Woordenboek
Spokaans-Nederlands | Nederlands-Spokaans

Spokaans—Nederlands     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

Nederlands—Spokaans     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 

25-reks:: {N} "Serie 25" (serie diesellocomotieven); .

•t::

  1. {SX.ww > gst} (ww met 1 lettergreep, of op •he, •je, •'e en voc + •e) (bijv) pe/pet: heten/heet; wila'e/wilat: vlechten/vlecht; tmāhe/tmāt: verhinderen/verhinder; ošoe/ošot: nat zijn/is nat.
  2. {SX.c > rs} (achter •lōiy = "•logie") (bijv) biolōiy/biolōiyt: biologie.
  3. {SX.c > mv} (ipv mv-sx •z indien gevolgd door gen) (bijv) ef keltosz/ef keltoster sgōrts: de boerinnen/de schorten van de boerinnen; ef forsz/ef forstec’r wekkōsta: de kikkers/het gekwaak van de kikkers.

T:: {afk} »tōn.

:: [T] {afk}

  1. »telefonos.
  2. »tóftos.

ta:: {III}

  1. (spr) daar; zerfe-tūe ta!: kijk daar eens!; »gy.
  2. (samen met vz) ~ ... rō: vlak ..., net ..., onmiddellijk ...; ~ kusamat rō ef sért: vlak naast het huis; ~ zjoba rō ef pazzosti: net/onmiddellijk onder de grond; »tarō.

ta•:: »ta-

  1. {PX} mis•, mislukt, wan•.
  2. {PXimpr} on•, ont•.

•ta:: {SX.n > rs} (indien naam op voc eindigt) (bijv) Prio/Priota: (Spok stad); Sćo Paulo/Sćo Paulota.

:: {C} lei (op dak).

T&A:: {afk} »Troef ur Atelva.

tabel:: {C} tabel, tafel.

table:: {C} reep, plak (chocola ed).

tablót {C} weekblad (vrnl met roddel, seks en criminaliteit).

Tacarifyty:: {N} (dienaar v Erget, die over het Noodlot en de Gewetenswroeging beschikt); .

Tacarifyty-lirrotiy:: {W} .

Tacariy-korda:: {N} (Erg kerk in Fonistā); .

tāce:: {U} (lett) uitstaan, uitsteken.

Tacemenu:: {G} (stad in Litii).

tach:: {C} (lett) kei, grote steen; (fig) streek (slimme/brutale daad).

tachikonos:: {C} wanbeheer.

tach-larder:: {C} (pop/pej) lifter.

Tach-weg:: {W} .

tac’rlikfortiy:: {I} ongeregeld.

tac’rpōt:: {I} onvoltooid.

tāde:: {C} klungel, sukkel (onhandig persoon; zowel mnl als vrw).

Tadjikistān:: {G} Tadzjikistan.

TĀEEP:: {afk} »tangodame.

taeftarse::

  1. {K} doen/laten mislukken; ef menester ~ ef woltosz: de minister doet/laat de onderhandelingen mislukken.
  2. {Upr} mislukken; sena ~ ef woltosz: de onderhandelingen zullen mislukken.

taeftarsos:: {A} mislukking.

taexām:: {C} mislukt examen, examen waarvoor men gezakt is.

taferelo:: {C} tafereel.

tafesmanne:: {K} ~ kaf: wijten aan.

tāff:: {gst} »tāfne.

taffe:: {Upr} ~ rifo: zich bemoeien met, zich inmengen in.

taffos:: {C} bemoeiing, bemoeienis, inmenging, tussenkomst.

Tāfft:: {G} (rivier van C’rofly-gebergte naar de Klinn’r); .

tāfiy:: {C} ceder, cipres (met schubachtige bladeren); pres’r ~: "Spokanische cipres" (L. Cupressus atlantica).

tāfiy-junip:: {C} cederhoutboom (L. Juniperus virginiana).

tāfne:: {K; gst= tāff} (lett) betoveren.

tāfner:: {C} tovenaar.

tāfnos:: {A} (lett) betovering.

tafortāme:: {I} ontijdig.

tāftola:: {C} (bepaald rijmschema, genoemd naar het Tāftola-klooster bij Afarcal: 4 amfibrachen, 1 jambe, 1 amfibrachys, 1 jambe, dus: –x–||–x–|–x–|–x–|–x||–x–|–x (7 versvoeten); veel gebruikt bij religieuze/bezwerende gedichten met het karakter v spreuken).

Tāftola-covent:: {N} (Erg klooster; gemeente Afarcal); .

Tāftola-kōl:: {G} (bergpas in C’rofly-gebergte; 522 m hoog); .

Tāftola-kōl-weg:: {W} .

tafysto:: {SC} kwade (zn).

tāgafiy:: {C} memorandum; officiėle nota.

tāgare:: {K} op de hoogte zijn van, bekend zijn met, afweten van; do ~ ef: hij weet ervan (is ervan op de hoogte).

tāge:: {Kpr} zich herinneren.

tāgerami:: {I} in veel gevallen; ~ oras: in de meeste gevallen.

Tāgerate:: {F}.

Tāgerateh:: {F}.

Tāgerate-Kents:: {G} (voormalige Erg commune; gemeente Daba); .

Tāgerate-korda:: {N} (Erg kerk in Kurriy); .

Tāgerate-lirrotiy:: {W} .

Tāgerate-weg:: {W} .

tagien::

  1. {Aef} ontrouw (zn).
  2. {I} ontrouw (bv).

tāgitt:: {I} gewijd; (fig) heilig; do hozāve ~ fes ...: hij gelooft heilig in ....

tāgkette:: ~ flj ón rst {K}: iemand van iets op de hoogte stellen.

taglistipros:: {A} wanverhouding.

Tago:: {G} Taag.

Tago-mirra:: {W} .

tāgos:: {A} herinnering; ~ c’rtirelira rst/flj: ter herinnering aan iemand/iets.

Tago-weg:: {W} .

tagrār:: {C} wanklank.

tāgt:: {C} hulde; ef qugle ~ ón rst: iemand [in]huldigen.

tāgtsmurf:: {S} honorarium.

tahāciy:: {I} vruchteloos.

ta'i:: {C; rs= tait} glottisslag (letter; in Spok orthografie als intervocalische apostrof voorgesteld, zoals in ta'i).

taile:: {K} naaien (kleren maken/verstellen).

tailer:: {C} naaister.

tait:: {rs} »ta'i.

Taja:: {M}.

tāje:: {K; gst= tāt} opschikken, opsieren, opsmukken, versieren.

tajga:: {C} taiga.

tajise:: {C} Thais (taal).

tajiy:: {IIef; mv=enk} Thais (bv).

Tajiy:: {G} Thailand.

Tajiyna:: {Cef} Thaise vrouw.

Tajiyny:: {Cef} Thai, Thaise man.

tajone:: {U} ~ beri: zouden graag willen; (indirecte vraag) kirro ~ beri arfine: wij zouden graag willen komen (= mogen wij komen?); (voorzichtige wens; in de toek tijd) ~ beri merre gress parachutos: ik zou graag willen parachutespringen.

tājos:: {C} opschik, opsmuk, versiering.

•taju:: {SX.vz} (gereduceerde vorm v fitaju; dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky) (bijv) kaftaju = kaf fitaju: op zoiets; op iets dergelijks; »fitaju.

tāk::

  1. {C} duw, stoot; eft ~ rifo ef ryje: een kater (na te veel drank).
  2. {I} benig.

takāle:: {K} ontsieren.

takālos:: {C} ontsiering.

Tākbōs:: {F}.

tāke:: {E} kakelen.

tākes:: {C} serpeling (vis) (L. Leuciscus leuciscus).

Tākle::

  1. {G} (dorp; gemeente Vega).
  2. {N} (»wegs’rt langs autoweg M47; gemeente Tosiy); .

tākos:: {C} gekakel.

taksi:: (= taxi |ks|) {C} taxi.

takuramiypiy:: {I} onnadenkend.

takūriy:: {A; mv=enk} onkunde.

talacsiy:: {I} onwettig.

Tala:: {N} »Tala-ruinn.

Tala-mirra:: {W} .

Tala-Ocki:: {N} (camping); .

Tala-ruinn:: {N} (kasteelruļne aan voet v Krappa-gebergte; gemeente Šerbān); ; (DOM 142).

talās:: {C} wansmaak.

Tālbyre:: {G} (dorp; gemeente Amahagge).

Tālbyre-arābes-mirra:: {W} .

Tālbyre-Opper:: {N} (tankstation langs de M8; gemeente Amahagge); .

Tālbyre-Wefot:: {N} (tankstation langs de M8; gemeente Amahagge); .

Tāldyf-mōjōl:: {N} (korenmolen aan de rivier Lajecō; gemeente Šebantiy); .

tāle:: {K} voortbewegen, voortduwen, voorttrekken (slee, ploeg).

talelt:: {I} onvolwassen.

Tālfyre:: {F}.

talje:: {K; gst= tall} (dl= Liftka) gekweekt fruit plukken (in boomgaard).

taljer:: {C} weligheid.

taljiy:: {I} welgedaan; welig (vruchtbaar).

taljos:: {C} (dl= Liftka) pluk van gekweekt fruit (in boomgaard).

tālka:: {C} jicht.

talke:: {K} laten voortgaan.

tall::

  1. {C} veelvoud; eft ~ kura: een veelvoud van.
  2. {gst} »talje.

Tallamen:: {F}.

tallare:: {K} vermenigvuldigen (rekenkundig).

tallaros:: {C} vermenigvuldiging (rekenkundig).

Tāllde-mirra:: {W} .

Tāllde-Opper:: {N} (tankstation langs de M9; gemeente Hoggebim); .

Tāllde-Wefot:: {N} (tankstation langs de M9; gemeente Hoggebim); .

talle::

  1. {K} meer/groter zijn dan (v getallen); sers ~ dur: zes is groter dan drie.
  2. {C} knul, kerel, vent.

Talle-seert:: {W} (buurtschap); .

tallo:: {C} vissershuis (woning met schuren ed ve vissersfamilie).

Tallo-zuft:: {W} .

talma:: {C; mv= télmen} lastpost, zeurpiet.

Tālmeenhe:: {F}.

talonn:: {C} talon.

Tālp::

  1. {G} (beek ten zuiden v Amahagge); .
  2. {N} (bar en restaurant bij motel Tālp-wālj’; gemeente Titeref; .

tālpiyg:: {S} [laag van] dorre, afgevallen bladeren (in de herfst).

Tālp-keldus:: {W} (buurtschap); .

Tālp-lirrotiy:: {W} .

Tālp-mirra:: {W} .

Tālp-wālj’:: {N} (motel; gemeente Titeref); .

tālta:: {C} stemming, geestesgesteldheid.

Tālteejeh:: {F/J}.

Talū-helmy:: {G} (grot; gemeente Garos); .

tam:: {III} (alleen in vragende zin) soms, misschien; aftel tu tiffe do ~?: ken je hem soms?.

tamabys:: {C} wanklank; valse toon.

tamānos:: {C} mismanagement.

tamarix:: {C} tamarisk (struik) (L. Tamarix anglica).

tamše:: {K} koesteren; zorgvuldig bewaren.

