballet:: balett {C}.

balletdanser:: baletter {C}.

balletdanseres:: balettera {C}.

balletje:: bal A.

balling:: chealmper |..amp..| {C}.

ballon:: balna {C}.

ballonvaren:: balnzle {U}.

ballotage:: luftvotos {C}.

ballote:: stinkende ~: koffonkue {C} (L. Ballota nigra foetida).

ballpoint:: ferflappa {C}.

balpen:: ferflappa {C}.

balsahout:: blsa {Sef}; van ~ gemaakt: blsa {I}.

balsahouten:: (van balsahout gemaakt) blsa {I}.

balsem:: (=zalf) balsem {S}.

balsemen:: lbalseme {K}.

balsempopulier:: zwarte ~: Ameriy-peple {C; mv= ..-pepln} (L. Populus trichocarpa).

balspel:: (ihb voetbalspel) blmert {C}.

balsport:: blsport {C}.

Baltisch:: de ~e landen/staten: ef Bltiyc-arks/stats.

balustrade:: (=overloop) mehan {C}, mehn {C} (dl= Peg); (=leuning) haiyrumos {C}; (=hekwerk) irre {C; rs= irrete}.

bamboe:: bambu {S}; van ~ gemaakt: bambuiy {I}.

ban:: chacc {C}; in de ~ doen: chaccare {K}; in de ~ van: fes ef grp rifo.

banaal:: fonna {I}.

banaan:: wananj {C}.

band::

  1. (=reep/strook) bjelt {C}, bent {C}; elastieken ~: olijaparorr {C}; lopende ~ (=transportband): xole-bjelt {C};
  2. (=auto-/fietsband) bent {C}; lekke ~: rk {C}; de auto heeft een lekke ~: ef oto melde fes rk;
  3. (=relatie) araros {A}; ~ scheppen tussen: arare {K};
  4. (fig) bjeltos {A}; aan ~en leggen (fig): hue {K; gst= hut; vdw= hs}; het aan ~en leggen: huos {A}.

bandeloos:: (=vrijgevochten) nehuor {I}.

bandiet:: papgy {C}.

bandrecorder:: bentfester {C} (pop).

banen:: (v weg) mitaloine {K}.

bang:: baniyl {I}; iemand ~ maken: nkestare rast; ef qugle nkest n rast; ~ zijn voor: baniyle {K}; ~ zijn: nkeste {U}; ~ om fouten te maken (=faalangst): fotelbaniyl {I}; zo ~ als een wezel: xmp-queff {I}.

Bangladesh:: Bngladee {G}; Bengalees enz.

bank::

  1. (geld) benc {C}; het geld staat op een Zwitserse ~: ef smurf melde fes eft sanoprof benc; zie ook Banken in .
  2. (om op te zitten) (alg) bankres {C}; (=canap; gestoffeerd met achter- en zijleuningen) messat {C}, mezzat {C}; (eenvoudig, zonder leuningen) feltegt {C}; tafel~ (tweepersoonsbank met tafeltjes ipv armleuningen): kelbrasat {C}; tuinbank.

bankbiljet:: jeji {C}; een ~ van 10 : eft amain-jeji {C}; zie ook Bankbiljetten in .

bankcheque:: benc-ecc {C} (afk= B).

banket:: (=feestmaal) mala {C}; (=cake) printiy {S}, toriyst {C}.

banketbakker:: krodr {C}.

banketbakkerij:: krodurs {C}.

bankier:: bencer {C}.

bankloper:: benc-yrgt {C}, (vrw) benc-yrgtina {C; mv= ..-yrgtinas}.

bankpasje:: (=debit card) benc-krta {C}.

bankrekening:: zolle-nota {C}; (waarvan de periodieke posten automatisch worden afgeschreven) otozolle-nota {C} (afk= OZN); een ~ openen: ef le eft zolle-nota; geld op een ~: smurf fes eft zolle-nota.

bankrekeningnummer:: zolle-nota-hor {C} (afk= ZNH).

bankroet:: bencrott {I}; ~ gaan: bencrotte {E}.

bankschroef:: vosite {C}.

bannen:: chealmpe |..ampe| {K}.

banning:: chealmpos |..amp..| {C}.

banvloek:: chacc-vlukk {C}.

bar::

  1. (zn)
    1. (=caf) pntel {C}, cy {C} (dl= Liftka); (=kroeg/tent) flerrt {C; mv= regelm.} (pop); zie ook Bars in ;
    2. (toonbank in een caf, maar niet het caf zelf) baliy {C}.
  2. (bv) (=erg) graviy {I}; (=guur) noiy {I; [mv=enk]}.

barak:: bracc {C}.

barbaar:: rzet {C}.

barbaars:: (=onmenselijk) rze {I}.

barbaarsheid:: (barbaarse daad) rzeta {SC}.

Barbadaan:: (man uit Barbados) Brbadsy {Cef}.

Barbadaans:: (bv: uit Barbados) brbads {IIef}; ~e vrouw: Brbadsa {Cef}.

Barbados:: Brbads {G}.

Barbarakruid:: gewoon ~: brbarea {C/S; rs= brbareat} (L. Barbarea vulgaris).

barbeel:: (vis) brbel {C} (L. Barbus barbus).

Barbuda:: Brbuda {G}.

barcode:: (=streepjescode) prex-kote {C}.

baren:: myzle {K}.

barenskramp:: (=wee) myzlos {C}.

baret:: leteh {C}.

barg:: (gecastreerd varken) ygert {C}.

barmhartig:: dres-zefn {I}.

barmsijs:: littit-basc {C} (L. Acanthis flammea).

barnsteen:: (stof) bureini {S}; [stuk] ~ (barnstenen voorwerp): bureiniyn {C}; van ~ gemaakt (=barnstenen): bureiniy {I}.

barnstenen:: (v barnsteen gemaakt) bureiniy {I}; ~ voorwerp: bureiniyn {C}.

barometer:: baro-messer {C}.

baron:: jolarater {C}.

barones:: jolasjeus {C}.

barrevoets:: (=blootsvoets) nucer tetiffuge {I}.

barrire:: (lett) dl {C}; (=afzetting) siyr {C}; (fig) brjerr {SC}.

bars:: (=nors) krem {I}, siytine {I}; ~ vragen (=gebieden): rke {K}.

barst:: brstos {C}; (=breuk) tundart {C}.

barsten:: brste {E}.

bas:: (stem) bs {C}; (snaarinstrument) bsa {C}; op een ~ spelen: bsamerre {U}.

baseren:: ~ op (=gronden op): feshajime fes {K}; gebaseerd zijn op: feshajime fes {Upr}.

basalt:: basltiy {S}; van ~ gemaakt (basalten): baslta {I}.

basalten:: (van basalt gemaakt) baslta {I}.

basering:: feshajimos {A}.

Baskenland:: Bskiy {G}.

Baskisch:: bskiy {IIef; mv=enk}.

basilicum:: (specerij, plant) baselk {S} (L. Ocimum basilicum).

basis:: bas {C}; (fig: grondslag) pazzostala {Crs}; (fig: fundament) stala {SC}; basis (fundamenteel): stafiy {I; [mv=enk]}; het ~idee: ef stafiy moris; op ~ van iets: lef flaju fara stala; op [individuele] ~: kaf [individuela] stala.

bassin:: wik-lup {C; mv= ..-lps}.

bassist:: bsamerr {C}.

bast:: (=schors) bynt {C}.

bastaard:: (dier) tofrenvu {C}.

bastaardsatijnvlinder:: blakker wola-flyddere {C} (L. Euproctis chrysorrhoea).

bataljon:: bateljon {C}.

bate:: baat.

baten:: xerme {E}, mncre {E; gst= mncer}; het ~: mncros {A}; (sprkw) baat het niet dan schaadt het niet: nert ort ef achmm, nert qu ef achmm.

batterij:: (=accu) bateri {C; rs= baterit}, ku {C}.

baviaan:: babjenn {C}.

bazaar:: basariy {C}.

Bazel:: Bslo {G}.

bazelen:: (=dazen) lte {U}.

bazig:: rozft {I}.

bazuin:: bukyn {C}.

beambte:: (=ambtenaar) hut {C}.

beangstigen:: nkestare {K}.

beangstiging:: nkestaros {A}.

beantwoorden:: (antwoord geven op) umpvertare {K}; ~ aan (fig): uzigfetare {K}; hij weet/voelt dat zij zijn liefde niet kan ~: groft rovretos melde lg furt eup.

beantwoording:: (antwoord geven op) umpvertaros {A}; (fig) uzigfetaros {A}.

bebloed:: (lett: =bloederig) kursuus {I}.

beboeten:: bljote {K}.

beboeting:: bljotos {A}.

bebossen:: (bos planten) lwumae {K}.

bebossing:: lwumaos {C}.

beboteren:: brtece {K}.

bebouwd:: (met huizen) alp {I}; ~e kom: tolbos {C}.

bebouwen:: (met huizen) albe {K}; (agrarisch) idekete {K}.

bebouwing:: (met huizen) albos {C}; (het bebouwen: v akker) ideketos {C}; (landbouw: wat op het land staat) plnt {C}.

bed::

  1. slapelsat {C}; (slaapplaats) sat {C} (arch); in/te ~: teslapelsata {I}, fes ef slapelsat; naar ~ gaan: slapelsate {U}; niet naar ~ gaan (=opblijven): ef tinde marest {III}; uit ~ komen (=opstaan): levere {K}; ze is al naar ~: eup melde pip teslapelsata; een ~ verschonen: ef kurakette tolain luft eft slapelsat; een kamer met twee ~den (een tweepersoonskamer, in hotel): eft ten-kanas mittus; kluisteren;
  2. ~ and breakfast(B&B): mittus ur brakest {C} (afk= M&B); Mittus ur Brakest SN; zie ook Bed and breakfast in .

bedaard:: menna {I}; (=bezadigd) ftachiy {I}.

bedaardheid:: (=bezadigdheid) ftacher {A; mv=enk}.

bedacht:: ~ zijn op: luftmiypare {K}.

bedachtzaam:: miypertiy {I}.

bedankbrief:: ~[je]: missafiy {C}.

bedanken:: iemand ~ voor iets: misse rast frpj flaju {K}.

bedankt:: (dank u wel) missjeff; ~ voor uw hulp!: missjeff furt gert crtiyr!.

bedaren:: (tot rust komen) ftache {U}; doen ~ (sussen): ftachare {K}.

bedauwd:: (=dauwig) te {I}.

beddengoed:: essfste {Cmv; rsmv= essfstott}.

beddenpan:: zjol-hecc {C}.

bedding:: (=loop: rivier) rimm {C}.

bede:: (gebed: christelijk) priaros {C}.

bedeesd:: (=schuchter) kamr {I}.

bedekken:: (alg) caribe {K}; ~ met: caribe lef/tjg {K}; met riet ~ (dak): ziyne {K}; bedekt zijn met: caribe lef/tjg {Upr}.

bedekking:: caribos {C}.

bedekt:: carip {I}; ~ met: carip pai; ~ met aanslag/corrosie/condens: rkf {I}; ~ met takken (vroegere methode om modderwegen te "verharden"): lcraor {I} (arch); ~ zijn met: caribe lef/tjg {Upr}.

bedelaar:: krniatjen {C}; (=schooier) joccer {C}; (hond die veel bedelt en zeurt) krnier {C}.

bedelarij:: (=gebedel) krnios {C}.

bedelen:: bdelen om (ook v hond): krnie {K}.

bedelnap:: (=bedelzakje) lust {C}.

bedelven:: quile {K}; het ~: st[r]itert {C}; bedolven.

bedelving:: quilos {C}.

bedelzakje:: (=bedelnap) lust {C}.

bedenkelijk:: miypera {I}.

bedenken:: (=uitdenken) miypere {K}; (bewust zijn) bedenk daarbij dat ze ...: abarit furt ef, den eup ....

bedenking:: miyperos {A}.

bedenksel:: miyperos {C}.

bedenktijd:: miypare-fort {C}.

bederf:: (ihb v voedsel) ufros {C}, klstjynos {C}; (=rotting) nortos {C}, tvalos {A}; (fig: zedelijk ed) taqu {C}.

bederven:: (intrans: ihb v voedsel) ufre {K; gst= ufer}; klstjyne {U}; (=rotten) tvale {K}; gemakkelijk te ~ (=lichtbederfelijk): norte-p {I}.

bedevaart:: piylgrem-poh {C}; (Erg: heilige tocht) kvg {C}.

bediende:: (=huisknecht) harber {C}.

bedienen:: (alg) harbe {K}; (v apparaat) eleiye {K}.

bediening:: (alg) harbos {C}; (v apparaat) eleiyos {C}.

bedieningsknop:: cn {C}.

bedingen:: kaflate {K}.

bedinging:: kaflatos {A}.

bediscussiren:: tyrare {K}.

bedlegerig:: slapelsatelira {I}; ~ zijn: teslapelsate {I}.

bedoeld:: bedoelen; bovengenoemd.

bedoelen:: (alg) splnje {K; gst= splnt}; (=menen) calijanone {K}; (oogmerk hebben) ejelifare beri {E}; het is goed bedoeld: ef frart calijanone quista (vergoelijkende opmerking).

bedoeling:: (=betekenis) mfral {Aef}; (=mening) calijanonos {A}; (=oogmerk) ejeliftiy {SC}, splnjos {A}; het is de ~: ef splnjos prme.

bedolven:: ~ liggen onder: quilote fes {U}; ~ raken (verpletterd worden: zonder agens): st[r]ite {U}.

bedompt:: (=muf) bajiy {I; [mv=enk]}.

bedorven:: (voedsel) ufror {I}; (=[ver]rot) nort {I}, tval {I}; (=ongezond) tmla {I}.

bedrag:: (hoeveel iets kost) cstjyto {C}; totale ~ (=som): mt {C}; opgetelde ~ (=optelling): spsagos {C}; verschuldigde ~ (te betalen som): yje {C}; gestort ~ (op een bankrekening ed): mitapildos {C}; ~ dat het budget te boven gaat: nelatiycmiy {C}; ten ~e van: furt ef cstjyto rifo (vz-uitdr).

bedragen:: (=kosten) melde |melde| {K}, meldare {K}; (=belopen) arfine-mip {K}.

bedreigen:: krje {K; gst= krt}.

bedreiging:: krjos {A}.

bedreven:: (=ervaren) ttiy {I; [mv=enk]}; ~ [in] (ervaren [in]): rgec [luft] {I}.

bedriegen:: (=oplichten) ustjge {K}; iemand ~: cjestovle armt rast {U; gst= cjestoff}.

bedrieger:: cjestovler {C}; (=oplichter) ustjger {C}.

bedrieglijk:: ustjgelira {I}.

bedrijf:: (=zaak) rgott {C; mv= ergte}; (=firma) firma {C; mv= firme; rsmv= firmatt}, glfiy {C}; (=nering) saft {C}; gespecialiseerd ~ (vakhandel): criazen-rgott {C; mv= ..-ergte}; agrarisch ~: saftukr {C}; particulier ~ (privonderneming): mainkloitoh-glfiy {C}; (toneel: als deel ve toneelstuk) st-kanas {C}; (v machine) fartos {C}; in ~ (in werking): armt fartos; buiten ~ (buiten werking): mip fartos; zie ook Spokanische bedrijven in .

bedrijfsgebouw:: (waarin verscheidene bedrijven/kantoren zijn gehuisvest) tosaft {C}; glfiy-huflif {C}; (gebouw/pand waar n bedrijf is gehuisvest, of dat daarvoor bestemd is) rgott-huflif {C}; (industrie, niet uitsluitend kantoor) huflifm {C}.

bedrijfsleider:: (=manager: v filiaal ed) mner {C}.

bedrijfsleven:: glfiy {C}, toglfiy {C}.

bedrijfspand:: bedrijfsgebouw.

bedrijfsvoering:: glfiy-wencatos {A}.

bedrijven:: (liefde/zonde) vgte {K}; (=plegen: misdaad/moord ed) klfe {K}; het ~: klfos {C}.

bedrijvengebouw:: bedrijfsgebouw.

bedrijvig:: (druk in de weer) vgt {I}; (=arbeidzaam) giss {I}.

bedrijvigheid:: jrdiy {C}; (=drukte) flippiy {C}.

bedroefd:: korabiy {I}; (=droevig) druff {I}.

bedroeven:: korabe {K}.

bedrog:: cjestovliy {C}, ustjgos {C}.

bedruipen:: zich ~ (fig): lardare {Upr}.

bedrukt:: (lett: met inkt) lkabior {I}; (fig: =neerslachtig) pidde {I}.

beduiden:: (=betekenen) mefre {K; gst= meff}.

beduimeld:: rliriy-fojeldriy {I}.

beduvelen:: (=belazeren) idequppe {K}.

bedwang:: in ~ houden: miyrare {K}.

bedwelmd:: syruntiy {I}, tuquf {I}.

bedwelmen:: syrunte {K}.

bedwelming:: syruntos {C}.

bedwingen:: (=beheersen) wehave {K}.

bedwinging:: (=beheersing) wehavos {A}.

bedigd:: nzor {II} (afk= nz.).

bedigen:: nzare {K}.

beindigen:: ~ [met] (afsluiten van verhaal/film/gesprek/vergadering ed, zonder dat de nadruk op "voltooiing" gelegd wordt): croifte [tjg] {K}; (nadruk op "voltooiing"): dfe {K}; afsluiten 3; afmaken.

beindiging:: (afsluiting v verhaal/film/gesprek/vergadering ed) croiftos {C}.

beek:: bajuft {C}; ~je (=riviertje): belt-prusot {C}; hert = herrte {C} (dl= Tjemp/Plef); ondergrondse ~ (of rivier): quntiyst {C}; (korte ~ die in vlak kustgebied ontspringt, ipv in bergen) xijeprusot {C}; kabbelend ~je: klurynne {S} (poe); murmelend ~je: hmmos {C} (poe); zie ook Beken in en Onderaardse beken in .

beekjuffer:: prachtige ~ (libel): bajuft-quda-zler {C} (L. Calopteryx virgo).

beekpunge:: (plant) bajuft-veronica {C/S} (L. Veronica beccapunga).

beeld:: (fig) tjef {C}; (ihb op tv/film) fjy {C}; (=standbeeld) monumentos {C; mv= monumentosz}; ~je (klein sculptuur): klp {C}.

beeldend:: ~e kunst: fjy-kra {C/S}; ~e tekst: fjy-tece {C} (suggestief geschreven tekst, niets aan de verbeelding overlatend).

beeldhouwen:: kra-rie {K/U}; (=beeldhouwkunst) kra-rios {C}.

beeldhouwer:: axaratjen {C}.

beeldhouwkunst:: kra-rios {C}.

beeldhouwwerk:: rie-qummertiyn {C}.

beeldig:: (=schattig) gylla {I}, lovve {I}.

beeldje:: (klein sculptuur) klp {C}.

beeldscherm:: (v tv/computer ed) vitrynn {C}; (ook: =projectiescherm) nle-kerpa {C}.

beeldschoon:: enzolus {I}.

beeldspraak:: tomux {C}; versleten ~ (=clich): oo knurfel {S}.

beeltenis:: fjytiyn {C}.

beemdgras:: hster-kles {S} (L. Poa); smal ~: fyg hster-kles (L. P- angustifolia); ruw ~: presr hster-kles (L. P- trivialis).

beemdkroon:: (plant) heiyg {C} (L. Knautia arvensis).

beemdooievaarsbek:: blufk-geranym |blufge..| {C} (L. Geranium pratense).

been::

  1. (lichaamsdeel) bonar {C}; op de ~: tetiffuge {I}; slecht ter ~: slvendiy {I}; met beide benen op de grond (realistisch): kafsompelira {I}; dat is iemand tegen het zere ~: ef melde eft kursuus qulos furt rast (1niv!).
  2. (=bot) knociy {C}; van ~ [gemaakt] (=benen): knocyne {I}.

beenbreek:: (plant) knociytirdus {C/S} (L. Narthecium ossifragum).

beer::

  1. (mnl/ntr) pytut {C}; (vrw: =berin) honn {C}; bruine ~: miterus pytut (L. Ursus arctos).
  2. (mnl varken) klt {C}.
  3. (vlinder) grote ~: roffiy bof-tiner {C} (L. Arctia caja).

beest:: belp |belp/bel| {C}.

beestachtig:: hbrc {I}; (=bestiaal) belp-otlgtiy {I}.

beet:: ortc {C}; beet! (als een vis bij het hengelen toehapt): rp!.

beetje:: een ~ (een weinig): eft vloja {C}; een ~ suiker: eft vloja [rifo] sucro; een ~ (net iets: voor een trap v verg) vlo {II}; een klein ~ (schijntje): prxer {C}; Jns auto rijdt een ~ sneller dan de mijne: Jnex ef oto ufire vlo vita terat dus ef kostiy paine; een ~ (=iets): effekluft {III}; een ~ groter dan ...: effekluft hupster terat dus ...; ~ bij ~ (in gedeelten): indonst {I}; even 2.

beetnemen:: (=voor de gek houden) motate {Krs}, (=verlakken) tygtjaklme {K}.

beetneming:: (=verlakkerij) tygtjaklmos {A}.

beetpakken:: (=grijpen) lelde {K}; (=stevig vastgrijpen) riye {K; vdw= rao}.

beflijster:: ozrtiy-mfer {C} (L. Turdus torquatus).

begaafd:: crbaror {I}.

begaan:: (=plegen: moord/misdaad) qugle {K; gst= qugg}, klfe {K}; het ~: klfos {C}; hij heeft een misdaad ~: do eft cmontol qugle/klfe; een grote vergissing ~: ef qugle eft hupster erros.

begaanbaar:: fartatt {I}.

begeerd:: ([veel] gevraagd) grt {I}.

begeerte:: gronos {A}.

begeleiden:: rfla'e {K; gst= rflat; ws= rfla}.

begeleider:: rfla'k {C}.

begeleiding:: (lett) entf {C}; (lett/fig) rfla'os {A}; onder ~ van: lf rfla'os rifo.

begeren:: grone {K}.

begerig:: groniy {I}.

begeven::

  1. (=kapot gaan) kirturne {U}; de auto heeft het ~: ef oto kirturno;
  2. zich ~ (alg: =gaan): vende {U}; zich ~ naar (gaan naar): vrpje {K; gst= vrpt};
  3. zich ~ in (fig: =zich storten in: problemen): ibjeffite {K}.

begieten:: (water geven: v planten) lardare {K}; de begoten bloemen: ef lorgissor hurons (lorgissor = vdw v lorgisse).

begieting:: (het water geven: v planten) lardaros {C}.

begijn:: begyna {C; mv= begynas}.

begin:: (lett: =beginpunt) finn {C}; (alg: =aanvang) finne {C}, finnos {A}; (tijdsbepaling) ponto- {PX}; begin 1975: ponto-1975; in het ~ van deze week: lelmo ponto-mink; aan het ~: fes ef finn; in den ~ne (bijbel): fara finne; van [het] ~ tot [het] eind: rifo finne lef dfo.

beginne:: begin.

beginneling:: (=nieuweling) finnatjen {C}.

beginnen:: finne [beri/den] {E}; de menigte begon te juichen: ef clma finno beri vereste; hij begint altijd over politiek [te spreken]: do finne riyfain rifo politiycs; om te ~ (=in eerste instantie): fara finne; ~ met: lfinne {K}; finne lef {U}; hij begint met zijn werk: do lfinne sener rm; het woord begint met een r: ef wufta finne lef eft r; (fig: =aanpakken/aanleggen) ef paine leldelira; ik weet niet hoe ik met mijn scriptie moet ~ (hoe ik het moet aanpakken): gress nert tiffe, kol perke beri paine leldelira sener revertafiy; aan zo'n zaakje moet je niet ~: nert lappe-te kafonn sest tiyn.

beginner:: finner {C}.

beginsel:: rytos {A}; (element) finntiyn {SC}.

beginsnelheid:: jelpjeve-viteo {C}.

begluren:: (=beloeren) mare {K}.

begonia:: begonja {C}; bladbegonia; dwergbegonia; struikbegonia.

begraafplaats:: (=kerkhof: bij kerk) korda-arbe {C}; (park, niet bij kerk) terrafane-arbe {C}; zie ook Begraafplaatsen in .

begrafenis:: (alg) terrafanos {C}.

begrafenisondernemer:: terrafane-manner {C}.

begraven:: (alg) delpe {K}; (alg; ihb v doden als officieel ritueel) terrafane {K}; hij heeft het lijk in de tuin ~: do ef lekk delpe fes ef arbe (illegale/criminele handeling); dat wat ~ is (begraving): delpos {C}.

begraving:: (dat wat begraven is) delpos {C}.

begrensd:: (beperkt, gelimiteerd) nettyniy {I; [mv=enk]}.

begrenzen:: (lett/fig) limite {K}.

begrenzing:: (lett/fig) limitos {C}; (fig) limitos {A}.

begrijpelijk:: xratt {I}, xriy {I}.

begrijpen:: (=vatten) xre {K}, hage {K}; (=verstaan) unere {K}; willen ~ (inzien): hagare {K}; gemakkelijk te ~ (wat te vernemen is): ganeta {I}; gemakkelijk te ~ (bevattelijk): vitaxriy {I}; gemakkelijk te ~ zijn: vitaxriye {U}.

