Woordenboek
Spokaans-Nederlands | Nederlands-Spokaans

SpokaansNederlands     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

NederlandsSpokaans     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 

u::

  1. (naam vd letter U) u {C}.
  2. (pv)
    1niv {PV} {SX.vz} pass. verbaal
    enk
    mv
    grs
    grs
    gs
    gs
    grse
    grse
    grsere
    grsane
    (dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky)

    2niv {PV} rs (modern) rs (arch)
      kirnem kiyrnemm kirnemm

    (idioom) ~ ziet Petriy: grs zerfe Petriy; de heer Qull en ~; ~ en de heer Qull: grs merater Qull = merater Qull ur grs; (als samenvatting v familieleden:) ~, de broer[s] van Petriy: ef grs frera[s] rifo Petriy (grs is hier een soort add); Petriy ziet ~: Petriy zerfe grs/kirnem; wij danken ~ voor uw brief: kirro misse kirnem frpj gert letra; (rs altijd v 2niv:) wij hebben ~ achtergelaten: kirro kiyrnemm afnole; (passief:) ~ wordt geplaagd: blul vpjelije grse; (imperatief:) leest ~ dat boek!; lees dat boek!: trempe-grse ef mimpit!; niet roken!: nert uokke-grse!; (causatief:) Jn laat ~ het boek lezen: Jn trempe-grse ef mimpit; (verbalisatie:) ~ was het; dat was ~: ef grsero (1 persoon); ef grsano (meer personen); ~ bent de dief: ef zft grsere; ~ bent de dieven: ef zfts grsane; ~, mijn buurman: kost grserelira ksaner; ~, mijn vroegere buren: kost grsanor ksanuters; (benadrukt:) U moet helpen: ef grsere/grsane, t crtirt (enk!); (algemene bewering, samen met inf:) ~ bent er niet voor om zulke karweitjes op te knappen: ef nert grsere/grsane beri nie sest qundrs; (arch: met object:) ~ met/en uw echtgenoot: ef grsere sener mariant; (gereduceerde vorm bij vz:) aan ~: ngs = n grs; naar ~ [toe]: 'karags = helkara grs; van ~: uw; (reflexief:) ~[zelf]: (enk) sen {WN; rs= senne}; (mv) sena {WN; rs= senae}; (staat vr alle determinanten en nert:) u wast ~ niet: grs sen[a] nert lukte; u geeft het boek aan uzelf: grs sen[a] kette ef mimpit; u moppert op uzelf: grs sen[a] siytinte; zich.

berhaupt:: m kf; ~ niet (in het geheel niet): pij nert = pij noi.

Uganda:: Ugnda {G}.

Ugandees::

  1. (zn: bewoner) Ugndany {Cef};
  2. (bv) ugnda {IIef}; Ugandese vrouw: Ugndana {Cef}.

ui:: acr {C}.

uiensoep:: acr-upa {C/S}, Kussik-drg {S}.

uier:: (v koe) ymps {C}.

uil:: ojel {C}.

uilenbril:: (grote bril) zerfe-platas {Cmv} (pop).

uilskuiken:: (=domkop) ptug {C}; (=klungel) plt {C}; (=stommerik) hpyja-nurp {C}.

uit::

  1. (plaats) (buiten) mip {VZ}; ~ Spokani: mip Spooksoliy;
  2. (richting) (naar buiten) cupp {VZ}; hij komt het huis ~: do arfine cupp ef srt; (ergens vandaan) l {VZ}; ik kom zojuist ~ Br (ben uit B. vertrokken): gress melde r l Br; de menigte rukt de verkeersborden ~ de straat: ef clma ryve ef kfsrms cupp ef mirra; (vgl ook: uit 3; vanuit);
  3. (betrekking) (ergens vandaan/afkomstig ~/van) l {VZ}, mean {VZ}; ik kom ~ Br (ik ben in B. geboren): gress melde l/mean Br; (vgl ook: uit 2);
  4. (betrekking: tengevolge van; door) l {VZ}; zijn macho-gedrag is ~ onzekerheid (komt doordat hij zo onzeker is): groft machoos melde l ef mlg;
  5. (betrekking: vanwege) g {VZ}; ik doe dit ~ liefde voor de medemens: gress paine k g rovretos furt ef ralveldurs;
  6. (tijd) mip {VZ}, l {VZ}; ~ de 12e eeuw: mip/l pr 12;
  7. (bv/bw: afgelopen/voorbij) tij {I}; het sprookje is ~: ef cofiy melde tij; heb jij dat boek al ~?: aftel tu melde pip tij lef dena mimpit?; het is ~/afgelopen!: dfo melde!; ~ de mode: vluf friye ef fon;
  8. (bw) (uitgeschakeld, niet werkend) mip {III}; de lamp is ~: ef litalu melde mip; (ook op schakelaars ed) aan/uit: fes/mip; ~ zijn op (proberen te verkrijgen): nzje {K; gst= nss}.

uitademen:: aderme-mip {K}; (hoorbaar) eme-mip {U}.

uitademing:: adermos-mip {C}; (hoorbaar) emos-mip {C}.

uitbannen:: prusatare {Krs}.

uitbanning:: prusataros {A}.

uitbarsten:: (lett: vulkaan) eruptere |..je| {U}; (=uitbreken: donderbui/vulkaan/oorlog/ziekte/woede) tunde {U}; in snikken/huilen ~: ef tunde lef crsikos/larkettos.

uitbarsting:: (lett/fig) tundos {C}; (=eruptie) erupo {C}; emotionele ~ (scne): sgos {C}.

uitbesteden:: mipplae {K}.

uitbesteding:: mipplaos {C}.

uitbetalen:: kafte-mip {K}; niet ~ (inhouden): mige {K}; het niet-~ (inhouding): migos {A}; wekelijks uitbetaald krijgen: bjln-smurf {S}; hij krijgt wekelijks uitbetaald: do pnze bjln-smurf (als tegenstelling tot een maandsalaris).

uitbetaling:: kaftos-mip {C}.

uitblazen:: (v kaars) fitrute-mip {K}; (op adem komen) fesaderme {E}; (uitrusten/bijkomen) nne {U}.

uitblijven:: (v licht/kachel) tinde-mip {U}; (niet komen) tinde {U}; de aangekondigde verbeteringen blijven uit: ef kjndor guldersta tinde.

uitblinken:: (=schitteren) kafarmte {U}.

uitbotten:: (v knop) lse {U}; (=uitlopen: v gewas) wufare {K}.

uitbotting:: (v knop) lsos {C}; (het uitlopen: v gewas) wufaros {C}.

uitbouw:: (uitbreiding ve gebouw: =aanbouw) nefhuflif = suhuflif {C}; kleine ~ van een huis (ook: erker): quch {C}; aanbouw.

uitbraken:: (uitspuwen: vuur/lava) kafierque-mip {K}; het ~: kafierquos-mip {C}.