Tamšor Moenis:: {N} "Gekoesterde Bronnen" (slogan om toeristen naar de bronnen in Afacha en Crobela te lokken); .

taméte:: {K} mislopen (niet ontmoeten).

tamipert:: {I} misdeeld.

Tamis:: {G} Theems.

Tamis-mirra:: {W} .

Tamis-weg:: {W} .

tāmla:: {I} (lett) vermolmd; (fig) voos, ongezond, bedorven.

tāmlek:: {S} poeder; tu nert la'yciye goe ~: je bent geen knip voor je neus waard.

tāmlekare:: {K} verpulveren; »āše.

tāmlek-nurp:: {C} korrelhoed (paddenstoel) (L. Cystoderma); kolai ~: okergele korrelhoed (L. C- amianthinum); littit ~: vleeskleurige korrelhoed (L. C- carcharias).

Tāmlek-taris:: {N} "Kruittoren" (toren in Slofaro; tegenwoordig museum); ; (DOM 146).

tāmp::

  1. {C} (pop) borrel.
  2. {S} stoom, damp.

tāmpare:: {K} stomen (voedsel gaar stomen; kleding reinigen).

tāmpe::

  1. {K} (trans) [doen/laten] verdampen; ef kōbo ~ ef knurfel: de zon verdampt het water.
  2. {U} stomen (ontsnappen v stoom); ef fradās ~lira: de locomotief staat te stomen.
  3. {Upr} (intrans) verdampen; ef knurfel sen ~ vita: het water verdampt snel.

Tāmpeere:: {F}.

Tāmp-frintser Ququlā:: {N} "Vereniging van Stoomvrienden" (in Sinto-Her); .

tāmpjepse:: {K} destilleren.

tāmpjepsos:: {C} destillatie.

tāmpka:: {C} stoomboot, stoomschip.

Tāmpka-weg:: {W} .

tāmplot:: {C} stoomketel.

tāmpnolac:: {C} stoomlocomotief.

tāmpos:: {C} verdamping.

tāmpreut:: {C} stoommachine.

Tāmp-zollos:: {N} "Stoombehoud" (vereniging voor het behoud v stoommachines en stoomlocomotieven; in Nustiy); .

tam’re:: {K} vieren (v touw).

tam’ros:: {C} het vieren, viering (v touw).

tan:: {C}

  1. larve, made.
  2. (= tān) [rivier]monding.

Tan:: {F}.

Tan•:: (= Tun•) {PX > g} (vrnl in plaatsnamen langs de noordkusten) (bijv) Tanburo, Tunprest; (de variant Tun• is ontstaan onder invloed vd grote plaats Tunbas, hoewel Tun• in deze naam GEEN px is: »tunbas; »tan.

tān:: {C} »tan 2.

Tanasatoriy:: {F}.

Tanburo:: {G} (stad in Tjemp); (= »tan + »buros); (DOM 82-83).

Tanburo-MG:: {N} (station).

Tanburo-Opper:: {N} (station).

Tanburo-pola:: {W} .

Tanburo Trem-fāgōtexas:: {N} (afk= TTF) (geprivatiseerde trambedrijf in Tanburo); .

Tanb’r::

  1. {G} (stad in Ben).
  2. {N} (luchthaven; gemeente Tanb’r); .

Tanb’r-Ayrport:: {N} (station).

Tanb’r-fonis:: {G} (diepe inham in noordpunt v Ben, bij Tanb’r); .

Tanb’r-Grufoci:: {N} (station).

Tanb’r-MG:: {N} (station).

Tanb’r-Port:: {N} (station).

Tanb’r-Tyls:: {N} (station).

tan-deff:: {I} stokdoof.

Tāneess::

  1. {F}.
  2. {N} (groot bouwbedrijf in Xemān); .

Tanerefoniy:: {G} (stad in Tjemp).

Tanerefoniyer:: {F}.

tānesse:: {K} betwisten.

tānessiy:: {I} betwist, omstreden.

tānessos:: {C} betwisting; betwist gebied.

tānesta:: {I} betwistbaar.

Tanfija:: {G} (dorp; gemeente Ÿrbasā).

tangodām:: {SC} regering, bewind; (in Spok: landsregering, zetelend in Hirdo); ef Obama-~: de regering-Obama.

tangodame:: {U} regeren; ~lira āfry ef esliyn Prinsypps (afk= TĀEEP): regerend volgens de gangbare Principes (afkorting achter de naam vd vorst op Spok munten; tot 1972 betekende TĀEEP: tangodamelira āfry Ergetex ef Probaros ("regerend volgens de wil van Erget"); deze interpretatie was echter voor de Spok katholieken moeilijk te accepteren, en onder druk v minister Sylvest Oqula is de betekenis vd afkorting gewijzigd).

Tangodām-lirrotiy:: {W} .

Tangodām-pārc:: {W} (stadswijk in Hirdo); .

Tangodām-plep:: {W} .

Tangodām-t’dens:: {N} "Regeringsberichten" (vgl Staatscourant); .

tangōrt:: {C} regeerder.

Tangotseerts:: {Nmv} Regeringsgebouwen (als naam: gebouwencomplex in Amahagge); .

tangotsért:: {C} regeringsgebouw.

tangots’r:: {C} landelijke hoofdstad (waar de regering zetelt; in Spok: Hirdo; in Nederland: Den Haag, en NIET Amsterdam!).

Tanhyše:: {G} (dorp; gemeente Leeserf).

tānk:: {C}

  1. tang (gereedschap).
  2. tank (op rupsbanden).

tanko:: {C} vijver.

tanko-krutt:: {C/S} fonteinkruid (L. Potamogeton); plōnsor ~: gekroesd fonteinkruid (L. P- crispus); svāmor ~: drijvend fonteinkruid (L. P- natans); xochor ~: "gespleten fonteinkruid" (alleen in sommige vennen op Berref) (L. P- fissilis).

Tankō-mirra:: {W} .

Tanko-pārc:: {W} .

Tanko-pāt:: {W} .

Tankō-šark:: {W} (buurtschap); .

Tanko-weg:: {W} .

Tanleba:: {G} (dorp; gemeente Lift).

tānnāc:: {!} belachelijk! (uitroep v verontwaardiging).

tanne:: {III} daarom, om die reden (refereert aan iets dat niet expliciet is genoemd, of reeds veel vroeger in de context voorkwam); ~ bloirā: juist daarom; »tenne.

Tano-f’tafiy:: {N} (kroniek uit ca. 1690; geeft gedetailleerde geschiedenis v Lomky; wordt bewaard in het Stadsmuseum v Trofy); .

Tanoka:: {N} (autoveer); .

Tano-Rumōska:: {N} (lichtschip); .

Tano-xijera:: {G} (zuidkust v Lomky); .

tānpe::

  1. {K} (lett) [uit zijn handen] laten vallen (per ongeluk/met opzet); do ~ ef mikar vasa: hij laat de kostbare vaas [uit zijn handen] vallen; flj ~ rst: iemand valt van iets; ef zillepip ~ do (= do tasse rifonn ef zillepip): hij valt van het dak (per ongeluk).
  2. {Upr} zich laten vallen (met opzet); do sen ~ rifonn ef zillepip: hij laat zich van het dak vallen.

Tānsac:: {F}.

Tānsac Glūfiy-ātviseros:: {N} (bedrijfsadviesbureau, te Trendon-Belt); .

Tanūcs:: {G} (dorp; gemeente Mōntariy).

Tan-weg:: {W} .

Tānzana:: {Cef} Tanzaniaanse vrouw.

tānzaniy:: {IIef; mv=enk} Tanzaniaans (bv).

Tānzaniy:: {G} Tanzania.

Tānzano:: {Cef} Tanzaniaan.

taobléskros:: {A} misvatting, misverstand.

taoc’rma:: {C} wangedrag.

ta'ole:: {K} [om]kantelen; wentelen.

ta'ole-cor:: {K} omhalen (v muur); (fig) omverwerpen (v regering ed).

ta'oler:: {C} losbol, doordraaier.

ta'olos:: {C} [om]kanteling; wenteling; ef farte fes ~: aan de zwier zijn; doorzakken.

tāp:: {C} (afk= tp) (Spok lengtemaat ("vadem"): 1 tāp = 1tp = 1,7414 meter; na 1953 alleen nog in enkele beroepen en bij de spoorwegen); hupster ~ = ca. 1000tp = 1,752 km (tot ca. 1650 gebruikt, voordat de »myle algemeen in zwang kwam); .

tāpa:: {C} knal.

tapagiyry:: {I} oneerbiedig.

tapaine:: {K} (spr) zakken voor (examen).

tapainer:: {C} misdadiger.

tāpe:: {U} ~ zléf: aan/bij/in elkaar voegen; hecht samenvoegen.

Tāppeleparr:: {F}.

tāpre:: {S} stof, textiel.

tāpre-kanas:: {C} coupon (rest stof).

tāpriy:: {I} stoffen, van stof/textiel gemaakt.

TAQ:: {afk} »Tjel-armtmōquos-qudex.

taqurubos:: {C} onraad; ef ~ hulle gress: ik bespeur onraad.

tār:: {S}

  1. (lett) teer, pek; š’m ~: gesmeerd; op rolletjes; van een leien dakje;
  2. (fig) tuig, schorem, straatjeugd.

tareff:: {C} tarief.

Tarejo:: {G} (stad in Munt).

Tareut:: {N}

  1. (vrw personificatie vd Vrijheid en Vrede); .
  2. (monument; gemeente Garos); .

Tareut-mirra:: {W} .

Tareut-plākom’:: {N} (spoorwegtunnel; gemeente Kanea); .

Tārg:: {G} (dorp; gemeente M’nō).

targōn:: {C/S} dragon (kruid) (L. Artemisia dracunculus).

Tarina:: {G} (stad in Jelafo).

tarinniy:: {I} onverdiend.

taris:: {C} toren.

Taris::

  1. {F}.
  2. {N} (internetprovider); .

Taris-granōs:: {G} (landgoed tussen Šerbān en de kust, in bezit vh adellijke geslacht Faly Mahōgge); ; (DOM 141-142).

Taris-helmy:: {N} "Torengrot" (populair restaurant onderin de Dikke Toren te Gret); ; (DOM 168).

Taris-kolini:: {W} .

Taris-kryobiy:: {W} .

Taris-lirrotiy:: {W}

  1. (in Lift); ; (DOM 136).
  2. (elders); .

Taris-mirra:: {W} .

Taris-pāt:: {W} .

taris-pesmlā:: |M| {C; rs= ~t} torenvalk (L. Falco tinnunculus).

Taris-ponto:: {G} (dorp; gemeente Lostō).

taris-pra:: {C} weerhaan, windwijzer op toren.

Taris-s’rt:: {W} .

Taris-terf:: {W} .

Taris-vender:: {W} .

Taris-weg:: {W} .

Tarisz:: {F}.

Taris-zerfos:: {N} (»wegs’rt langs weg 3; gemeente Chorānitt); .

Taris-zuft:: {W} .

Tarisz ur kipts fes ef šarkofiy:: {N} (boektitel); .

tariy:: {C} »plāksiy.