begrip:: (het begrijpen) uneros {A}; (=benul) xros {A}; (=notie) stint {C}; ~ [kunnen] opbrengen voor iets/iemand: ef kette ef xros rifo flaju/rast.

begroeid:: (niet kaal) leltiy {I}; ~ met: leltiy pai {I}; woest ~ (ruig: vrnl v terrein): krch {I}; enigszins ~ (niet geheel kaal: v terrein): riyn {I}.

begroeten:: crlpe {K}.

begroeting:: crlpos {C}, bija {C}.

begroten:: (=beramen) oze {K}.

begroting:: ozos {C}.

begunstigen:: fe {K}; ~ boven (=voortrekken): ef lyde lo nurpaniy kura {K}.

begunstiger:: morg {C}, fatjen {C}.

begunstiging:: fos {A}.

behaaglijk:: liy {I}; ~ zijn: le {U}; iets wat ~ is: ler {C}.

behaaglijkheid:: ler {C}.

behaagziek:: ovabariy {I}.

behaard:: (=harig) miriy {I}.

behagen::

  1. (ww: =bevallen/bekoren) xrfane n {U};
  2. (zn) xrfanos {A}; ~ scheppen in: ef putte xrfanos mip.

behalen:: (=verwerven) tne {K}; (met inspanning verwerven) fenteste {K}; een overwinning ~: ef fenteste eft huch.

behalve::

  1. (uitgezonderd; met uitzondering van; op ... na) hinta {VZ}, qu {VZ}, tvokatiy {VZ2n} (schr); niemand anders ~ ik: rste hinta gress; mijn hele familie is katholiek, ~ ik: kost pij fatasr melde ctoliyc, qu gress; u moet elke maand betalen, ~ (met uitzondering van) in mei: grs kaftt jadk hertel tvokatiy ef mai;
  2. (negatieve toegeving) ~ [dan] dat: qu {VG}; hinta {VG}; het weer was goed, ~ dat het zo nu en dan een beetje regende: ef wnzol meldo quista, qu ef bidalo eft vloja rpf fes fort; de politie heeft in alle kamers, ~ de badkamer, gezocht: ef polio jeo fes cradef omittus qu/hinta ef wiktomit; mijn hele familie ~ ik is katholiek: kost pij fatasr qu/hinta gress melde ctoliyc.

behandelen:: reverte {K}; ~ als: reverte fara {K}; identiek behandeld worden (niet voorgetrokken worden): quimatere {U}.

behandeling:: revertos {C}; eerbiedige ~: hntefos {C}; in ~ nemen: lisagere {K}.

behang:: (in Spok meestal textiel, vaak als gordijnen langs de wanden gehangen) krurfsto {S; mv= krurfste; rsmv= krurfstott}.

behangen:: ~ met (lett): lmunke tjg {K}; (v kamer: in Spok vaak ook met textiel langs de wanden) krurfsto-munke {K}.

behartigen:: uzige {K}.

behartiging:: uzigos {A}.

beheer:: chikonos {C}; (in opdracht ve ander) stros {A}.

beheerd:: ~ worden door: nertuie luft {U; gst= nertuit}.

beheerder:: chikonatjen {C}; (in opdracht ve ander) strer {C}.

beheersen:: armtwoiyste {K}; (=bedwingen) wehave {K}; zich ~ (fig: zich inbinden): loatite {U}; zich niet [kunnen] ~ (zich laten meeslepen): ef farte kaf ef rstiym.

beheersing:: armtwoiystos {C}; (=bedwinging) wehavos {A}.

behekst:: lgrolliy {I}.

behelzen:: (fig: =omvatten) znynte {K}; (als onderwerp hebben) het document behelst enkele richtlijnen: ef dokumentos znynte gopirus loners.

behelzing:: (het omvatten) znyntos {A}.

behendig:: trnb {I}.

behept:: ~ zijn met: naubere {K}.

beheren:: chikone {K}; (in opdracht ve ander) stre {K}.

behoeden:: ~ tegen (=beschutten tegen): zille n {K}.

behoedzaam:: zrst {I}.

behoefte:: mennirros {C}; ~ hebben aan: ef lelperre eft mennirros furt.

behoeftig:: (=noodlijdend) kaba {I}; (=arm) kabor {I}.

behoeftige:: (arme: persoon zonder geld of bezittingen) kabor {Cef; mv= kabrm}.

behoeve:: ten ~ van: fes ef mennirre rifo (afk= f.m.r.) (vz-uitdr).

behoeven:: hoeven.

behoorlijk:: (=netjes/keurig/gepast) pena {I}; (voldoende/niet te gering of slecht) abrovve {I}; (niet al te best) kmah {I} (dikwijls iro); (tussen tamelijk en erg in) brep armtzerfelira |andzer..| {I}; hij is ~ ziek: do kinure kmah; dat is ~ duur: pana melde brep armtzerfelira mikar.

behoren:: (=betamen) bekace beri {E}; ~ aan (toebehoren): rylare {K}; ~ bij (=passen bij; goed samengaan): ef melde quista na; ~ bij/tot: ryle {K}; ~ tot (vallen onder): kette ja {Upr}; ~ tot (deel uitmaken van): kanase armt {Upr}; ~ te zijn (moeten zijn: vlgs moraal/gewoonte/voorschrift/[natuur]wet ed): wakkle {K; gst= wakkel}; we ~ eerlijk te zijn: kirro wakkle [lo] honesty.

behoud:: wencatos {A}; met ~ van ...: lo wencatelira ... (vz-uitdr).

behouden::

  1. (ww: niet wegdoen/niet verliezen) wencate {K}; tinke {K} (arch);
  2. (bv) ~ blijven (niet verdwijnen/veranderen): ef tinde fes wenct.

behoudens:: (=afgezien van) dotoje {VZ}; (=met/onder voorbehoud van) ns-miypelira {VZ}.

behulp:: met ~ van: wrtlacc {VZ}; wrtla {PX} (px-vorm v wrtlacc, indien samen met gereduceerde vorm v pv); met ~ van hem: wrtlad = wrtlacc do; met ~ van schreeuwen bereik je niets: stus ejelife flj wrtlacc ef scemros; met 2.

behulpzaam:: crtiriy {I}.

beide:: (=allebei/alletwee) perdr {I}; ~ (allebei de) mogelijkheden: ef perdr posiblatiys; ~[n]: perdrs {ZV} (gnz= perdrser; gnp= perdrsr; rs= perdrses) = tersas {ZV} (gnp= tersaser; gnz= tersasr; rs= tersat) (mv); ik heb twee boeken gekocht en ~/allebei vallen ze tegen: gress ten mimpits lorerde ur perdrs/tersas frylpe; Mariy negeert [hen] ~n/alletwee: Mariy co'ifche perdrses/tersat; ze klinken ~ als [mit]: ps drue fara perdrs [mit] (let op positie v perdrs!).

beiderzijds:: (van weerskanten) ovap-perdr {III}.

Beier:: Bejereno {Cef}.

beieren:: (v klokken) diyndenne {U}.

Beieren:: Bejeren {Gef}.

Beiers:: (bv) bejeren {IIef}; ~e vrouw: Bejerena {Cef}.

beige:: (kleur) bee {I}.

benvloeden:: krabe {K}; (geestelijk bewerken) fesrme {K}.

benvloeding:: krabos {A}.

beitel:: hkos {C}, eruliys {C}.

beits:: (voor hout) stenn {S}.

beitsen:: (v hout) stenne {K}.

bejaard:: (op leeftijd) armt zempers = armt-zempers |antsem..| {I}.

bejaarden:: (alle oude mensen bij elkaar: zowel mnl als vrw) liftkaroiy |..fk..| {S}.

bejaardentehuis:: liftkasrt |..fk..| {C}; zie ook Bejaardentehuizen in .

bejegenen:: umpocrme tukst {U}; (fig: =benaderen) werxe {K}.

bejegening:: umpocrmos {A}; (fig: =benadering) werxos {A}; vriendelijke ~: fionn {C}.

bek:: (alg: =mond) motrik {C}; (=muil) gart {C}; grote ~ (geschetter): westaros {C}; hou je grote ~!: texe dena beder! (vulg); hij heeft een grote ~: do lelperre eft hupster gart.

bekeerling:: zyfma {C}.

bekend:: knf {I}; ~ maken: lyde {K}, (openbaar maken) enne {K}; ~ staan als/om: ef melde fes ef publiyc fara/frpj; ~ worden: knfare {U}; ~ zijn: knfe {U}; het ~ zijn: knfos {A}; ~ persoon: knfatjen {C}; ~ zijn met (kennen): vlme {K}; het ~ zijn (bekendheid): vlmos {A}; ~ zijn met (op de hoogte zijn van): tgare {K}; het komt mij ~ voor: ef melde knf n gress; zoals ~ [is]: lo knfe; algemeen ~: (spreekwoordelijk) fry mipa-seg.

bekende:: (zn: persoon) knfatjen {C}.

bekendheid:: (beroemd persoon) knfiyer {C}; (ve zaak) knfiy {A; mv=enk}; (het bekend-zijn) vlmos {A}; de ~ met de plaatselijke gebruiken: ef vlmos n ef srtos osks (n is vz); ~ geven aan iemand/iets: knfiy-pilde rast/flaju {K}; ~ genieten als: ef zjale fara knfiyer yargeloh.

bekendmaking:: lydos {C}; schriftelijke ~ (convocatie): lydafiy {C}; (openbaarmaking) ennos {C}.

bekennen:: (=toegeven) tisjane {K}.

bekenning:: (=bekentenis) tisjanos {A}.

bekentenis:: (=bekenning) tisjanos {A}.

beker:: (=kroes) k {C}, wt {C; mv= wete}; (=kelk/glas) os {C}.

bekeren:: kestgre |..sg..| {K; gst= kestgret}.

bekering:: kestgros |..sg..| {A}.

bekermos:: (lichtgroene soort) fyg-oser {S} (L. Cladonia fimbriata); (zeldzame soort in Lor: L. Cladonia lorica).

bekerzwam:: bleekbruine ~: mitrawt-missis (mitrat-missis) {C; mv= ..-missisa} (L. Peziza repanda); grote oranje ~: rofawt-missis (rofat-missis) {C; mv= ..-missisa} (L. Aleuria aurantia).

bekeuren:: xyfole {K}.

bekeuring:: (=boete) xyfolos {C}; een ~ van 100 herco: eft xyfolos furt 100 herco.

bekijken:: (lett: kijken naar) lzerfe {K}; vluchtig ~ (=drzien): lzerfare {K}; (=aanzien) lifroste {K}; (=opnemen) nalalve {K}; kritisch ~ (=doornemen: tekst/oefening ed): zzje {K; gst= zss}; (=beschouwen; in overweging nemen [en de voor- en nadelen tegen elkaar afwegen]) torke {K}; alles graag willen ~ (vrnl uit interesse: kijklustig): lutteraerx {I}.

bekken:: (=kom/schotel) alst[r]ah {C}; (in skelet) zelf-knociy {C}; (waterbassin) wik-lup {C; mv= ..-lps}; (=cimbaal: muziekinstrument) simbaliy {C}.

beklaagde:: (=aangeklaagde) jiymacc {C}.

bekladden:: ynge {K}.

beklaagdenbank:: jiymacc-ferdu {C}.

beklag:: pitigfqu {C}; zijn ~ doen bij: pitigfque n {E}.

beklagen:: gfque-piti {K}; zich ~ over: gfquare kura {U}.

beklagenswaardig:: yolmist[r]j |..str/..stj| {I}.

bekleden:: (overtrkken: stoel/matras) lfstoe {K}; (=uitoefenen: functie) ufne {K; gst= uff}.

bekleding:: (v voorwerp) dk {C}; (=overtrek) lfstoos {C}; (functie) ufne-fort {C}.

beklemmend:: mra {I}.

beklemming:: (fig) grpjos {A}.

beklijven:: (duurzaam worden) cyfje {E; gst= cyfs}.

beklimmen:: cremale {K}.

beklimming:: cremalos {C}.

beknopt::

  1. (op kleine schaal) naracc {I};
  2. beknopt||uitgebreid: molef {Iid}; .

beknorren:: iemand ~ (mopperen tegen iemand): siytinte piti rast {U}.

beknorring:: siytintos {C}.

beknotten:: (=beperken: v vrijheid) wmre {K; gst= wmm}.

beknotting:: (v vrijheid) wmros {A}.

bekoelen:: (fig: =verkoelen) egare {K}; (fig: ijver) ute {U}.

bekoeling:: (fig: v ijver) utos {C}.

bekogelen:: (met stenen ed) xlegge |X| {K}.

bekomen:: (gevolgen hebben voor) tygtjaputte n {U}; dat zal je slecht ~: tygtjaputte mittof tild n tu; het bekomt mij slecht: ef qugjohe gress lo tild {K; gst= qugjot}.

bekommeren:: zich ~ om: vjopacce {K}.

bekommering:: (=bezorgdheid) vjopaccos {A}.

bekoorlijk:: (=knap) lovaniy {I}; (=charmant) tyll {I}.

bekoorlijkheid:: (=charme) tylliy {A; mv=enk}.

bekoren:: kafuzjce {K}; (=behagen) xrfane n {U}.

bekoring:: kafuzjcos {A}.

bekorten:: (=verkorten) portre {K}.

bekostigen:: (=betalen) kafte {K}; iets ~: ef ksvenne ef pecc rifo flaju.

bekostiging:: pecc-ksvennos {A}.

bekrachtigen:: (=bezegelen) pitiqume {K}.

bekrachtiging:: (=bezegeling) pitiqumos {A}.

bekrast:: (vol krassen) ppst {I}.

bekritiseren:: kafuenge {K}.

bekritisering:: kafuengos {C}.

bekrompen:: (fig: benepen) nar {I}; (=burgerlijk) ry-lardelira {I}.

bekvechten:: (=kibbelen) pike {U}; ef piyrste lef ef[t] nes-bjelt.

bekwaam:: primit {I}.

bekwaamheid:: kurrelyra {SC}; (kunne) primitiy {A; mv=enk; rs= primite}.

bel:: (=schel/klok) zeft {C}; (kerkklok) bamico {C}; (gas-/luchtbel) blel {C}.

belachelijk:: ridikuliy {I}, tra {I}; (te gek om los te lopen) myss {I}; belachelijk! (uitroep v verontwaardiging): tnnc!.

beladen::

  1. (ww) ladare {K}; te zwaar ~ (overlden): pltlade {K};
  2. (bv) ihyt {I}; (=volgeladen) jocc {I}; ~ met: jocc rifo; te zwaar ~ [met] (vrnl lett: overlden [met]): pltlatiy [pai] {I}; een te zwaar ~ kruiwagen: eft pltlatiy weruntenolac.

belading:: ladaros {C}.

belanden:: (fig: =terechtkomen) arke {U}; ~ in/bij (=terechtkomen, ook fig): fonise {K}.

belang:: cstierpse {Aef}, yjfiy {Aef; mv= yjfiys}; van ~ zijn: st[r]ommente {U}; in het ~ zijn van: mikkelele luft {U}; het is in het ~ van de mensheid: ef mikkelele luft ef velduros; van ~ zijnd (belangrijk): cstierpse {I}, calyje {I} (dl= Centraal-Berref); van secundair ~ zijnd: dussrtiy cstierpse; iets van ondergeschikt ~: eft luftzar cstierpse tiyn.

belangeloos:: (=onbaatzuchtig) myjfiy = myjfiy {I; [mv=enk]}.

belangenverstrengeling:: yjfiy-wila'os {C}.

belanghebbend:: yjfiy {I; [mv=enk]}.

belanghebbende:: yjfater {C}.

belangrijk:: mikkelel {I}; (=aanzienlijk) wuxelira {I}; ~ zijn: mikkelele {U}; (van belang zijnd) cstierpse {I}, calyje {I} (dl= Centraal-Berref); het ~ste zijn: ef lelperre ef progrm; voor het ~ste deel: mikkelel tu-kanas {III}.

belangrijkheid:: mikkeleliy {C}; wat betreft de ~: nechepp {I}.

belangrijkste:: (hoofd) menn {PX}.

belangstellen:: ~ in: cstierpe {K}.

belangstellend:: (=genteresseerd) cstierpelira {I}.

belangstellende:: (persoon) cstierp {C}.

belangstelling:: cstierpos {A}; ~ hebben voor: cstierpe {K}; blijk van ~: cstierpe-rgtos {A}; in het middelpunt van de ~ staan: bronne {U}; in het middelpunt van de ~ staand: bronn {I}; in de ~ treden: ef sette kaf ef cstierpos.

belangwekkend:: yjfiy {I; [mv=enk]}; (=interessant) rftelira {I}.

belast:: (ermee gemoeid zijnd) cijaziy {I}.

belasten::

  1. (verzwaren) (lett) mul-obiyre {K}; (fig) crcre {K};
  2. (belasting heffen op) tx-obiyre kaf {U}.

belasting::

  1. (lett) mul-obiyros {C}; max. ~ 3 ton (opschrift op vrachtauto bijv): M: 3meg; (fig: verzwaring) crcros {A};
  2. (betalen) tx {C}; een ~ op rijst: eft tx kaf prrgy; zie ook Belastingen in .

belastingaangifte:: declarao {C}.

belastingaanslag:: blaffos {C}.

belastingbetaler:: (=belastingplichtige) txkafter {C}.

belastingconsulent:: tx-vlazzer {C}.

Belastingdienst:: (Spok equivalent) Aquonda Tx-hoefos {N} (afk= ATh).

belastinginspecteur:: blaffoser {C}, tx-inspekterr {C}.

belastingontduiking:: tx-vniestaros {A}.

belastingontwijking:: tx-rotjulos {A}.

belastingparadijs:: tx-paradiso {C}.

belastingplichtige:: (=belastingbetaler) txkafter {C}.

belastingstelsel:: txeren {C}.

belastingverhoging:: tx-kafpainos {A}; een ~ van 5%: eft tx-kafpainos fes 5%.

belazeren:: (=beduvelen) idequppe {K}; (=besodemieteren) ticre {K; gst= ticc} (pop); het ~: ticros {C} (pop).

belazerij:: (oneerlijke handel) prtje-lebet {C}.

belazering:: (=afzetterij) idequppos {C}.

beledigd:: (=geraakt) dakk {I}; ~ zijn: dakrare {E}; zich ~ voelen: quarre {U}.

beledigen:: dakre {K; gst= dakk}.

belediging:: dakros {A}.

beleefd:: (=voorkmend) polity {I}; (=hoffelijk) slamestiy {I; [mv=enk]}; zogenaamd ~ (=gemaakt): slamestiyer {I}.

beleefdheid:: polity {Aef}.

beleg:: (v stad) vozaben {Aef}.

belegen:: (kaas: nog niet echt oud) toliftkar |..fk..| {I}.

belegerd:: vozaben {I}.

belegeren:: vozabiye {K}; het ~ (belegering): vozabiyos {C}.

belegering:: (het belegeren) vozabiyos {C}.

beleggen:: (v vergadering) ququlte {K}; (v geld) tygtjamite {K}.

belegger:: (v geld) zaaftt {C}.

belegging:: (v vergadering): ququltos {A}; (v geld) tygtjamitos {A}.

beleid:: aupross |aup../wup..| {C; mv= aupr}.

belemmeren:: xmpre {K; gst= xmp; wst= xmp}.

belemmering:: xmpros {C}.

belendend:: (ertegenaan) haiyrum {I}; (=naastgelegen) kusamatiy {I}.

belenen:: (als onderpand geven) trthakfe |trta..| {K}.

belening:: trthakfos |trta..| {A}.

beletsel:: zvrt {C}.

beletten:: iemand iets ~ (=verhinderen): tmhe rast tukst flaju {K; gst= tmt}; ik belet Petriy te vertrekken: gress tmhe Petriy tukst ef pratos.

beletting:: tmhos {A}.

beleven:: calare {K}; [plezier/vreugde/..] ~ aan iets/iemand: ef fescente [ef joiy/hng/..] lef flaju/rast.

beleving:: calaros {A}.

belezen:: (veel gelezen hebbend: persoon) roji-sador {I}.

belezenheid:: hij gaat prat op zijn ~: do lelperre eft utfin mimpitblef.

Belg:: Belgann {Cef}.

Belgi:: Belgano {G}.

Belgisch:: (bv) belgano {IIef}; ~e vrouw: Belgana {Cef}.

belichten:: (lett: films ed; ook fig) larmtate {K}.

belichting:: (lett: films ed) larmtatos {C}; (foto) armtatos {C}.

belichtingstijd:: (foto) armtatos-fort {C}.

believen:: naar ~: lo ef bladidos chaquinde.

belijden:: (schuld) armtpurte {K}; (overtuiging/geloof) rente {K}.

belijdenis:: rentos {A}.

belijding:: armtpurtos {A}.

Belizaan:: (man uit Belize) Beliziyny {Cef}.

Belizaans:: (bv: uit Belize) beliziy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Beliziyna {Cef}.

Belize:: Beliziy {Gef}.

bellen::

  1. (=schellen) zefe {U}.
  2. (=opbellen) kre {K}; ik zal hem ~: kre gress do.

bellettrie:: kra-stindos {C}.

beloeren:: (=begluren) mare {K}.

belofte:: fesreppos {A}, promisos {A}, tinpos {A}; een ~ doen: ef promise eft painos; zijn ~ niet nakomend: nepromisiy {I}.

belonen:: (loon geven) wagje {K; gst= wagg}; (=prijzen) ksvenne {K}.

beloning:: ksvennos {A}.

beloop:: iets op zijn ~ laten: tuie n flaju {U; gst= tuit}; ef kirture beri sterde flaju fes ef cyrot.

belopen:: (lett: lopen in/op/over) lfarte {K}; (fig: bedragen) arfine-mip {K}.

beloven:: promise beri/den {U}; ik beloof te komen: gress promise beri arfine; iemand iets ~: fesreppe flaju n rast {K}, tinpe rast kaf flaju = tinpe flaju n rast {K}; ik beloof het!: kost promisos! {A}.

belust:: ~ op: ortelira fes {III}.

bemachtigen:: [armt]ryte {K}.

bemachtiging:: [armt]rytos {A}.

bemannen:: meratere {K}.

bemanning:: merateros {C}; (=manschappen) rnt {C}.

bemerken:: rsflage {K}, ygbronne {K}; het ~: ygbronnos {C}.

bemesten:: perane {K}.

bemesting:: peranos {C}.

bemiddelaar:: (=tussenpersoon) jafarter {C}.

bemiddeld:: ofortsiy {I}.

bemiddelen:: jafarte {U}.

bemiddeling:: jafartos {A}.

bemind:: (=geliefd) monet {I}.

beminnelijk:: lyatt {I}.

beminnen:: (houden van) affionnose [beri/den] {K}, lye {K}.

bemodderd:: (met modder bespat) medriyor {vdw}.

bemodderen:: medriye {K; gst= medriyt}.

bemoedigend:: pple-p {I}.

bemoediging:: (=opbeuring) pplos {C}.

bemoeial:: (=betweter) prabarer {C}.

bemoeien:: zich ~ met (zich inmengen in): taffe rifo {Upr}.

bemoeienis:: (=tussenkomst) taffos {C}.

bemoeiing:: (=inmenging) taffos {C}.

bemoeilijken:: (moeilijk[er] maken) mltefe {K}.

bemoeilijking:: mltefos {A}.

bemost:: (met mos begroeid) alo {I}.

benadelen:: benadelen||bevoordelen: lntate {Kid}; .

benaderen:: (lett/fig: nader komen; zich wenden tot) pitiloine {K}; (=bejegenen) werxe {K}; (getal) surrondare {K}; bereiken 1.

benadering:: (lett) pitiloinos {C}; (fig) pitiloinos {A}; (fig: =bejegening) werxos {A}; (getal) surrondaros {A}; bij ~: furt ef surrondare.

benadrukken:: ksentuere |..je| {K}.

benaming:: toquanka {C}; beschermde oorsprongs~ (BOB): paaftor origiy-toquanka {C} (afk= POT) (officieel keurmerk).

benard:: kenk {I}.

benarren:: (fig: =benauwen) klempare {K}.

benauwd:: (moeilijk kunnen ademen) lg {I}; (drukkend: lucht/weer) nefrsiy {I}, plaka {I}; (fig) iebbe {I}; het ~ hebben: mque {U}; niet ~ (frisjes): ba {I}.

benauwdheid:: (moeilijk kunnen ademen) lg {C}; (gebrek aan frisse lucht) nefrs {C}.

benauwen:: (fig: =benarren) klempare {K}.

bende:: (=boevenbende) tomerater {C}; (=rotzooi) kverf {C}, qu'x {C}; (=wanorde/rotzooi) hiye {C}; (=troep) rippe {C}; (mensen) wat een losgeslagen ~! (het lijkt hier wel een gekkenhuis!: bij wild feest ed): ef pstoriy offerte spiryt!.

beneden::

  1. (bv: =onder) zjoba {III}; van ~ naar boven: zjoba kafes; hij komt ~; hij gaat naar ~ (de trap af): do pnze zjoba = do zjobaare; ~ zijn: zjobae {U}; [naar] ~ komen; naar ~ gaan (de trap af): zjobaare {U}; ~ blijven (niet naar boven komen): zjobane {U}; naar ~ (=neer[waarts]): cor {III}, ryses {III}.
  2. (vz)
    1. (plaats: =onder) zjoba {VZ};
    2. (beweging binnen bep grenzen: =onder) rys {VZ}; ~ in: rysfes {VZ}; ~ op: ryskaf {VZ}.

benedeneinde:: (=ondereinde) tgtquch |..gq..| {C}.

benedenhelft:: (=onderhelft) tgtanas {C}.

benedenhoek:: zjobaiy eka {C}; de rechter ~: ef rikbi-zjobaiy eka.

benedenste:: (=onderste) zjobaiy {I}.

benedenstrooms:: (=stroomafwaarts) px {I}; ~ van het dorp: px mip ef zeces.

benedenzijde:: (=onderkant) tgtovap {C}.

benedictijn:: (mnl lid v RK kloosterorde) benedictino {C}.

benedictines:: (vrw lid v RK kloosterorde) benedictina {C; mv= benedictinas}.

benemen:: (=ontnemen) [iemand] iets ~: gfje flaju [n rast] {K; gst= gff; wst= gf}; de schutting beneemt ons het uitzicht: ef rbest gfje ef zerfos n kirro; de boom beneemt veel licht: ef vildul blaffe pert armtatt (rs!) (met de gedachte aan de duisternis onder de boom); ontnemen.

benen:: (van been/bot [gemaakt]) knocyne {I}.

benepen:: (fig: =bekrompen) nar {I}, trnt {I}.

benevelen:: (door drank) ldviynde {K}; ze zijn door de drank beneveld: ef spiryt ps ldviynde.

benevens:: (=en k/alsmede) n {VZ}, zar {VZ}; n {VG}; alsmede; en B.