uitbranden:: (v huis) bure-velp {U}; (v wond) bure-mip {K}.

uitbreiden:: erte {K}, mipole {K}, ekspansere |..je| {K}.

uitbreiding:: (ihb het uitbreiden) mipolos {C}; (gedeelte waarmee uitgebreid is) ertos {C}; (expansie) ekspansy {C}; ~ van een stad: oftianos {C}.

uitbreken:: (=uitbarsten: donderbui/vulkaan/oorlog/ziekte) tunde {U}; (=losbreken: v dier/gevangene) tmpentare {U}; (v zweet) jepse-mip {U}; het zweet breekt me uit: kost zvett jepse-mip.

uitbreking:: (v donderbui) tundos {C}; (v gevangene) tmpentaros {C}.

uitbrengen:: een stem ~: ef rare eft vott.

uitbroeden:: (lett) idezyrrele {K}; (fig) wufe-mip {K}; het ~: (lett) idezyrrelos {C}; (fig) wufos-mip {A}.

uitbroeding:: (lett) idezyrrelos {C}; (fig) wufos-mip {A}.

uitbuiten:: (v personeel) laxerme {K}; (fig: ongunstig) qubre {K; gst= qupp}; (gunstig: een goed/intensief gebruikmaken van) menee |..ewe| {K; gst= menet}; hij buit zijn vrije tijd uit: do menee sener jola forts.

uitbuiting:: (goede besteding) meneos {A}; (=exploitatie: in ongunstige zin) toopjgos {C}, qubros {A}.

uitbundig:: slf {I}.

uitdagen:: (voor wedstrijd ed) mippre {K}; (tarten/uit de tent lokken) trnige {K}.

uitdagend:: (tartend) trnig {I}; (=wellustig: vrouw) trege {I}.

uitdaging:: (voor wedstrijd ed) mippros {C}; (het tarten) trnigos {A}.

uitdelen:: (trakteren: evtl feestelijk) berre {K}.

uitdeling:: (traktatie: evtl feestelijk) berros {C}.

uitdenken:: (=bedenken) miypere {K}; (=verzinnen) wrbie {K; gst= wrbit}.

uitdiepen:: (lett: verdiepen) merrate {K}; (fig) zefare {K}.

uitdieping:: (lett: verdieping) merratos {C}; (fig) zefaros {A}.

uitdijen:: (=uitzetten) rutre-mip {U; gst= rutt-mip}.

uitdijing:: (=uitzetting) rutros-mip {C}.

uitdoen::

  1. (=uittrekken: v kleren) trekke-mip {K}, ideoimetere |ideometere| {K}, idehulle {K}; het ~ (v kleren: lett): idehullos {C};
  2. (=[uit]doven: v licht/kaars ed) treske {Krs};
  3. (=afzetten: v radio/motor) stpe {K}.

uitdossen:: (=optutten) bloare {K}; iemand [vreemd] ~: kle {K}; ze dost haar zoontje vreemd uit (ze laat haar zoontje in rare kleren lopen): eup kle sener belt-waler lo tnefer; zich ~: prule {K}; zij dossen zich vreemd uit voor het carnaval: ps prule tnefer furt ef crnval; zichzelf [vreemd] ~: kle {Upr}.

uitdossing:: (=optutting) bloaros {C}; (rare kleren) prulos {C}.

uitdoven:: (trans: =uitdoen: v licht/kaars ed) treske {Krs}; (intrans: =uitgaan: v licht/kaars ed) treske {Upr}; het ~: treskos {C}.

uitdoving:: (het uitdoven) treskos {C}.

uitdraaien:: ~ op (tot gevolg hebben: meestal iets vervelends): wufare tukst {U}; het draaide uit op ruzie: ef wufaro tukst eft gurnus; (voorspelling:) het draait straks nog op ruzie uit: ef tinkere velk kelt gurnus.

uitdragen:: (fig) stjecare {K}.

uitdrager:: ~[ij]: tiynstesfol {C}.

uitdragerij:: tiynstesfol {C}.

uitdraging:: (fig) stjecaros {A}.

uitdrogen:: zrve {E}; [doen] ~: zrvare {K}; (v bouwland) lycre {U; gst= lycer}.

uitdroging:: zrvos {C}.

uitdrukkelijk:: (expliciet) lef ln; (v bevel/verzoek/wens) krech {I}; dat heb ik je ~ verboden!: gress ef elkiane clerr kat n tu!.

uitdrukken::

  1. (=uitpersen) ske {K};
  2. (onder woorden brengen) lne {K}, ekspresere |..je| {K}; zich in taal ~: muxe {E}; anders uitgedrukt (om zo te zeggen): reppany {I}.

uitdrukking::

  1. (lett: =uitpersing) skos {C};
  2. (mbt taal) (het onder woorden brengen) ekspreseros {A}; (spreuk) lnos {C}; geijkte ~ (formule): festlnos {C};
  3. (expressie: v gezicht) ekspressy {C};
  4. (alg fig) tot ~ komen: ef arfine ekspress {I}.

uiteen:: (uit elkaar) mippes {III}.

uiteengaan:: idevende {U}.

uiteenknallen:: (=uiteenspatten: v zeepbel/ballon ed) sptre {U; gst= sptt}; het ~ (v zeepbel/ballon ed): sptros {C}.

uiteenlopend:: (=allerhande) idevendiy {I}.

uiteenlopendheid:: (verschil) idevendos {A}.

uiteenspatten:: (=uiteenknallen: v zeepbel/ballon ed) sptre {U; gst= sptt}; met een klap ~: ef sptre tjg eft lplt; het ~ (v zeepbel/ballon ed): sptros {C}.

uiteenspatting:: (het uiteenspatten: v zeepbel/ballon ed) sptros {C}.

uiteenvallen:: ~ in (lett): azjoe fes {U}; ~ in (lett/fig): claje {Krs; gst= clat}.

uiteenvalling:: (lett/fig) clajos {C}.

uiteenzetten:: (=uitleggen) bzagoe {K}.

uiteenzetting:: (=uitleg) bzagoos {C}.

uiteinde:: spits ~: xesta {C}; uiteinde (top, punt): iyxe {PX.c > c}; (fig: =top) kafdf {C}; (uiterste) dfo {C}; eind 2.

uiteindelijk:: (=ten slotte) tukstfin |..ksf..| {III}, dfygc {I}; (=achteraf) mintofess {III}.

uiten:: wuxe {K}; het ~ (uiting): wuxos {A}; roepend ~ (lett: uitroepen): wuxupke {K}; zich op een vage manier ~: ef stinde tjg blakker iynk.

uiteraard:: (=vanzelfsprekend) sen-reppelira {III}, votelira {III}; (tenslotte) lef uss {Aef} (wat als vanzelfsprekend/bekend verondersteld mag worden; vaak als antwoord op een domme/overbodige vraag): spreekt hij Engels? ja ~, hij is een Engelsman: aftel do chaquinde enelant? siy lef uss do melde eft Enelando; zonder paspoort mag je Spokani ~ niet in: m ps stus nert fesentog Spooksoliy lef uss.