•tariy:: {SX > c} (wat met spreken/horen/geluid te maken heeft) •spreker; (bijv) ja/jatariy: tussen/tolk (lett "tussenspreker"); hups/hupstariy: luid/luidspreker.

tārk:: {I} zelfstandig, zonder verzorgende familie.

tārkiy:: {C} (afk= trk.) weduwe; msj Elsa trk. Metrusse-Heelfer; (indien de vrouw haar eigen achternaam weer voert) msj Elsa Heelfer trk. Metrusse: Mevr. Elsa Metrusse-Heelfer (weduwe vd Heer M.-H.).

Tār-knurfel:: {G} (beek naar de Grāt); .

tārko:: {C} (afk= trk.) weduwnaar; mrt Petriy Metrusse trk. Heelfer: De Heer Petriy Metrusse-Heelfer (weduwnaar v Mevr. M.-H.).

tarm:: {C} darm.

tarō::

  1. {I; vt= danen; ot= wena} nabijgelegen, in de buurt liggend, dichtbij; uit de omgeving/buurt; ef ~ pōnt: de brug vlakbij/hier in de buurt; de nabijgelegen brug; gopirus ~ veldurs: enkele mensen uit de omgeving/buurt.
  2. {VZ} (plaats) vlakbij, dichtbij; ~ ef pōnt: vlakbij de brug; »ta 2.

tarōe:: {U} dichterbij komen, naderen (terwijl men/het al in de buurt was).

tarōiy:: {III} ten naaste bij.

Tarō-Opper:: {G} Nabije Oosten.

tarovretos:: {A} mislukte liefde ("op de klippen gelopen").

tarōzerfa:: {I} bijziend, kippig.

tarōzerfi:: {C} bijziend persoon.

tārp:: {I} gematigd.

tarpen:: {I} erkentelijk.

tarpenne:: {K} waarderen.

tarpennos:: {A} waardering.

tarpu:: {C} (Erg: iemand die verse levenskracht ontvangen heeft uit de stralen vd [volle] maan).

tarr:: {I} luid, hard (geluid).

tarrše:: {C} boterbloem (L. Ranunculus); riyps ~: scherpe boterbloem (meest algemene soort: L. R- acris); blacroelira ~: kruipende boterbloem (L. R- repens).

Tarrše-mirra:: {W} .

Tarršes:: {N} "Boterbloemen" (milieuorganisatie; hoofdbureau in Amahagge); .

Tarrše-weg:: {W} .

Tār-riffō-weg:: {W} .

tarrzjere:: {U} schaterlachen.

tarrzjeros:: {C} schaterlach.

Taru:: {G} (stad in Ziyp).

tary:: {I} torenhoog, huizenhoog.

Taryfo'ar:: {F}.

Tarynne:: {W} .

Tįry-sent:: {W} .

•tas:: (= •as) {SX.c > add} (tijdsbepaling; iets geldt in het alg op dat tijdstip) (bijv) kōbotof/kōbotoftas: zondag/'s zondags, zo goed als elke zondag; fittas/fittasas: middag/'s middags, zo goed als elke middag; do lelperre maitas ef mebartof: in mei is hij jarig; (vgl) do prate helkara Frakas fes mai: in mei (eerstvolgende maand mei) vertrekt hij naar Frankrijk.

tašā:: {C} kop[je] (in Spok meestal ZONDER oor).

tašašōriy:: {I} onnatuurlijk, tegennatuurlijk.

tasinte:: {K} ontwijden.

tasintos:: {A} ontwijding.

tassare:: {U} omvallen.

tasse::

  1. {K} laten vallen, doen vallen.
  2. {U} vallen; ef ~ kafonn ef pazzosti: op de grond vallen, neervallen; do ~ koffon: hij valt dood neer; (ook fig) ef kōbotat ~ fesdu ef mittus: het zonlicht valt in de kamer; ef ~ fes ef hents rifo: in handen vallen van; ef ~ fes ef tjondelira molarriy: niet ontzien worden; meegesleept worden (fig).

tasse-kolini:: {C} meteoriet.

tasse-kolinis:: {Cmv} vallend gesteente (vanaf berghellingen ed).

tasselira:: »kalibatse.

Tasselira leffy-blusōn:: {N} "Vallende perenbloesem" (titel v cd met volksmuziek, door Ef Pajy-merrers); .

tassjaros:: {C} toeval (v vallende ziekte).

tassos:: {C} val, het vallen.

Tāst::

  1. {F}.
  2. {G} (dorp; gemeente Pitu).

tastānt:: {C} misstand.

tāstare:: {K} opdoen, oplopen (v ziekte).

tāstaros:: {C} het opdoen, het oplopen (v ziekte).

Tāst-belt:: {G} (dorp; gemeente Pitu).

tāste:: {K} aantasten.

Tāstō:: {F/J}.

Tāstō-mirra:: {W} .

tāstos:: {C} aantasting.

•tat:: {SX > c} •licht, •lamp, •lantaarn; (bijv) kūfōs/kūfōstat: verkeer/verkeerslicht; pazzo•/pazzotat: grond•/staande lamp.

tāt::

  1. {C} (alg: afgebroken/afgescheurd stukje van iets); (ihb) scherf (glas, aardewerk); snipper (papier); eindje/stukje (touw); [hupster terat/lilepiy] fes eft h’ ~: een stukje (een beetje) [groter/verder].
  2. {gst} »tāje.

tata:: {!} (kindertaal, aanstellerigheid) dag!, hallo! ("doei!").

tātare:: {K} versnipperen, in stukjes scheuren.

•tāte:: {rs} »•tāy.

tatiffe:: {K} miskennen.

tatiffos:: {A} miskenning.

tātiy:: {I} in stukjes gesneden/gehakt (v groente/fruit ed).

tatiyn:: {A} ef melde eft ~: het is mis; het is mislukt.

Tatjana:: {J}.

tātle:: {E; gst= tātt} klappen (met handen).

tātlep-leptāt:: {III} in stukken, in mootjes; do ef kelbra riše lo ~: hij heeft de tafel in stukken gehakt.

tātlos:: {C} [handen]geklap.

tatokrodur’:: {C} (lett) misbaksel, mislukt gebak.

tātpiylase:: {K} versnipperen, in stukjes scheuren.

tātsa:: {III} doormidden; in tweeėn.

tātsa-piylasō:: {vdw} doormiddengescheurd; »piylase-tātsa.

tātt:: {gst} »tātle.

taty:: {C} (dl= Liftka) wand, muur.

taubere:: {K} misgrijpen (niet vastgrijpen wat men vastgrijpen wilde); misvangen (v bal ed); ef mātrōs ef vānts ~ ur tasso vetsotoje: de matroos greep de reling mis en viel overboord; do ~ ef gūmbāl: hij laat de bal gaan; hij mist de bal.

taubere:: {Upr} (fig) een misgreep doen; dwalen (fout begaan).

tauberos::

  1. {C} (lett) misgreep (niet vastgrijpen wat men vastgrijpen wilde).
  2. {A} (fig) misgreep, dwaling.

taufen:: {VG} (positieve toegeving) hoewel, ofschoon, ondanks dat; Elsa paine-ral fes ef Jareucā-fartos, ~ eup lelperre eft stuke-gelp: Elsa doet mee aan de Jareucā-loop, hoewel ze haar enkel verzwikt heeft.

tauneros:: {A} wanbegrip.

taupsiy:: {I} misdadig.

taušāmelle:: {K} misbruik maken van, misbruiken.

taušāmellos:: {A} misbruik.

tavobar:: {I} mismaakt, misvormd, wanstaltig.

tavobare:: {K} verminken, misvormen, mismaken.

tavobaros:: {C} verminking, misvorming, wanstaltigheid.

tavriy:: {I; [mv=enk]} mager, schraal, onvruchtbaar.

Tavry:: {M}.

Tavryja:: {M}.

tavyroe:: {I} (arch) aan de hemel.

Tā-weg:: {W} .

tāx:: {C} belasting; rechten (aan de overheid te betalen, voor gebruikte voorzieningen, zoals rioolrechten); eft ~ kaf prōrgy: een belasting op rijst; .

Tāx-buro ur Kofano Tiyns:: {N} "Belastingkantoor" (gemeentelijke instelling in Amahagge); .

tāx-šobiyre:: {U} ~ kaf flj: belasting heffen op iets; iets belasten.

tāxeren:: {C} belastingstelsel.

taxi:: {C} »taksi.

tāx-inspekterr:: {C} belastinginspecteur; .

tāx-kafpainos:: {A} belastingverhoging.

tāxkafter:: {C} belastingplichtige, belastingbetaler.

tāxo:: {C} tekkel, dashond.

tāx-paradiso:: {C} belastingparadijs.

tāx-rotjulos:: {A} belastingontwijking.

tāxus:: {C} taxus (boom) (L. Taxus bacata).

tāxusa:: {S} taxushout.

tāxusiy:: {I} van taxushout gemaakt.

tāx-véniestaros:: {A} belastingontduiking.

tāx-vlazzer:: {C} belastingconsulent.

•tāy:: {SX > c; rs= •tāte} •plaatje, •prentje; (bijv) omās/omāstāy: duisternis/film; priare/priartāy: bidden/bidprentje.

tāzjet::

  1. {Aef} herhaling.
  2. {I} te herhalen, herhaalbaar; voor herhaling vatbaar.

Tāzjetelders:: {N} (tijdschriftartikel); .

tāzjiy:: {III} opnieuw.

TC:: (= ) {afk} (= tuffes »cōmpaniy).

:: {afk} »TC.

TCS:: {afk} »Tneferdes-c’rtiyr fes Spooksoliy.

te::

  1. {C} (naam vd letter T).
  2. {AW; enk} (arch) dit, deze, dat, die; »tem; »te•a.

te•:: {PX} »te•a.

te•a:: (= te•e) {PX/SX.zn > add} (plaatsbepalend) op de/het ...; (bijv) weg/tewegga: weg/op de weg; jakām/tejakāma: veld/op het veld; ef tejakāma hurons: de bloemen op het veld; agen/teagene: akker/op de akker; (te•e is in tegenstelling tot te•a altijd improd, en soms gelexicaliseerd) (bijv) kōbo/tekōboe: zon/in de zon; in het zonlicht: kelbra/tekelbrae: aan tafel (de interpretatie "OP tafel" is dl= Zuid-/Oost-Berref).

te•e:: {PX/SXimpr.zn} »te•a.

•te::

  1. {SX.c > rs v mv-sx •z} (bijv) keldusz/kelduste: boerderijen.
  2. {SX.add > ww} (uit add gevormd met pū•iy) (bijv) pūzerfiy/pūzerfiyte: niet kunnende zien, blind/niet kunnen zien, blind zijn; ef 'nin pūzerfiyte: het meisje is niet in staat te zien; het meisje is blind; (vgl) eup nert zerfecū: zij kan niet zien (omdat ze geblinddoekt is, het donker is).
  3. {SXimpr}
    1. {add > ww} (bijv) pijā/pijate: volkomen, geheel/samenlopen, samenstromen; »•e;
    2. {zn > ww} (bijv) eggo/eggote: echo/echoėn; »•e.

  4. {SXimpr.c > ww} (bedekken/aankleden vh lichaamsdeel waarachter •te geplaatst wordt; •te is gereduceerde variant v »tece = doen) (bijv) tiffug/tiffugte: voet/schoenen en/of sokken aantrekken ("de voeten bedekken"); birriy/birriyte: schouder/cape omslaan ("schouders bedekken"); (de ww'n op •te zijn typisch voor het Pegr taalgebied, en worden dan ook als Pegrevismen beschouwd).
  5. {rs} »nā•e.