Bengalees::

  1. (zn: man uit Bangladesh) Bngladeeny {Cef};
  2. (bv: uit Bangladesh) bngladee {IIef}; Bengalese vrouw: Bngladeena {Cef}.

bengel:: (=deugniet) knl {C}.

benieuwd:: ~ zijn naar: mvare {K}; ~ zijn of (met indirecte vragende zin): mve {U}; ik ben ~ of hij komt: gress mve, l do arfint.

benig:: tk {I}; ~/lang/mager persoon: kval-knociy {C}.

benijden:: jalorse armt {U}.

Benin:: Beninn {G}.

Beniner:: Beniny {Cef}.

Benins:: (bv) beninn {IIef}; ~e vrouw: Benina {C}.

benodigdheden:: (=toebehoren) tocrbatt {C}.

benoemen:: (=aanstellen) fesperkoe {K}; ~ tot: kimore fes {K}, akimore tukst {K}.

benoeming:: kimoros {C}, akimoros {C}; (=aanstelling) fesperkoos {A}.

benoorden:: noorden.

benul:: leliy {C}; (=begrip) xros {A}.

benutten:: woiyste {K}.

benutting:: woiystos {A}.

benzine:: bensynn {S}; van ~ gemaakt; met ~: bensynniy {I}; deze motor loopt op ~: dena moter melde bensynniy.

benzinebon:: (voor de benzinerantsoenering in Spok) bensynn-quistarafiy {C}, bensqu {C} (pop afk).

benzinepomp:: (pomp) bensynn-echuh {C}, burg-echuh {C}; (verkooppunt v brandstof) bensynns {C}, burgs {C}.

benzinestation:: (alg: tankstation om brandstof te tanken) bensynns {C}, burgs {C}; (met extra auto-service) oto-pntel {C}; (uitgebreide accommodatie langs autosnelweg: met restaurant en evtl motel/camping/winkel/garage ed) wegsrt {C}.

benzineverbruik:: bensynn-uos {A}.

beoefenen:: fesufne {K; gst= fesuff}; (sport ed) ufne-kaf {K}.

beoefening:: fesufnos {C}; (sport ed) ufnos-kaf {C}.

beogen:: eittze |wi..| {K}; het ~ (beoging): eittzos |wi..| {A}.

beoging:: (het beogen) eittzos |wi..| {A}.

beoordelen:: ~ als: oume lo {K}.

beoordeling:: oumos {A}.

beoosten:: oosten.

bepaald:: (=vaststaand) qurtiy {I}; (=zeker) serten {I}; (echt; als het erop aankomt) real {I}; ze zijn niet ~ royaal: ps nert melde real rrfiyn.

bepalen:: serte {K}; (=vaststellen) qurte {K}.

bepaling:: (=beschikking) qurtos {A}.

bepeinzen:: (=overwegen) kuramiype {K}.

bepeinzing:: (=overweging) kuramiypos {C}.

beperken:: zloffe {K}; zich ~ tot: zloffare {K}; (=beknotten: vrijheid) wmre {K; gst= wmm}.

beperking:: zloffos {A}; (vrijheid) wmros {A}.

beperkt:: (begrensd, gelimiteerd) nettyniy {I; [mv=enk]}; (niet zo goed; twijfelachtig) zloff {I}; ~ [tot]: zloffiy [armt] {I}.

beplanten:: (met planten/struiken/bomen voorzien) lazere {K}.

beplanting:: (planten/struiken/bomen) lazeros {C}.

bepleiten:: oxodde {K}.

bepleiting:: oxoddos {A}.

bepraten:: mitatjyme {K}.

beproefd:: (wie veel tegenspoed heeft [gehad]) chft {I}.

beproeven:: (uitproberen) krodane [beri/den] {K}; (op de proef stellen) ucgare {K}.

beproeving:: chftiy {A; mv=enk}, ucgaros {A}.

beraad:: jrstos {A}; na rijp ~ (weloverwogen): empajiy {I}; mintof eft zovert jrstos.

beraadslagen:: jrste {U}; ~ met iemand (overlggen): zvoge lef rast {U}.

beraadslaging:: jrstos {A}; (=overleg) zvogos {A}.

beramen:: (v plan) hntefare {K}; (=begroten) oze {K}.

beraming:: (v plan) hntefaros {A}.

beredderen:: rste {K}.

bereden:: politie.

beredeneerd:: (met overleg) molaiy {I; [mv=enk]}.

bereid:: (=bereidwillig) probarelira {I}; tot alles ~ (zeer gewillig): loper {I}; ~ blijven: cndale {U}; ~ verklaren: cnie {K}; ~ zijn [tot iets]: cniyte [tukst flaju] {U}; (verplichte kerndeletie in den-zin:) hij is ~ te sterven: do cniyte den sterde.

bereiden:: (gereed maken) lytane {K}; (=koken: voedsel) riffe {K}.

bereidheid:: cniyt {C}; cniytos {A}.

bereidverklaring:: cnios {A}.

bereidwillig:: probarelira {I}.

bereik:: (lett) stos {C}; (fig) ejelifos {A}.

bereikbaar:: (alg) statt {I}; (fig) plemiy {I; mv=enk}; goed bereikbaar||onbereikbaar: kynne {Iid}; .

bereikbaarheid:: xolija {C}; (fig) plemer {A; mv=enk}; de ~ van de winkels (of je er makkelijk kunt komen): ef plemer helkara ef misans.

bereiken::

  1. (lett/fig) ejelife {K}, ste {K}; ~ met je hand (komen bij): stare {K}; hij kan de bel niet ~ (erbij komen): do nert starec ef zeft; (benaderen, erbij komen) ejelife {K}; de brandweer kon de boerderij niet ~: ef nertflecs ef keldus nert ejelifec;
  2. (fig) melle {K}; iets ~ (fig: het ver brengen): ejelife {Upr}.

bereizen:: (reizend bezoeken) tupplip-quardere {K}.

berekend:: (steeds op voordeel uit) trgencatiy {I}; ~ zijn op: umppe {K}; voor een taak ~ zijn: uquest[r]e {K; gst= uquesst; wst= uquest}; het ~ zijn voor een taak: uquest[r]os {A}; persoon die voor zijn taak ~ is (geschikte persoon): uquest[r]os {C}.

berekenen:: kunte {K}; opnieuw ~ (narekenen om te kijken of de berekening klopt): note-kaf {K}.

berekening:: kuntos {C}; (het berekenen) notos {C}.

berenklauw:: (plant) hrgst |hrst| {C} (alg) (L. Heracleum sphondylium); (ihb: paarse berenklauw: vrnl Oost-Liftka en Brr) (L. Heracleum purpureum).

berg:: gran {C}; (hoge heuvel) bergo {C}; (lett: stapel stenen ed) trovctiyn {C}; (lett/fig: stapel/opeenhoping/hoop) tnr {C}; een ~ zand: eft tnr rifo pleko; een ~ (boel) werk: eft tnr rifo rm; iemand gouden ~en beloven (iemand iets voorspiegelen): tocirre rast {K}; zie ook Bergen in .

bergachtig:: granst {I}; ~ land: toberg-ark {C}.

bergbasterdwederik:: epilobym {C} (L. Epilobium montanum).

bergbeklimmen:: (als sport) bergalefos {S}.

bergbeklimmer:: bergalef {C}.

bergdal:: armiy {C}.

bergden:: bergo-sparot {C} (L. Pinus mugo).

bergdravik:: (grassoort) bergo-broms {S} (L. Bromus erectus).

bergeend:: urven {C} (L. Tadorna tadorna).

bergen:: (v schip) berge {K}; (in veiligheid brengen) ubere-fes {K}.

berggebied:: toberg-are {C; rs= ..-aret}.

berging:: (v schip) bergos {C}; (het in veiligheid brengen) uberos-fes {C}.

bergketen:: (gebergte) litt {C}; (rij bergen) bsa {C}.

bergnachtorchis:: blakker Grt-rgid {C} (L. Platanthera chlorantha).

bergpad:: (=bergweg) tsiym {C}.

bergpas:: kl {C}; zie ook Bergpassen in .

bergplaats:: (om iets op te bergen) simaje-srt {C}; (plaats/dorp in de bergen) bergosr {C}.

bergrand:: gran-brt {C}; aan de ~ gelegen: fes ef labe.

bergrug:: bergo-temp {C}.

bergsneeuw:: gran-sn {S}.

bergspitsmuis:: gran-rt {C} (L. Sorex alpinus).

bergsport:: (vrnl bergbeklimmen) bergalefos {S}; (alg) gran-sport {C}; zie ook Bergsport in .

bergstad:: (plaats/dorp in de bergen) bergosr {C}.

bergtop:: agru {C}; zie ook Bergtoppen in .

bergweg:: (alg: weg in de bergen) gran-mirra {C}; (=bergpad) tsiym {C}.

bericht:: (=tijding) tden {C}; goed/positief ~: yclmm {C}; slecht ~: mduh {C}; ~je sturen (iets van je laten horen): lpe {K}; ik zal Jn een ~je sturen: lpe gress Jn.

berijdbaar:: (alg) ufiratt {I}; (v weg) lat {I}.

berijden:: (rijden in auto, op paard ed) ufirare {K}; (rijden op/over weg/brug, door tunnel ed) lufire {K}; wij ~ de nieuwe autoweg naar Gret (=rijden over ...): kirro lufire ef kleter mennweg helkara Gret.

berin:: (vrw beer) honn {C}.

berispen:: iemand ~: ef kette wriy n rast.

berisping:: (officieel) tygtjacar {C}; (=standje) wriy {C}, quistarafiy {C} (pop).

berk:: (alg) berkiy {C} (L. Betula); ruwe ~: menkerate-berkiy {C} (L. B- pendula); witte ~: blakker berkiy (L. B- alba); zachte ~: Bytset-berkiy {C} (L. B- pubescens); steen~: knp {C} (soort ruwe berk met knoestige stam: L. Betula petraea).

berkenboleet:: berkiy-chnt {C} (L. Leccinum scabrum).

berkenpage:: (vlinder) roffiy marestjer {C} (L. Thecla betulae).

berkenzwam:: berkiy-missis {C; mv= ..-missisa} (L. Piptoporus betulinus).

Berlijn:: Berlyna {G}.

berm:: (v weg) mrg {C}, mirrovap {C}; (glooiend) fiyre {C; rs= fiyret}.

bermooievaarsbek:: bergo-geranym {C} (L. Geranium pyrenaicum).

bermpje:: (vis) medriy-rbity {C} (L. Noemacheilus barbatulus).

Bermuda:: Bermuda {G}.

Bermudaan:: Bermudany {Cef}.

Bermudaans:: (bv) bermuda {IIef}; ~e vrouw: Bermudana {Cef}.

bernardijn:: (mnl lid v RK kloosterorde) bernardino {C}.

beroemd:: huldufit {I}; ~ persoon (beroemdheid): huldufitter {C}.

beroemdheid:: (beroemd persoon) huldufitter {C}; (fig: v ding) huldufitiy {C}.

beroemen:: zich ~ op: iafle armt {Upr; gst= iaff}.

beroep:: (=baan) slojet {C}; hij is schoenmaker van ~: do melde slojet must-riffent; het ~ van dokter: ef medikiy-slojet; een ~ doen op: gvoie {K; gst= gvoit; vdw= gvter}; Polen doet een groot/zwaar ~ op de landbouwsubsidies: ef Plsa gvoie musklaiy ef supsiiyukrs; zij hebben een sterk ~ op mij gedaan: ps gvoia musklaiym gress.

beroepschauffeur:: lenkatjen {C}.

beroepshalve:: fara slojet.

beroepsjargon:: slojet-pjl {C}.

beroepsleger:: fest-verest {C}.

beroepsonderwijs:: (alg) [school voor] lager ~: klen-koles {C}; (gezien als Spok onderwijsinstituut) klen-Koles {N}; zie ook Schooltypen in .

beroepsopleiding:: (school voor hogere ~) slojet-koles {C}; (gezien als Spok onderwijsinstituut) Slojet-Koles {N}; (school voor lagere ~) slojet-sukoles {C}; (gezien als Spok onderwijsinstituut) Slojet-Sukoles {N} (afk= SSK); zie ook Schooltypen in .

beroepssfeer:: slojet-sfero {C}.

beroerd:: (=vervelend) iftormt |if..| {I}, peskiy {I}; (=ziek) wzeniy {I}; niet te ~ zijn om: ef cniyte quista zjentiy tukst (vooral iro).

beroeren:: (=aanraken) jabie {K}; (=bewegen) vmse {K}.

beroering:: (=beweging: het doen bewegen/beroeren) vmsos {C}; (=verontrusting) alirdeftos {C}.

beroerte:: tacos {C}.

berokkenen:: (=aandoen) qugle {K; gst= qugg}; iemand schade ~: ef qugle sgtos n rast.

berooid:: (geen geld/bezittingen) maqulira {I; mv=enk}.

berouw:: pst {C}; ~ hebben: pstiye {U; gst= pstiy[t]}.

berouwen:: pstare {K}.

berouwvol:: pstiy {I}.

beroven:: iemand ~: xstiche raste {Krs}; iemand ~ van iets: xstiche flaju n rast {K}.

beroving:: xstichos {C}.

berucht:: tild huldufit {I}.

berusten:: ~ in: nakirture {K}, lenne {K}; ~ op (fig: steunen op): lenne {K}; ~ op (fig): falye {K}.

berusting:: (alg) nakirturos {A}; (=gelatenheid) ivrch {Aef}, eff {SC}.

bes:: (alg) lab {C}; zwarte ~: doffiyb {C}.

beschaafd:: (alg; zich netjes gedragend) queo {I}, vobaror {I}; (smaak tonend; cultureel betrokken ed) tejniy {I}.

beschaamd:: impajal {I}.

beschadigd:: estrar {I}.

beschadigen:: est[r]are {K}.

beschadiging:: est[r]aros {C}.

beschamen:: impajalare {K}; (verlegen maken) qust[r]are {K}.

beschaming:: (het verlegen maken) qust[r]aros {A}.

beschaven:: tejne {K}.

beschaving:: tejn {C}.

bescheiden:: elx {I}; niet echt ~ (schijnheilig): toelx |X| {I}.

bescheidenheid:: elxiy {A; mv=enk}.

beschermd:: fes zillos; het dorp ligt ~/beschut tussen de bergruggen: ef zeces loctee fes zillos ja ef bergo-temps.

beschermen:: (lett) paafte {K}; ~ tegen (=beschutten tegen): zille n {K}.

beschermend:: (lett) paaf {I}.

bescherming:: zillos {A}; (scherm) paaftos {C}; (het beschermen) paaf {Aef}; ~ bieden tegen: ef kette eft zillos st; ~ zoeken: frajare {Upr}.

beschermlaag:: harde ~: jntiyos {C}.

beschieten:: (=schieten op) reve tygtja {U}; (=bestoken: vesting ed, met kanon) hggere {K}.

beschieting:: lrevos {C}.

beschijnen:: (schijnen op/over) lnle {K}.

beschikbaar:: hatiy {I}; ~ stellen: hatare {K}; ~ zijn: hate {U}; ~ komen: hatare {Upr}; het ~ zijn (beschikbaarheid): hatos {A}.

beschikbaarheid:: (het beschikbaar zijn) hatos {A}.

beschikbaarstelling:: hataros {A}.

beschikken:: ~ op (beslissen over: een verzoek ed): falede armt {U}; ~ over (de beschikking hebben over): ef lelperre ef pevutro rifo {C}.

beschikking:: (=bepaling) qurtos {A}; de ~ hebben over: ef lelperre ef pevutro rifo {C}; ter ~ stellen voor/aan: kurapevutre n {K; gst= kurapevutt}.

beschilderen:: lverfute {K}; een muur, beschilderd met rode zonnen: eft krur, lverfut tjg mindefit kbos.

beschimmelen:: natriyche {U}.

beschimpen:: pjohelle {K}; (=verguizen) jrtane {K}.

beschimping:: pjohellos {A}, pmos {A}; (=verguizing) jrtanos {A}.

beschonken:: (=dronken) plurtor {I}.

beschot:: (houten afscheiding) bret {C}.

beschouwd:: ~ worden als: funte tukst {Upr}.

beschouwen::

  1. (=bekijken; in overweging nemen [en de voor- en nadelen tegen elkaar afwegen]) torke {K};
  2. ~ als (mening: =vinden): cnsidere [lo] |..je| {K}; hij beschouwt zichzelf als een groot artiest: do sen cnsidere lo eft hupster artiys; vinden 2;
  3. ~ als (=opvatten als): oblskre fara {K; gst= oblsek; wst= oblsk}; oblskre lo {K} (spr); [serieus] ~ als: torkare lo {K}; hij beschouwt haar als zijn zuster: do oblskre eup fara/lo sener sour (lo is vz en spr); hij beschouwt haar als erg dom: do oblskre eup lo terat pl ki (lo is dt bij objectief add);
  4. (het in aanmerking nemen) cnsideros {A}.

beschouwend:: torkiy {I}.

beschouwing:: [serieuze] ~: torkaros {C}; (=overweging) torkos {A}.

beschrijven:: (fig: =schilderen) vro'egie {K}; moeilijk te ~ (non-descript): holfatiy |hof..| {I}.

beschrijving:: (fig: =schildering) vro'egios {C}; kun je een duidelijke ~ van hem geven?: (fig) aftel tu kettec eft klrt foto kura do?.

beschuit:: (hard bros gebak) tjciyk {C}.

beschuldigd:: [bewust] valselijk ~: ulot {I}.

beschuldigen:: ~ van: rgyre tukst {K}; iemand [bewust] valselijk ~ van: ulote rast tukst flaju {K}.

beschuldiging:: rgyros {A}; [bewust] valse ~: ulot {Aef}, ulotos {A}.

beschut:: zillaror {vdw}; fes zillos; de ~te dalen: ef zillaror armiys; het dorp ligt ~/beschermd tussen de bergruggen: ef zeces loctee fes zillos ja ef bergo-temps.

beschutten:: zillare {K}; ~ tegen (=beschermen tegen): zille n {K}.

beschutting:: zillaros {C}.

besef:: feskettos {A}.

beseffen:: feskette {K}.

beslaan::

  1. (v paard) kycve {K; gst= kycc};
  2. (met condens ed) rfte {U}, decce {Upr}; doen ~: decce {K}; het vochtige wasgoed doet de ruiten ~: ef huma luktsta decce ef wyjos;
  3. (=omvatten) znyntare {K}; de brief beslaat vier kantjes: ef letra znyntare fr pracs.

beslag::

  1. (om te bakken) prnos {S}.
  2. (v paard) dk {C}.
  3. ~ leggen op; in ~ nemen: dres-kette {K}, investere |..je| {K}; in ~ nemen (lett: innemen: ruimte): sence {K}; (fig: opgaan in): slitare {K}; de studie neemt hem [geheel] in ~: ef stderos slitare do.

beslagen:: (=gecorrodeerd) rkf {I}; ~ ten ijs komen: ef stge lef rist ur chutn.

beslechten:: geschil ~: lrchne {U}; het ~ van een geschil: lrchnos {A}.

beslijmd:: lblsor {I}.

beslissen:: falede {K}; ~ over (=besluiten over): falede armt {U}; we ~ om te komen: kirro falede, den kirro arfine = kirro falede kirroex larfinos; een koop ~ (zeggen dat je met de koop akkoord gaat): pecce {K}; het ~ (beslissing): faledos {C}.

beslissing:: (het beslissen) faledos {C}; (onherroepelijk) faltt {C}; een ~ nemen: ef putte eft faltt.

beslist:: (=zeker) brep {III}, serten {I}; (=uitgemaakt) fespilt {I}; (=absoluut) g {I}; ~ niet: noi g; (=vastberaden) quander {I}; ~ niet (allesbehalve): pasot {III}.

beslommering:: (=zorg) nelatiycos {A}; (zware zorg) liy {A; mv=enk: rs= lte}.

besloten:: (v vereniging: alleen voor leden) glydaiy {I}.

besluit:: (=conclusie) cicralos {A}; (=decreet) rsto'ecc {C}; een ~ nemen: ef putte eft cicralos.

besluiteloos:: (=weifelend) hndr {I}; (=halfslachtig) holfatiy |hof..| {I}; ~ maken: cre {K}; het ~ maken: cros {A}.

besluiten:: (het plan opgevat hebben) crale beri/den {U}, cicrale {U}; (=concluderen) cicrale {U}; ~ over (=beslissen over): falede armt {U}; ~ tot: tukstpaine helkara |..ksp..| {U}.

besmeren:: (=bestrijken) meste |smeste/este| {K}; het ~: mestos |smestos/estos| {C}.

besmettelijk:: (alg) kurapainn {I}; (v ziekte) festassiy {I}.

besmettelijkheid:: festasser {A; mv=enk}.

besmetten:: (=infecteren: ziekte) festasse {K}.

besmetting:: (=infectie) infeko {C}, festassos {C}; [ernstige] ~ (ook fig): stlos {C}.

besmeuren:: ~ met: flyrre tjg {K}.

besneeuwd:: lsnor {I}.

besnijdenis:: lvekos {C}; zie ook Godsdienstvrijheid in .

besodemieteren:: (=belazeren) ticre {K; gst= ticc} (pop); het ~: ticros {C} (pop).

besparen:: (zuinig zijn met) huse {K}; iemand iets ~: tijfraje flaju armt rast {K; gst= tijfrat}.

besparing:: husos {A}.

bespeuren:: ik bespeur onraad: ef taqurubos hulle gress.

bespieden:: feslate {K}; (terwijl men zichzelf verborgen houdt) srtje {K; gst= srtt}.

bespieder:: feslater {C}.

bespieding:: feslatos {C}, srtjos {A}.

bespoedigen:: azjpje {K; gst= azjpp}, azjpje {K; gst= azjpp} (arch/poe); iets ~ (fig: haast achter iets zetten): ef riffe flaju lo vita.

bespoediging:: azjpjos {A}.

bespottelijk:: nert-miypelira {I}; zich ~ maken (zich blameren): jske {U}.

bespotten:: (de draak steken met) rmpnre {K}; (fig: =aanfluiten) stiyne {K}.

bespotting:: rmpnros {C}, stiynos {A}.

bespraakt:: muxiy {I}.

bespreekbaar:: oaroamiy {I}.

bespreken:: (spreken over; uitleggen) tyre {K}; (=reserveren) kaffane {K}; [met elkaar] ~ (overlggen): oaroe {U; gst= oarot; vdw= poaro}.

bespreking:: (het spreken over; uitleg) tyros {C}; (=reservering) kaffanos {C}; (=overleg) oaroi {C; rs= oaroe}; een ~ voeren: ef rate wuftas.

besprenkelen:: miynte {K}.

besprenkeling:: miyntos {C}.

besproeien:: zlnke {K}.

besproeiing:: zlnkos {C}.

bespugen:: lcsule {K}.

best:: [het] ~: guld {I; =ot v quista}; niet al te ~ (matig, niet overdreven): kmah {I} (dikwijls iro); zijn ~ doen [om ...]: kette lo zefa [, den ...] {Upr}; (vrnl geestelijk) temelira luft ef ..os; zijn [uiterste] ~ doen om ... (moeite doen om iets te bereiken): ef kette lo [wlc] zefa, den ...; ik doe mijn ~ om je te helpen: gress sen kette lo zefa den crtire tu; ik doe mijn ~ om jou te begrijpen: gress temelira luft ef luneros enn tu; het ~e zijn (er bovenuit steken): proe {U}; het is het ~e dat je morgen vertrekt; je kunt het ~ morgen vertrekken: ef proe den tu prate mas; van deze [goede] verhalen is het uwe het ~e: mip tem quista storsa ef gertiy lelperre ef progrm; op zijn ~ zijn: kuranle {Upr}; de wijn zal in 2018 op zijn ~ zijn: sen kuranle ef wein fes 2018.