uiterlijk::

  1. (zn: =aanzien) miprs {C};
  2. (bv) (=uitwendig/buitenst) mipter {I}; (=schijnbaar/naar buiten toe) rmoiy {I}; (op zijn laatst) fes wlc fort (afk= f.w.f.); de ~e schijn/gedaante: ef mipter ovos; ~ scheen hij kalm: lo oviy do tto beri melde clm; ~ [op] 1 augustus: armt 1 ogust fes wlc fort = fes 1 ogust wlc fort = armt 1 ogust f.w.f..

uitermate:: eofiy {III; [mv=enk]}.

uiterst:: jojeliy {I; [mv=enk]}, wlc {I}; (=buitengewoon: als versterking bij bv) superierr {III}; een ~ belangrijke mededeling: eft superierr mikkelel blompos.

uiterste:: (zn) mipiy {Cef}; (=uiteinde) dfo {C}.

uitgaan::

  1. (lett: gaan uit) mipende (mipvende) {K}; ga je uit!? (roep tegen hond met het doel dat deze de riem gaat halen ed): brt?;
  2. (v caf/theater ed) vende-mip {U}, vipe {U} (pop);
  3. (v school/theater/kantoor) quare {U}, dfe {E}; het ~: quaros {C};
  4. (=[uit]doven: v licht/kaars ed) treske {Upr}, dfe {E}; het ~: treskos {C};
  5. (v jas/sokken) vende {U};
  6. ~ van (als uitgangspunt nemen): kafmisse {K}; het ~ van: kafmissos {A}; ~de van (=gegeven): fes kafmissos rifo (vz-uitdr); zijn belangstelling gaat uit naar ...: do lone sener cstierpos kaf ....

uitgaansverbod:: vende-mip-mf {A}.

uitgang:: (lett) lumb {C}; (v kamer/gebouw) mipfiy {C}.

uitgangspunt:: kafmisse-ponto {C}; als ~ nemen (uitgaan van): kafmisse {K}; het als ~ nemen: kafmissos {A}.

uitgave:: (v geld) spente {C}; (het uitgeven ve boek) riy {C}; (het boek dat uitgegeven wordt/is) riyafiy {C}.

uitgebalanceerd:: (evenwichtig) olaniy {I} (fig).

uitgebleekt:: plf-silendor {I}.

uitgebreid:: (=uitvoerig) yr {I}; (=omstandig) lef muxkettos {A}; uitgebreid||beknopt: molef {Iid}; .

uitgebroken:: (ontvlucht/op de vlucht geslagen: vrnl v dieren) kiror {I}, gip {I} (arch).

uitgedroogd:: zrviy {I}.

uitgehongerd:: tytorr {I}.

uitgekeken:: iets waar je op ~ raakt (wat begint te vervelen): afu {C; rs= afte}.

uitgekookt:: (=uitgerekend) hmpus {I}.

uitgekozen:: (=uitgelezen) oleg {I} (arch).

uitgelaten:: (zeer vrolijk) pyppe {I}.

uitgeleide:: ~ doen: lestke-mip {K}.

uitgelezen:: (=uitgezocht/select) kv {I}; oleg {I} (arch); het ~e (keur): kvtiy {Cef}.

uitgemaakt:: (=beslist) fespilt {I}.

uitgeput:: (zeer moe) ofhmba {I}; (=afgemat) praoh {I}; (op/leeg: v voorraad, mijn ed) trnta {I}.

uitgerekend:: (=uitgekookt) hmpus {I}; (nou juist: de gemaakte keus is opmerkelijk of ligt het minst voor de hand) ... wn coelira fitaju; ik begrijp niet waarom Elsa ~/nou juist fagotles wil hebben: gress nert unere, mitulanis Elsa lelperravy basunn-belastos wn coelira fitaju; Petriy vertrekt ~/juist morgen: Petriy prate mas wn coelira fitaju.

uitgerust:: (=ontspannen) nnk {I}; uitgerust||vermoeid: qumtiy {Iid}; .

uitgeslapen:: (lett) slap-mip {I}.

uitgesloten:: (onmogelijk) neposibla {I}; dat is ~: mittof sen msrte; het is niet ~ dat ...: ef hartiy zirde blef ef argerat, den ....

uitgestorven:: (lett: niet meer bestaand) dodor {I}; (lett/fig: geheel en al verlaten) dott {I}.

uitgestorvenheid:: (algehele verlatenheid) rn {SC}.

uitgestrekt:: (wijd, weids: v land) paqur {I}.

uitgeven:: (v geld) spente {K}; (v boeken) re {K}; (v effecten/geld) rare {K}; hij geeft veel geld aan boeken uit: do spente pert smurf furt mimpits.

uitgever:: (v boeken) rer {C}.

uitgeverij:: ros {C}; zie ook Uitgeverijen in .

uitgewekene:: (=vluchteling) wygcaratjen {C}.

uitgezocht:: (=uitgelezen/select) kv {I}.

uitgezonderd::

  1. (bv) tvokatiy {I};
  2. (vz: behalve; op ... na) hinta {VZ}; (met uitzondering van) tvokatiy {VZ2n/VG} (schr); niemand anders, ~ ik: rste hinta gress; u moet elke maand betalen, ~ mei: grs kaftt jadk hertel tvokatiy ef mai (schr); de voetballers ~ de keeper dragen een geel shirt: ef blmerrs tvokatiy ef coler tine goe kolazlebas (schr).

uitgifte:: (effecten/geld) raros {A}; jaar van ~ (eig: jaar waarin een boek gedrukt is): kabi-fort {C}; maand van ~: kabi-hertel = kabi-hertel-fort {C}.

uitglijden:: tijsliyse {U}; het ~ (glijpartij): tijsliysos {C}.

uitgraving:: plko {C} (afgegraven [deel ve] helling, veelal met steunmuur; bijv om ruimte voor een huis/weg/spoorlijn te maken).

uithaal:: (bij zingen) llt {C}; met uithalen zingen: llte {U}.

uithalen:: (leeghalen: v nest ed) pre-velp {K}; (=uitspoken: v streek) bae {K; gst= bat; vdw= bajet}; het ~ (het leveren v streek): baos {C}.

uithangbord:: (alg) blt {C}; (v beroep/gilde) ylmrm {C}; (v winkel: winkelopschrift) misanrm {C}.

uithangen:: (ergens zijn) merre {U}; weet jij waar Elsa ergens uithangt?: aftel tu tiffe, r Elsa merrelira?.

uithebben:: ik heb het boek uit: gress kltare lef ef mimpit.

uitheems:: dlnese {I}.

uithoek:: trkk'mi {C}.

uithollen:: riynbe {K}; het ~ (uitholling): riynbos {C}.