:: {BT; gnp= ~x; gnz= ~c’r; rs= ~t[te]; enk-concr; stoff} die, dat; gress trempelira ki ef mimpit, do ~ kette hols ón gress: ik ben het boek aan het lezen, dat hij mij gisteren gegeven heeft; ef tubōs, ~ farte tehaste: de vrouw die op straat loopt; ef tubōs, ~x sour farte tehaste: de vrouw, wier zuster op straat loopt; ef sért buro, ~c’r zillepip melde rittiy: het huis waarvan het dak (welks dak) van riet was, is afgebrand; ef armātat, gress treske tét/tétte: het licht dat ik doof.

teagene:: {I} op de akker.

teāk:: {OV; enk-concr} een dergelijk, zo'n, zulk een; gress nert trustecū ~ merater: zo'n/een dergelijke man kan ik niet vertrouwen, ~ muts qugle nurp-’katle: zo'n/een dergelijk lawaai veroorzaakt hoofdpijn; (= »te 2 + »ōc).

Teaparty:: {N} (bekende hardrockgroep uit Hoggebim, sinds 2009); .

Tearo:: {G} (stad in Bloi).

Tearo-arābe:: {W} .

teatriy:: {C} theater.

teatriy-grup:: {C} theatergroep.

Teatriy-lirrotiy:: {W} .

Teatriy-lurfel:: {N} "Theaterrestaurant"

  1. (internationaal modieus restaurant in een riante serre vh Koninklijk Theater te Hirdo; wordt in de wandeling Tea genoemd); ; (DOM 21).
  2. (gerenommeerd restaurant in Korif, sinds 2005 de nieuwe naam vh »Flipflor-lurfel); ; (DOM 96).

Teatriy-mirra:: {W} .

Teatriy-tofent’:: (N) Theaterfestival (algemene benaming voor een jaarlijks terugkerend festival, in veel steden gehouden); .

Teatriy-weg:: {W} .

tebbel:: {C} kudde; lydor ~: geleide kudde (jur: als bep categorie weggebruikers); (oorspr »tobelp’); »to•’; .

tebbel-frint:: {C} (fig) kuddedier (persoon).

Tebbel-pāt:: {W} .

tec:: {C} streepje (alg); adertje (bv op insectenvleugel).

tecc:: {C} hik.

tecce:: {U} hikken.

teccos:: {C} gehik.

tece:: {K} (arch) doen.

teclabae:: {I} op de aarde, aardbol; op deze planeet.

tecše:: {C} tekst.

Tecše-mirra:: {W} .

téc’r:: {gnz} ».

téše:: {K; gst= tét} voorzichtig lopen/voortschuifelen langs (smal pad, richel ed).

Tedor:: {J} Theodor.

Teecrā:: {F/M}.

Teecrā-koles:: {N} (basisschool in Aflif); .

Teefyre:: {F}.

Teegl’c-avenū:: {W} .

Teenāje:: {F}.

Teenāje-mirra:: {W} .

Teengochyve:: {F}.

Teengochyve-mirra:: {W} .

Teenn:: {F}.

Teenngochyve:: {F}.

Teent:: {G} (stad in Tjemp).

Teereso::

  1. {F}.
  2. {G} (stad in Ziyp).

Teerf:: {F}.

Teezikā:: {G} (rivier in Crona-gebergte); .

Teezyste:: {F}.

tef:: {C} (alg) vrouwelijk zoogdier.

•tef:: {SX.tw > rangtelwoord} •de, •ste; (bijv) ér/értef: een/eerste; āke/āktef: acht/achtste; main-hent-tesentef: 62e; (bij breuken) ér mip fārtef: een vierde, een kwart; »•tefa.

•tefa:: {SX.tw > breuk} (bijv) ér ur fārtefa: een vierde, een kwart; sers ur rāsentefa: zes dertiende [deel]; »•tef.

•tefar:: {SX.tw > add III} voor de ...e keer; (bijv) durtefar: voor de derde keer.

tefārx:: {C} brandemmer, blusemmer; (sprkw) stus ’tinecū eft velp ~, tur trije jazy eft ’rg tiyn: (je moet moeite doen om iets nuttigs te bereiken; zonder inspanning kom je nergens).

•teff:: {SXimpr > add} (bij Lat leenwoorden) •tief; (bijv) cōnservateff: conservatief.

teffat:: {C} gezichtsveld; ef lelperre nar ~s: (fig) met oogkleppen op lopen.

teffe:: {K} (arch/poe/dl= Peg) zien.

téfira:: {vdw} »téfire.

téfire:: {K; vdw= téfira} inleggen, inmaken, wecken (v voedsel).

téfiros:: {C} ingemaakt/geweckt voedsel; ingemaakt fruit.

Tefyll:: {J} (Peg).

Tefyllex ef Adegiy:: {N} "De Wijnkelder van Tefyll" (restaurant in Amahagge, beroemd om zijn buitenlandse wijnen); .

Tefyll-Lariy:: {J}.

tegnicy:: {C} technicus.

tegnise:: {I} technisch.

Tegnise Akademiy:: {N} (tegnise »akademiy, gezien als Spok onderwijsinstituut); .

Tegnise Ratt:: {N} "Technische Raad" (controlerende instantie; in Hirdo); .

Tegnise T’dens:: {N} (maandblad over techniek, redelijk technisch maar ook populair); .

Tegnise Universitiy:: {N} "Technische Universiteit" (in Hirdo); .

tegniyc:: {C} techniek.

Tegniyc-mōbāriy:: {N} (monument; gemeente Halefiytjō); .

tegnologise:: {I} technologisch.

Tegnologise-museem:: {N} "Technologisch Museum" (museum in Ies; over techniek in het algemeen, en de technische ontwikkeling in Spok in het bijzonder); .

tegnolōiy:: {C} technologie.

tegt:: {C} knie, knik (scherpe bocht).

tegta:: {!} zit!, ga zitten! (tegen hond).

tegtare:: {U} op je knieėn zitten.

tegte::

  1. {K} knikken, buigen.
  2. {Upr} een buiging maken.

tegte-āp:: {I} buigzaam.

Tegto:: {G} (dorp; gemeente Keunee); (DOM 126-127).

Tegto-Korda:: {G} (dorp; gemeente Keunee).

tegtos:: {C} knik, hoekstuk.

tehaste:: {I} op straat, in de straat.

tejakāma:: {I} op het veld.

tejān:: {C} beschaving.

tejāne:: {K} beschaven.

tejāniy:: {I} beschaafd (goede smaak, cultureel bewust ed).

téjare:: {K} ontdooien.

téje:: {U; gst= tét} dooien (weer); smelten (v ijs).

téje-ponto:: {C} smeltpunt (v ijs).

Tejho:: |t’jo| {G} (stad in Jelafo).

Tejho-Klea:: |t’jo-| {G} (stad in Jelafo).

Tejoden:: {F/J} (Peg).

tejōn:: {C} strik, knoop.

tejōne:: {K} strikken, knopen.

tejōne:: {Upr} ~ fes: verknocht zijn aan.

tejōnfāsto:: {C; mv= ..fāstōe; rsmv= ~tt} draperie, sierkleed.

tejōnfāstōe:: {mv} »tejōnfāsto.

tejōnfāstott:: {rsmv} »tejōnfāsto.

téjos:: {S} dooi.

Tejs::

  1. {G} (rivier van Brāeenc-mōliy naar Aflif-straat); .
  2. {N} (rangeerterrein bij Xolestajo); .

tej’:: {III} echter.

tek:: {C} [scheeps]werf.

Tek:: {M}.

tekaha:: {I} op/aan de kade.

tekaréa::

  1. {I} aan boord; ef ~ pāsagers perrse pert: de passagiers aan boord gokken veel.
  2. {VZ}
    1. (plaats) aan boord van (ook v vliegtuig, luchtballon ed); do ’rōme ~ eft tāmpka: hij werkt aan boord van een stoomschip;
    2. (richting) aan boord van; ef pāsagers vende ~ Prens Lowykka: de passagiers gaan aan boord van de "Prins Lodewijk".

Tekel:: {J}.

tekelbrae:: {I} (alg) aan tafel (eten); om de tafel (vergaderen); (dl= Zuid- en Oost-Berref) op tafel; kirro feldre ~: we zitten aan tafel (aan het eten); kirro feltaves ~ šōnosef ef lydos: we willen met het bestuur om de tafel gaan zitten (met het doel te vergaderen ed); ef mimpit melde ~: (dl= Zuid-/Oost-Berref) het boek ligt op tafel.

Tek Hupsteriy-plep:: {W} .

teklesa:: {I} op het gras.

tekōboe:: {I} in de zon, in het zonlicht.

•tel:: {SX > c} (gereduceerde vorm v »hertel) •maand; (bijv) picatel: "ijsmaand" (= 8e maand v Erg tijdrekening).

telc:: {C} koppel (leren riem).

TelCōm:: {N} (geprivatiseerde telecommunicatiebedrijf; bestaat sinds 1 april 1998 en is een afsplitsing vd vroegere »PTT).

TelCōm-seert:: {N} (kantoor voor telefoon, fax, telegrammen, telex en e-mail; heette tot 1 april 1998 »Telegrafos-telefonos-ofiss; (in Hirdo) en »Telefonos-sentrym; (in Amahagge)); ; (DOM 211).

teldo:: {C} (bep soort kleine zure appel; vrnl in de »brūe gebruikt).

teldoe:: {U} met een verwrongen gezicht kijken.

teldo-lās:: {C} zeer zure smaak.

Teldo-mirra:: {W} .

teldoos:: {C} verwrongen gezicht, grimas.

teldo-pāla:: {S} "appeljenever" (Spok drank uit Bloi).

telebōs:: {C} telefooncel.

telef:: {C} (pop) telefoon; »telefonos.

telefonise:: {I} telefonisch.

telefonos:: {C; mv= ~z} (afk= tf. of [T]) telefoon; ef ~ rupke: de telefoon gaat; rst melde fes ef ~: er is iemand aan de telefoon; ef chaquinde fes ef ~: door de telefoon praten.

telefonos-hor:: {C} telefoonnummer.

telefonos-karte:: {C} (alg) telefoonkaart; »Telkart.

telefonos-lāftos:: {C} telefoondraad, -leiding.

telefonos-lāftōsta:: {Cmv} (pop/iro) notenbalk (met noten) (5 parallelle lijnen; wordt vergeleken met bovengrondse telefoondraden waarop vogels zitten).

Telefonos-mirra:: {W} .

telefonos-paliy:: {C} telefoonpaal.

Telefonos-plep:: {W} .

Telefonos-sentrym:: {N} (in Amahagge: oude naam voor »TelCōm-seert).

telefonos-tareff:: {C} telefoontarief.

Teleft:: {F}.

telegrafos:: {C; mv= ~z} telegraaf.

Telegrafos-telefonos-ofiss:: {N} (in Hirdo: oude naam voor »TelCōm-seert).

telegramos:: {C; mv= ~z} telegram.

telegramos-pōster:: {C} telegrambesteller.

telehor:: {C} telefoonnummer.

telen:: {C} tol (brug, hek ed).

Telen:: {W} .

Telen-mirra:: {W} .

Telen-plep:: {W} .