bestaan:: (=existeren) eksistere |..je| {U}; ~ uit: coare {K}; (vrkomen, aanwezig zijn) coare {U} (dl= Zverosta); (zn) coaros {A}; niet meer ~d (lett: uitgestorven): dodor {I}; middel 3.

bestaand:: (bv) coart {I}.

bestaansrecht:: eksistere-rigt {C}.

bestand:: (=wapenstilstand) spero-stjoft {C}; (=data: verzameling gegevens; ook computerdata) ramos {C}; ~ zijn tegen: armtpevutre {K; gst= armtpevutt}.

bestanddeel:: (=ingredint) tauc {C}.

besteden:: ~ aan (gebruiken voor): ue furt {K}; nuttig ~ (een goed/intensief gebruikmaken van): menee |..ewe| {K; gst= menet}; hij besteedt zijn vrije tijd zeer nuttig: do menee sener jola forts; goed/nuttig besteed zijn: menee |..ewe| {Upr}; de subsidie is er goed aan besteed: ef supsiiy sen menee furt ef; dat is niet aan jou besteed (dat is niets voor jou): ef nert melde n tu; ze hebben veel geld te ~: ps ove smurf-meneosz.

besteding:: uos {A}; goede ~ (uitbuiting): meneos {A}.

bestek:: (=couvert) toleftel {C}; (fig) tolnt {C}; (=bouwtekening) mipovos {C}; het valt buiten het ~ (buiten het onderwerp): ef farte cupp ef klarbrs.

bestelauto:: luftprnolac |lufp..| {C}; zie ook Weggebruikers in .

bestelbaar:: ojelste-p {I}.

bestelbusje:: tiynsnolac {C}; zie ook Weggebruikers in .

bestelen:: (stelen van: iemand) tijkuntiyre {K}.

bestelgoed:: arnka-ojelstos {C}.

besteling:: tijkuntiyros {C}.

bestellen:: ojelste {K}; mag ik wat ~? (pop opmerking in kroeg om de aandacht vd barkeeper te trekken): gress dxe tmaros.

bestelling:: ojelstos {C}.

bestemd:: ~ zijn voor: destinere furt |..je| {Upr}; iets is voor jezelf ~: flaju melde dres (spr).

bestemmen:: destinere |..je| {K}.

bestemming:: (alg) destineros {C}; (=reisdoel) destinao {C}, poh-col {C; mv= ..-cle}.

bestempelen:: ~ als: kaflde fara {K}.

bestendig:: (=duurzaam) wenct {I}; (=onveranderlijk) utharbiy {I}.

bestiaal:: (=beestachtig) belp-otlgtiy {I}.

bestijgen:: ([be]klimmen) cremale {K}; (paard of hoger gelegen plek) pjaqurre kaf {U}.

bestijging:: cremalos {C}.

bestoken:: (=beschieten: vesting ed, met kanon) hggere {K}.

bestormen:: kafpnte {K}.

bestorming:: kafpntos {C}.

bestraffen:: tjelfe {K}, pnyre {K}.

bestraffing:: tjelfos {C}.

bestraten:: (=plaveien) hast[r]e {K; gst= hast; wst= hast}.

bestrating:: (=plaveisel) hast {C}.

bestrijden:: (lett/fig) tlazre {Krs; gst= tlass; wst= tlaz}; (fig: =aanvechten) pallefarte {K}.

bestrijding:: (lett/fig) tlazros {C}; (fig: =aanvechting) pallefartos {Ars}.

bestrijdingsmiddel:: (=pesticide) pestisitt {S}.

bestrijken:: (=besmeren) meste |smeste/este| {K}; (schootsveld v kanon) snue {K}; (fig: =omvatten) znyntare {K}.

bestrooien:: jiyxare {K}.

bestrooiing:: jiyxaros {C}.

bestseller:: (veel gelezen/gekocht boek) trempe-mimpit {C}.

bestuderen:: oltake {K}, armtstdere |..je| {K}.

bestudering:: (=studie) oltakos {A}, armtstderos {A}.

besturen:: (alle vervoermiddelen, behalve auto) rozjepe {K}; (auto) lenke {K}; (land) lyde {K}; het ~ (=bestuur: land): lydos {A}.

besturing:: (=stuurinrichting) torozjepos {C}.

bestuur:: (v vereniging ed; groep personen) lydos {C}; (=bewind) lytt {C}; (het besturen: v land) lydos {A}; (v Spok eiland) hzesy {C}; (v Spok district) lebl {C}; raad van ~: regle-ratt {C}; zie ook Spokanisch bestuur in .

bestuurder:: (=stuurman: v vervoermiddel, behalve auto) rozjeper {C}; (v auto: nt als beroep) lenker {C}; (v trein/tram) cndekterr {C}; (regnt) lydatjen {C}.

bestuurslid:: lydos-glyda {C}.

betaalbaar:: kaftatt {I}.

betaald:: kaftor {vdw}; niet ~ (onvoldaan): nemann {I}.

betalen:: (=afrekenen) kafte {K}; gepast ~ (passen): pijkafte {K}; (=voldoen: v rekening) manne {K; vdw= mann}; ~ met een biljet van 10 herco: ef kafte tjg eft amain-jeji; gedeeltelijk ~ (en de rest wordt kwijtgescholden): friyme {K}.

betaling:: kaftos {C}; (het voldoen v rekening) mannos {C}; tegen ~ van: n ef kafte rifo (vz-uitdr).

betalingsverkeer:: kafte-parfsos {A}; zie ook Betalingsverkeer in .

betamen:: (=passen) coe {K}; (=behoren) bekace beri {E}.

betasten:: (=aanraken) tuare {K}; (bewust voelen) kiyne {K}.

betasting:: (=aanraking) tuos {C}.

betekenen:: (=beduiden) mefre {K; gst= meff}; niet veel ~d (onbeduidend): net-istjo {I}.

betekenis:: mefros {A}, istjo {Aef}; van ... ~ zijn [voor]: ef lelperre ef ... istjo [furt]; deze dag is van grote ~ voor mij: lelmo tof lelperre ef hupster istjo furt gress; (=zin/bedoeling) mfral {Aef}; in de ~ van: fes ef mefros fara.

betekenisvol:: (=relevant) istjo {I}; (=zinvol) mfral {I}.

beter:: ("meer goed") gulder {I; =vt v quista}; (genezen/geheel opgeknapt) stmy {I}; des te ~: rifo ef gulderiy {C}; X is ~ dan Y: X guldere dus Y; ~ maken (met medicijnen): flome {K}; het ~ maken (genezing): flomos {C}; ~ worden (genezen): onte {U}; er ~ aan doen om: ef riffe ef gulder stebe beri.

beterschap:: stmyiy {A; mv=enk}.

betichten:: iemand ~ van iets: wkore flaju n rast {K}.

betichting:: wkoros {A}.

betogen:: (protest) gsare {U}; (redeneren) cyspohe {U; gst= cyspot}, cyspohe {U; gst= cyspot} (arch/poe).

betoging:: (demonstratie[optocht]) gsaros {C}; ~ houden: gsare {U}.

beton:: betn {S}; van ~ gemaakt (betonnen): betna {I}; gewapend ~: lzeffor betn.

betonblok:: betnjiy {C}.

betonen:: (nadruk leggen op) purfille {K}; het ~: purfillos {A}.

betonnen::

  1. (ww: vaarwater v tonnen/boeien/bakens voorzien) lbe {K}.
  2. (bv: van beton gemaakt) betna {I}.

betonning:: ([systeem v] afbakening v vaarwater) lbos {C}.

betoog:: cyspohos {C}.

betoon:: ovos {C}.

betoveren:: (lett) tfne {K; gst= tff}; (=verrukken) roote {K}.

betoverend:: (=verrukkelijk) rootiy {I}.

betovering:: (lett) tfnos {A}; (=verrukking) rootos {A}.

betrappen:: (inbreker) drabone {K}; iemand op heterdaad ~: ef drabone rast fes ef flecs; het ~: drabonos {C}; de leraar betrapt haar bij het spieken: ef gekker drabone eup luft ef jepsaros.

betreden:: settare {K} (jur); u betreedt het terrein op eigen risico: grs settare ef are furt sener dres riskao.

betreffen:: bzeure {K}; het betreft hem niet: do nert bzeure; betreft; gaan 7.

betreffend:: (=wat betreft) frpj {VZ}; (=aangaande) bzeurelira {VZ}.

betreft:: wat ~: frpj {VZ}; wat dit ~ (op dit punt): x {III}; wat mij ~: rep'gress {III}; wat mij ~ (als ik het voor het zeggen heb, als het aan mij ligt): me ef melde tsazi tsil; wat ~ het zojuist besprokene (hieronder/hiermee): fes pip serten (afk= f.p.s.).

betrekkelijk:: (=relatief) cijazut {I}; (niet-volstrekt) siy |ziy| {I}; (als afzwakking v add) vla'emm {III}; cijazut- {PX}; het boek is ~ duur: ef mimpit melde vla'emm mikar = ef mimpit melde cijazut-mikar; ~ voornaamwoord: cntekstoroni {C}.

betrekken::

  1. (bewolking) kafcaribe {U};
  2. (naar binnen gaan) nyxemje {K; gst= nyxemm};
  3. ~ bij: cijazte n {K}; (erbij halen) cijazute {K};
  4. een plaats ~ (bezetten v ruimte): chebae {K}.

betrekking::

  1. (baan) jobiy {C}, cijazuit {C}, slojet {C};
  2. (het naar binnen gaan) nyxemjos {C};
  3. (relatie) cijazutos {A}; met ~ tot (aangaande): frpj {VZ}; met ~ tot (gezien): yargeloh |war..| {VZ}; ~ hebben op: natrekke {K}.

betreuren:: rypje {K; gst= rypp}; het ~ (spijt): rypjos {A}.

betrokken:: (v hemel) drg {I}; (ermee gemoeid zijnd) cijaziy {I}; [actief] ~ raken bij iets: ef pnze [kteff] cijaziy luft flaju.

betrokkene:: (persoon die ermee te maken heeft) stunner {C}.

betrouwbaar:: (alg) lat {I}; (te vertrouwen) trustatt {I}.

betten:: (=deppen) wikare {K}.

betuigen:: ste {K; gst= stt}.

betuiging:: stos {A}.

betweter:: (=bemoeial) prabarer {C}; (=allesweter: iemand die alles weet/denkt te weten) tiffer {C}.

betwist:: (=omstreden) hybjiy {I}, tnessiy {I}; ~ gebied: tnessos {C}.

betwistbaar:: tnesta {I}.

betwisten:: hybjare {K}, tnesse {K}.

betwisting:: (het strijden over) hybjaros {A}; (ook: betwist gebied) tnessos {C}.

beugel:: flect {C}.

beuk:: ~[eboom]: bst {C}, quita {C} (L. Fagus sylvatica).

beukenboom:: bst {C}, quita {C} (L. Fagus sylvatica).

beukennoot:: quitk {C}.

beul:: (iemand die [beroepshalve] de doodstraf uitvoert) wull {C}; (iemand die martelt) kassatjen {C}.

beunhaas:: (knoeier: die zijn vak niet verstaat) iyper {C}.

beurs:: (handelsbeurs) burrs {C}; (=portemonnee) smurflot {C}; (tentoonstelling ed) farr {C}; met een krappe ~: lef eft ts smurflot.

beurt:: jermiy {C}, metel {C}; (om een speelkaart af te nemen) putt {C}; om de ~; ieder op zijn ~: metel {I}; nu is de ~ aan Petriy: ral Petriyex ef jermiy melde; aan de ~ zijn; de ~ hebben: ef lelperre ef jermiy; die vraag komt nu aan de ~: mittof linnos lelperre ral ef jermiy.

bevaarbaar:: njebop {I}.

bevaarbaarheid:: njebopjiy {C}.

bevallen::

  1. (=behagen) xrfane n {U};
  2. (=aanspreken) insule {K}; het schilderij bevalt me niet: ef platiranu nert insule gress;
  3. (=aanstaan) lamire {K}; het bevalt me: gress lamire ef;
  4. ~ van (v kind): fesarfine lef {U}; ze is van een zoon ~: eup fesarfino lef eft waler; zijn vrouw is van een zoon ~: do fesarfino lef eft waler (spr);
  5. minder goed ~/werken/zijn (dan het vorige ding; dan men verwachtte): trt[w]encatare {U}; de nieuwe kachel bevalt minder goed [dan de oude/dan ik verwacht had]: ef kleter warmohit trtwencatare; zijn vorige auto beviel minder goed [dan de huidige]: groft bentvendiy oto trtwencataro.

bevalling:: (v kind) fesarfinos {C}.

bevaren:: (varen op/in/over) lnjebope {K}.

bevattelijk:: (gemakkelijk te begrijpen) vitaxriy {I}; ~ zijn: vitaxriye {U}.

bevatten:: (=inhouden) rgefe {K}; (=begrijpen) hage {K}.

bevattingsvermogen:: xre-tin {C}.

beveiligen:: qurube {K}.

beveiliging:: (=veiligheid) qurubos {C}.

bevel:: blaffos {A}; op ~ van: tsazi blaffos rifo (afk= ts.b.r.).

bevelen:: blaffe {K}.

beven:: (=sidderen) laice {U}.

bever:: myj {C} (L. Castor fiber).

bevernel:: grote ~ (met rode bloemen): piympel {C} (L. Pimpinella major); kleine ~: natriyc-huron {C} (L. P- saxifraga).

beverrat:: wola-beks {C} (L. Myocastor coypus).

bevertjes:: (trilgras-soort) pr tsere-kles {S} (L. Briza media).

bevestigen::

  1. (=vastmaken) rye {K}; aan een oog of haak ~: rpixe {K};
  2. bevestigen||ontkennen: terfyre {Kid}; .

bevestiging::

  1. (het vastmaken; zoals het vastgemaakt is) ryos {C};
  2. bevestiging||ontkenning: terfyros {Aid}; .

bevestigingspunt:: rp {SX > c}.

bevinden:: zich ~: wfersence {Upr}; zich ~ in/te (verkeren in/te): lmelde {K}; (zich zo hoog ~/hangen dat je er niet bij kan) trefe {U}.

bevlekt:: (lett: =vlekkerig) fojeldriy {I}.

bevlieging:: (=opwelling) verkatos {C}; een ~ hebben (impulsief reageren): verkate {E}.

bevochtigen:: ropjare {K}.

bevoegd:: jabinciy {I}; bevoegd||onbevoegd: prpen {Iid}; bevoegd zijn||onbevoegd zijn: prpene {Uid}; het [daartoe] ~e gezag: ef lacs-prpen stat; .

bevoegdheid:: fu'egg {SC}.

bevolken:: (vol met mensen raken) zmpe {E}; (voorzien van mensen) feszmpe |fes..| {K}; (v dieren: in de lucht, op het water ed) chebae {C}; de meeuwen ~ de lucht: ef meves chebae ef ayr; het ~ (het voorzien van mensen): feszmpos |fes..| {C}.

bevolking:: zamprtiy {C}.

bevolkingsregister:: (burgerlijke stand) rnteram {C} (afk= r/am).

bevoordelen:: (een voordeel gunnen) yproe {K}; bevoordelen||benadelen: lntate {Kid}; .

bevoordeling:: yproos {C}.

bevooroordeeld:: (vol vooroordelen) nltoniy {I}; (vooringenomen) tobaxiy {I}.

bevoorrechten:: ef kette mg n.

bevorderd:: ~ worden: krodanare {U}.

bevorderen:: kafobiyre {K}; ~ tot (rang): yome helkara {K}; bevorderd worden: krodanare {U}.

bevordering:: krodanaros {C}, kafobiyros {A}; (in rang) yomos {A}.

bevrachten:: mule {K}.

bevrachting:: mulos {C}.

bevragen:: te ~ bij (in advertenties): linnatt n {I} (n is vz) (afk= lt of ltoe).

bevredigen:: zte {K}; niet te ~ (fig: onblusbaar): wychole-fest {I}.

bevredigend:: ztiy {I}, trusske {I}.

bevrediging:: ztiy {Aef}.

bevreesd:: variy {I}; (vrnl in:) ~ zijn (vrezen dat ...): ef melde variy, den ....

bevriend:: ~ [met]: piaqut [lef] {I}.

bevriezen:: [doen] ~: dres-cryre {K}; door de koude wind zijn haar oogleden bevroren: ef martel omelech belt eit-closes dres-cryre; het water bevriest: ef knurfel sena dres-cryre.

bevriezing:: dres-cryros {C}; plotselinge ~ van een vloeistof: kabaros {C}.

bevrijden:: zrame {K; vdw= zrg of regelm.}.

bevrijding:: zramos {C}.

bevroren:: cryrt {I}.

bevruchten:: frtale {K}.

bevruchting:: (vruchtbaarheid) frtalos {C}.

bevuilen:: dirte {K}; (sterker dan dirte) dirtare {K}; (=bezoedelen) ajire {K}.

bevuiling:: dirtaros {C}; (=bezoedeling) ajiros {C}.

bewaakt:: lestk {I}.

bewaarplaats:: (=depot) zolle-srt {C}.

bewaken:: gerdre {K; gst= gerder; wst= gerd}; het ~ (bewaking): gerdros {A}.

bewaker:: (=oppasser) gerdatjen {C}.

bewaking:: (groep personen die bewaakt) gerdros {C}; (het bewaken) gerdros {A}.

bewakingsdienst:: gerdre-harbos {A}.

bewapend:: (=gewapend) wapor {I}.

bewapenen:: lwpe (lpe) {K}, gne {K}; het ~ (bewapening): gnos {C}.

bewapening:: (alle wapens tezamen) tognos {C}; (het bewapenen) gnos {C}.

bewaren:: (niet wegdoen) zolle {K}; (=conserveren) sivve {K}; met zorg ~ (=koesteren): plge {K}, tame {K}.

bewaring:: huis van ~: leldast-srt {C}; in ~ stellen: ef lelde fes ef zr (jur: politie kan iemand maximaal 3 weken opsluiten voor nader verhoor).

beweegbaar:: rutramiy {I}; een beweegbare brug: eft kteff pnt.

beweeglijk:: rutracc {I}.

beweeglijkheid:: rutracciy {A; mv=enk}.

beweegreden:: (=motief) zmbaso {C}.

bewegen:: rutre {U; gst= rutt}; (=beroeren) vmse {K}.

bewegend:: (snel heen en weer; onrustig) kviylt {I}.

beweging:: (lett) solft {C}, rutros {C}; (=beroering: het doen bewegen/beroeren) vmsos {C}; (ook fig: organisatie ed) rutros {C}; ritmische ~ (cadans): festsolft {C}; in ~ zetten: rutrare {K}; moeilijk.

bewegingsruimte:: (=armslag) rumpstj |rumst| {C}.

bewenen:: (alg) arkettare {K}, lhle {K}; (huilen om een dode, als Erg-ritueel) je {K}.

bewening:: (het huilen om een dode, als Erg-ritueel) jos {C}.

beweren:: zjoffe [beri/den] {K}, lyze beri/den {U} (dl= Peg); hij beweert kanker te hebben: do zjoffe beri lelperre knks; men beweert dat ... (schijnen te zijn): rmoie {K; gst= rmoit; vdw= rmt}; men beweert dat Lerdu miljonair is (Lerdu schijnt miljonair te zijn): Lerdu rmoie eft miljonarr; Lerdu wil dat men denkt (beweert) dat hij miljonair is: Lerdu rmoitavy eft miljonarr; men beweert dat het verhaal waar is (het verhaal schijnt waar): ef stors rmoie truf (invoeging van lo is incorrecte spr: ef stors rmoie lo truf); iemand van wie men altijd beweerde dat hij miljonair was (een vermeende miljonair): eft rmt miljonarr (en dat blijkt nu niet zo te zijn); (sprkw) als je iets beweert is nog niet bewezen dat het waar is (dit gezegde is een verzoek om met bewijzen voor de dag te komen): ef kimore str melde ef pe.

bewering:: (=onware/niet verifieerbare mededeling) fpos {A}; (=stelling) zjoffos {C}.

bewerken::

  1. (boeken) edite {K};
  2. (grond) oofe |wofe| {K}; het ~: oofos |wofos| {C};
  3. (hout/metaal/steen) prsize {K}; bewerkt voorwerp: prsizos {C};
  4. (fig: geestelijk benvloeden) fesrme {K}.

bewerker:: (boeken) editiy {C}; (hout/metaal/steen) prsizatjen {C}.

bewerking:: (boeken) editos {C}; (het bewerken: grond) oofos |wofos| {C}; (hout/metaal/steen) prsizos {C}.

bewerkt:: ~ voorwerp: prsizos {C}.

bewesten:: westen.

bewijs:: (akte: rijbewijs ed) kornin {C/S; mv= kartafiy}; (het bewijzen) craelos {C}; van bewijzen voorzien (documenteren): csre {K}.

bewijsbriefje:: (=bon/kwitantie) quistarafiy {C}.

bewijskracht:: craele-crf {C}.

bewijzen:: craele {K}; beweren.

bewind:: (=bestuur) lytt {C}; (=regering) tangodm {SC}.

bewogen:: (geschiedenis) raor {I}.

bewolken:: epaare {U}.

bewolking:: epaos {C}.

bewolkt:: epa {I}; ~ zijn: epae {U}.

bewonderaar:: cubu-tiraer {C}.

bewonderen:: bewonderen||verafschuwen: tirae {Kid}; .

bewondering:: bewondering||afgunst: monsl {SCid}; .

bewonen:: (wonen in/op) lzre {K}; het ~ (bewoning): lzros {C}.

bewoner:: zreldur {C}; ~s (inwoners): jupan {S}; ~s, wat betreft de ~s/inwoners: jupana {I}; aantal ~s/inwoners: jupano {C/S}; (bewoners v Spok geografische locaties worden met het sx zr gevormd; de gereduceerde variant ze is alg spr en ihb dialect (dl= Berref): Lomky/bewoner v (eiland) Lomky: Lomky/Lomkyzr; Korif/bewoner v (stad) Korif: Korif/Korifzr; zr; ze SN.

bewoning:: (het bewonen) lzros {C}.

bewoonbaar:: zramiy {I}.

bewoond:: (huis) zrt {I}.

bewoording: een brief in fraaie/scherpe ~en: eft letra lef korsamen/riyps towuftoss.

bewust::

  1. abarit {I}; zich ~ zijn van (alg): abarite {Kpr}; quiquije {K; gst= quiquit; vdw= quiqur}; het probleem waarvan men zich ~ [geweest] is: ef quiqur mntyos; zich ~ zijn van (zich realiseren): zrftje {K; gst= zrft; wst= zrft}; de zich van niets ~e patint: ef qulostiy kinet;
  2. (die ter sprake komt/is) pjlt {I}; die ~e dag was ik niet thuis: mittof pjlt tof gress nert meldo fesrt.

bewusteloos:: netabarit {I}; ~ raken: ef arfine netabarit.

bewustzijn:: abaritos {A}, quiquijos {A}.

bezaaien:: (lett) moflare {K}.

bezadigd:: (=bedaard) ftachiy {I}.

bezadigdheid:: (=bedaardheid) ftacher {A; mv=enk}.

bezatten:: zich ~ (dronken worden): yspare {U}.

bezegelen:: (=zegelen) sgge {K}; (=bekrachtigen) pitiqume {K}.

bezegeling:: (=bekrachtiging) pitiqumos {A}.

bezeilen:: (zeilen op/in/over) lsaile {K}.

bezem:: prla {C}.

bezemsteel:: prlazor {C}.

bezeren:: (pijn doen: personen) kate {K}, kate {K} (arch).

bezering:: katos {C}.

bezet::

  1. (ruimte/stoel) cheba {I};
  2. (geen tijd hebbend) idefortor {I}; (gebonden: door drukke werkzaamheden) fes ef kupiy; (door leger) os {I}.

bezeten:: ~ zijn door/van: kasole rifo {U}; ~ zijn van: yubere {K}.

bezetten:: (ruimte/stoel) chebae {K}; (door leger) ozzije |wozz..| {K; gst= ozzit; vdw= os}.

bezetting:: (door leger) ozzijos |wozz..| {C}.

bezichtigen:: lutterafe {K}; alles graag willen ~ (vrnl uit interesse: kijklustig): lutteraerx {I}.

bezichtiging:: lutterafos {C}; (een kijkje) lutt {C} (pop).

bezield:: (=enthousiast) chylo {I}.

bezielen:: chyloe {K}.

bezieling:: chyloos {A}; (=enthousiasme) chylo {Aef}.

bezienswaardig:: akalbink {I}, luttielba {I}.

bezienswaardigheid:: akalbink {Cef}; zie ook Bezienswaardigheden in .

bezig:: (doende) painelira {I}; druk ~: rutracc {I}; ~ zijn met: mitapaine {K}; het [druk] ~ zijn ([drukke] ~heid): mitapainos {C}; er niet [meer] mee ~ zijn (laten rusten): ef lelde fes ef limmern.

bezigheid:: (wat men actueel doet) painos {C}; (waar men zich iha mee bezighoudt) zebbe {C}; [drukke] ~ (het [druk] bezig zijn): mitapainos {C}.

bezighouden:: zich ~ met: paine tukst {Upr}; zich intensief ~ met iets: kobature lef flaju {Upr}; het zich ~ met iets: kobaturos {A}; ef slitue ef nurp fes flaju.