uitholling:: (dat wat uitgehold is) riynbosiy {C}; (het uithollen) riynbos {C}.

uithongeren:: (door honger tot het uiterste brengen: v stad ed) klstjyne {K}; (niet te eten geven: v mens) tytorre {K; vdw= tytorr}; een uitgehongerde slaaf (ziek vd honger): eft tyrorr slaviy.

uithongering:: (v stad ed) klstjynos {C}; (verhongering: v mens) tytorros {C}.

uithoren:: (tot het einde toe horen) dfo-nute {K}; (=ondervragen) oe {K; gst= ot}; het ~: oos {C}.

uithouden:: (lett: =uitsteken) ularfe-mip {K}; het ~ (lett: het uitsteken): ularfos-mip {C}; (volhouden) xaquobe {K}; ik houd het niet [langer] uit!: gress xaquobe nert!; gress nert xaquobe ef!; het is niet uit te houden van ...: ef ... nert kette sstiy {A; mv=enk}; het is hier niet uit te houden van de stank!: ef kusamiss afdrah nert kettelira sstiy!.

uithoudingsvermogen:: xaquobos {A}.

uiting:: (=uitspreken) mipa {C}; (=uitlating: wat geuit wordt) wuxos {C}; (het uiten) wuxos {A}.

uitjouwen:: tigte {K}; het ~ (gejouw): tigtos {C}.

uitkammen::

  1. (lett): (uit de war kammen) cyare {K}; (zodat de losse haren en klitten in de kam achterblijven) zacyare {K};
  2. (fig: doorzoeken) oqulme {K}; het ~: oqulmos {C}.

uitkamming:: (het uitkammen/doorzoeken) oqulmos {C}.

uitkeren:: mipzlbinase {K}.

uitkering:: mipzlbinasos {C}.

uitkiezen:: fiysde {K}, fiytje {K; gst= fiytt of fiytet} (arch); putte-mip {K; vdw= potter-mip}.

uitkijk:: (hoog punt: toren/bergtop ed) pute-agru {C}; op de ~ staan (posten): pute {U}; het op de ~ staan: putos {C}.

uitkijken::

  1. (lett): (op de uitkijk staan/posten) pute {U}; ~ over (vanaf een hoogte over een dal ed): luere {K}; ~ [over] (uit een toren): zrte {K}; we kijken [vanuit een toren] uit over de glooiende velden: kirro zrte ef kry jakms;
  2. (lett/fig): ~ naar (omzien naar): zerfare helkara {U};
  3. (oppassen, opletten; voorzichtig zijn) kaftare {K}.

uitkijkpost:: (=wachtpost) putiy {C}; (met nadruk op uitkijken) pute-putiy {C}; (losse ~ in de buurt ve kasteel: in Zuid-Spok) dvern {C}.

uitkijktoren:: pute-agru {C}.

uitklappen:: (=uitvouwen) folte-mip {K}.

uitkleden:: nucere {K}; zich ~: nucere {Upr}.

uitknijpen:: (v tube) flmpe {K}; (v puist) zjdele {K}.

uitkomen::

  1. (komen uit iets/terechtkomen/arriveren) mip-arfine |mIparfine| {U}; toen ze de poort door waren, kwamen ze uit op de binnenplaats: zuf ps enn ef kaltn pae, ps mip-arfine kaf ef ess (rs!); de steeg komt uit in de Kerkstraat: ef terf mip-arfine fesdu ef Korda-mirra; een pas uitgekomen kuikentje: eft r mip-arfinor striym; het ~; plaats waar iets uitkomt (lett): mip-arfinos |mIparfinos| {C}; hij komt het huis uit: do arfine cupp ef srt;
  2. (verbinding/zicht hebben) de deur komt uit op de tuin: ef argerat ur ef arbe eite wlkn;
  3. (=uitspruiten: v knop) mip-arfine |mIparfine| {U}, lse {U}; doen ~ (doen uitlopen: v knop): lsare {K}; de zon doet de knop ~, door de zon komt de knop uit: ef kbo lsare ef kn; het ~ van een knop (groei): drk {C};
  4. (v eieren) vlke {U}; de eieren komen uit: ef tustus vlke; een pas uitgekomen kuikentje: eft r mip-arfinor striym;
  5. (bekend worden: v geheim ed) mip-arfine |mIparfine| {U};
  6. (bekennen, durven zeggen) wuxare {K}; hij wil niet ~ voor zijn mening: do nert wuxaravy sener mefr;
  7. (kloppen: v berekening/voorspelling) quanke {Upr}; de deling komt uit: ef parte-mtos sen quanke;
  8. (=verschijnen: v boek ed) cralove {U};
  9. (in wedstrijd/kaartspel) lyde {U}; wie moet er ~?: lomp lyde?; ~ met troef/klaveren: ef lyde lef mipmerros/xejafa; hij komt uit voor het nationale elftal: do lyde furt ef aquonda aln;
  10. (schikken/gelegen komen) fesrce |..stj..| {K}; jouw bezoek komt mij slecht uit: vilt quarderos nert fesrce gress; als het goed uitkomt (op een geschikt ogenblik): quistamentos {III}; slecht ~d (ongelegen): qufe {I}; slecht ~d ([zeer] ongelegen komend): quazjoelira {I}; dat komt goed uit!: ef crdf melde!;
  11. (rondkomen met: geld) embarae {K}; het ~ (met geld): embaraos {A};
  12. (afsteken tegen: v kleur ed) ~ tegen: kte armt {U}.

uitkomst:: (ve som) kuntaros {C}; (=oplossing: v probleem, vraagstuk) hchos {C}; (=afloop) mip-arfinos {A}; ~ bieden: arfine helkara hchsta.

uitlaatgas:: ~[sen]: mipare-gaza {S}.

uitlaatpijp:: (v auto) brt {C}.

uitlachen:: iemand ~ om iets: obezjerne rast kura flaju {K}.

uitladen:: (ontladen: v kar/schip) idelade {K}; (lossen: lett) idemule {K}; (v lading) obiyre-mip {K}; hij laadt de auto uit: do idemule ef oto; hij laadt de koffer uit: do obiyre-mip ef sviba; het ~ (v lading): obiyros-mip {C}.

uitlading:: (lossing: lett) idemulos {C}; (het uitladen v lading) obiyros-mip {C}.

uitlaten::

  1. (niet aantrekken: v jas ed) kirture-m {K}; de zon schijnt, ik laat mijn jas uit: ef kbo nle, gress kirture-m ef kas; laten 1;
  2. (v hond) brade {K; vdw= brd}; het ~ (v hond): brt {C};
  3. zich ~ (fig: uitspreken): chaquinde-mip {K}.

uitlating:: (=uiting: wat geuit wordt) wuxos {C}; (uitspraak) chaquindos-mip {C}.