Telen-s’rt:: {W} (buurtschap); .

telen-tareff:: {C} toltarief.

Telen-weg:: {W} .

Telen-zuft:: {W} .

teleolōiy:: {C} teleologie.

Telepōsta:: {N} (landelijk ochtenddagblad); .

Telepōsta-kabi:: {N} (uitgeverij in Hirdo); .

teleskopiy:: {C} telescoop.

televišo:: {C} (afk= TV) televisie; eup sen jikata kaf ef ~: ze was op de televisie.

telex:: |ks| {C} telex.

Telf:: {F}.

Telkart:: {C} telefoonkaart (officiėle, door »TelCōm gedeponeerde, naam); »telefonos-karte.

Telle:: {G} (beek; gemeente Zekon); .

Tellefōte-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Zekon); .

Telle-mirra:: {W} .

Telle-riffō-weg:: {W} .

télmen:: {mv} »talma.

telrās:: {mv} »telriy.

telriy:: {C; mv= telrās} schoteltje (onder kopje).

telrutlek:: {C} grote mantelschelp (L. Pecten maximus); (= »telriy + »mutlek).

telsen:: {vdw} »telstje.

telst:: {gst} »telstje.

telst•:: {wst} »telstje.

telstje::

  1. {K; gst= telst; wst= telst•; vdw= telsen} (fig) stilstaan bij.
  2. {Kpr; gst= telst; wst= telst•; vdw= telsen} zich realiseren.

telstjos:: {A} het stilstaan bij (iets); realisering (het zich realiseren).

tem::

  1. {PV; 1niv-3mv-zkl/stoff/abstr/semc} het, die, zij, hun, hen; Elsa lelperre pert mimpits, tur eup enn ~ trempe kvā: Elsa heeft veel boeken, maar zij heeft ze nooit gelezen; ~ (= ef pleko) melde ošo: het (= het zand) is nat; »•ex.
  2. {AW; mv-concr/semc/stoff} (neutraal) die, deze; aftel ~ mimpits melde ef viltiy?: zijn deze/die boeken van jou?; ~ vilt mimpits: deze/die boeken van jou.

tema:: {C} thema.

temane:: {U} (verbale afleiding v tem 1) ef ~: zij zijn het, dat zijn zij; kult mimpits ~: het/dat zijn onze boeken.

tematise:: {I} thematisch.

temiy:: {Cef; mv=enk} (nominalisatie v tem 2) ef ~: deze, die; tu zecofe folarra belt-omis? – gress zecofe ef ~: welke gebakjes wil je? – ik wil deze/die graag; lelmos mindefit mimpits ur ef kolai ~: deze rode boeken en die gele hier/daar.

temp:: {C} (alg) rug; (ihb) krib (in rivier); ef flectre sener nucer ~ kura flje/rste (rs!): verzot zijn op iets/iemand.

Temp:: {J}.

temp•:: {PX.c > c} achter• (aan de achterzijde v gebouw); (bijv) temperat: achterdeur, keukendeur.

témp:: {C} [sigaretten]peukje; stomp[je] (v potlood ed).

Tempa:: {M}.

temparābe:: {C} achtertuin (klein, in stad).

temperat:: {C} achterdeur, keukendeur (naar buiten toe); (= »temp• + »•erat).

Tempes-plep:: {W} .

temp-flectros:: {C} verloop, achteruitgang, verval.

tempo:: {C} tempo.

tempruttōs:: {C} achtergevel.

temp-svimos:: {C} rugzwemmen (zn); ef manne ef ~: rugzwemmen (ww).

tempte:: |tente| {U} (dl= Peg) korte jas aantrekken ("de rug bedekken", dwz een kledingstuk aantrekken dat v achteren dicht en v voren open is); »•te; »tece.

Temp-terf:: {W} .

Temp-weg:: {W} .

temp-ytiyf:: {C} rugzak.

Temulle:: {M}.

ten:: {TW} twee; ~tef ašiyk: voorlaatst.

Tena:: {M} (eig "het tweede kind").

Tena Gizell-Acarym:: {N} (aquarium en museum in Zar-Husta; over het leven in zee); .

Tendāf:: {G} (dorp; gemeente Logono).

tende:: {K} verkondigen.

ten-dimenšonalo:: {I} tweedimensionaal.

tendos:: {C} verkondiging.

Teneera-fōresta:: {G} (bosgebied bij het D’rpze-meer); .

Teneera-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Hajofese); .

Teneera-weg:: {W} .

tenerg:: {TW} achtentwintig; ~-ér: negenentwintig; ~-ten: dertig (enz).

tenhent:: {TW} tien (in samenstellingen wordt de voorkeur aan main gegeven).

ten-ives-flyddere:: {C} letterpage (vlinder) (L. Strymonidia w-album).

tenk:: {C} (alg) tank, reservoir; (ihb) [ruimte]capsule.

ten-kanas:: {I} eft ~ mittus: een tweepersoonskamer; een kamer met twee bedden (in hotel).

ten-kanasiy:: {I} in DRIEvoud (met 2 kopieėn); tweedelig.

tenke:: {K} tanken (benzine ed).

tenkka:: {C} tanker, tankschip.

Tenkō:: {G} (stad in Bloi).

Tenkryobiys:: {G} (dorp; gemeente Kwāg).

Ten-ksvurfs-weg:: {W} .

Tenk-Ūn:: {N} (afk= TU) (railvervoerbedrijf in Bōrā); .

ten-marāsiy:: {I} tweekleurig, met twee kleuren.

tennde:: {C} mestvork.

tenne:: {III} hierom, om deze reden (refereert aan iets dat onmiddellijk voorafgaand expliciet is genoemd); ~ bloirā: juist hierom; ~ pek: dus (leidt een conclusie in, gebaseerd op het direct voorafgaande); »tanne.

tennis:: {C} tennis.

tennis-blufk:: (= tennis-lirrotiy) {C} tennisbaan.

tennis-lirrotiy:: {C} »tennis-blufk.

tennismerre:: {U} tennissen.

ténoliy:: {I; [mv=enk]} meewarig.

tenor:: {C} tenor.

Tenprusot:: {F}.

tenrān:: {TW} tweeėnzeventig; ~-ér: drieėnzeventig (enz); lóf ef ~-zempers: in de jaren zeventig.

tenrān-tenerg:: {TW} honderd (in samenstellingen wordt pérsa gebruikt).

tensa:: {TW} twintig (rekenkundig).

Tenšarkiy:: {W} .

tensce:: {U} hobbelen.

Tenseerts:: {F}.

Tense, Mood and Aspect in Spocanian:: {N} (boektitel); .

tént:: {C} wal, kade.

tenta:: {I} secundair; op de tweede plaats komend.

Tenta-jakām:: {G} (beschermd natuurgebied bij Trobensta); .

Tentarisz:: {G} (dorp; gemeente Sinto-Oaji-Quzo).

tentef:: {TW} tweede; »ašiyk; »ten; »•tef.

Tentef Fabrokiy-mirra Nutter:: {W} .

Tentef Fabrokiy-mirra Zutter:: {W} .

Tentef Fabrokiy-pāt:: {W} .

Tentef Fabrokiy-weg:: {W} .

Tentef Huron-plep:: {W} .

Tentef Krur-mirra:: {W} .

Tentef Kveer-weg:: {W} .

Tentef Moeni-weg Nutter:: {W} .

Tentef Moeni-weg Opper:: {W} .

Tentef Moeni-weg Wefot:: {W} .

Tentef Ovap:: {W} .

Tentef Pogalo-mirra:: {W} .

tentef-poira:: {C} occasion (tweedehandsauto).

tentef-poira-oto:: {C} occasion (tweedehandsauto).

Tentef Pola-ovap:: {W} .

Tentef Pra-weg:: {W} .

Tentef Siyclo:: {W} .

Tentef Siyclo-mirra:: {W} .

Tentef Stabōos-cōmišo:: {N} (afk= TSC) "Tweede Spellingscommissie" (in Hirdo); .

Tentef Stay-mirra:: {W} .

Tentef Tacarifyty-plep:: {W} .

teologise:: {I} theologisch; ~ instituša: "theologisch instituut" (seminarie); .

Teologise Instituša rifo Scr. Leo XIII:: {N} "Theologisch Instituut van Z.H. Paus Leo XIII" (grootseminarie in Hildi); .

teolōiy:: {C} theologie.

teoretise:: {I} theoretisch.

teoriy:: {C} theorie.

tepazzoste:: {III} ter aarde (plaats en richting).

tepkare:: {K} teisteren.

tepkaros:: {C} teistering.

tepke:: {K} klappen (v zweep ed).

tepkos:: {C} geklap, het klappen (v zweep ed).

Teplybbe:: {G} (dorp; gemeente Amejo).

Teplybbe-Krappa:: {N} (station).

teppe:: {U} trappelen.

teppos:: {C} getrappel.

teps:: {C} stand; klasse; rangorde; fes ef hardlap terat ~: in het hogere echelon.

ter•:: {PX} twee•, dubbel•; »ter-.

•ter:: {SXimpr.vz > add} (bijv) fes/fester: in, binnen/binnenste; ja/jater: tussen/ingeklemd, ertussen; »•iy.

teracōta::

  1. {Sef} terracotta (zn).
  2. {I} terracotta (bv), van terracotta gemaakt.

teranty:: {C} tweeling; (= »ter• + »•anty).

Teranty:: {N} Tweelingen (sterrenbeeld).

teraputer:: {C} therapeut.

teraputise:: {I} therapeutisch.

terat::

  1. {III} (samen met ki: versterkende bepaling bij add) heel, erg; eft ~ graviy ki moplariy: een heel ernstig ongeluk; eup melde ~ slamestiy ki: ze is erg beleefd; ~ graviy ki [mindoh]: heel erg [leuk]; (terat is minder sterk dan oras).
  2. {DT} (achter [geverbaliseerd] add: drukt vt uit) ef hordā ~ hurons: de mooiere bloemen; vilt mirs melde mintepot ~ dus ef kostiy: jouw haar is langer dan het mijne; groft oto hordāe ~ dus ef kostiy: zijn auto is mooier dan de mijne; ef blof kinurare ~: het paard wordt zieker (was al ziek); (vgl) ef blof kinurare: het paard wordt ziek; X ~ dus Y oiba: eerder/meer X dan Y; do melde fākomm ~ dus habilem oiba: hij is meer/eerder gemeen dan handig; dena oto ufire vita ~ dus ūma oiba: deze auto rijdt meer/eerder snel dan comfortabel.

terbonariy:: {I} tweebenig.

terdatjen:: {C} teller (persoon die telt).

terde:: {K} tellen.

terder:: {C} (taalk) telwoord; (apparaat) teller, meter.

terde-roji:: {C} cijfer.

terdos:: {C} telling.

tére:: {U} ontbinden, rotten.

tére-chént:: {C} bār’r ~: grote paarse ridderzwam (L. Lepista nuda).

Teresa-ager:: {N} (badstrand op eiland Zverosta; gemeente Tosiy); .

Teresa rifo Įvila-covent:: {N} (RK klooster op eilandje Fōlshynne; gemeente Balison); .

terf:: {C} (alg) steeg, straatje; (ihb) nauwe zeestraat (zoals de »Lešō-terf tussen de eilandjes Rāsterhynne en Ÿrlešō).