bezijden:: ~ de waarheid: kusamat ef kmpaiy.

bezinken:: (v vaste stof in vloeistof) zalatre {U; gst= zalatt}; (helder worden: v vloeistof) latrare {U}.

bezinksel:: zalatros {C}.

bezinnen:: zich ~ op: giye ump {E}.

bezinning:: giyos {A}.

bezit:: (=eigendom) spkelak {C; mv= spkelke}; (wat men in bezit heeft) lelperros {C}; (het bezitten) holos {A}; het ~ van Lerdu (degene die bezit): Lerduex ef lelperros; het ~ van een dure auto (dat wat men bezit): eft mikar otoecr holos; in het ~ van: lef lnt tukst (id); hij is in het ~ van goede woonruimte: do melde lef lnt tukst quista zre-rumpstj lo eft lelperros; .

bezittelijk:: ~ voornaamwoord: lelperroroni {C}.

bezitten:: (alg) lelperrere {K}, spkelae {K} (arch/dl= Liftka); (=hebben) lelperre {K}; (bij zich hebben: met de bedoeling om weg/af te geven) hole {K}; het ~ (bezit): holos {A}; hebben 1.

bezitter:: (=eigenaar) spkln {C}; een ~ van iets: eft spklan n flaju (n is vz); ~ van groot aantal honden: kynolche {C} (iro).

bezitting:: (=eigendom) spkelak {C; mv= spkelke}; al zijn ~en (zijn hele hebben en houden): groft noji lef vults ur netsz.

bezoedelen:: (=bevuilen) ajire {K}.

bezoedeling:: (=bevuiling) ajiros {C}.

bezoek:: (het bezoeken) quarderos {C}; (bezoeker: n persoon) quardiy {C}; ik heb ~ (mensen in huis): gress lelperre quardiys; (=visite) truch {C}; een ~ brengen aan: ef kette eft truch n; plechtig ~ (opwachting): dx {C}; kom eens op ~!: zerfe-te kost/kult hitt!.

bezoeken:: (alg) quardere {K}; iemand even ~: ef zerfe ef cafer hs rast; het ~ (bezoek): quarderos {C}; druk bezocht (met veel mensen): centys {I}; zeer druk bezocht worden (storm lopen): ef vende kaf ef dufja; (mogelijk om) te ~: quardere-p {I}; de kwekerij is te ~: ef paqurs melde quardere-p.

bezoeker:: quardaliy {C}; (bezoek: n persoon) quardiy {C}.

bezoekuur:: quardere-zurt {C}.

bezoldigen:: (=salariren) wagye {K}.

bezoldiging:: (=salariring) wagyos {C}.

bezondigen:: zich ~ aan: ksenpare {K}.

bezorgd:: (=ongerust) ybrod {I}, wor {I}.

bezorgdheid:: (=ongerustheid) ybroiy {C}, wortiy {SC}; (=bekommering) vjopaccos {A}.

bezorgen:: (=afgeven) luftmze {K}; (v post) trofiyare {K}.

bezorging:: (=afgifte) luftmzos {C}; (v post) trofiyaros {C}.

bezuiden:: zuiden.

bezuinigen:: huare {U}.

bezuiniging:: huaros {A}.

bezuinigingsplannen:: (het gehele pakket maatregelen dat de overheid voorstelt) huare-plnos {S}.

bezuren:: (=ontgelden) ltreoxje {K; gst= ltreox}.

bezwaar:: rhap {C}; een ~ tegen iets: eft rhap qu flaju; ze hebben geen ~ tegen ...: ps nert lelperre ef rhaps frpj ...; de bezwaren uiten: ef chaquinde-mip ef rhaps.

bezwaarschrift:: rhapafiy {C}.

bezwangerd:: ~/doordrongen zijn met (vocht/stank/slechte eigenschappen ed): hsiopente {K}.

bezweet:: (zonder dat het vies is) dyn {I}; (op onsmakelijke wijze: =zweterig) zvettiy {I}.

bezweken:: faelgest {I}.

bezweren:: nze {K}.

bezwering:: nzos {A}.

bezwijken:: (de geest geven) hgme {U; gst= hgg}, faelge {U}; ~ aan (een ziekte/ontberingen): tijfarte armt {U}; ~ voor: faelgare {K}; het ~ (bezwijking): hgmos {A}, faelgest {Aef}.

bezwijking:: (het bezwijken) hgmos {A}, faelgest {Aef}.

Bhutaan:: (bewoner) Butano {Cef}.

Bhutaans:: (bv) butaniy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Butana {Cef}.

Bhutan:: Butaniy {G}.

bibberen:: rele {U}; stem.

bibliografie:: bibliografij {C}.

bibliothecaris:: bibliotekker {C}.

bibliotheek:: (gebouw/instituut) bibliotekke {C}; (boekenverzameling) tomimpit {C}; (leeskamer: in groter woonhuis) trempelmit {C}; zie ook Bibliotheken in .

bicarbonaat:: bicrbonatiy {S}.

bidden:: (Chr) priare {U}; (Erg) lve {U}; (Erg: gezamenlijk overpeinzen) bzadmene {U}; ~ om iets (Erg): lve furt flaju; om genade ~: unkettare {U}; de rozenkrans ~: ef sterne ef roskryva; (een gebed uitspreken) ef reppe eft priaros.

bidprentje:: priarty {C; rs= priartte}.

biecht:: feskoffos {A}; (RK) cnfeo {C}.

bieden:: (bod doen) ozyre {K}; (bij kaartspel) ge {K}; (de mogelijkheid geven) strjfje n |stfje| {K; gst= strjff}; iets te ~ hebben: ef kurre beri strjfje flaju; deze opleiding biedt een solide toekomst voor afgestudeerden: dena qummertaros strjfje eft kiyp arfinvelkiy n miptrempers.

biefstuk:: bjefflp {C}.

biefstukzwam:: x-ingocher {C} (L. Fistulina hepatica).

biels:: (onder rails) prart {C}.

bier:: bjerr {S}; glas ~ (pilsje): bjerr-kliqu {C}, bjerr {C}; sitt {C} (pop), siddos {C} (pop); (gebrouwen in Spok: lijkt op ale of bokbier) lf {S}, lft {S} (dl= Tigof/Lomky); een glas lf[t]: eft lf[t] {C}; zie ook Bier en biercultuur in .

bierbrouwer:: sidder {C}.

bierbrouwerij:: siddos {C} (meestal in mv: siddsta).

bierbuik:: man met een ~ (dikke buik): molfit-synner {C}.

bierglas:: bjerr-kliqu {C}.

bierpul:: kmst {C}.

biertje:: (glas bier) bjerr {C}; sitt {C} (pop), siddos {C} (pop).

bierviltje:: kliqu-zjober {C} (ook: onderzetter onder een glas; kartonnen bierviltjes worden in Spok cafs niet gebruikt; wel liggen er vaak badstoffen kleedjes op de bar of tafel om een nat glas op te zetten).

bies::

  1. (versieringsrand) faboh {C}; (rand op kleding) giyne {C}.
  2. [matten]~: st {S} (L. Scirpus lacustris).

bieslook:: jns-lk {S} (L. Allium schoenoprasum).

biet:: rode ~ (=kroot): lijamalse {C}; (suikerbiet) sucrolse {C}; .

big:: (jong varken) fr {C; mv= fra; rsmv= frutt}; guinees ~getje (cavia): cavija {C}.

biggekruid:: gewoon ~: ltiypor kles-kolai {S} (L. Hypochaeris radicata).

bij::

  1. (zn) [honing]~: biy {C} (L. Apis mellifera); ~en houden: biy-wencate {U}, biyencate {U}.
  2. (vz)
    1. (plaats) luft {VZ}; er groeit een eik ~ de schuur: eft c lelde luft ef kul; ~ deze: kusamiluft {I}; ~ ... thuis: hs {VZ}; thuis ~ mijn ouders: hs kost fosies; ~ de dokter: luft/hs ef medikiy (als het niet specifiek gaat om "thuis", wordt hs als spr beschouwd); (fig) dan moet je niet ~ mij zijn!: tu pojare dus!;
    2. (maat) tuf {VZ}; een kamer van drie ~ vier meter: eft mittus fry dur tuf fr meter;
    3. (relatie) hij heeft een kind ~ die vrouw: do lelperre eft efanty l mittof mosjeus (l alleen mbt de moeder);
    4. (gelijktijdigheid) ~ het openen van de deur ... (= als/toen ik de deur open[de]): tsazi ef gyros enn ef argerat ...;
    5. (gedurende de tijd dat er sprake is ve bepaalde situatie) lf {VZ} (tijd); ~ hoogwater (zolang het hoogwater is): lf preiptjek;
    6. ~ elkaar (bijeen): nosiy {I}; ~ elkaar horen: fe {Upr}; ~ elkaar/nader brengen (fig): chabre {K; gst= chapp; vdw= chapor}; het ~ elkaar brengen: chabros {C};
    7. zo hoog hangen/zich bevinden dat je er niet ~ kan: trefe {U}; hij kan niet ~ de bel: ef zeft trefe n do = do nert starec ef zeft.

bij:: {C} (neven/ondergeschikt) nef = su {PX}; (zie desbetreffende lemma's).

bijbedoeling:: nefsplnjos = susplnjos {A}.

bijbehoren:: het ~ (het horen bij): rylos {C}.

bijbehorend:: ryliy {I}; met ~[e] (annex): ryliy {VZ}.

bijbel:: bibl {C}.

bijbenen:: farte-minkr {K}.

bijbetalen:: xlakafte {K}.

bijbetaling:: xlakaftos {C}.

bijbetekenis:: nefistjo = suistjo {Aef}.

bijblad:: rijesafiy {C}.

bijblijven:: (het kunnen bijhouden) crfriylpe {U}.

bijbouwen:: (=aanbouwen) lbe-luft {K}.

bijbrengen:: iemand iets ~: ef holare flaju ort raster iyc (raster = gen).

bijdehand:: zakett {I}; ~ en opmerkzaam: yggiy {I; [mv=enk]}.

bijdoen:: (=toevoegen) paine-luft {K}.

bijdrage:: jedos {C}; een ~ leveren aan: luftprare eft jedos furt.

bijdragen:: jede {K}; ~ aan: jede furt {U}; ~ tot: jede n {U}.

bijeen:: (bij elkaar) nosiy {I}; luft wlkn.

bijeendrijven:: (=samendrijven: v vee) nare ... lo nos {K}; de boerinnen drijven de koeien bijeen: ef keltosz nare ef boerts lo nos.

bijeengegraaid:: (wanordelijk samengeraapt) fnopiy {I}.

bijeengraaien:: (=samenrapen) fnope {K}.

bijeenkomen:: pije {U; gst= pit}.

bijeenkomst:: (het bijeenkomen) pijos {C}; (=vergadering) gadros {C}; feestelijke ~ (=receptie): klunt {C}; gezellige ~ (groot feest): kofano {Cef}.

bijeenpakken:: wehote {K}; het ~: wehotos {C}.

bijeenpakking:: (het bijeenpakken) wehotos {C}.

bijeenroepen:: nos-rupke {K}.

bijeenroeping:: nos-rupkos {C}.

bijenhouder:: biyatjen {C}.

bijenkast:: biylot {C}.

bijenkorf:: biy-korfe {C}.

bijenorchis:: littit vogily-huron {C} (L. Ophrys apifera).

bijenwas:: biy-fst {S}; (ook boenwas) fst {S}.

bijgaand:: rijess {I}.

bijgebouw:: (losstaand) nefhuflif {C}; (aanbouw: vast aan groter gebouw) suhuflif {C} (het onderscheid tussen nefhuflif en suhuflif wordt in de praktijk niet altijd gemaakt (wel in een ambtelijke context)); (dependance: elders gehuisvest deel ve organisatie) nefhuflif = suhuflif {C}.

bijgeloof:: ciulotos {C}; (geloof in buitenaardse dingen) fmp {SC}.

bijgelovig:: ~ zijn: ciulote {U}.

bijgesloten:: rijess {I}.

bijgevolg::

  1. (=derhalve) ltiy {I};
  2. (ten gevolge waarvan) ltiy {VG} (gevolg); gisteren heeft hij een ongeluk gekregen, en ~ moet hij zijn vakantie uitstellen: do eft moplariy pnze hols, ltiy do miptrekkt sener zirrot.

bijhouden:: (=volgen/meegaan) sompe {K}; (niet achter raken) ralsompe {K}; het kunnen ~ (bijblijven): crfriylpe {U}; niet kunnen ~ (achterblijven): bleffe {U}; (onderhouden v woning ed; actueel houden v administratie ed; in stand houden v gezondheid ed) wencate-armt {K}; het ~ (bijhouding): wencatos-armt {A}.

bijhouding:: (het bijhouden: v woning/administratie ed) wencatos-armt {A}.

bijkantoor:: (=filiaal) rra-srt {C}.

bijkomen:: (uitrusten/uitblazen) nne {U}; (opknappen: na ziekte) kafhelte {U}.

bijkomend:: (extra) ruelira {I}.

bijkomstig:: (=erbij komend) zjalelira {I}; (=ondergeschikt) luftzar {I}.

bijl:: axos {C}, trs {C}; kaasschaaf.

bijlage:: rijesafiy {C}.

bijleggen:: (v ruzie) nnce {K}.

bijna:: pordel {I}; (=schier) topij = topije {I} (arch/poe).

bijnaam:: toquanka {C}; (=spotnaam) ndre-quanka {C}.

bijproduct:: nefprodk = suprodk {C}.

bijscholing:: nefkolestiymos {A}.

bijschrift:: (=onderschrift) zat-tece {C}.

bijslag:: xlasmurf {C}.

bijsmaak:: tols {C}.

bijsnijden:: ba'efrare {K}.

bijsnijding:: ba'efraros {C}.

bijspijkeren:: (kennis oid [weer] op peil brengen) poertere {K}; je moet je fysiek ~: poertere-te sener frop xnrf.

bijstaan:: (fig: ondersteunen/helpen) moie {K; gst= moit; vdw= mt}.

bijstand:: (fig: hulp) moios {C}, moit {C}; ~ verlenen aan: crtyrhe = rtyrhe {K; gst= [c]rtyrt}; het verlenen van ~: crtyrhos {C}; hij zit in de ~: do melde lef eft SOX; bijstandsuitkering.

bijstandsuitkering:: soala xlaharros {C} (afk= SOX).

bijstellen:: (opnieuw afstellen: machine/ontsteking) yge {K}.

bijstelling:: (=afstelling: machine/ontsteking) ygos {C}.

bijsturen:: (vrnl fig: zorgen dat iets in goede banen geleid wordt) lenke-armt {K}.

bijt:: (in ijs) gx {C}.

bijten:: (alg) orte {K; vdw= porte}; het ~: ortos {C}; (v vissen: hengelaarsterm) rpe {U}.

bijtijds:: fes zurt.

bijval:: (=applaus) hentrupk {C}; daverende ~: crubunelira pretrs.

bijvalsbetuiging:: hentrupkos {C}.

bijverdienste:: xlarinnos {C}.

bijvoegen:: (=voegen bij) rijee {K}; hij voegt mij bij de groep: do rijee gress luft ef grup; de batterij is (in de verpakking) bijgevoegd: ef bateri melde fes ef rijeos.

bijvoeging:: (=insluiting: in envelop/verpakking) rijeos {C}.

bijvoegsel:: (bijlage) rijesafiy {C}.

bijvoet:: (plant) frotqumter {C} (L. Artemisia vulgaris).

bijvoorbeeld:: (alg) kurre-melde {III} (afk= k.m.); (met de nadruk op het geven ve voorbeeld) fara oxoddos (afk= f.o.).

bijvullen:: rge-kaf {K}; het ~ (bijvulling): rgos-kaf {C}.

bijvulling:: (het bijvullen; bijgevulde hoeveelheid) rgos-kaf {C}.

bijwagen:: (v tram) lajfnolac {C}.

bijwerken:: (up-to-date maken: gegevens/archief/encyclopedie ed) fort-edite {K}.

bijwonen:: lbare {K}; (iets gadeslaan) bare armt flaju {U}.

bijwoning:: baros {C}, lbaros {A}.

bijzaak:: kim {C}.

bijzettafel:: (salontafel: met korte poten) dryk {C}.

bijziend:: (=kippig) tarzerfa {I}; ~ persoon: tarzerfi {C}.

bijzijn:: in het ~ van: mos {VZ2n}.

bijzonder:: (=apart) flacr {I}; zeer ~ (=buitengewoon): kuragei {I}; in het ~: iyrst {I}; [in het] ~ (speciaal): speala {I}; (als versterking) hij is ~ kribbig: do melde kuragei grqust.

bijzonderheid:: flacrko {C}.

bil:: (=achterwerk) lbt {C}.

biljart:: (Spok variant heeft 3 rode, 3 witte en 1 gele bal) biljarr {C}.

biljartbal:: biljarbl {C}.

biljarten:: biljarmerre {U}.

biljartspel:: (het spelen) biljarmert {C}; biljart.

biljartspelen:: biljarmerre {U}.

biljartspeler:: biljarmerr {C}.

biljartstok:: (=keu) kuiy {C; rs= kute}.

biljet:: (=kaartje) lofa {C}, tiycet {C}.

biljoen:: (miljoen miljoen) biljn {TW}.

billijk:: (=redelijk) kvmpaj {I}.

billijken:: (=goedvinden) quistare {K}.

billijkheid:: (=redelijkheid) kvmpajos {A}.

billijking:: (=goedvinding) quistaros {C}.

bilzekruid:: vult-krutt {C/S} (L. Hyoscyamus niger).

binden::

  1. (alg: lett) binde {K}; aan elkaar ~: le {K};
  2. (v boeken) nate {K}; (chemisch) bindare {K};
  3. (fig) (relatie) arare {K}; (=beperken: vrijheid) wmre {K; gst= wmm}; zich ~ aan (fig): uberare {K};
  4. (saus/soep) lke {K; vdw= regelm.}; het ~ (binding: saus/soep): lkos {C};
  5. (dier vastbinden/tuieren): plytare n {K}; ze bindt het paard aan het hek: eup plytare ef rf n ef blof.

binding::

  1. (chemisch) bindaros {C}; (het binden: saus/soep) lkos {C};
  2. (fig) (relatie) araros {A}; (vrijheid) wmros {A}.

bindwerk:: (boeken) natos {C}.

bingelkruid:: Xans-ardekir |X| {C} (L. Mercurialis); eenjarig ~: port Xans-ardekir (L. M- annua); overblijvend ~: quelira Xans-ardekir (L. M- perennis).

binnen::

  1. (bw) nt {III}; [naar] ~: fesdu {III}; hij zit ~: do feldre nt; hij loopt naar ~: do farte fesdu; hij is ~: do melde fesdu; naar ~ laten (=inlaten: persoon/zon): me {K}; we hebben de bestelling nog niet ~ (ontvangen; in ons bezit): kirro lelperre ef ojelstos str fes ef sako.
  2. (vz)
    1. (plaats: =in) fes {VZ}; het huis ligt nog [juist] ~ (de grenzen van) de stad: ef srt melde velk r fes ef srt; ~ de perken (fig): fes ef fini-lnts;
    2. (beweging binnen bep grenzen: =in) nt {VZ}; hij loopt ~ de omheining [rond]: do farte nt ef togrs; ~ langs: langofes {VZ}; hij loopt ~ langs de muur: do farte langofes ef krur;
    3. (richting) naar ~: fesdu {VZ}; hij loopt het huis ~: do farte fesdu ef srt;
    4. (tijd) (nadruk dat iets korter duurt dan de aangegeven periode; nadruk op een afgesloten handeling) nte {VZ}; (nadruk op de periode zelf) kurof {VZ}; hij heeft het boek ~ een/n uur gelezen (hoeft niet een heel uur te duren): do ef mimpit trempe nte eft/r zurtarr; we rijden ~ n dag naar Parijs (hoeft niet de hele dag te duren): kirro ufire helkara Paris nte r tof; (vgl) we rijden in/gedurende n dag naar Parijs (de reis duurt precies de hele dag): kirro ufire helkara Paris lf r tof; het schip doorkruist de zee ~ enkele uren: ef kar krose-fes ef z kurof gopirus zurtarr; volgende week moeten ze schuur ~ [de tijd van] vier dagen schilderen: ef pirmink ps verfuts ef kul kurof fr terrats; in 4.

binnenband:: ayrlot {C}.

binnendringen:: (=indringen) ulljeve {K}; met geweld ~: kuranyxemje {K; gst= kuranyxemm}.

binnendringing:: (=indringing) ulljevos {C}.

binnengaan:: (gaan in) fesende {K}; (=binnentreden) entre {U; gst= enter}.

binnenhalen:: (=inhalen) fes-pre |fEspre| {K}; (oogst) nnce-armt {K}.

binnenhaling:: (=inhaling) fes-pros |fEspros| {C}.

binnenhoek:: (in de kamer ed) eka {C}.

binnenhuisarchitect:: fesdu-flartolar {C}.

binnenkant:: (=binnenzijde) fesovap {C}.

binnenkomen:: arfine fes {U}; hij komt de kamer binnen: do arfine fes ef mittus; (theatraal: opgang maken) entrare {U}; (ontvangen worden) het geld dat bij u binnenkomt: ef smurf, fesendelira kirnem.

binnenkomst:: (=intocht) entros {C}.

binnenkort:: ntfort {III}; (=spoedig/eens) zft {III; vt= wnta; ot= bent}; ik wacht al een uur, ~ moet hij [toch] komen: gress que pip lf r zurtarr, zft do arfint.

binnenland:: (in eigen land) feark {C}; (inwendige deel ve land, ver van de kusten) fesdu-ark {C}; (meestal in het mv) binnenlanden: fesdu-arks; naar/in het ~: festnese {I}; in binnen- en buitenland: interse {I}.

binnenlands:: fearcess {I}; [ministerie van] ~e zaken: Fesdu-Tiyns {N} (afk= FT).

binnenlaten:: (=inlaten: persoon/zon) me {K}; niet ~ (voor de deur laten staan): mipmte {K}.

binnenlopen:: farte-fes {K} (spr); hij komt de kamer binnen lopen: do farte-fes ef mittus; (aan komen wippen) farte-fes {U}; het ~: fartos-fes {C}; (v haven) rutse-mip {K}; het ~ (haven): rutsos-mip {C}.

binnenmuur:: feskrur {C}.

binnenplaats:: es {C}; (bij boerderij: ook erf) kellirrotiy {Crs}; (=patio) patjo {C}.

binnenrijden:: fesufire {K}.

binnenruimte:: fesrumpstj |fesrumst| {C}.

binnenscheepvaart:: fesnjebopiy {C}.

binnenshuis:: (plaats) fesdusrtiy {I/VZ}; de koeien staan in de stal ~/die in het huis gelegen is: ef boerts melde fesdusrtiy ef ferr.

binnenslands:: (plaats) fesduarkiy {I/VZ}; in de toeristengebieden ~, in de binnenlandse toeristengebieden: fesduarkiy ef entrafer-ares.

binnensmonds:: fesdumotrikiy {I}.

binnenstad:: (stadskern) kruiy {C; rs= krute}; (oude stadskern: min of meer zelfstandig deel [omringd door wallen] ve stad) touln {C}.

binnenste::

  1. (bv) fester {I}; ~ buiten: fesdotoje {I};
  2. (zn) het ~: ef fester tiyns; (=wezen/kern) iyc {SC}.

binnentreden:: (=binnengaan) entre {U; gst= enter}.

binnenvaren:: (varen in) njebope-fes {K}; het schip vaart [de haven] binnen: ef kar njebope-fes [ef port].

binnenwaarts:: fesloiniy {I}.

binnenwand:: feskrur {C}.

binnenweg:: (=achteraf-weg) kronomirra {C}.

binnenzijde:: (=binnenkant) fesovap {C}.

biochemie:: biogemiy {C}.

biografie:: biografij {C}.

biologie:: bioliy {C}.

biologisch:: biologise {I}.

bioloog:: biolche {C}.

bioscoop:: dokerat {C}; zie ook Bioscopen in .

biotoop:: biotopiy {C}.

birgittines:: (vrw lid v RK kloosterorde) birgitina {C; mv= birgitinas}.

Birma:: Birma {G}.

Birmaan:: Birmano {Cef}.