uitleg:: (=toelichting/verklaring) pryllos {C}; (=uiteenzetting) bzagoos {C}; (=interpretatie) interpretao {C}; verduidelijkende ~/verklaring: raagiy {C}; ingewikkelde ~/verklaring van iets simpels: ntos {A}.

uitleggen::

  1. (lett): (v loper) lfe {K}; het ~: lfos {C}; (v nauwe kleding) pjoare {K};
  2. (fig): (verklaren/toelichten) prylle {K}; (=uiteenzetten) ~ aan: bzagoe n {K}; (=interpreteren) interpretere |..je| {K}.

uitlegging:: (verwijding: ook v nauwe kleding) pjoaros {C}.

uitlenen:: ~ aan: spke piti {K}.

uitleven:: zich ~ in (ongunstig): inelke furt {U}.

uitleveren:: luftpre-mip |lufp..| {K}.

uitlevering:: luftpros-mip |lufp..| {C}.

uitlezen:: (tot het einde toe lezen) dfo-trempe {K}.

uitloggen:: (op een website) digi-mipende {K}.

uitlokken:: (alg) qume {Krs}; (fig; v onrust ed) kafkette {K}; (fig; oproepen) arfine helkara; jouw houding lokt agressie uit: vilt wencatos arfine helkara agresy.

uitlokking:: (alg) qumos {A}.

uitlopen::

  1. (lett: tot het einde toe lopen) farte-mip {K}; hij loopt de straat geheel uit: do farte-mip pij ef mirra;
  2. (langzaam snelheid verliezen) numpure {U};
  3. (=uitkomen: v knop) lse {U}; doen ~ (doen uitkomen: v knop): lsare {K}; door de zon komt de knop uit: ef kbo lsare ef kn;
  4. (=uitbotten: v gewas) wufare {K}; het ~ (uitbotting: v gewas): wufaros {C};
  5. (=uitvloeien: v verf/make-up) fjapiyle {U}; uitgelopen verf: fjapiylos {S};
  6. ~ op (tot gevolg hebben: meestal iets vervelends): wufare tukst {U}; het liep uit op ruzie: ef wufaro tukst eft gurnus.

uitloper:: (v gebergte) lfos {C}.

uitloten:: trekhore-tij {K}.

uitloting:: trekhoros-tij {C}.

uitloven:: tinpare {K}.

uitloving:: tinparos {C}.

uitmaken:: ~ voor: rmunke fara {K}; niets ~ (niets geven): lke {E}; het maakt niets uit dat je het boek vergeten hebt: tuex lufegos enn ef mimpit lke; deel ~ van: kanase armt {Upr}.

uitmonden:: (v rivier) mipare {U}.

uitmonding:: (v rivier) miparat {C}.

uitmuntend:: tygtjaflectrelira {I}; (van klasse) klsiy {I}; (=perfect) pij-riffor {I}.

uitneembaar:: (=demontabel) idemnteren {I}.

uitnodigen:: ~ [voor]: invbe [n] {K}; Petriy nodigt mij voor het feest uit: Petriy invbe gress n ef fenta; voor dat feest ben ik niet uitgenodigd: dena fenta nert invbelit enn gress.

uitnodiging:: invbos {A}; schriftelijke ~: invbafiy {C}.

uitoefenen:: (v bedrijf/baan) kele {K}; (=bekleden: functie) ufne {K; gst= uff}; ~ op (kracht/invloed ed): ufne armt {K; gst= uff}.

uitoefening:: (v bedrijf) kelos {C}; (v functie ed) ufnos {C}; (fig: invloed) ufnos {A}; ~ op iets/iemand: ufnos armt flaju/rast.

uitpakken:: (lett) lakiysore {K}, flne {K}; het ~: lakiysoros {C}, flnos {C}; nadelig; voordelig.

uitpersen:: (=uitdrukken) ske {K}; se {K}.

uitpersing:: (lett: =uitdrukking) skos {C}; sos {C}.

uitproberen::

  1. (testen: v nieuw product ed) trije {K; gst= trit}; ik probeer deze nieuwe tandpasta uit: gress trije dena kleter ynt-psta; ~ op: teste armt;
  2. (kijken of iets/iemand bevalt) armtfersuge {K}; de school moet de nieuwe leraren ~: ef koles armtfersugt ef kleter gekkers; het ~: armtfersugos {A}; dat wat uitgeprobeerd wordt (probeersel): fata {C};
  3. (ongunstig: kijken hoe ver je kunt gaan) krodane [beri/den] {K}; hij probeert het uit om de baas te spelen: do krodane beri nzje sener envanos.

uitpuilen:: nlmece {U}.

uitputten:: (=afmatten) ef vende fes klao; cmane {K} (dl= Tjemp/Plef); dit werk put me uit/mat me af: gress vende fes klao pai dena rm.

uitputtend:: tukst ef zutter btmo.

uitputting:: klao-vendos {C}; van ~: fes klao-vendos.

uitrazen:: (=uitwoeden) idekasole {U}.

uitreiken:: ~ aan: armtkette-mip n {K}.

uitreis:: tijtupplip {C}.

uitrekenen:: kuntare {K}.

uitrekken:: (alg: langer maken) gvnare {K}; (v elastiek) olije {K; gst= olit}; (=strekken) gvne {K}.

uitrekking:: (v elastiek) olijos {C}; (strekking) gvnos {C}.

uitrichten:: (=uitvoeren) manne {K; vdw= mann}; ~ tegen: ef manne tygtja.

uitrichting:: (=uitvoering) mannos {C}.

uitrijden:: (uit garage ed) mipufire {K}; (tot het einde toe rijden) ufire-mip {K}; ze rijden de straat geheel uit: ps ufire-mip pij ef mirra.

uitrit:: erfo {C}; (lett: uitweg) lumb-mirra {C}.

uitroeien:: jyvve'uke {K; vdw= jyvviy}; (geheel vernietigen) jyvve {K} (arch); (bij elkaar drijven/brengen en vervolgens ~/vernietigen v zieke dieren of mensen) zaare {K}.

uitroeiing:: jyvve'ukos {C}; (vernietiging, na eerst bij elkaar gedreven/verzameld te zijn) zaaros {C}.

uitroep:: (schreeuw) wuxupkos {C}.

uitroepen:: (lett: roepend uiten) wuxupke {K}; ~ tot: armtkimore fes {K}.

uitroeping:: armtkimoros {C}.

uitroepteken:: (!) rupke-ponto {C}.

uitrukken::

  1. (lett: rukken uit) ryve-mip {K}; hij rukt de struik uit: do ryve-mip ef srialyot; het ~ (lett): ryvos-mip {C};
  2. (leger/brandweer ed) mipmerte {U}, zrrte {U}.

uitrukking:: (v leger/brandweer ed) mipmertos {C}, zrrtos {C}.

uitrusten::

  1. (bijkomen/uitblazen) nne {U}; het ~ (ontspanning): nnkos {C};
  2. ~ met (voorzien van): lcrbare rifo {K}; het ~ (uitrusting): lcrbaros {C}.