Terf blef ef Korda:: {W} .

terfarter:: {C} dubbelganger.

terfrenvuiy:: {I} tweeėrlei.

terfte:: {K} afbreken, slopen.

Terfy:: {F}.

terfyre:: {Kid} bevestigen||ontkennen; ef ~ lef siy: bevestigen; ef ~ lef noft: ontkennen; ... ~ té ef poiros z’tā iftam cošaros lóf p’r-tiyn: ... die het leven voor de eeuwigheid zal bevestigen (uit Ergemip, hfdst 2); gress ~ sener ’painos lef ef hūšat/š’m ef noimeldos: ik bevestig dat ik het gedaan heb; gress ~ sener ’painos š’m ef hūšat/lef ef noimeldos: ik ontken dat ik het gedaan heb.

terfyros:: {Aid} bevestiging||ontkenning; eft quista ~: een bevestiging; eft tildā ~: een ontkenning.

tergrār:: {C} tweeklank, diftong (in het Spok de ó en ’).

Tergycc-lirrotiy:: {W} .

terhent:: {I} stuk of tien; eft ~ tustu (enk!); een stuk of tien (8-12) eieren.

terhent:: {TW} dozijn (12); ~ tustus (mv!); een dozijn (12) eieren.

teritoriala:: {I} territoriaal (vrnl jur).

teritorym:: {SC} grondgebied, territorium (vrnl jur).

teriy:: {I} dubbel, tweevoudig; »ter•.

terlaf:: {C} tweesprong, driesprong (v wegen).

terlānurpor:: {I} tweekoppig, met 2 hoofden.

terlāpenisor:: {I} dubbelgepenist, met 2 penissen; »zōle-’rmyjā.

terloiniy:: {I} tweerichtings-.

termefrosiy:: {I} tweeledig.

terminolōiy:: {C} terminologie.

termiy:: {C} term.

termo-messer:: {C} thermometer.

Termpa-agru:: {G} (bergtop in Girdes-gebergte; 742 m hoog); .

Terneetjen:: {F}.

ternen:: {C} dobbelsteen; ef koldre eft ~ luft ef (1niv!): een duit in het zakje doen.

Ternen:: {N} (discotheek in hotel Kreozy in Kreozy); .

ternmerre:: {U} dobbelen.

teroresmiy:: {C} terrorisme.

terorisere:: |..’je| {K} terroriseren.

teroristiy:: {C} terrorist.

téros:: {C} ontbinding, rotting.

terp:: {I} gescheiden.

terpa:: {C} scheiding (grens tussen twee dingen).

terpamiy:: {I} scheidbaar.

Terpa-pāt:: {W} .

Terpa-plep:: {W} .

terpare:: {K} klieven, kloven.

terparos:: {C} klieving, kloving.

terpe:: {K} ~ [l’]: scheiden [van].

terpe-fini:: {C} scheidslijn.

terpentynn:: {S} terpentijn (harsproduct).

terponto:: {C} dubbele punt (leesteken :).

terpos:: {C} scheiding (het scheiden).

Terpsiggoree:: {N} (bekende underground-groep tussen 1970 en 1980); .

Terpsyggoree Cōntyhine:: {N} (oorspr naam vd popgroep »Terpsiggoree).

terqutvaiy:: {I} tweerijig, met twee rijen.

terra:: {S} (RK) gewijde aarde (waarin rooms-katholieken begraven worden).

terrafanatjen:: {C} doodgraver (beroep).

terrafane:: {K} (alg) begraven; (fig) verduisteren (v geld); (= »terra + »fane); »delpe.

terrafane-arābe:: {C} begraafplaats (park, niet bij kerk).

Terrafane-fjegs fes Garos:: {N} (titel v onderzoekspaper); .

terrafane-manner:: {C} begrafenisondernemer.

terrafaner:: {C} [gewone] doodgraver (kever) (L. Nicrophorus vespilloides).

terrafanos:: {C} (alg) begrafenis; (fig) verduistering (v geld).

Terrafanos fes Garos:: {N} (titel v onderzoekspaper); .

Terrafanos-plep:: {W} .

Terrafanōsta fes Garos:: {N} (tijdschriftartikel); .

Terrafanos-uza:: {W} .

terrat•:: {PXimpr} (oorspr enk-vorm terrat = dag; terrat komt tegenwoordig alleen nog voor in mv terrats, en in enkele samenstellingen; enk terrat is verdrongen door »tof); »terrat-.

terratat:: {C} daglicht.

terratat-hūase-fort:: {C} (lett: daglicht-spaartijd; leenvertaling v Eng daylight-saving time) zomertijd (tijd waarbij het in de zomer 1 uur later is dan in de winter; wordt in Spok niet toegepast); .

terratip:: {III} [gedurende] de hele dag; (= »terrat• + »pip); »tofpip.

terrats:: {mv} »tof; »terrat•.

Terrats:: {N}

  1. (weekblad, met roddelpraat over het Koninklijk Huis; verder vreemde religies en paranormale zaken); .
  2. (uitgeverij in Bōrā); .

terratsot:: {I} dagenlang.

Terre:: {J} Terry.

Terriy:: {J} Terry.

tersas:: {ZV; mv; gnp= ~er; gnz= ~’r; rs= tersat} beide[n], alle twee, hun tweeėn; (synoniem v perd’rs); »perd’rs; »ter•.

terseksiy:: (= tersexiy |ks|) {I} (lett) tweeslachtig.

tersexiy:: {I} »terseksiy.

tersplōn:: {I} dubbelzinnig.

tersylabesmiy:: {C} disyllabisme.

tersylabise:: {I} disyllabisch.

tert::

  1. {C} retourbiljet; »ter•.
  2. {I} vochtig.

térte:: {E} gisten; smoren; sudderen.

tertef:: {TW} (arch) tweede; »tentef; »ter•; »•tef.

Tertef Nola ur Zūg:: {W} .

tertefar:: {III} andermaal, voor de tweede keer.

tertimiy:: {C} tweevoud.

tértos:: {C} gisting; gesmoor; gesudder.

tertultiy:: {I} tweebaans (v weg).

teruf:: {S} voeder, voer (voor dieren).

terufe:: {K} voederen (v dieren).

terufos:: {C} voedering, het voederen.

téruvve:: {K} vergaren.

téruvvere:: {K} inzamelen.

téruvvos:: {C} inzameling, collecte.

ter’nn:: {C} terrein; perceel (met nadruk op gesteldheid; stuk grond dat bebouwd is of kan worden).

Ter’nn-mirra:: {W} .

ter’rgōiy:: {I} tweestemmig.

terzelf’er:: {C} tweedekker (vliegtuig).

tes:: {TW} (arch) twee; (nog terug te vinden in »letterās en »tesen).

t.e.s.:: {afk} (= tjāg ef »somp).

tesāniy:: {C} aanwensel.

téšaqu:: {C} bederf.

tešarkiy:: {I} in het hele land.

tesemm:: {gst} »tesemre.

tesemre:: {K; gst= tesemm} zwepen; ef ~ pūlas: rel schoppen.

tesemros:: {C} gezweep; zweepslag.

tesen:: {TW} twaalf, dozijn; (= »tes + »•en 3).

Tesen-kibās-wuma:: {G} (bos; gemeenten Fonistā en Mūninū); .

teslān:: {C} stelling (leger); »•ān.

teslapelsata:: {I} in/te bed; eup melde pip ~: ze is al naar bed.

teslapelsate:: {I} bedlegerig zijn.

Tesla-plep:: {W} .

tesmriy:: |M| {C; rs= ~t} zweep; (sprkw) ef cente [beffe] ef ~: door de zure appel heen bijten.

tesmriye:: |M| {K} toetakelen; afranselen.

tesmriyos:: |M| {C} toetakeling; afranseling.

tesmriyt:: |M| {rs} »tesmriy.

tesse:: {U} denken, menen (abusievelijk).

Tesse::

  1. {J} Thijs.
  2. {M}.

testamentos:: {C} testament; »Testamentos.

Testamentos:: {N} Liftkar ~: (afk= L.T.) [het] Oude Testament; Kleter ~: (afk= K.T.) [het] Nieuwe Testament; »testamentos.

teste:: {K} ~ [armt]: testen [op], uitproberen [op].

testos:: {C} test.

Testoyše:: {J} (Gar).

testyr:: {I} triest.

tét::

  1. {rs} ».
  2. {gst} »téše.
  3. {gst} »téje.

Teta:: {G} (stad in Neze).

Tetaiy:: {F}.

téte:: {K} doden.

tetiffuge:: {I} op de been; nucer ~: barrevoets, blootsvoets; ef pónze ~: overeind komen.

tétos:: {C} doding.

tétte:: {rs} ».

Teujan:: {G}

  1. (een vd 7 hoofdeilanden).
  2. (stad op eiland Teujan).

Teujan-dārnel:: {S} kweek (grassoort) (L. Elytrigia repens).

Teujan-gerlas TC:: {N} (busmaatschappij voor geheel Teujan); .

Teujan-hāpyja:: {C} (bep soort zwart schaap, algemeen op Teujan; het vlees ervan heeft een ietwat zoete smaak; de zwarte wol kan niet geverfd worden, maar wel gebleekt, waardoor die grijs wordt. Zwarte en grijze wollen kleding is dan ook een typisch Teujans product).

Teujan-Port:: {N} (station).

Teujan-slaja:: {S} ijsbergsla.

Teujan-slajiyn:: {C} krop ijsbergsla.

Teujo:: {G} (stad in Munt).

Teula-terf:: {W} .

tévet:: {C} (alg) wig; (roeipen) dol; (meetkundig) kegel.

tévet-šōle:: {C} Pacifische zilverspar (L. Abies amabilis).

tévet-stindosiy:: {C} spijkerschrift.

tevi:: {III; vt= omeneé; ot= povā; vk= hajiy; mt= pivecc} graag, gaarne; jazy ~: wel eens (heel graag); gress skifartavy jazy ~: ik wil wel eens gaan skiėn.

tevitiff:: {SC} interesse; flj qugle ~ ón rst: iets interesseert iemand; cōmputers qugle hupster ~ ón do: computers interesseren hem in hoge mate; ef šove ~s armt flj: interesse tonen voor iets.

tewegga:: {I} op de weg; »weg.

Tewegga:: {N} (populair maandblad voor de autoliefhebber en de beroepschauffeur); .

tex:: {C}

  1. dijk.
  2. knip met schaar.

téx:: {gnp} ».

texā:: {vdw} »texe.

texe:: {K; vdw= texā of regelm.} knippen.

texiy:: {C} slootkant, walkant.

Tex-mirra:: {W} .

texo:: {C} mes.

texos:: {C} geknip, het knippen.

texosa:: {I} verknoeid, verpest.

texoske:: {Krs} ongeschikt maken; verpesten, verknoeien.

texoskos:: {C} verpesting, verknoeiing; het ongeschikt maken.

texōte:: {K} neersteken (met mes); (= »texo + »xōte).

Tex-pāt:: {W} .

texritt:: {C} messteek.

Tex-vender:: {W} .

Tex-weg:: {W} .

tezéa:: {I} op zee.

tf:: {afk} »tukstlef.

tf.:: {afk} »telefonos.

TfA:: {afk} »Feslosos Tumt furt Aniā.

TFF:: {afk} (= tiffaren); »tiffare.

TFF!:: {afk} (= tiffaren); »tiffare.