Birmaans:: (bv) birma {IIef}; ~e vrouw: Birmana {Cef}.

bis:: (=nogmaals) h {I}; bis! bis!: h! h! (bij concerten).

biscuit:: (=koek) rafeo {C; rs= rafette}.

bisdom:: biypstat {C}.

bisschop:: (RK) biyp {C}.

bit:: (paard) rek {C}.

bits:: (=vinnig) det {I}, leks {I}.

bitter:: (smaak) rot {I}; (wrang v smaak) trte {I}; (fig: koude/gevecht ed) gfren {I}; ~ smaken: yste {E}; ~e smaak (bitterheid): ystiy {A; mv=enk}.

bitterheid:: (bittere smaak) ystiy {A; mv=enk}.

bittervoorn:: musl-krpiy {C} (L. Rhodeus sericeus amarus).

bitterzoet:: (plant) brr miskofif {C} (L. Solanum dulcamara).

bivak:: byvk {C}.

bivakkeren:: byvke {U}.

bivakmuts:: caribe-zieo {C; rs= ..-ziet}.

blaar:: (=bult) frts {C}; (witte vlek op kop) crspe-liyt {C}.

blaas:: (orgaan in lichaam) blerr {C}, blel {C} (dl= West-Berref); (gasbel/luchtbel) blel {C}.

blaasbalg:: fitrutatjen {C}, smiyn {C}; iemand die [beroepshalve] op ~ (v orgel) trapt ("het orgel treedt"): pitter {C}.

blaasinstrument:: fitrutyss {C; mv= fitrutiysse}.

blaasjeskruid:: blerr-krutt {C/S} (L. Utricularia); klein ~: belt blerr-krutt (L. U- minor); gewoon ~: presr blerr-krutt (L. U- vulgaris); "laat ~" (alleen in Spok): kiygt blerr-krutt (L. U- tarda).

blaassilene:: (plant) [presr] silenn {C} (L. Silene vulgaris).

blad::

  1. (aan boom) lofa {C}; [laag van] dorre, afgevallen ~eren (in de herfst): tlpiyg {S}, zarx {S};
  2. (v papier) (vel) siyc {C}; (tijdschrift) fortpit {C};
  3. (=schoep: waterrad/scheepsschroef/ventilator ed) venn {C}.

bladbegonia:: lofa-begonja {C} (L. Begonia rex hybride).

bladderen:: (v verf) kirene {U}; het ~: kirenos {C}.

bladeren:: prace {U; gst= pract}.

bladerloos:: lofa-gl {I}.

bladertooi:: (=gebladerte) rx {S} (arch/poe).

bladgoud:: cfoliy-jl |cvo..| = cvoliy-jl {C/S}; voorzien van ~: ljlor {I}.

bladveer:: plc-ost[r]f {C}.

bladvulling:: prac-rgos {C}.

bladwesp:: (alg) lofa-vna {C}.

bladzijde:: (=pagina) prac {C} (afk= pr.), pagina {C}; op de eerste ~: fes ef rtef prac/pagina; fes prac/pagina r; op de derde ~: fes ef durtef prac/pagina; fes prac/pagina dur; op de laatste ~: fes ef aiyk prac/pagina.

blaffen:: helderte {U}; ~ tegen: helderte {K}; woef.

blaker:: (=kandelaar) ak-kronm {C}.

blakeren:: (fel schijnen op) fre {K}; (=schroeien) treoxje {K; gst= treox; vdw= trex}.

blakering:: (fel schijnen) fros {C}; (=schroeiing) treoxjos {C}.

blameren:: zich ~ (zich bespottelijk maken): jske {U}.

blanco:: (onbeschreven/onbedrukt: papier/strafblad/cheque ed) blnko {I}; (=oningevuld: formulier) nescriftor {I}.

blank:: (=wit: ook ras) blakker {I}; (lichtgekleurd) vjrt {I}; (v metaal) yrles {I}; (onder water staand) plita {I}; blanco.

blanke:: (man/vrouw) blakker {C}.

blankvoorn:: reche {C} (L. Rutilus rutilus).

blas:: iyc-kinur {I}; iyc-stf {I} (pop).

blaten:: (schaap) zeke {U}.

blauw:: blotter {I}; ~groen (kleur varirend van blauw tot groen): lati {PX.c > c}; het ~ (blauwe kleur; wolkenloze hemel): ef blotteren {C}; bont B.

blauwgroen:: (tussen blauw en groen in) nydames {I}; (kleur varirend van blauw tot groen) lati {PX.c > c}.

blauwkous:: blotter-kors {C}.

blauwoogdaas:: (bep soort vlieg in Spok) vpje-knka {C} (L. Chrysops infestus).

blauwtje:: (bep vlindersoort) nydaflyddere {C} (L. Lysandra bellargus); bleek ~: plemaflyddere {C} (L. Lysandra coridon); bruin ~: dunje-trott {C} (L. Aricia agestis); gewoon ~: Jeelyex ef flyddere {C} (L. Polyommatus icarus); een ~ lopen: ef pnze ef rk.

blauwzuurgas:: Prussa-asitt {S}.

blazen:: (met mond) fitrute {U}, marjere {K}; (wind) lpollere {K}; op een fluit ~ (fluiten: muziekinstrument/locomotief): vlute {U}; de aftocht ~: ef kjnde ef rmmatn.

blazoen:: (=vaandel) jndra {C}.

bleek:: (=vaal) plf {I}; zeer ~ (zeer vaal): fal {I}, zeer ~ zijn: fale {U}.

blei:: (=bliek: vis) ele |ele/wele| {C} (L. Blicca bjoerkna).

bleken:: (v stoffen) helke {K}.

blekerij:: helks {C}.

blesseren:: (zich verwonden) qulare {U}; hij is geblesseerd: do qulara.

bliek:: (=blei: vis) ele |ele/wele| {C} (L. Blicca bjoerkna).

blij:: ~ [met]: glado [lef] {I}; ~ zijn [met]: gladoe [lef] {U}; ik ben ~ jou te ontmoeten: gress gladoe, den mte tu; ik ben ~ dat ... (gelukkig): fes kost afu; ik ben ~ dat ze vertrekken (gelukkig vertrekken ze): ps prate fes kost afu.

blijde:: (werptoestel) simut {C}.

blijdschap::

  1. gladote {C};
  2. blijdschap||verdriet: jalfuf {SCid}; .

blijk::

  1. (bewijs) rgtos {A}; ~ van belangstelling: cstierpe-rgtos {A}; ~ geven van ...: ef kette ef ...-rgtos; hij geeft ~ van een groot gevoel voor humor: do kette eft hupster humor-mybbe-rgtos;
  2. (=teken) ttos {C}; ~ geven van: ttare {K};
  3. (vz) als ~ van (ten teken van): xyza {VZ}; een cadeautje als ~ van dankbaarheid: eft pamel xyza miskniy.

blijkbaar:: (=klaarblijkelijk) moerf {III}.

blijken::

  1. (intrans) ~ te: rgtage beri/den {U}; hij blijkt morgen te komen: do rgtage beri arfine mas; hij blijkt het boek niet gelezen te hebben: do rgtage, den do enn ef mimpit nert trempe; Zula blijkt een hond te hebben: Zula rgtage beri lelperre eft hurt; het blijkt de waarheid te zijn: ef rgtage beri melde ef kmpaiy;
  2. (trans) ~ [te zijn]: rgtage {K} (spr); het blijkt zo te zijn: ef rgtage; het blijkt de waarheid [te zijn]: ef rgtage ef kmpaiy = (in schr liever:) ef rgtage beri melde ef kmpaiy; hij blijkt ziek [te zijn]: do rgtage kinur = (schr) do rgtage beri kinure;
  3. ~ [uit]: zrempje {K; gst= zrempt; wst= zremp[j]}; Fyns woede blijkt niet uit haar gedrag: Fynex ef korsta nert zrempje sener ocrma;
  4. laten ~: rgte {K}; Fyn laat haar woede niet ~: Fyn nert rgte ef korsta;
  5. (vz) zoals blijkt uit (blijkens): lns {VZ1n}; zoals blijkt uit zijn woordkeus is hij woedend op de belastinginspecteur: lns groft wufta-cos do mafurte n ef blaffoser.

blijkens:: (=volgens) fry {VZ}; (zoals blijkt uit) lns {VZ1n}; ~ zijn woordkeus is hij woedend op de belastinginspecteur: lns groft wufta-cos do mafurte n ef blaffoser.

blijmoedig:: (=opgeruimd) potoe {I}.

blijspel:: (=komedie) komediy {C}; (authentiek Spok) kloder {C} (arch; betekent tegenwoordig cabaret).

blijven::

  1. (niet weggaan; niet veranderen) tinde {K/U}; hij blijft eten (= hij is uitgenodigd om hier te eten): do tinde, den do larde; wij bleven de hele avond [om te] praten (= we gingen niet naar huis): kirro tinde, den enn ef tiyn chaquinde lf ef pij luppor; hij blijft leraar: do tinde eft gekker; ze blijft vrolijk: eup tinde hupser; het boek blijft van mij (dus ik geef het niet weg): ef mimpit tinde n gress; thuis ~; in huis ~: ef wencate ef srt; Petriy blijft aan het werk[en]: Petriy tinde rmelira (progressief: houdt niet op met werken);
  2. (blijven zoals het is; niet veranderen) tinde {Upr}; alles blijft hetzelfde (er verandert niets): pipar sen tinde;
  3. (voortgaan met) tinde beri {E}; het blijft maar regenen (houdt niet op): ef tinde beri bidale; hij blijft [door]eten (houdt niet op): do tinde beri larde; wij bleven de hele avond [door]praten (gesprek werd zonder onderbreking voortgezet): kirro ef tiyn tinde beri chaquinde lf ef pij luppor;
  4. (zich bevinden) mrtare {U}; ik weet niet waar hij blijft: gress nert tiffe, r do mrtare; waar is het geld gebleven?: ef smurf mrtare r?.

blik::

  1. (metaal) quobett {S}; stuk ~; ~je (dun metaal): menk {C}; (trommel: metalen doos met deksel) lojalot {C}; van ~ gemaakt (blikken): quobetta {I}.
  2. (zien) klt {C}; (plotseling/heftig geworpen ~) eittass {C; mv= eittassa}; een ~ slaan in (inzien): zerfare {K}; een ~ werpen op (vrnl fig): wetozje {K; gst= wetoss}; ~[ken] werpen (kijken): hunbe {U}.

blikje:: (=busje) menk {C}.

blikken::

  1. (ww: blik[ken] werpen, kijken) hunbe {U}.
  2. (bv: van blik gemaakt) quobetta {I}.

blikopener:: menk-plyp {C}.

bliksem:: prtt {C}; de ~ sloeg in het dak: ef prtt byta fes ef zillepip.

bliksemen:: (=weerlichten) kirtonne {U}.

bliksemschicht:: (=lichtflits) kirt {C}.

blikvanger:: hunbos {C}.

blind:: bliynt {I}; (gezien als gebrek) pzerfiy {I}.

blinde:: (persoon) bliynter {C}.

blindedarm:: (inclusief appendix) tointestinn {C}.

blindelings:: (=onbezonnen) jrt {I}; iemand die ~ te werk gaat (onbezonnen persoon): jrter {C}.

blindengeleidehond:: lestke-hurt {C}.

blindheid:: bliyntiy {C}.

blinken:: (=flonkeren: ook v sterren) plincre {U; gst= plink}.

blocnote:: toscrfkt |..ft| {C}.

bloed:: kursuus {Sef}; sus {S} (spr/poe); kwaad ~ zetten: ef armtriffe jopa'i.

bloedbad:: kursuusmech {C}; mech SN.

bloedband:: (=bloedverwantschap) slgteren {C}.

bloeddropje:: (=bloedvlekvlinder) kursuus-dvagger {C} (L. Zygaena; ihb Z- trifolii).

bloeden:: kursuuse {U}.

bloederig:: (lett: =bebloed) kursuus {I}; (fig) kursuuser {I}.

bloedhond:: dghurt {C}.

bloeding:: kursuusos {C}.

bloedrood:: kursuus-marsiy {I}.

bloedverwant:: slgt {C}.

bloedverwantschap:: (=bloedband) slgteren {C}.

bloedvlekvlinder:: (=bloeddropje) kursuus-dvagger {C} (L. Zygaena; ihb Z- trifolii).

bloedzuiger:: (ihb medicinale bloedzuiger) [flome-]kursuus-fltser {C} (L. Hirudo medicinalis).

bloei:: clajotos {C}; in ~ staan: ef melde fes clajoto.

bloeien:: clajote {U}.

bloeiend:: (lett) clajotelira (tdw); (fig: handel ed) ialefelira {I}.

bloem::

  1. (deel ve plant) huron {C}; vol ~en (gebloemd, bloemrijk: zowel echte bloemen als afbeelding): huronst {I}.
  2. (alg: meel) clali {S; rs= clale}; (fijn meel) ml {S}.

bloembed:: bet {C}.

bloembol:: huron-acr {C}, huronlse {C}.

bloemengeur:: def {C}.

bloemenvaas:: vasa {C}.

bloemkelk:: kelg {C}.

bloemkool:: huron-ry {C/S}.

bloemlezing:: ntoliy {C}, fiysdos {C}; fiytjos {C} (arch).

bloempot:: kvlo {C}.

bloemrijk:: (gebloemd, vol bloemen: zowel echte bloemen als afbeelding) huronst {I}; (fig) mpariy {I}.

bloesem:: blusn {S}.

blok::

  1. (met nadruk op de rechte hoeken: =kubus) kram {C}, kubs {C};
  2. (onregelmatig v vorm) (hout) bl {C}; (ijzer/metaal) qurtyff {C}; iemand voor het ~ zetten (in een lastige positie brengen; tot een keuze dwingen): ef obiyre rast kaf eft koffon sknn;
  3. (=katrol) portre {C};
  4. (deel ve spoorlijn) slue {C; mv= sluen};
  5. (politieke eenheid) klta {C}; het Oost~: ef Opper-klta {G}.

blokhut:: elter {C}.

blokje:: (kaas ed) kanas {C}; ~s kaas: blars-kanasz.

blokkade:: blkeros {C}.

blokken:: (hard studeren) pleftiye {U} (pop).

blokkendoos:: (speelgoed) bllot {C}.

blokkeren:: blkere |..je| {K}.

blokkering:: blkeros {C}.

blokletter:: pegrefiy-roji {C} (afk= pegro), pegro {C}.

blokstelsel:: (wijze v beveiliging dmv blokken bij spoorwegen) slueeren |..ewe..| {C}.

blokvormig:: (=kubusvormig) kram {I}.

blokwachter:: (bij spoorwegen) slue-gert {C}.

blond:: (haar) ym {I}; ~e vrouw/man: ymiy {C}.

blondine:: (blonde vrouw) ymiy {C}.

bloot:: (onbedekt, ook v lichaam[sdeel]) tyng {I}; (v lichaam[sdeel]: =naakt) nucer {I}; met blote handen: nucer-hentiy {I}.

blootleggen:: (lett) lakiysore {K}; (fig) nucerare {K}.

blootlegging:: (lett) lakiysoros {C}; (fig) nuceraros {A}.

blootshoofds:: nucer-nurpiy {I}.

blootstaan:: ~ aan: idezille tygtja {E}.

blootstellen:: ~ aan: idezillare n {K}.

blootsvoets:: (=barrevoets) nucer-tiffugiy {I}; nucer tetiffuge; pde {I} (arch/poe).

blos:: (op wangen) mindefitos {C}.

blouse:: (voor mannen: =overhemd, ook shirt) zleba {C}; (voor vrouwen) giy {C}.

blozen:: mindefite {U}.

blubber:: (=smurrie) sti {S} (spr).

bluffer:: (=snoever) eper {C}.

blunder:: (=flater) uas-tegt {C}; een ~ begaan: ef riffe eft uas-tegt.

blusemmer:: (=brandemmer) tefrx {C}.

blussen:: tyrhe {K; gst= tyrt}; het ~ (bluswerk): tyrhos {C}.

bluswerk:: (het blussen) tyrhos {C}.

blut:: bijna ~ zijn: ef lelperre ne'ma traiy smurf.

boa:: (slang) boa {C; rs= bte} (L. Boa); (om de nek) furo-cramm {C; mv= ..-cramma}.

board:: (plaatmateriaal van hout ed) brt {S}.

boardplaat:: brtiyn {C}.

bobbel:: frondoiy {C; rs= frondott}; ~tje: pvla {C}; (=bult/knobbel) quc {C} (groot en hard).

bobbelig:: pvlaliy {I}; ~ en ruw (rimpelig): sfrkiy |sr..| {I}.

bobbeltje:: (=knobbeltje) pvla {C}.

bochel:: (=bult) gjonett {C}, toh {C} (dl= Noord-Liftka/Noord-Brr).

bocht::

  1. (=boog/buiging) krum {C}; (=buiging) flectros {C}; een ~ nemen, door de ~ gaan: lkrume {U}; dat is erg kort door de ~ (= te snel geconcludeerd): dena reff melde jazy vitae.
  2. (slechte waar) towtriyn {C}.

bochtig:: (=kronkelig) krumiy {I}.

bod:: ozyros {C}; ~ doen (bieden): ozyre {K}; aan ~ komen: ef prap srte kaf ef ojelstos.

bode:: marestjer {C}; (=koerier: vrachtrijder) tupp {C}.

bodem::

  1. (grondvlak v voorwerp) btmo {C}; er zit nog een ~pje wijn in het glas: eft wein-btmo melde velk fes ef kliqu;
  2. (=grond; laag vd aardkorst die aan de oppervlakte ligt) yiqur {C}; een drassige ~: eft drsiy yiqur; drassige ~ (met gras begroeid): zvmp {S};
  3. (bovenste laag vd aardkorst) pazzosti {Crs}; bodem (grond): pazzo {PX}; de steenkool in de ~: ef zjol fes ef pazzosti; grond 3;
  4. (=grondgebied) op vreemde ~: kaf tnefer are.

bodemdiepte:: pazzozefaiy {Crs}.

bodemgebruik:: pazzouos {Ars} (de wijze v gebruiken); zie ook Bodemgebruik in .

bodemgesteldheid:: pazzofrenvu {Crs}, stybtmo {C}.

bodybuilder:: frolber {C}; body-builder |Eng.| {C} (spr).

bodyscan:: froqueffos {C}.

boe:: (geluid v loeiende koeien) m {!}.

boedel:: tokuramos {C}; (=huisraad) srtiynstes {S}.

boef:: buffas {C}, merbku {C}; (=vlegel) lset {C}.

boeg:: (voorsteven) mt {C}.

boegbeeld:: (zowel mnl als vrw) mt-quiysta {C}.

boegspriet:: mt-riygt {C}.

boei:: (op het water) b {C}; (=kluister) jfquf {C}; in de ~en slaan (lett: boeien): jfquve {K}.

boeien:: (lett: in de ~ slaan) jfquve {K}; het ~ (lett): jfquvos {C}; (v verhaal) ef srte fes jfqufs; het boek kan me niet ~: ef mimpit nert srtec gress fes jfqufs.

boeiend:: hclar {I}.

boek:: mimpit {C}; mip {SX > c}; (met examenopgaven; studieboek) belmip {C}; onleesbaar/vervelend ~: papiygoe-mimpit {C}; zie ook Boeken in .

boekbinder:: natatjen {C}.

boekbinderij:: nats {C}.

boekdeel:: nat {C}.

boeken:: (=inschrijven: reis/excursie ed) stinde-fes {K; vdw= stindas-fes}.

boekenkast:: mimpitlot {C}.

boekenplank:: mimpit-nregt {C}.

boekenrek:: kronm {C}.

boekensteun:: mimpit-stunns {C}.

boekenverzameling:: tomimpit {C}.

boeket:: (bos bloemen) [huron-]msoll {C}.

boekhandel:: mimpitfol {C}.

boekhandelaar:: mimpitfol {C}.

boekhouden:: mimpiterfe {U}; het ~: mimpiterfos {C}.

boekhouder:: mimpiterfer {C}.

boekhouding:: mimpiterfos {C}.

boeking:: (=inschrijving: reis/excursie ed) stindos-fes {C}.

boekjaar:: reparr-zemper {C}.

boekweit:: ramuchiyt {S} (L. Fagopyrum esculentum) (Spok variteit met lila bloemetjes: L. F- purpureum).

boel:: (fig: hoop) tnr {C}; een ~ werk: eft tnr rifo rm; een ~ herrie: eft tnr rifo muts; (veel) een ~ zand: pert pleko; (vgl) een hoop/berg zand: eft tnr rifo pleko; (fig) de ~ erbij neergooien: ef prap fesoume luft Brefcch.

boem:: bms {!}.

boemel:: aan de ~ gaan (cafs [gaan] bezoeken): ef gyfare ef sails.

boemelen:: (doorzakken in de kroeg) ef ufirare eft koffon blof.

boemeltrein:: (=stoptrein) zeces-treno {C}.

boenen:: het ~: glntros {C}.

boenwas:: (wrijfwas) glntre-fst {S}; (bijenwas) fst {S}.

boer::

  1. (landbouwer) kelte {C}; rijke ~ (herenboer): hupstkelte |..sk..| = hupskelte {C}; arme ~ (keuterboertje): beltkelt {C}; (in loondienst op een arkdomenn) arkater {C}; lachen als een ~ die kiespijn heeft: ef tarrzjere lef grpjor rliriys.
  2. (=oprisping) ruos {C}; een ~ laten (oprispen): rue {U}.

boerderij:: (alg: =hoeve) keldus {C}; (grote hoeve) rens {C}; (groot [collectief] boerderijencomplex, bewoond door verscheidene families, vrnl op Zuid-Liftka) klemk {C}; woongedeelte van een ~: kelsrt {C}; op een ~: luft eft keldus/rens; fes eft klemk; zie ook Boerderijen in en Collectieve boerderijen (klemks) in .

boerendochter:: (=boerenmeid) stoukr {C}.

boerenerf:: es {C}, kellirrotiy {Crs}.

boerenjasmijn:: (struik) filadelfiy {C/S} (L. Philadelphus coronarius).

boerenjongen:: (=boerenzoon) walerukr {C}.

boerenkool:: crle-ry {C/S}.

boerenmeid:: (=boerendochter) stoukr {C}.

boerenopstand:: kelte-rel {C}.

boerenweggetje:: (=landweggetje) mirraukr {C}.

boerenwoning:: kelsrt {C}.

boerenwormkruid:: nekof {C} (L. Tanacetum vulgare); (gedroogd, gebruikt als specerij) spyntec {S}.

boerenzoon:: (=boerenjongen) walerukr {C}.

boerenzwaluw:: [keldus-]zvlp {C} (L. Hirundo rustica).

boerig:: (=boers) keltiy {I}.

boerin:: keltos {C; mv= keltosz}.

boers:: (=boerig) keltiy {I}.

boertig:: urrfe {I}; (zogenaamd leuk) xozjcer {I}.

boete:: (=bekeuring) xyfolos {C}; (religieus) penitenky {C}; een ~ van 100 herco: eft xyfolos furt 100 herco; een ~ geven (op de bon slingeren): ef munke armt ef rra (pop); een ~ wegens te hard rijden: eft hups-ufire-xyfolos {C} (afk= HUX).

boeten:: (repareren v netten) nie {K; gst= nit}; (religieus: boete doen) penitenke {U}.

boetiek:: (exclusief winkeltje) butycc {C}.

boetseren:: fesqummerte {K}.

boevenbende:: tomerater {C}.

boezem:: (=borst) basc {C}; (=buste) briqu {C}.

boezemvriend:: festfrint {C}.

boezemvriendin:: festfrinta {C; mv= festfrintas}.

bof:: (ziekte) aa-frojitus {Cmv}.

boiler:: (heetwatertoestel) hindepip {C; mv= hindepip}, boler {C}.

bok::

  1. (geit) (mnl/ntr) kerkt |kert/regelm.| {C}; (mnl) mitr {C; mv= mitrja of mitrje}; gecastreerde ~ (mnl geit): vlk {C};
  2. (voorwerp) (bank op rijtuig) mart {C}; (gymnastiektoestel) bk {C}; (hijskraan) gyfe-stipp {C}.

bokaal:: bokaliy {C}; (bewerkte drinkbeker) korp {C}; (Erg: waaruit de slofaro gedronken wordt) pala {C}.

boksen:: (sport, wedstrijd) bxmerre |ks| {U}; (maar niet als sport) bxe |ks| {U}.

bokser:: (persoon) bxmerr |ks| {C}, bxatjen |ks| {C}.

bokswedstrijd:: bxos |ks| {C}.

bol::

  1. (zn: bal) kp {C}, bl {SX > c}; bal A.
  2. (bv) frondo {I}.

boleet:: giftige ~ (in Spok met name dufja-tlc en fisa-tlc): tlc {C}; "vissen~" (giftige boleet met geschubde hoed): fisa-tlc {C} (L. Boletus piscatorius); groene ~: mes tlc (zeer giftige paddenstoel, vaak gebruikt als zelfmoordmiddel).

bolgewas:: acr-ardekir {C}.

bolhoed:: frondo rar {C; mv= rara}.

Bolivia:: Boliviy {G}.

Boliviaan:: Bolivo {Cef}.