uitrusting:: (het uitrusten) lcrbaros {C}; (toebehoren) tocrbatt {C}.

uitschakelen:: (lett: stroom/licht ed) kenke-mip {K}; (fig) mipjikate {K}.

uitschakeling:: (lett) kenkos-mip {C}; (fig) mipjikatos {A}.

uitscheiden:: (v vocht) njaare {K}; (lozen/spuien) njame {K; vdw= nja}; ~ met (=ophouden/stoppen met): stpe n {U}; ermee ~ (weigeren, kapot gaan): verdommen.

uitscheiding:: (vocht dat uitgescheiden wordt) njams {C}; (lozing) njamos {C}.

uitschelden:: (ihb: scheldwoorden tegen iemand roepen) lajete {K}; (ihb: ongunstige/grove dingen over iemand zeggen: schelden op iemand) zaare {K}.

uitschiften:: (uitzoeken en afkeuren) pele {K}.

uitschot:: (=uitvaagsel) corqug {C}, rvviy {C}.

uitslaan:: (v vleugels ed) posare {K}.

uitslag:: (resultaat) njamos {C}; (eczeem) natriyc {S}.

uitslapen:: slape-mip {U}.

uitsloven:: zich ~ voor: miptreske n {Upr}; zich [voor niets] ~: ef ote koffon aas.

uitslover:: (overdreven hulpvaardig en attent persoon, alleen om bij onbekenden een goede indruk te maken) duh-ketter {C}.

uitsluiten:: (onmogelijk maken) idejne {K}; (er niet bij betrekken) msrte {K}; ~ van: mipqurstoxe armt {K}; (niet in aanmerking nemen) ere {K}.

uitsluitend:: (uitsltend) crstiy {I; [mv=enk]}.

uitsluiting:: (het onmogelijk-maken) idejnos {A}; (niet mee laten doen) mipqurstoxos {A}.

uitsluitsel:: umpajos {A}; ~ geven: umpaje {U; gst= umpat}.

uitsmijter:: (portier) argerat-gert {C} (afk= AG).

uitsnijden:: zjdele {K}; (v vlees uit een [geroosterd] dier; ve gezwel ed) karre {K}.

uitspanning:: (met stallen) srett {C}.

uitspansel:: (=hemelgewelf) pipavyros {C}.

uitsparen:: (=openlaten) tijkirture {K}.

uitsparing:: (nis/opengelaten plek ed) tijkirturos {C}.

uitspatting:: (fig) inelk {C}.

uitspelen:: ~ tegen (fig): idemerre n {K}.

uitspoken:: bae {K; gst= bat; vdw= bajet}.

uitspraak:: (=uitlating) chaquindos-mip {C}; (=gezegde) reppos {C}, mux {C}; (vonnis) baxeskaros {C}; (v taal) pronunset {C}; platte, onverzorgde ~: slg {Cef}.

uitspreiden:: (alg) lfe {K}, rutse {K}.

uitspreiding:: (alg) lfos {C}, rutsos {C}.

uitspreken:: (fig: zich uitlaten) chaquinde-mip {K}; pronunsere |..je| {K}; het vermoeden ~, dat ...: ef chaquinde ef vraboos, den ....

uitspuiten:: (=uitspuwen: v gas/vloeistof) brade {K; vdw= brd}; het ~ (uitspuwing v gas/vloeistof): brados {C}.

uitspuwen:: (=uitbraken: v vuur/lava) kafierque-mip {K}; (=uitspuiten: v gas/vloeistof) brade {K; vdw= brd}; het ~: kafierquos-mip {C}; brados {C}.

uitspuwing:: (v gas/vloeistof) brados {C}.

uitstaan:: (lett: =uitsteken) tce {U}; (v kapitaal) qubre {Upr; gst= qupp}; (=verdragen) fesstune {K}; ik kan hem niet ~: gress pallefle do.

uitstalkast:: cnsoll {C}.

uitstallen:: stetare {K}; het ~: stetos {C}.

uitstalling:: stetaros {C}; (uitgestalde voorwerpen) stett {C}; (het uitstallen) stetos {C}.

uitstap:: (het uitstappen) fistros {C}.

uitstapje:: belt-tupplip {C}; (schoolreisje) tjerpiy {C} (pop).

uitstappen:: fistre {U}; het ~ (uitstap): fistros {C}.

uitstedig:: mipsrtiy {I}.

uitsteeksel:: quchos {C}.

uitsteken:: (lett: =uitstaan) tce {U}, quche {U; gst= qucc}; (lett: =uithouden) ularfe-mip {K}; het ~ (lett: het uithouden): ularfos-mip {C}; ~ boven (fig): mipprabare hogorit {U}; de werkloosheid steekt boven het gemiddelde uit: ef mrmelde mipprabare hogorit ef miytjiy.

uitstekend::

  1. (uitstkend: OK, in orde) accarnt {I}; (uitermate) eofiy {III; [mv=enk]}.
  2. (tstekend) quchelira {tdw}; uitsteken

uitstel:: (respijt) miptrekkos {A}; (sprkw) ~ is geen afstel: ef miptrekkos nert melde ef mipreppos.

uitstellen:: ~ tot: miptrekke armt {K}.

uitsterven:: dode {U}.

uitsterving:: dodos {C}.

uitstralen:: (fig) strle-mip {K}.

uitstrekken:: (alg) trne {K}; (lett/fig) zich ~ tot (reiken tot): lfe {K}; zich ~ (v land): paqure {U}; zich ~ (afgebakend stukje land; plat dak ed): xole {U}; het zich ~ (afgebakend stukje land; plat dak ed): xolos {C}; het strekt zich uit van A tot B: ef lfe rempe A hiycce B (altijd rempe en hiycce; nooit trk of resultatief).

uitstrekking:: (alg) trnos {C}; (het zich uitstrekken: afgebakend stukje land; plat dak ed) xolos {C}.

uitstromen:: (=wegstromen: v water) vendne {U}.

uitstrooien:: (alg) mipjiyxe {K}, jiyxe-mip {K}; het ~ (v zand ed): mipjiyxos {C}.

uitstrooiing:: (alg) mipjiyxos {C}.

uitstulpen:: (=stulpen) pvmpe {U}.

uitteren:: mipgfje {K; gst= mipgff; wst= mipgf}.

uittering:: mipgfjos {C}.

uittocht:: (afreis) pratos {C}.

uittochten:: (door de tocht uitgaan: v vlam ed) pnte-mip {K}.

uittreden:: ~ uit: funte {K}.

uittreding:: funtos {C}; (parapsychologisch: ziel uit lichaam) mipjarros {A}.

uittrekken::

  1. (v kies/spijker) zjdele {K};
  2. (=uitdoen: v kleren) trekke-mip {K}; het ~ (kleren): trekkos-mip {C}; we helpen hen hun jas ~ (we ontdoen hen van hun jas): kirro idelelde ps mip hift kasz;
  3. (=lostornen: v rijgdraad) idecodre {K; gst= idecott}.