TGG in Spocanian:: {N} (boektitel); .

Thalja::

  1. {M}.
  2. {N} (naam v steenkolenmijn; gemeente Zar-Husta); .

Thār:: {F}.

The:: (Eng lw: zie lemma's hieronder).

The Ampersand:: {N} (tweemaandelijks Engelstalig opiniebad verzorgd door de redactie vh dagblad »Amagene; onthult de laatste ontwikkelingen op het gebied vd wetenschap in Spok); .

The conjunction den versus present participles:: {N} (tijdschriftartikel); .

The Famon's University:: {N} (Hogeschool voor Handel en Beroep; gemeente Zelzakiy); .

The Fish:: {N} (voormalige popgroep); .

The Globe:: {N}

  1. (oorspr experimentele theatergroep met eigen speelruimte in oud pakhuis in Amahagge); .
  2. (naam vh theatergebouw in Amahagge waar de gelijknamige theatergroep ooit speelde); .

The Hunter:: {N} (deftig restaurant in hotel Chentiy in Minde); .

The King's Head:: {N} (deftige bar in hotel Chentiy in Minde); .

The language acquisition acquired:: {N} (tijdschriftartikel); .

The linguistic feeling of Spocanians:: {N} (tijdschriftartikel); .

The Marrow:: {N} (discotheekketen in diverse steden); .

The Old Inn:: {N} (café in Feldy-ef-Vetera (gem. Kanea)); .

The Planes:: {N} (motel; gemeente Fjeso); .

The principles of Reference:: {N} (tijdschriftartikel); .

The principles of transportation:: {N} (tijdschriftartikel); .

The question of the Spocanian cases:: {N} (tijdschriftartikel); .

The Reversed Theatre:: {N} (bekend theater in Asjetto, waar het publiek speelt en de acteurs de toeschouwers zijn); .

The Rising Sun:: {N} (café en restaurant in Amahagge); .

The Rod:: {N} (gay bar in Hirdo, jong en trendy); .

The Runners:: {N} (internetprovider en koeriersbedrijf, te Blort); .

The Shaves:: {N} (bekend jazzorkest); .

The Spocanian Infinitive:: {N} (tijdschriftartikel); .

The status of fronted elements in Pegrevian:: {N} (tijdschriftartikel); .

The use of plurals in Spocanian and Pegrevian:: {N} (boektitel); .

The use of the personal pronouns ef, kā and mittof in Spocanian spoken language:: {N} (boektitel); .

The 'weight' of Spocanian clauses:: {N} (tijdschriftartikel); .

The weight of words in Spocanian:: {N} (tijdschriftartikel); .

Thedor:: |tedor| {G} (dorp; gemeente Hurterg).

Thelander:: {F}.

Theresja:: {N} (orchideeėnkweekvereniging; in Hoggebim); .

Thiouspasasia:: {F}.

Thor:: |tor|

  1. {J} (oorspr een Peg adellijke titel, maar bij namen v Peg koningen wordt het ook als voornaam beschouwd, want vorsten worden niet geacht een achternaam te hebben).
  2. {N} (oorspr een Peg adellijke titel; vgl Spok t’r = opperknecht; tegenwoordig een deel v verscheidene Peg familienamen, zodat deze namen feitelijk dubbele namen, dus adellijke namen, zijn geworden); (bijv) Thor Ferwen, Thor Matilda; »t’r.

Thor Ārwen:: {F}; »Thor.

Thor Ferwen:: {F}; »Thor.

Thor Galadryll:: {F}; »Thor.

Thor Girjōn:: {F}; »Thor.

Thor Gyvryll:: {F}; »Thor.

Thor Lyndyll:: {F}; »Thor.

Thor Manen:: {F}; »Thor.

Thor Matilda:: {F}; »Thor.

Thor Mennem:: {F}; »Thor.

Thort:: {J} (Peg).

Thor Tirith:: {F}; »Thor.

Thor Undoryll:: {F}; »Thor.

TH&RZ:: {afk} »Tja Henna & Rames Zjae.

Thüringen:: |turinen| {F}.

Thut:: {F}.

Thyrra:: {F/J/M} (Peg).

Thyrra-ager:: {N} (badstrand; gemeente Bora-Fercen); .

Thyrra-Fercen-mirra:: {W} .

Thyrra-mōbāriy:: {N} (monument; gemeente Kūrānien); .

Thys:: {F}.

Thyss:: {F}.

Thystiy:: {M}.

ti:: {DT} (poe; expletiefpartikel: wordt ingevoegd als het metrum een extra lettergreep vereist) kost eits blōfe, kost fa ~ fle: mijn ogen zakken, mijn oren klimmen (uit "Tovildul’" v Pārf Quggernees).

tibān:: {C} wetenschap; (arch) kennis, het weten; »mariy.

tibāner:: {C} geleerde, wetenschapsman.

tibān-fālsos:: {C} wetenschapsvervalsing.

Tibān-lirrotiy:: {W} .

Tibān-oftian:: {W} (stadswijk in Hirdo); .

tibān-stunnatjen:: {C} mecenas (persoon die een geleerde geldelijk steunt).

Tibān-ūlger:: {N} "Wetenschapssociėteit" (in Zest); .

Tibān-wertlā:: {N} "Wetenschapswereld" (populair-wetenschappelijk tijdschrift); .

Tiber:: {G} Tiber (Italiaanse rivier).

Tiber-mirra:: {W} .

Tiber-weg:: {W} .

Tibeta:: {Cef} Tibetaanse vrouw.

tibetiy:: {IIef; mv=enk} Tibetaans (bv).

Tibetiy:: {G} Tibet.

Tibeto:: {Cef} Tibetaan.

ticc::

  1. {C} tik.
  2. {gst} »ticre.

ticre:: {K; gst= ticc} (alg) tikken tegen; (snaar) aantikken; tokkelen [op]; (pop) belazeren, besodemieteren.

ticros:: {C} (alg) getik, het tikken; tikkend geluid; (op snaar) getokkel; (pop) het belazeren; het besodemieteren.

tide:: {C} gewoel.

tiff:: {C} kennis, het weten.

tiffabariy:: {I} weetgierig.

tiffamiy:: {I} kenbaar; ef qugle flj lo ~: iets kenbaar maken.

Tiffapoentā:: {N}

  1. "Kennis-schrift" (jaarboek, onder redactie v »Lebet-Buroex ef Ququlā (Vereniging van Kamers van Koophandel)); .
  2. (uitgeverij in Hirdo); .

tiffare:: {K} kennis nemen van; te weten komen; leren kennen; gress tiffaravy l’ do, ’r ef smurf mrātare: ik wil van hem weten waar het geld gebleven is; ~n! (afk= TFF): nota bene! (NB).

tiffaren:: {I} die/dat gekend moet worden; eft ~ chafost: een lied dat we allemaal moeten kennen; ef toqudex’ meltāt ~ furt pipar: we moeten allen de wet kennen.

tiffaros:: {A} kennisneming, het kennis nemen van.

tiffate:: {rs} »tiffay.

tiffatjen:: {C} deskundige; kenner; expert.

tiffay:: {SC; rs= tiffate} gewetensdwang, geloofsdwang.

tiffe:: {K}

  1. weten; kennen; gress ~, den tu ~ do: ik weet dat je hem kent; do ~ pipar tiyns: hij weet er alles van; do ~ n’f tiyns: hij weet van niets (is er niet van op de hoogte);
  2. kennen (voorzien zijn van); Korif ~ pert kordas: Korif kent veel kerken; in Korif zijn veel kerken; ef derrs krurs ~ tijākirturor mérs: in de bakstenen muren zijn nissen uitgespaard (lett: "de bakstenen muren kennen uitgespaarde nissen");
»painos.

tiffe-āp:: {I} wetenswaardig.

tiffelira:: {III} (afk= t/lira) te weten, namelijk; ef giffe ~ ón flj (ón is vz): verstand hebben van iets.

tiffer::

  1. {C} [alles]weter, betweter (iemand die alles weet/denkt te weten).
  2. {A; mv=enk} deskundigheid.

Tiffian:: {J}.

tiffiy:: {I; [mv=enk]} deskundig.

tiff'kurriy:: {I} intelligent.

tiffos:: {A} kennis, het weten; š’m helt ~: tegen beter weten in.

tiff-pāre:: {U} ~ kaf: weet hebben van.

tiffug:: {C} voet; tjāg ~s: te voet; luft ef ~s: aan je voeten; ef lukte sener ~s: (pop) pleite gaan, 'm smeren.

Tiffug:: {F}.

tiffugbāl:: {C} voetbal (bal om mee te voetballen; de sport); .

tiffugbāl-clup:: {C} voetbalclub.

tiffugbāl-hajemjerer:: {C} voetbalsupporter.

tiffugbālmerr:: {C} voetballer, voetbalspeler.

tiffug-kūfōs:: {C} "loopverkeer" (in Spok wet: als tegenhanger v trōchā-kūfōs = "rijverkeer"; onder loopverkeer worden gerekend: voetgangers, ruiters en fietsers; rolschaatsers zijn voetgangers); »trōchā-kūfōs.

tiffuglot:: {C} voetenbankje.

Tiffug-mirra:: {W} ; (DOM 209).

tiffug-naliyc:: {C} pedicure.

tiffug-pāpšérr:: {C} aarddistel (L. Cirsium acaulon).

tiffug-pōls:: {C} wreef.

Tiffugs:: {N} (keten v schoenwinkels); .

tiffugstent:: {C} voetzool.

tiffugte:: {U} (dl= Peg) schoenen en/of sokken aantrekken ("de voeten bedekken"); »•te; »tece.

tiffugweg:: |tiffueg| {C} secundaire weg (in Spok: 1 brede rijstrook of 2 smalle rijstroken; dikwijls onverhard); .

tiffug-welgte:: {U} stampvoeten.

tiffug-welgtos:: {C} gestampvoet.

tiffugzorā:: {C} stelt.

tiffugzorā-vender:: {C} steltloper (iemand die op stelten loopt).

tift:: {C} (arch) wet, regel (eig dat wat je moet weten; tegenwoordig is »lacs het algemene woord, maar in het Peg wordt altijd nog tiƒdeė gebruikt; »tiffe).

tifvent:: |tiffent| {C} voetstap; (= »tiffug + »vende).

tigge:: {C} (bep soort rood of groen geglazuurde baksteen, vrnl uit Bloi).

Tigge-weg:: {W} .

Tigof:: {G} (een vd 7 hoofdeilanden).

Tigofiy:: {G} (historisch: gebied op Centraal-Tigof, grofweg bestaande uit de huidige šarkdomenns Šabāiy, Hogorit Qualā, Luft Xejafiy fes Sinto en Sinto-Abenatošā, plus de streek tussen de laatste twee šarkdomenns); .

Tigof-museem furt Palequeo Kūra:: {N} "Tigof-museum voor Moderne Kunst" (museum in Zest); .

Tigof-plep:: {W} .

Tigof Pru-gabanos:: {N} (afk= TPG) (particulier railvervoerbedrijf); .