Boliviaans:: (bv) boliviy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Boliva {Cef}.

bollenveld:: huron-acr-agen {C}.

bolletje:: (broodje) kpa {C}.

bolvormig:: frondo {I}.

bolwerk:: rng {C}.

bom:: bmba {C}.

bomaanslag:: plts {C}; bmba-plts {C}.

bombardement:: bmbos {C}.

bombarderen:: bmbe {K}.

bommenwerper:: bmba-plano {C}.

bon:: (=kwitantie/bewijsbriefje) quistarafiy {C}; (=bekeuring) xyfolos {C}; op de ~ slingeren (een boete geven): ef munke armt ef rra (pop).

bonbon:: (=praline) oclagrume {C}.

bond:: (verdrag) bnt {C}.

bondgenoot:: bntuli {C}.

bondgenootschap:: bntuliros {A}; ~ sluiten: bntulire {U}.

bondig:: por'beciy {I}.

bondskanselier:: rfto-knseler {C}.

bonenkruid:: satur {S} (L. Satureja hortensis).

bonenstaak:: bjlnzor {C}.

bont::

  1. (zn) bnt {C}; (pels) furo {C/S}; van ~ gemaakt: fura {I}.
  2. (bv: met veel kleuren) pertmarsiy = pert-marsiy {I}; (veelkleurig; gemengd) pluquah {I}; (=gevlekt) liyt {I}; ~ en blauw: ronter-blotter {I}.

bontbekplevier:: mliy-plier {C} (L. Charadrius hiaticula).

bontjas:: furo-kas {C}.

bontmuts:: lafets {C; mv= lafetsa}.

bonus:: bonus {C}.

bontstola:: furo-cramm {C; mv= ..-cramma}.

bonzen:: dnke {U}, qulne {E; gst= qull}.

boodschap:: (gekocht artikel) lebetjus {C}; (fig: dat wat gezegd moet worden) dragjos {C}; de ~ is duidelijk: ef dragjos raage; ~pen doen (alg: gaan winkelen): ef pnze lebetjusz; de/een ~ doen (ihb: een bep artikel gaan kopen): ef pre ef/eft lebetjus; de ~pen doen (ihb: bep artikelen gaan kopen): ef pre ef lebetjusz; ik ben/kom terug van het ~pen doen: gress melde trt/revente frpj ef lebetjus-pnzos.

boodschapper:: dragatjen {C}; (=nieuwsbrenger) tden-dragjer {C}.

boog:: (gebogen voorwerp/bouwwerk) rc {C}; (=bocht/buiging) krum {C}.

boogbrug:: rc-pnt {C}.

booglamp:: rctat {C}.

boogschutter:: rcatjen {C}.

Boogschutter:: (sterrenbeeld) rcatjen {N}, Sagitarys {N}.

boom::

  1. (alg: gewas) vildul {C}; vuldul {C} (arch/dl= Berref); altijd groene ~: mesdul {C}; groep bomen (geboomte): tovildul {C}; in stukken gezaagde ~: krtstiyn {C}; (waaronder men kan schuilen) fen {C}; vol bomen (boomrijk): lvildulor {I}; een ~ van een kerel (een kerel gelijk een boom): eft hnc zt eft zn; (sprkw) hoge bomen vangen veel wind: ef omeleche wnta kaf ef rufa dus lango ef stent; (sprkw) "kale bomen ruisen niet": xnep vilduls pafyre noi (als iemand maar wat zit te babbelen zegt hij feitelijk niets);
  2. (=slagboom) trat {C}.

boomgaard:: vuldurtos {C; mv= vuldurtosz}.

boomgroepje:: (op heide/mliy) ljniy {C}.

boomhazelaar:: hslfs-vildul {C} (L. Corylus colurna).

boomkikker:: vildul-fors {C} (L. Hyla arborea).

boomklever:: (vogel) zn-farter {C} (L. Sitta europaea).

boomleeuwerik:: fliynkyrre {C} (L. Lullula arborea).

boommarter:: lelchat {C}, vildul-sustas {C} (L. Martes martes).

boommol:: vildul-mle {C} (leeft in holle bomen op Teujan) (L. Talpa teujana).

boompieper:: (vogel) vildul-kvipp {C} (L. Anthus trivialis).

boomrijk:: (vol bomen) lvildulor {I}.

boomstam:: zn {C}; holle ~: falecs {C}.

boomstronk:: strnc {C}.

boomtop:: raiy {C; rs= ratte}.

boomwortel:: moftos {C; mv= moftosz}.

boon:: bjln {C}; (sprkw) je eigen ~tjes doppen: ef re sener r hpyjas.

boor:: (=boormachine) boros {C}.

boord::

  1. (=kraag) kol {C};
  2. (v schip) vetse {C}; aan ~: tekara {I}; de passagiers aan ~ gokken veel: ef tekara psagers perrse pert; aan ~ van (plaats/richting): tekara {VZ} (ook v vliegtuig, luchtballon ed); hij werkt aan ~ van een stoomschip: do rme tekara eft tmpka; de passagiers gaan aan ~ van de "Prins Lodewijk": ef psagers vende tekara Prens Lowykka.

boordevol:: brt-rg {I}.

boormachine:: boros {C}.

boortoren:: (om olie uit de grond te halen) ool-taris {C}.

boos::

  1. (kwaad) rofonos {I}; ~ zijn op: rofone armt {U}; ~ worden op: vrontese n {U}; hij maakt zich ~: do vrontese; als hij ~ is begint hij te schreeuwen: rofonomentos do finne beri scemre; het niet-boos-zijn: lark {C}; ik ben [helemaal] niet ~ op je: gress lelperre eft lark n tu;
  2. (lelijk/slecht) miva {I}.

boosaardig:: rofonoser {I}.

boosaardigheid:: rofonoserte {SC}.

boosheid::

  1. (kwaadheid) rofonosiy {A; mv=enk}; op een ogenblik van ~; in het geval van ~: rofonomentos = rofonoami {III};
  2. (slechtheid) mivaiy {A; mv=enk; rs= mivatt}.

booswicht:: (=onverlaat) jmporel {C}, tigter {C}.

boot:: (alg) kar {C}; (=schuit) njep {C} (pop); klein ~je: stl {C}; (sprkw) de ~ afhouden: ef zerfe helkara chabrtelira tmaros.

bootje:: klein ~: stl {C}.

bootsman:: (alg) karer {C}; (marinerang) mennkrprell {Crs}; voor militaire rangen, zie .

bootverbinding:: kar-fgtexa {C}; zie ook Bootverbindingen in .

bord::

  1. (etensbord) ttel {C}; diep ~ (soepbord): upttel {C}; groot ~ (=schotel): sejis {C};
  2. (alg: plank) olg {C}; (fig) hij heeft een ~ voor zijn kop: eft leja menkerate furt groft lomk; do zre lef ilba rajas;
  3. (om [met krijt] op te schrijven; schoolbord) mitterener {Crs};
  4. (alg met tekst) rm {SX.c > c}; (naambord) quankarm {C}; (verkeersbord) kfsrm {C}; (naambordje) sinn {C}; (nummerbord; kentekenplaat) horm {C}.

bordes:: rmef {C}.

borduren:: natorfe {K}.

borduursel:: fijn ~ (kant): natorf {S}.

boren:: bore {K}; ~ naar (aanboren: olie): injektere |..je| {K}; de grond in ~ (fig: afkammen): xje {Krs; gst= xt}.

borg:: (persoon) zjecer {C}; ~ staan/blijven voor: prap wencate fara zjecer n (n is vz).

borgen:: (vastzetten, garanderen, ed) paine-fest {K}.

borrel:: (alcoholisch drankje) ny {C}; loff {C} (pop), tmp {C} (pop); ~ drinken (borrelen): ef manne ef loff (pop).

borrelen::

  1. (vloeistof: ook bruisen) brle {U; gst= brr}; (met name bij hitte: vloeistof/pap/modderpoel ed) wre {U}.
  2. (aperitief nuttigen) ef manne ef loff (pop); het ~ (borrel[uur]): pntelos {C} (pop).

borrel:: (borreluur, borrelen; tijd om een glas te drinken) pntelos {C} (pop).

borst:: (=boezem) basc {C}; (v vrouw) miym {C}; (=tiet) piyt {C} (pop); ft {C} (vulg); een kind de ~ geven: ef wencate eft efanty n ef miym (n is vz).

borstbeeld:: (=buste) busta {C}.

borstel:: rg {C; mv= reg}.

borstelbeurt:: rgos {C}.

borstelen:: (met borstel) rge {K}; (vegen) brste {K}; (=schuieren) rgare {K}.

borstelkrans:: pr tyma {S} (L. Satureja vulgaris).

borstkwaal:: basc-radiyk {C}.

borstrok:: (hemd) kurs {C}.

borstzwemmen:: (zn) molfit-svimos {C}; (ww) ef manne ef molfit-svimos.

bos::

  1. (alg woud, met nadruk op de bomen) fresta {C}; tovildul {C} (pop); (met nadruk op gehele ecologie) wuma {C; mv= wumaa; rsmv= wumatt}; (met nadruk op natuurschoon) wlta {S}; ~ met dicht kreupelhout: uoff |woff| {C}; dicht begroeid ~: afriyniy {C} (poe); wat betreft ~: wltiy {I}; in een ~ wonen: folate {U}; zie ook Bossen in ;
  2. (=bundel) (alg) ots {C}, totiyn {C}; ~ bloemen (=boeket): huron-msoll {C}.

bosaardbei:: (plant) wuma-tomentusar {C} (L. Fragaria vesca).

bosachtig:: wltiy {I}, wumatiy {I}.

bosandoorn:: mrge-notte {C}, wuma-notte {C} (L. Stachys sylvatica).

bosanemoon:: lora {C; mv= lore; rsmv= loratt} (L. Anemone nemorosa); (bep soort in Spok: wit, op vochtige grond onder loofbomen) moja {C} (L. Anemone nitida).

bosarbeider:: frestatjen {C}.

bosbes::

  1. (iha blauwe bosbes): (struik) tobjes {C}; (struik/vrucht) bjes {C} (L. Vaccinium myrtillus);
  2. rode ~ (=vossenbes): (struik) tohrtiy {C}; (struik/vrucht) hrtiy {C} (L. Vaccinium vitis idaea); ("vinkenbes": bep soort in Spok: struik) lkmtiy-tolab |M| {C}; (struik/vrucht) lkmtiy-lab |M| {C} (L. Vaccinium fringillaris).

bosbewoner:: folater {C}.

bosbouw:: mpeh {C}.

bosbouwer:: mpeh-rpoer {C}.

boschampignon:: schubbige ~: Lafter-chnt {C} (L. Agaricus silvaticus).

bosgebied:: (uitgestrekt bos; gebied met bossen) towlta {C}.

bosgeest:: vmp {C}.

boshut:: (meestal met klimplanten overwoekerd) smyl {C; mv= smiyle}.

bosje:: (=kreupelhout) trek {C}.

boskrekel:: st {C; rs= sttt} (L. Nemobius sylvestris).

boskruiskruid:: wuma-pazzozirdos {C/Srs} (L. Senecio sylvaticus).

boslathyrus:: plaju-vycc {S} (L. Lathyrus sylvestris).

bosmier:: wuma-rmer {C} (L. Formica); rode ~: mindefit wuma-rmer (L. F- rufa); zwarte ~: doffiy wuma-rmer (L. F- fusca).

bosmuis:: ziycc = ziycce {C; rs= ziyccee} (L. Apodemus sylvaticus).

Bosni Herzegowina:: Bosniy-Herzegoinn {G}.

bosogentroost:: (plant) [wuma-]eit-hng {C/S} (ihb: L. Euphrasia nemorosa).

bospad:: breed ~ (bosweg): grx {C}.

bosparelmoervlinder:: tutt-flyddere {C} (L. Mellicta athalia).

bosrand:: moziy {C}; aan de ~ gelegen: traiy {I; [mv=enk]}; het huis aan de ~: ef traiy srt; een weg langs de rand van een bos: eft traiy mirra.

bosrandparelmoervlinder:: wuma-perle-sientur-flyddere {C} (L. Argynnis adippe).

bosrank:: moziy-fleter {C} (L. Clematis vitalba).

bosrijk:: wltiy {I}.

bosrolklaver:: wuma-lotus {C} (L. Lotus sylvestris) (komt alleen op Teujan en Brr voor).

bosroos:: roza furt Steufima {C} (L. Rosa arvensis).

bosschouw:: (geregelde controle/bezichtiging v bossen, door eigenaar of overheidsinstanties) fresta-tork {C}.

bosslaper:: (muis) slape-rt {C} (L. Dryomys nitedula).

bosspitsmuis:: nes-rt {C} (L. Sorex araneus).

bosuil:: wmpel {C} (L. Strix aluco).

bosvergeet-mij-nietje:: wuma-nertufegtsil {C} (L. Myosotis sylvatica).

bosviooltje:: gewoon ~: Logono-vjoly {C} (L. Viola riviniana).

bosvleermuis:: vildul-grmiyl {C} (L. Nyctalus leisleri).

boswachter:: roiy {C; rs= roiyt}, wuma-gert {C}.

boswachterij:: roiy-domenn {C}.

boswachterswoning:: roiysrt {C}.

boswederik:: wuma-iylfaciy {C} (L. Lysimachia nemorum).

bosweg:: (breed bospad) grx {C}.

boswikke:: (plant) wuma-vycc {S} (L. Vicia sylvatica).

boswilg:: edeloger {C} (L. Salix caprea).

boswitje:: (vlinder) wuma-blakker {C} (L. Leptidea sinapis).

bot::

  1. (zn: =been) knociy {C}; van ~ [gemaakt] (benen): knocyne {I}; (waar de hond op mag kluiven) spimuzros {C} (pop); (sprkw) ze zijn tot op het ~ verdeeld (qua mening ed): ps melde trt na ef sgrf oras trs.
  2. (zn: vis) kokk {C} (L. Platichthys flesus).
  3. (bv)
    1. (alg: niet scherp) pjoh {I}; (stomp: mes) tiympiy {I};
    2. (stom/dom) pl {I}; ~ zijn (v persoon): ple {U};
    3. (hufterig: v gedrag) sktiy {I}.

botanisch:: botanise {I}.

boter:: br {S}; van ~ gemaakt; met ~ bereid; vol ~: briy {I}; gesmolten ~: plistep {S} (arch).

boterbloem:: tarre {C} (L. Ranunculus); kruipende ~: blacroelira tarre (L. R- repens); scherpe ~ (meest algemene soort): riyps tarre (L. R- acris).

boteren:: het botert niet tussen hen: ef pjp nert ertavy luft ps.

boterham:: tjoksa {C}; een ~ smeren: ef paine eft tjoksa lef br; ~men met kaas/jam: blars/em lef tjoksas; er een goede ~ mee verdienen (fig): ef rinne eft ft bre pai ef; een goed belegde ~ (verdienen): eft pijperaniy upa.

boterkrakeling:: (kluit roomboter in de vorm ve krakeling gekneed) br-krumer {C}; (krakelingvormige roomboterkoek) briy krumer {C}.

botervis:: guneliy {C} (L. Pholis gunnellus).

botervloot:: brlot {C}.

botgriep:: griep.

botheid:: (lett: onscherpte) pjohiy {C}; (stomheid) pliy {A; mv=enk}.

botsen:: (=stoten) grvne {K}.

botsing::

  1. (lett) puos {C}; (waarbij beide delen in elkaar verwrongen zitten) futsitos {C};
  2. (lett/fig) qurstoxos {C}; (fig: conflict) hasos {A}; tot een ~ komen met: hase {K}.

Botswaan:: Btsvany {Cef}.

Botswaans:: (bv) btsvana {IIef}; ~e vrouw: Btsvana {Cef}.

Botswana:: Btsvana {G}.

bottelaar:: (v wijn) liskosatjen {C}.

bottelen:: (v wijn) liskose {K}.

botteling:: (v wijn) liskosos {C}.

botvieren:: (fig) jolaare {K}.

boud:: (=stoutmoedig) mmtsiy {I}.

bougie:: slit-plg {C}.

bouillon:: buljonn {S}.

boulevard:: (brede verkeersweg met allure door stad) pola {C}; (zelden in Spok) bulvarr {C}.

bout::

  1. (schroef) iynx |X| {C; mv= iynsen}.
  2. (v vogel) crbott {C; mv= bott}; (v lam, schaap, grotere vogel: poot met bot erin) krest {C}.

bouvier:: (hond) buvjerr {C}.

bouw::

  1. (bouwwerkzaamheden) lbosiy {A; mv=enk}; wat de ~ betreft: lbos {I};
  2. (land/gewas) kingoh {S}.

bouwbedrijf:: lbe-glfiy {C}.

bouwen:: lbe {K}.

bouwer:: (beroepshalve: v huizen, schepen ed) lbatjen {C}; (iemand die als liefhebberij iets bouwt) lber {C}.

bouwfonds:: (=woningfonds) zros-fnts {C; mv= ..-fntses}; .

bouwkeet:: sak {C}.

bouwkunde:: lbe-tibn {C}; (=bouwkunst) lbecur {C}.

bouwkundig:: ~ bureau: lbe-ofiss {C; mv= ..-ofiser}.

bouwkunst:: (=bouwkunde) lbecur {C}; zie ook Bouwkunst in .

bouwland:: rpo {C}.

bouwmaterialen:: lbe-tiyns {Cmv}.

bouwmeester:: lbe-ylmater {C}.

bouwsel:: (gebouw) lbos {C}.

bouwsteiger:: lbe-kronm {C}.

bouwstijl:: lbe-vrk {SC}.

bouwtekening:: (=bestek) mipovos {C}.

bouwterrein:: lbe-ternn {C}.

bouwvakker:: lbatjen {C}.

bouwval:: (=rune) ruinn {C}, qux {C}; quil {C} (arch).

bouwvallig:: quxiy {I}; (=vervallen) sst[r]iy {I; [mv=enk]}.

bouwvergunning:: lbe-jabincos {A}.

bouwwerk:: lbe-xol {C}; zie ook Bouwwerken in .

boven::

  1. (bv) hogorit {III}; van ~ naar beneden: hogorit cor; hij komt ~; hij gaat naar ~ (de trap op): do pnze hogorit = do hogoritare; ~ zijn: hogorite {U}; [naar] ~ komen; naar ~ gaan (de trap op): hogoritare {U}; ~ blijven (niet naar beneden komen): hogoritne {U}; naar ~ (omhoog): kafes {III}; te ~ gaan (fig): quchare {K}; de kosten mogen de 20 herco niet te ~ gaan: ef pecc nert qucharog 20; iets te ~ komen (v problemen ed): ef sterne flaju armt ef wt.
  2. (vz)
    1. (plaats) hogorit {VZ}; de lamp hangt ~ de tafel: ef litalu menkerate hogorit ef kelbra;
    2. (richting) hogorit {VZrs}; hij springt ~ op de tafel (vanaf de grond): do jumpetece hogorit kaf ef kelbrae (rs!).

bovenal:: kaf ef agru.

bovendeks:: (op een schip) hogoriy {I; [mv=enk]}.

bovendien:: tran {I} (dikwijls als inleidende bijstelling); hij heeft ~ het gras gemaaid: tran, do [enn] ef kles moje; en daarbij komt nog ...: ur tran melde ...; (verder nog) kerru fit {III}; (spr) ekstra; en ~, ...: ur ekstra, ...; alleen 3.

boveneinde:: preipquch {C}.

bovengenoemd:: (in jur geschriften ed) kusami kimor/kimorx/kimorer (afk= k.k.); [de] ~e bepalingen: ef qurtosz k.k..

bovengronds:: rry {I}; ~e leiding: rry {Cef}.

bovenhelft:: preipanas {C}.

bovenhoek:: hogoritiy eka {C}; de rechter ~: ef rikbi-hogoritiy eka.

bovenhuis:: flerrt-srt {C}.

bovenin:: (plaats) zillepipfes {VZ}; de kussens liggen ~ de kast: ef beldrusts melde zillepipfes ef feldariy.

bovenkant:: (=bovenzijde) preipovap {C}.

bovenleiding:: (trein) rry {Cef}.

bovenlijf:: fropreipanas {C}.

bovenlip:: menntro {Crs}.

bovenloop:: (v rivier: meestal het onbevaarbare gedeelte) pennf {C}.

bovenop::

  1. (plaats) kaf {VZ}, hogorit kaf {VZ} (met meer emfase); de kat ligt ~ de tafel: ef chat melde kaf ef kelbra; hij kijkt ~ de tafel (en staat ook op de tafel): do zerfe kaf ef kelbra; hij staat/springt rond ~ de tafel: do giffe/jumpetece hogorit kaf ef kelbra;
  2. [terecht] ~ (richting): kaf {VZrs}, kafonn {VZ} (meer abstract); de kat springt ~ de tafel: ef chat jumpetece kaf ef kelbrae (rs!); hij kijkt ~ de tafel (maar STAAT op de grond): do zerfe kafonn ef kelbra; hij is er weer ~ (hij heeft het gehaald: na ziekte/operatie): do melde telira (= tdw v te).

bovenstaand:: hogorita {I}.

bovenste:: hogoritiy {I}.

bovenstrooms:: ~ van het dorp: hyber helkara ef zeces.

bovenverdieping:: zillepip-flor {C}; op de ~: fes ef zillepip-flor.

bovenzijde:: (=bovenkant) preipovap {C}.

bovenzinnelijk:: hc {I}.

bowl:: (drank) boll {S}.

boycot:: bcter {C}.

boycotten:: bcte {K}.

boze:: (zn: kwade) mjoa {SC; rs= mjte}.

braadpan:: rucc {C; mv= rcce}.

braadspit:: wt {C}; klein ~: piyn {C}, pinnos {C}.

braaf:: braviy {I}; (=gehoorzaam) mirt {I}.

braaf:: (=deugdzaam) vyrtosiy {I}.

braak:: ~ liggen (v land): idedreumne {U}; kiysore {U} (dl= Ren).

braakliggend:: ~ terrein: edelog {C}.

braakrussula:: pkdreg {C} (bep soort giftige zwam, maar met oranje hoed, bekend uit de trisgo) (L. Russula emetica var. pratensis).

braaksel:: (=kots) mipruos {S}, cos {S}.

braam:: ~[bes] (vrucht): doffr {C}; (struik) todoffr {C}, doffrs-lyot {C} (L. Rubus fruticosus).

braamspinner:: doffr-flyddere {C} (L. Thyatira batis).

braden:: (bakken: v vis/vlees ed) lgyne {K}; (v vlees ed: aan alle kanten bruin) miterus-lgyne {K}; (roosteren) knocire {K/Upr}; (intrans) gyne {U}; zij braadt het vlees: eup lgyne ef fijnta; het vlees braadt: ef fijnta gyne; ik braad (rooster) het vlees: gress knocire ef fijnta; het vlees braadt (roostert): ef fijnta sen knocire.

brailleschrift:: pontoafiy {C}.

brak:: seler {I}.

braken::

  1. (overgeven) miprue {U}, ce {U}; het ~: mipruos {C}; (sprkw) wie braakt leeft tenminste nog: hm miprue, stus poire kelot velk (oud gezegde, 15e eeuw);
  2. (spuwen: v vuur/lava) kafierque-mip {K}; het ~: kafierquos-mip {C}.

brakwatergrondel:: (vis) clamia-gobiy {C} (L. Pomatoschistus microps).

brallen:: (schreeuwen: met harde stem je mening verkondigen) dnde {U}.

brallend:: (=schreeuwerig) dndiy {I}.

bramenstruik:: braam.

brancard:: (=draagbaar) tins {C}.

branche:: (economische sector) siyclo {C}; (meestal in samenstellingen, bijv:) auto~: oto-siyclo; verzekerings~: insrnsos-siyclo.

brand:: buros {C}; in ~ staan: ef melde armt flms; in ~ steken: ef rakle kaf buros; in ~ vliegen: ef vlte armt flms; de ~ is met opzet gesticht: ef bedaros hftero fes proba.

brandbaar:: buratt {I}.

brandblusapparaat:: tyrher {C}.

brandemmer:: (=blusemmer) tefrx {C}.

branden:: (vuur) bure {E}; (v lichaamsdeel) bure {K}; hij brandt zijn hand aan de kachel: do bure ef re hent armt ef warmohit; (kaars/olielamp) poire {U}; (schijnen: licht/zon) nle {E}.

brandend:: (=stekend/schraal) prola {I}.

brander:: (voor vlammen) bure-raddyf {Crs}.

brandewijn:: bure-svegt {S}.

brandgans:: nutter-uas {C} (L. Branta leucopsis).

brandglas:: fokus-kliqu {C}.

brandhaard:: bure-srt {C}.

brandhout:: kre {S}; bures {S} (spr); voorraad ~: us {C} (dl= Tigof); houtvoorraad.

branding:: surdos {C}; een boot door de ~ de zee opduwen: prme {E} (dl= Tjemp/Bloi).

brandkast:: (=safe) sf {C}.

brandladder:: burmittors {C}.

brandmelder:: bure-vrner {C}.

brandmerk:: gflat {C}.

brandmerken:: (lett) gfle {K; gst= gff}; (fig: schandvlekken [als]) ef kette eft stmp zt; gebrandmerkt stuk vee/persoon: fattos {C}.

brandnetel:: [grote] ~: prolakue {C} (L. Urtica dioica); kleine ~: belt prolakue (L. U- urens).

brandpunt:: fokus {C}; (=focus) focus {C} (vrnl fig); in het ~: fes focus (fig).

brandschel:: (=alarmschel) bure-zeft {C}.

brandsingel:: (in bos) flecs-kpl {C}.

brandstapel:: bure-gran {C}.

brandstichten:: bedare {E}.

brandstichter:: bedaratjen {C}.

brandstichting:: bedaros {C}.

brandstof:: burg {C}, oclarese {S} (dl= Tjemp/Plef).

brandstofprijs:: (alg, maar niet voor auto's) burg-ny {C}; (benzine, diesel ed) burgs-ny {C}; zie ook Brandstofprijzen in .

brandtoren:: (in bos, op de hei) [bure-]kipt {C}.

brandtrap:: burmittors {C}.

brandweer:: nertflecs {C}.

brandweerman:: (=spuitgast) jspatjen {C}.

brasem:: (vis) bremes {C} (L. Abramis brama).

braspartij:: (drink- en eetfestijn) pall {C}.

Braziliaan:: Brazilo {Cef}.

Braziliaans::

  1. (zn: variant v Portugees) brazilise {C};
  2. (bv) braziliy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Brazila {Cef}.