uittreksel:: (extract) dres-ovos {C}.

uitvaagsel:: (=uitschot) corqug {C}, rvviy {C}.

uitvaardigen:: reppe-mip {K}.

uitvaardiging:: reppos-mip {A}.

uitval:: (v haar) tijglos {C}; (driftige uiting) tundos {C}; (het uitvallen: v stroom/machine/trein ed) klgta {C}.

uitvallen::

  1. (v haar) tijgle {U};
  2. ~ tegen (plotseling in woede uitbarsten): tunde {K};
  3. (v stroom/machine/trein ed) klgtae {U}; het ~ (uitval): klgta {C};
  4. (niet meer meedoen: v voetballer/soldaat ed) mipblfe |mipl..| {U}.

uitvalsbasis:: mle-bas {C}.

uitvaren::

  1. (lett: varen uit) njebope-mip {K}; het schip vaart [de haven] uit: ef kar njebope-mip [ef port];
  2. (tekeergaan) ~ tegen iemand: fesdrme rast {K}, veldefe rast {Kpr}; plotseling ~ tegen iemand: gmpe {U}.

uitvaring:: (woede-uitbarsting) fesdrmos {C}.

uitvegen:: (=wissen) leste {K}; het ~: lestos {C}.

uitverkoop:: stovy-fort {C} (afk= st/fo).

uitverkopen:: pbare-mip {K}.

uitverkoren:: syl {I}; (neusje van de zalm) mynall-nurp {C}; (van de beste keuze; wat je het beste kunt kiezen) mip olegiy {A}; onze wijn is ~ (er is geen betere wijn dan de onze): kult sect melde mip olegiy.

uitvinden:: armtgvrce {K}.

uitvinder:: armtgvrcer {C}; armtgvrcatjen {C}.

uitvinding:: armtgvrcos {C}; (fig: vondst) minkedos {A}.

uitvissen:: (=uitzoeken) mippitste {K}; het ~: mippitstos {C}.

uitvloeien:: (=uitlopen: v verf/make-up) fjapiyle {U}; uitgevloeide verf: fjapiylos {S}.

uitvlucht:: (=schijnexcuus) toellerios {C}; (=smoesje) eft jelpjevor niyft (pop).

uitvoer::

  1. (=export): (met nadruk op wat een land verlaat) rfm {C}; (met nadruk op wat een ander land binnengaat) fesquondaros {C}; de ~ van/uit Spokani: ef rfm l Spooksoliy; de ~ naar Europa: ef fesquondaros helkara Urapas;
  2. (uitvoering: v plan, in de bouw; NIET op toneel) jikatos {C}; ten ~ brengen (presteren): jikate {K}.

uitvoerbaar:: uitvoerbaar||onuitvoerbaar: gremuh {Iid}; .

uitvoerder:: (in de bouw) jikater {C}; (executeur) mannatjen {C}; (toneel, ballet, concert) meggatjen {C}.

uitvoeren::

  1. (maken/bouwen; v plan) xolare {K}; het ~ (iets bouwen of maken): xolaros {A};
  2. (=exporteren) (met nadruk op wat een land verlaat) rfe {K}; (met nadruk op wat een ander land binnengaat) fesquondare {K};
  3. (op voorwaarden, tegen betaling) me {K; gst= mt; vdw= pm};
  4. (=opvoeren: v toneel/ballet/concert ed) megge {K}; uitgevoerd worden (muziek, toneel ed): megge {Upr}; het stuk wordt morgen uitgevoerd: ef st sen megge mas;
  5. (=uitrichten) manne {K; vdw= mann}; uitvoerbaar; onuitvoerbaar.

uitvoerig:: miprmelira {I}; (=uitgebreid) yr {I}.

uitvoering::

  1. (het uitvoeren: iets bouwen of maken; v plan) xolaros {A};
  2. (zoals iets uitgevoerd/vormgegeven is) plto {C}; een standaard~ en een luxe ~: eft xloe-plto ur eft lx-c;
  3. (v muziek: concert) kafnutos {C};
  4. (v toneel/ballet/concert) kafzerfos {C}, megg {C};
  5. (=uitrichting) mannos {C};
uitvoer.

uitvoerrechten:: rfe-hf {C}.

uitvouwen:: (=uitklappen) folte-mip {K}.

uitwaaien:: (door de wind uitgaan: v vlam ed) pollere-mip {K}.

uitwas:: (fig) ls {C}.

uitwasemen:: ef kette wst {C}.

uitwaseming:: wst {C}.

uitwatering:: (het [doen] wegstromen: water uit een polder ed) vendnos {C}.

uitwateringssluis:: knurfeltslue {C}.

uitweg:: (lett: uitrit) lumb-mirra {C}; (fig) lumb {C}.

uitweiden:: ~ over (fig): utfine {K}.

uitweiding:: (waarover uitgeweid wordt) utfiner {C}; (fig) utfinos {C}.

uitwendig:: (=uiterlijk) mipter {I}; (=extern) eksterm {I}.

uitwerken::

  1. (in bijzonderheden bewerken: v plan/ontwerp ed) miprme {K};
  2. (effect/uitwerking hebben: v medicijn ed) mipbautoe |mipa..| {Upr};
  3. (geen effect/kracht meer hebben: v accu/medicijn ed) iniyfte {U}; het vlooienbandje begint uit te werken: ef fl-bent iniyfte.

uitwerking::

  1. (iets dat in bijzonderheden bewerkt is; het bewerken in bijzonderheden: v plan/ontwerp ed) miprmos {C}; plto {C};
  2. (effect/werking) mipbautoos |mipa..| {C}; (werking) efektos {C}; ~ hebben (v medicijn): mipbautoe |mipa..| {Upr}; (v maatregel/medicijn) efekte {U}; ~ hebbend (werkzaam): miprmiy {I}; (effectief) ludi {I}.

uitwerpen:: sle {K; gst= slet; vdw= sleiy}; de netten ~ (visser): qundre {U}.

uitwerping:: slos {C}.

uitwerpselen:: mipsivvos {S}.

uitwijken:: (=opzijgaan) ~ [voor]: wygce [furt] {U}; (=vluchten van/uit) wygcare {K}.

uitwijzen:: (uit land) slare {K}; (=aantonen: vrnl wetenschappelijk) prove {K}.

uitwijzing:: (uit land) slaros {C}.

uitwisselen:: rnfte {K}; ~ tegen: ocirre n {K} (n is dt/vz).

uitwisseling:: ocirros {A}; rnftos {C}.

uitwoeden:: (=uitrazen) idekasole {U}.

uitwrijven:: gleche-mip {K}; zich de ogen ~ (fig): ef lgleche ef eits.

uitwringen:: rekke-mip {K}.

uitzenden:: (radio/tv) strle {K}; (met een opdracht, meestal naar het buitenland) zlbixafolle {K}.