Brazili:: Braziliy {G}.

breed:: (lett) utfin {I}; ~/breder maken (lett: verbreden): utfine {K}; een pad van 83 cm ~: eft kiyk luft 83sm; het niet ~ hebben: ef lelperre eft holfe bof ur eft holfe kas.

breedplaatstreephoed:: (paddenstoel) groller-missis {C; mv= ..-missisa} (L. Megacollybia platyphylla).

breedsprakig:: (=breedvoerig) plkstarer {I}.

breedte:: utfiniy {C}; met de ~ van: luft {VZ}; een pad met een ~ van 1 m ~: eft kiyk luft 1m.

breedvoerig:: (=breedsprakig) plkstarer {I}; ~e uitleg/verklaring: plkstariy {C}.

breekbaar:: frgyll {I}, tundriy {I}.

breekijzer:: wull {C}.

breien:: ptre {K; gst= ptt}; gebreid kledingstuk (breiwerk): ptros {C}.

brein:: (=hersenen) brenk {C}.

breinaald:: ptre-riygt {C}.

breiwerk:: (gebreid kledingstuk) ptros {C}.

breken::

  1. (intrans) bne {U}; (trans) tundare {K; vdw= tndare of regelm.}; (v golven op de kust) tundare {U; vdw= regelm.}; plotseling ~ (knakken): stcce {K/U};
  2. (=storten: water/menigte) sge {U}; het ~: sgos {C}; aanrollen en ~ van golven (op strand): surde {U}.

brem:: [stekel]~: mut {C} (L. Genista anglica).

bremraap:: grote ~: presr mut-rapa {C} (L. Orobanche rapum-genistae).

brengen::

  1. dragje {K; gst= dragg}, holare {K}; het ~: holaros {A}; (bij zich hebben: met de bedoeling om weg/af te geven) hole {K}; ik kom een pakje ~: gress hole eft labiniy; (datgene wat men bij zich heeft om weg/af te geven, maar niet als cadeau) holos {C}; ik heb iets [voor je] meegebracht: gress lelperre eft holos;
  2. (=geven/veroorzaken) qugle {K; gst= qugg}; kette {K}; wat brengt de toekomst?: ef arfinvelkiy kette kluft?; veiligheid ~: ef qugle qurubo; met zich mede ~ (fig): armtqugle {Kpr; gst= armtqugg}; de zanger brengt een avondvullende voorstelling: ef chafostatjen kette eft luppor-rgelira stgos;
  3. nader/bij elkaar ~ (fig): chabre {K; gst= chapp; vdw= chapor}; het ver ~ (fig): ejelife {Upr}; hij heeft het ver gebracht (geschopt): do ef tiyns sen ejelife [lo plks]; dat wat gebracht moet worden: dragjos {C}; het nader/bijelkaar ~: chabros {C}; naar voren ~ (opperen: v idee): karre {K}; naar voren ~ (=opperen: wens): kafplae {K}; het onder woorden ~: ef riffe rifo lngr.

bres:: tunt {C}; (kogelgat: in muur) hgg {C} op de ~ staan (klaar staan, bereid zijn): ef ularfe ef rist.

Bretagne:: Bretn {G}.

bretel:: bof-munk {C}.

Breton:: Bretny {Cef}.

Bretons::

  1. (zn: taal) bretnise {C};
  2. (bv) bretn {IIef}; ~e vrouw: Bretna {Cef}.

breuk::

  1. (=barst) tundart {C}; (=knik) tnkiy {C};
  2. (rekenkundig) spert {C}; tiendelige ~: cma-spert {C}; .
    BREUK Met vz mip tussen teller en noemer; noemer is rangtw op tef 
    OF: met ur (en) tussen teller en noemer; noemer met sx tefa
    voorbeelden drie zevende (3/7)
    een kwart (1/4)
    dur mip hefergtef = dur ur hefergtefa
    r mip frtef = r ur frtefa

breuklijn:: (in de bodem) pazzotundart {Crs}.

bridge:: (kaartspel) bridge |Eng.| {C}.

bridgen:: bridgemerre |Eng.-| {U}.

bridgespeler:: bridge-speler: bridgemerr |Eng.-| {C}.

brief:: letra {C}; trofiytiyn {C} (arch); officile ~ (geschrift): stindos {C}.

briefje:: kort ~ (=memo/kennisgeving): yruna {C}.

briefkaart:: fjatniy {C}, portetra {C}.

briefopener:: (ook vouwbeen) kornin-ynt {C}.

briefwisseling:: (=correspondentie) letraos {C}; ~ houden met: letrae {K}.

bries:: (zachte gelijkmatige maar koele wind) chys {C}.

briesen:: flynse {U}.

brievenbesteller:: (=postbode: op platteland): trofiyatjen {C}.

brievenbus:: (op straat) ldis {C; mv= ldisa}; (in huisdeur/voorgevel) letralot {C}.

brievenbusmaatschappij:: letralot-cmpano {C}.

brigade:: (politie/leger) sls {C}; (reddings-/brandweerbrigade) pretr |prer| {C}.

brigadegeneraal:: sls-generalo {C}, (vrw) sls-generala {C; mv= ..-generalas}; voor militaire rangen, zie .

brij:: (=pap) molarriy {S}; (=prut) sms {S}.

briket:: misst {C}; ~ten stoken: misstere {U}; een stoomlocomotief die met ~ten gestookt wordt: eft missterelira frads.

bril:: specc {C}; grote ~ (uilenbril): zerfe-platas {Cmv} (pop).

briljant::

  1. (zn: edelsteen) briljentiy {C};
  2. (bv: fig) tjiykt {I}.

brillantine:: (haarcrme) mir-balsem {S}.

brillendoos:: (=brillenkoker) specclot {C}.

brillenkoker:: (=brillendoos) specclot {C}.

Brit:: Brity {Cef}.

brits:: (slaapbank) sen {C}.

Brits:: (bv) britann {IIef}; ~e vrouw: Brita {Cef}.

Brittanni:: Britann {G}; Groot-Brittanni.

broche:: (=sierspeld) ove-tlc {C}; ([sier]speld: bij Spok klederdracht) nill {C}.

brochure:: (=vlugschrift/bulletin) kta {C}.

broeden:: zyrrele {U}; het ~: zyrrelos {C}.

broeder:: (verpleger) oter {C}; (RK kloosterling) frater {C}.

broederoverste:: (in klooster) prijollus {C}.

broedmachine:: zyrrelatjen {C}.

broedplaats:: (fig) zyrrele-ws {C}.

broedsel:: zyrr {C; mv= zyrren}.

broei:: (in hooi) stennos {C}.

broeien:: (v hooi) stenne {U}.

broeierig:: idk {I}; ~ weer (broeierigheid): idkiy {C}.

broeierigheid:: (broeierig weer) idkiy {C}.

broeikas:: riffe-kul {C}; (klein: voor in de tuin) scrlmit {C}.

broeikaseffect:: riffe-kul-efecc {C}.

broek:: bof {C}; korte ~: tosiy {C}; (met wijde pijpen, gedragen in laarzen: bij Spok klederdracht): imt {C; mv= imta}; hij poept nog in zijn ~: do ske velk fes ef bof.

broekspijp:: bof-jns {C}.

broekzak:: skobof {C}.

broer:: frera {C}; zvt {C} (dl= Tigof); de ~s; de ~[s] en zuster[s]: ef freras; oudste ~ (of vader) van een vrouw (dus de man die een ongehuwde moeder bijstaat bij de opvoeding ve dochter): pomiy {C}.

brok:: (=klont, brokstuk) lep {C}; ~ brood: ryx {C}; zonder ~ken (zonder een ongeluk te veroorzaken): m leps.

brokaat:: marcat {Sef}; van ~ gemaakt: marcat {I}.

brokaten:: marcat {I}.

brokkelen:: lepe {K}.

brokstuk:: (=brok) lep {C}; in ~ken uiteenspatten: ef sptre fes leps ur tts.

brom:: (=gebrom) brnos {C}.

bromfiets:: vendepitter {C}; zie ook Weggebruikers in .

brommen:: zore {U}; (=zoemen) brne {U}.

brommobiel:: dreutos-ablg {C}; zie ook Weggebruikers in .

brompot:: (=mopperaar) zurratjen {C}.

bron:: (=wel) riff {C; mv= riffs}, plezuvyty {C}; (geneeskrachtig) mni {C}; plaats met geneeskrachtige ~nen (kuuroord): afacha {C} (genoemd naar Afacha in Crona-gebergte); (fig) een ~ van ellende: eft riff rifo/fn mimer; de ~ van een citaat: ef riff rifo eft siteros; zie ook Bronnen in .

bronchitis:: aderm-jns-tochos {C}.

brongebied:: riff-ark {C}.

brons:: creky {S}; stuk ~; bronzen voorwerp/beeld: crekjiy {C}; van ~ gemaakt (bronzen): creka {I}.

bronst:: zela {C}.

brontekst:: (te vertalen tekst) labora-tece {C}.

bronwater:: (zonder koolzuur) jatty {S} (genoemd naar Jatty in Lafter-gebergte); (koolzuurhoudend) chyve-jatty {S}, afacha {S} (oorspr uit Afacha); (ambtelijke term, om expliciet de herkomst uit een bron aan te duiden) riff-knurfel {S}; een glas ~: eft jatty {C}, eft afacha {C}.

bronzen:: (van brons gemaakt) creka {I}.

brood:: (vrnl wittebrood) tjoks {C/S}; (alles, behalve wittebrood) tustr {C/S}; geroosterd ~ (toast): knocitjoks {C/S}; brok/homp ~: ryx {C}; water 3.

broodbeleg:: rgaros {C}.

broodje:: (=kadetje) kpa {C}; (sprkw) zoete ~s bakken: ef lorgisse bjerr beri pnze sect.

broodoven:: tjoksitt {C}.

broodpap:: ryx-bre {S; rs= ..-bret}.

broodplank:: (=snijplank) platt {C}.

broodrooster:: tjoksknociyr {C}.

broom:: bromo {S}; van ~ gemaakt: broma {I}; met ~ (broomhoudend): bromoiy {I}; deze slaapmiddelen bevatten ~: tem slape-tiyns melde bromoiyn.

broomhoudend:: (met broom) bromoiy {I}.

broos:: (=bros) bro'ek {I}.

bros:: (=broos) bro'ek {I}.

brouwen:: (bier) sidde {K}; (letter R; zoals oa op Oost-Tigof gebeurt) grge {U}.

brouwer:: (bier) sidder {C}.

brouwerij:: (bier) siddos {C} (meestal in mv: siddsta).

brouwsel:: (gebrouwen drank, ihb bier) siddos {C}.

browser:: (computerterm) prace-progrm {C}; browser |Eng.| {C}.

brug:: grt {C}, pnt {C}; een beweegbare/vaste ~: eft kteff/pseff grt/pnt; (op schip) caf {C}; een ~ in de weg: eft pnt/grt armt ef weg/mirra; zie ook Bruggen in .

brugschool:: (in Spok: bijscholing of overbrugging tussen lagere en middelbare school, indien de leerling na max 5 jaar lagere school nog een te grote achterstand heeft om door te leren) rijy-koles {C}; (gezien als Spok onderwijsinstituut:) rijy-Koles {N}.

brugwachter:: grt-gert {C} (afk= GGe).

bruid:: mariansty {C}.

bruidegom:: marianer {C}.

bruidspaar:: mariyer {C}, marianers {Cmv}.

bruidssluier:: (lett) mariane-tull {C}.

bruidssuite:: mariyer-sat {C}.

bruikbaar:: kelde-p {I}.

bruikleen:: kelde-tumos {A}; in ~: lo kelde-tumos.

bruiloft:: mariantof {C}.

bruiloftspastei:: (traditioneel Spok gerecht dat door de bruidegom met zijn mustknyf aangesneden moet worden) hldrec {C}.

bruin:: miterus {I}; (okerkleurig/donkergeel) mitra {PX.c > c}; ~ worden (bruinen: in de zon): zuttere {U}; het ~ in de zon (zonnebad): zutteros {C}.

bruinbraden:: (v vlees ed: aan alle kanten bruin) miterus-lgyne {K}.

bruinig:: miteruser {I}.

bruinkool:: mitrazjol {S}.

bruinvis:: martel delfenn {C} (L. Phocoena phocoena).

bruinwier:: kaklbes-dyek {S}.

bruisen:: (met zeer fijne belletjes) stse {U}; (=borrelen) brle {U; gst= brr}.

brullen:: kilive {U}, mde {U}.

Brunei:: Brun {G}.

Bruneier:: Bruny {Cef; rs= Brunyta}.

Bruneis:: (bv) brun {IIef}; ~e vrouw: Bruna {Cef; rs= Brunata}.

Brussel:: Brsall {G}.

brutaal:: onfxu {I}.

bruto:: brutt {I}.

bruusk:: (=onvoorzichtig) brutt {I}; (=onbehouwen) krk {I}.

bruut:: (gemene vent) fkom {C}; (bv) lqus {I}.

btw:: pltla'yc-tx {C} (afk= PLT); .

BTW:: btw.

bubbelbad:: brle-wik {C; mv= ..-wika}.

budget:: (begroting v baten en lasten) reparr-ozos {C}.

buffel:: bufliy {C}.

buffelen:: (gulzig eten) ef svlge zt eft prusot-blof.

buffer:: fjs-fan {C}.

buffet:: bar {C}.

bui::

  1. (regen-/hagelbui) gura {C}; zware ~en: lotiyn guras;
  2. (lach-/huilbui) trg {C};
  3. (=gemoed) rl {Aef}; aan ~en lijdend (humeurig): rl {I};
  4. goede||slechte bui: loa {Cid; rs= loatt}; .

buidel:: (v dier) eoh {C}; (zak) kyr {C} (dl= Lomky/Tigof).

buideldier:: sako-belp {C}.

buigbaar:: flectren {I}.

buigen:: (alg) glarfe {K}; (bocht[en] maken) flectre {K; gst= felec; wst= flect}; (wringen) futsie {U}; (gebogen zijn) krume {U}; (=knikken) tegte {K}.

buiging:: (alg) glarfos {C}; (=bocht) flectros {C}; (=boog/bocht) krum {C}; (=nijging) roos {C}; ~ maken (nijgen): roe {E; gst= rot}, tegte {Upr}.

buigzaam:: (lett) tegte-p {I}; (fig: =gedwee) bln {I}.

buik:: molfit {C}; man met een dikke ~ ("bierbuik"): molfit-synner {C}; (sprkw) twee handen op n ~: perdrs lpliyfone r kliqu.

buil:: (=bult) ng {C; mv= nka}.

buis::

  1. (=pijp) jns {C}; (leiding voor vloeistof) hksos {C}.
  2. (kledingstuk: =kiel) doyt {C}.

buisvormig:: jnst {I}.

buit:: prefdef {C}.

buitelen:: (=dartelen) butele {E}; (=rollen) spege {U}.

buiteling:: butelos {C}; (=koprol) spegos {C}.

buiten::

  1. (bv) dalotoje {III}; hij zit ~: do feldre dalotoje; ~ wonen (op het platteland wonen): districa-zre {U}; het ~ laten staan (lett: buitensluiting): mipmtos {C}; er niet ~ kunnen: poate {K}; er niet ~ kunnen (niet kunnen missen: v iets wat je al hebt): nirre {K}; van ~ (uit het hoofd): kir {I}; hij draagt het gedicht van ~ (uit zijn hoofd) voor: do wuxe-furt ef poitiyn lo kir; niet van ~ (maar van een papiertje): fest {I}; hij draagt het gedicht niet van ~ voor (leest het op): do wuxe-furt ef poitiyn lo fest.
  2. (vz)
    1. (plaats: =uit) mip {VZ}; ~ Spokani: mip Spooksoliy; ~ langs: miplango {VZ}; ~ in de regen (buitenshuis): mipsrtiy ef bidalos;
    2. (beweging binnen bep grenzen) dalotoje {VZ}; hij loopt ~ het huis [rond]: do farte dalotoje ef srt; ~ langs: langomip {VZ}; hij loopt ~ langs de muur: do farte langomip ef krur;
    3. (richting) cupp {VZ}; de tas valt ~ de auto: ef lk tasse cupp ef oto;
    4. (plaats/beweging) ~ het schip (overboord): vetsotoje {VZ}; de trossen hangen ~ het schip: ef trsz menkerate vetsotoje ef kar;
    5. (tijd) ~ deze periode: dalotoje dena iyra;
    6. (betrekking) (afgezien van) dotoje {VZ}; ~ mijn medeweten: dotoje kost blmtiffos (afk= d.k.b.); (niet behorend tot) iemand van ~ de politiek: rast dotoje rifo ef politiyc-siyclos.

buitenband:: ufire-bjelt {C}.

buitenbeentje:: (andersdenkende) querdomiyper {C}.

buitengebied:: (gebied buiten de bebouwde kom waar mensen wonen) mipare {C; rs= miparet}.

buitengesloten:: ik voel me ~ (gesoleerd): gress sen cente fes isolao.

buitengewoon:: (zeer bijzonder) kuragei {I}; (oneindig/onnoemelijk) mntyelira {I}; (=superieur) superierr {I}; (=uiterst: als versterking bij bv) superierr {III}; een ~ belangrijke mededeling: eft superierr mikkelel blompos.

buitenhoek:: koern {C}.

buitenhuis:: (=zomerverblijf) tiyf {C} (idyllisch gelegen, v rijke stadsmensen, 18e en 19e eeuw).

buitenissig:: mipgei {I}, rea {I}.

buitenkansje:: een ~: eft mes jec {C}.

buitenkant:: (=buitenzijde) mipovap {C}.

buitenland:: mipark {C}; uit het ~ (buitenlands): miparcess {I}; in/naar het ~ (buitenslands): miparkiy {I}; de toeristen die naar het ~ gaan (de buitenslands vertoevende toeristen): ef miparkiyn entrafers; in binnen- en ~: interse {I}; in/naar het ~: dlnese {I}.

buitenlander:: (=vreemdeling) tneferdes {C}.

buitenlands:: (uit het buitenland) miparcess {I}; (in het buitenland) miparkiy {I/VZ}; (=vreemd) tnefer {I}; in de ~e toeristengebieden (in de toeristengebieden buitenslands): miparkiy ef entrafer-ares; [ministerie van] ~e zaken: Dalotoje-Tiyns {N} (afk= DT); minister van ~e zaken: dalotoje-menester {C}.

buitenlucht:: mipayr {S}; van de ~ afsluiten: ef klahere mip ef mipayr.

buitenmuur:: mipkrur {C}.

buitenshuis:: mipsrtiy {I/VZ}; hij werkt ~: do rme mipsrtiy.

buitenslands:: miparkiy {I/VZ}; de ~ vertoevende toeristen: ef miparkiyn entrafers; in de toeristengebieden ~: miparkiy ef entrafer-ares.

buitensluiten:: (lett: niet binnenlaten) mipmte {K}; (fig) ~ van: mipqurstoxe armt {K}.

buitensluiting:: (lett: het buiten laten staan) mipmtos {C}.

buitenspiegel:: (v auto) otstezerfi {C}.

buitensporig:: (=ongehoord) kainelira {I}, pyziy {I}; (=overmatig/onredelijk) tijsliyselira {I}.

buitenstaander:: net-eaqupper {C}.

buitenste:: (uiterlijke) mipter {I}.

buitenwand:: mipkrur {C}.

buitenwijk:: [grote] ~ (ve stad): nefsrt = susrt {C}.

buitenzijde:: (=buitenkant) mipovap {C}.

buitmaken:: prefdeve {K}.

buitmaking:: prefdevos {C}.

buizenstelsel:: tojns {C}.

bukken:: zich ~: viyce {Upr}; het ~ (gebuk): viycos {C}.

buks:: bx |ks| {C}.

bulderen:: pultre {U; gst= pulter}.

Bulgaar:: Bulgaro {Cef}.

Bulgaars::

  1. (zn: taal) bulgaros {C};
  2. (bv) bulgariy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Bulgara {Cef}; ~e yoghurt: Bulgaro-jogurt {S}.

Bulgarije:: Bulgariy {G}.

bulletin:: (=brochure/vlugschrift) kta {C}.

bult:: (=buil) ng {C; mv= nka}; (=bochel) gjonett {C}; (=bobbel, knobbel) quc {C} (groot en hard).

bultbok:: (bruin tot zwart gekleurd Spok schaap, zeer algemeen op de mliys) brfoh (brahf) |brf| {C}; (pop) quc-qurk {C} (L. Ovis nigra); (het woord "bultbok" is een leenvertaling vh pop woord quc-qurk, dat lett "bult-ram" betekent, maar "bultbok" is een mooiere alliteratie).

bumper:: (=stootkussen) grvnos {C}.

bundel:: (=bos) ots {C}, totiyn {C}; samengebonden ~ (zoals takken): bindos {C}, jori {C}.

bundeltje:: klmp {C}.

bundelzwam:: kleine ~ (stobbenzwammetje): belt stobe-chnt {C} (L. Kuehneromyces mutabilis); schubbige ~: geffy-larder {C} (L. Pholiota squarrosa).

bunder:: (=hectare) hektojak {C} (afk= hj).

bungalow:: (laag huis zonder verdiepingen) rastobos {C; mv= rastobosz}.

bungalowpark:: (woonwijk met bungalows in fraaie omgeving) torastobos {C}; (vakantiepark met huisjes) kbo-smyl-prc {C}; zie ook Bungalowparken in .

bunker:: bnk {C}.

bunzing:: fio {C} (L. Mustela putorius).

burcht:: (=kasteel) husof {C}; (oord) manes {C}; (v dassen) husof {C}, manes {C}.

bureau:: (=kantoor) buro {C}, ofiss {C; mv= ofiser}.

bureaucratie:: burokrao {C}.

bureaucratisch:: burokratise {I}.

burgemeester:: monerc {C}; (bep soort meeuw) nutter-meve {C} (L. Larus hyperboreus).

burger:: rnter {C}; in ~ gekleed: fes rnt {I}.

burgerij:: gewone ~ (=middenklasse): plastros {S}.

burgerlijk::

  1. (=civiel: wat betreft de burgers; niet-militair) rntiy {I}; ~e stand (bevolkingsregister): rnteram {C} (afk= r/am);
  2. (=bekrompen) ry-lardelira {I}.

burgeroorlog:: rng-wsr {C}.

burgerzaken:: (een stadhuisafdeling) rnterjeren {C}.

burggraaf:: manter {C}.

burggravin:: mantera {C}.

Burkina Faso:: Burkinafaso {G}.

Burundi:: Burundiy {G}.

Burundi:: Burundo {Cef}.

Burundisch:: (bv) burundiy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Burunda {Cef}.

bus::

  1. (=trommel/blik: metalen doos met deksel) lojalot {C}.
  2. (=autobus) gerlas {C}.

business:: (zakendoen, zakenwereld) rgotos {C}.

busje::

  1. (=blikje) menk {C}.
  2. (personenbusje: groot soort auto om personen te vervoeren) belt-gerlas {C}; (jur) veldurnolac {C}; (bestelbusje: groot soort auto om goederen te vervoeren) tiynsnolac {C}; zie ook Weggebruikers in .

buskruit:: guntmlek {S}, reftmlek {S}.

buslijn:: gerlas-lnt {C}; zie ook Buslijnen in .

busstation:: gerlas-garrent {C}.

buste:: (=boezem) briqu {C}; (=borstbeeld) busta {C}; (=paspop) trkyl {C}.

bustehouder:: briqu-munk {C}; suchetader {C} (spr/dl= Cheetuc).

butler:: (hoofd vd huisbedienden) mennarber {C} (verbastering v mennharber).

buren:: ksanuters {Cmv}.

buur:: buren: ksanuters {Cmv}.

buur:: ksa- {PX}; (bijv) buurmeisje: ksa-'nin; de bomen bij de buren: ef ksa-vilduls.

buurman:: ksaner {C}; (ook: buurvrouw) ksanuter {C}.

buurt:: (kleine wijk: groepje huizen bij elkaar) ksanutos {C}; in de ~ (lett/fig): fes ef ksanutos; in de ~ (naastbijgelegen): tar {I; vt= danen; ot= wena}; de brug hier in de ~: ef tar pnt; in de ~ van (vlakbij): tar {VZ}, xltiy |X| {VZ}; in de ~ van de brug: tar ef pnt; enkele mensen uit de ~ (omgeving): gopirus tar veldurs; ik woon in de ~ van een postkantoor: gress zre xltiy eft pstsrt; in de ~ van; bij ... in de ~: qubjo {VZ}; er zijn geen winkels bij ons in de ~: nf misans melde qubjo kirro; uit de ~ van; van ... uit de ~: tij {VZ}; je moet het schilderij uit de ~ van de kachel hangen (niet te dicht bij): tu munkt ef platiranu tij ef warmohit.

buurtschap:: (=buurt) ksanutos {C}; (met de nadruk op de ligging op het platteland) tumt-ksanutos {C}.

buurtwinkel:: ksanutos-misan {C}.

buurvrouw:: ksanera {C; mv= ksaner}; (ook: buurman) ksanuter {C}.

BVD:: (sinds 2002: AIVD) Qurubo-Lanko {C} (afk= QULA) ("Veiligheidskoepel": Spok geheime dienst).

 

© (2000) De Twee Hanen v.o.f. Kimswerd The Netherlands

DICTIO