uitzending:: (radio/tv) strlos {C}; (met een opdracht, meestal naar het buitenland) zlbixafollos {C}.

uitzendkracht:: (tijdelijke werkkracht) nefrmer = surmer {C}.

uitzet:: (voor baby) tolpiy {C}; (voor bruid) tosprokto {C}.

uitzetten:: (uit huis ed) slare {K}; (=uitdijen) rutre-mip {U; gst= rutt-mip}.

uitzetting::

  1. (het uitzetten/verwijderen: uit huis ed) slaros {C};
  2. (=uitdijing) rutros-mip {C};
  3. uitzetting||inkrimping: wiyrk {Cid}; .

uitzettingscofficint:: wiyrk-tufriffer {C}.

uitzicht:: stjft |stft| {C}; zerfos {C}; een ~ op iets: eft zerfos tukst flaju; een ~ hebben op: zerfe tukst {U}; vanaf de boulevard heb je ~ op de oude vissershaven: ef pola zerfe tukst ef liftkar ebesport; het raam heeft ~ (ziet uit) op de tuin: ef miflif zerfe tukst ef arbe.

uitzichtpunt:: stjftos |stftos| {C}; zie ook Uitzichtpunten in .

uitzien::

  1. (tot het einde toe zien) dfo-zerfe {K}; ik wil deze verschrikkelijke film niet ~: gress nert dfo-zerfavy dena woniyngo omsty;
  2. ~ naar (fig): ture {K};
  3. ~ op (venster): zerfe tukst {U}; het raam ziet uit op de tuin: ef miflif zerfe tukst ef arbe = ef miflif ur ef arbe eite wlkn.

uitzoeken:: (=uitvissen) mippitste {K}; (=schiften) mipcolye {K}; het ~ (uitvissing): mippitstos {C}; het ~ (schifting): mipcolyos {C}; ~ en afkeuren (uitschiften): pele {K}; je zoekt het zelf maar uit: (sprkw) tu quste sener r geffy.

uitzonderen:: tvoke {K}; mse {K} (arch); het ~ (uitzondering): tvokos {C}.

uitzondering:: (het uitzonderen) tvokos {C}; een ~ maken voor: ef riffe eft tvokos furt; (wat uitgezonderd is) tvoka {Aef}; met ~ van (behalve): tvokatiy {VZ2n/VG} (schr) (betrekking); u moet elke maand betalen, met ~ van mei: grs kaftt jadk hertel tvokatiy ef mai (schr); de voetballers met ~ van de keeper dragen een geel shirt: ef blmerrs tvokatiy ef coler tine goe kolazlebas (schr); een ~ op iets: eft tvokos n flaju (n is vz).

uitzonderlijk:: tvoka {I}; furt tvokos; het ~e plan: ef furt tvokos arpinzol.

ultiem:: (=uiteindelijk) dfygc {I}.

ultimatum:: ltimatym {C}.

umlaut:: (zoals in het Duits) vokel-graros {C} (afk= VG).

unaniem:: (zonder tegenstemmen) full-nmpor {I}.

unie:: n {C}; (=verbond) rfto {C}.

uniek:: (enig) buch {I}.

uniform:: uniform {C}; (=tenue) blohelbos {C}; iemand in een ~: rast armt/lef eft uniform.

universeel:: universela {I}; ~ zijn (allesomvattend zijn): luftkoldre |lufk..| {K; gst= luftkolt; wst= luftkold}.

universitair:: universiterr {I}.

universiteit:: universitiy {C}; (dependance ervan) suuniversitiy {C}; zie ook Universiteiten in .

uploaden:: preiplade {K}.

up-to-date:: ralsompiy {I}; ~ maken (bijwerken v gegeven/archief/encyclopedie ed) fort-edite {K}.

Uranus:: Uranes {N}.

urenlang:: zurtsot {I}.

urgent:: tramm {I}.

urn:: (vrnl voor de as ve dode) rgt {C}.

urnenhuis:: (=urnenkelder: bij crematorium, in Erg-kerk) torgt {C}.

urnenkelder:: (=urnenhuis: bij crematorium, in Erg-kerk) torgt {C}.

urologie:: uroliy {C}.

ursuline:: (vrw lid v RK kloosterorde) ursulina {C; mv= ursulinas}.

Uruguay:: Uruquiy {G}.

Uruguees::

  1. (zn: bewoner) Uruquo {Cef};
  2. (bv) uruquiy {IIef; mv=enk}; Uruguese vrouw: Uruqua {Cef}.

USSR:: Soalistise Sovjet-Republic-n {G} (afk= SSR).

uur::

  1. (tijdsaanduiding) zurt {C; mv=enk}; het is drie uur: ef melde dur zurt (afk= 3z00); het is drie ~ tien (tien over drie): ef melde dur zurt ur main (afk= 3z10); precies om drie ~ = om precies drie ~: kest/armt bloir dur zurt;
  2. (tijdsduur) zurtarr {C; mv=enk} (afk= zrr); ik heb twee uur gewacht: gress quo lf perdr zurtarr; te elfder ure: fes ef ln zurtarr; van ~ tot ~: ja zurtarrs.

uurloon:: zurt-wagy {C}; voor een ~ van 100 herco: furt eft zurt-wagy rifo 100 herco.

uurwerk:: totrch {C}; (=klok) kloppa {C}.

uw::

  1. (2enk/mv-bel) gert {BZ}; (reflexief enk) sener {BZ}, (reflexief mv) sener {BZ}, seners {BZ} (arch) (met [deel v] zinskern als antecedent); ik lees ~ boek: gress trempe gert mimpit; u leest ~ [eigen] boek: grs trempe sener[s] mimpit; u moet thuisblijven omdat ~ moeder ziek is: grs tintt/tints fesrt, janof sener[s] sientur kinure;
  2. (nominalisatie) (2enk) gertiy {Cef; mv=enk}; (2mv) gerreiy {Cef; mv=enk}; (reflexief enk) seniy {Cef; mv=enk}; (reflexief mv) seniy {Cef; mv=enk}, sensiy {Cef; mv=enk} (arch); de/het ~e; die/dat van u: ef gertiy/gerreiy; ef seniy; mijn boeken en de ~e: kost mimpits ur ef gertiy/gerreiy; ik lees mijn boek en u leest het ~e: gress trempe sener mimpit ur grs paine ef seniy/sensiy; u denkt er het ~e van: grs miype ef seniy;
  3. (samentrekking) ~ ene: gert re = gert {BZ}; (als slechts 1 exemplaar bedoeld wordt ve lichaamsdeel/orgaan/kledingstuk waarvan we er meer dan 1 bezitten:) hij knijpt in ~ [ene] arm: do chiype armt gert re mil = do chiype armt gert mil.

uzelf:: u B.

 

© (2000) De Twee Hanen v.o.f. Kimswerd The Netherlands

DICTIO