Tigof-weg:: {W} .

tigorus:: {C} doodsangst.

tigte:: {K} [uit]jouwen.

tigter:: {C} onverlaat, booswicht.

tigtos:: {C} gejouw, het [uit]jouwen.

tijā::

  1. {I} weg, verdwenen; op; heen; uit; voorbij, afgelopen; ef mimpit melde ~: het boek is weg/verdwenen; ef tjokās melde ~: het brood is op; kirro melde ~ lef ef lardos: we hebben ons eten op; we zijn klaar met eten; ef cofšiy melde ~: het sprookje is uit; aftel tu melde pip ~ lef dena mimpit?: heb je dat boek al uit?; šām ~ rifo (vz-uitdr): zonder af te doen aan; onverminderd (vz).
  2. {VZ} (plaats) bij ... vandaan, van ... vandaan, weg bij ..., uit de buurt van; tu munkāt ef platiranu ~ ef warmohit: je moet het schilderij weg van de kachel hangen/niet te dicht bij de kachel hangen.
  3. {VZrs} (richting) bij ... vandaan, van ... vandaan, weg bij ...; gress vende ~ sener frintae (rs!): ik ga bij mijn vriendin vandaan.

tijā•:: {PX.ww > ww} (nieuwe ww'n); »tijā; »tijā-.

tijāblōfe:: {U} vergaan; te gronde gaan; ~ helkara: ten onder gaan aan.

tijāblōfos:: {C} het vergaan.

tijābyte:: {U} vervallen (wegvallen).

tijābytos:: {A} verval (wegval).

tijāšéare:: {Krs} verleren.

tijāšéaros:: {A} het verleren.

tijāšée:: {Krs} vergeten (uit het geheugen).

tijāšéos:: {A} vergeetachtigheid.

tijāšét:: {I} ongenaakbaar (vesting).

tijāšobiyre:: {K} opruimen (v boeken ed).

tijāšobiyros:: {C} opruiming (v boeken ed).

tijāe::

  1. {K} vermissen.
  2. {U} verdwenen/weg zijn (niet meer kunnen vinden).

tijāfarte::

  1. {K} [ver]slijten; doen opraken.
  2. {U} ~ armt: bezwijken aan (een ziekte/ontberingen).

tijāfartos:: {C} slijtage.

tijā-flect:: {I} teruggetrokken (leven ed).

tijā-fōltser:: {C} afzuigkap.

tijāfraje:: {K; gst= ..frat} ~ flj armt rst: iemand iets besparen.

tijāfrat:: {gst} »tijāfraje.

tijāgabent:: {vdw} »gabane-tijā.

tijāgōle:: {U} uitvallen (v haar).

tijāgōlos:: {C} [haar]uitval.

tijāgros:: {C} wering, afwending.

tijākeldatjen:: {C} verbruiker.

tijākeldos:: {C} verbruik; consumptie, vertering.

tijākirture:: {K} uitsparen (openlaten).

tijākirturos:: {C} uitsparing (nis, opengelaten plek ed).

tijākuntiyre:: {K} bestelen, stelen van (iemand).

tijākuntiyros:: {C} besteling.

tijāos:: {C} vermissing.

tijāpārafiy:: {C} dagvaarding (document).

tijāpāre:: {K} dagvaarden.

tijāpāros:: {C} dagvaarding, het dagvaarden.

tijāplaše:: {K} deleren.

tijāplašos:: {C} deletie.

tijāprése:: {K} ~ tukst: smeken om.

tijāprésos:: {A} smeekbede; het smeken.

tijāreppe:: {K} ~ flj luft: iets aanmelden bij.

tijāreverte:: {K} afhandelen (v zaak).

tijārevertos:: {A} afhandeling (v zaak).

Tijāša:: {N} (reinigingsproduct uit Bōrā; speciaal om asbakken vd »kvōmp te ontdoen); .

tijāsliyse:: {U} uitglijden.

tijāsliyselira:: {I} buitensporig, overmatig, onredelijk.

tijāsliysiy:: {I} terneergeslagen.

tijāsliysos:: {C} glijpartij; het uitglijden.

tijāstinde:: {K} debiteren.

tijāstindos:: {A} debitering.

tijāterfte:: {K} wegbreken.

Tijā tiyns melde klótarus:: {N} (boektitel); .

tijātnesste:: {K} inenten.

tijātnesstos:: {C} inenting.

tijātupplip:: {C} uitreis.

tijāvémāne:: {K} uit een ambt/de ouderlijke macht ontzetten.

tijāvémānos:: {A} ontzetting uit een ambt/de ouderlijke macht.

tijāvende:: {U} verlopen, verstrijken.

tijāvendos:: {A} het verlopen, het verstrijken.

tijāvure:: {K} ~ rst: iemand afleiden (storen).

tijāwente:: {K} zich ontdoen van; óps ~ ef kasz: ze ontdoen zich van hun jas.

tijā’tine:: {K} zich verenigen met (iets); zich vinden in (iets) (het eens zijn met iets).

Tij’:: {G} (stad in Renō).

tikora:: {C} laagvlakte.

Tilda:: {G} (dorp; gemeente Balier).

tildā:: {I; vt= albam; ot= derviy; vk= šormt; mt= apecc} slecht, euvel; ~ huldufit: berucht; ef melde ~ beri [uokke pert]: het is slecht om [veel te roken].

Tilda-belt:: {G} (dorp; gemeente Balier).

Tilda-clamiša:: {G} (moeras bij de monding vd Leije); .

tildāe:: {E} slecht zijn.

Tilda-eka:: {G} (inham langs zuidkust v Ziyp bij Balier (Zverosta-kust)); .

Tilda-hupster:: {N} (station).

tildāmentos:: {III} op een ongelegen/slecht ogenblik.

tildāne:: {U} ~ [ón] (ón is vz): slecht zijn [voor].

tildāniy:: {A; mv=enk} slechtheid.

Tilda-pāt:: {W} .

tildare:: {U} verslechteren, slecht[er] worden.

tildaros:: {A} verslechtering.

tildā-vende:: {U} schuld hebben.

tildyrami:: {III} in een ernstig geval, in geval van calamiteiten, voor het geval er iets ernstigs gebeurt.

Tili:: {G} (riviertje in het Blizerū-moeras); .

Tili-greel:: {N} (doorwaadbare plaats in de Tili); .

tillefit:: {III} vervolgens, daarna.

tim:: {C} maal, keer; kaf ~ dur: voor de derde keer; kaf ~ érpāf: voor de zoveelste keer; kaf ~ ašiyk: voor de laatste keer; kaf ef wyzenn ~: ditmaal, deze keer; ef melde ~ ér/ašiyk: het is de eerste/laatste keer; ef melde noi ~ ér, den ...: het is niet de eerste keer, dat ...; ér toftiy/herteltiy/... ~: één keer per dag/maand/...; ten zempertiyn ~s: twee keer per jaar (enz); h’ ~s (afk= h/t): meermalen, dikwijls; lelpiru ~s: anders (in andere gevallen; andere keren); ef āktōr stāgo [hols] kaf ~ ašiyk: de acteur is [gisteren] voor het laatst/voor de laatste keer opgetreden; Jān ef mikar kloppa lorerde, té melde fit knist lelpiru ~s: Jān, die anders zo krenterig is, heeft de kostbare klok gekocht.

Timano-mirra:: {W} .

Timofeeff:: {F}.

Timokala:: {F}.

Timotee-kles:: {S} timotheegras (L. Phleum pratense).

Timot’pp:: {F}.

Timoūffen:: {F}.

timpann:: {C} timpaan; trapezium.

tims:: {C} piek (bergtop; in grafiek).

tina:: {C} landje; stukje land.

Tina::

  1. {M}.
  2. {G} (stad in Tjemp).
  3. {N} (camping); .

Tina-fonis:: {G} (inham in oostkust v Tjemp bij Tina); .

Tina-šark:: {G}

  1. (eilandje voor de Kjūpur-kust bij Tina); .
  2. (natuurreservaat; gemeente Tina); .

Tina-taris:: {N} (voormalige vuurtoren; gemeente Tina); .

tindare:: {U} vertoeven, verblijven (op een gezellige wijze).

tindaros:: {C} [gezellige] verblijfplaats.

tinde::

  1. {K/U} blijven, niet weggaan, niet veranderen; do ~, den do larde: hij blijft eten (= hij is uitgenodigd om aan de maaltijd deel te nemen); kirro ~, den enn ef tiyn chaquinde lóf ef pijā luppor: wij bleven de hele avond [om te] praten (= wij gingen niet naar huis en voerden een gesprek (eventueel met onderbrekingen)); do ~ eft gekker: hij blijft leraar; eup ~ hupser: ze blijft vrolijk; ef mimpit ~ ón gress: het boek blijft van mij (ik geef het niet weg); Petriy ~ ’rōmelira: Petriy blijft aan het werk[en] (progressief: houdt niet op met werken); (vgl ook tinde E); »wencate.
  2. {E} ~ beri: blijven, voortgaan met; ef ~ beri bidale: het blijft [maar] regenen (houdt niet op); do ~ beri larde: hij blijft [door]eten (= hij houdt niet op met eten); kirro ef tiyn ~ beri chaquinde lóf ef pijā luppor: wij bleven de hele avond praten (= het gesprek werd zonder onderbreking voortzet); (vgl ook tinde {K/U}).
  3. {Upr} niet veranderen (blijven zoals het is); pipar sen ~: er verandert niets.

tinde-armt:: {U} aanblijven (v licht, kachel).

tinde-blef:: {U} nablijven (alg: nog een tijdje blijven).

tinde-mip:: {U} uitblijven (v licht, kachel).

tindos:: {C} het blijven; het niet-weggaan; het niet-veranderen.

Tine:: {M} (Ned).

tinista:: {C} [grote] grot.

tinkare:: {E} verworden, ontaarden.

tinkaros:: {A} verwording, ontaarding.

tinke:: {K} (arch) behouden.

tinkere:: {K} worden (koppelww, gevolgd door zn); do ~ [eft] gekker: hij wordt leraar; (ook in passief) ef medikiy ~lije pai Petriy, kirro mennirre jazy graviym té fes sener zeces: Petriy wordt de dokter, die wij in ons dorp zo hard nodig hebben; ef ~ lofā = lofā ~: het wordt lente; ef ljōl ~ eft flyddere: de rups wordt een vlinder (bij een totale metamorfose liever qugle dan tinkere); ef ~ fort den .../..lira; ef ’..os ~ fort: het wordt tijd dat ...; doex ef larfinos ~ fort: het wordt tijd dat hij komt; »arfine; »pónze; »qugle.

tinkerelira:: {I} in wording.

tinkere-pirāmer:: {C} wordingsgeschiedenis.

tinkeros:: {A} wording.

tinko:: {C} snoet (gezicht).

tinkōhe:: {K; gst= tinkōt} torsen.

tinkōt:: {gst} »tinkōhe.

tinkturiy:: |..nt..| {S} tinctuur.

Tinovyll:: {F/M} (Peg).

Tinovyll-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Xariy); .

tinpare:: {K} uitloven.

tinparos:: {C} uitloving.

tinpe:: {K} ~ rst kaf flj = ~ flj ón rst: iemand iets beloven.

tinpos:: {A} belofte.

tinta:: {S} waterverf.

Tinter:: {G} (riviertje van Ÿrcō-gebergte naar de Dufja-kloof); .

tintos:: {C} aquarel (schilderij).

tintos-drave:: {U} aquarelleren.

tiōie:: |tōie| {K; gst= tiōit; vdw= tiōter} verschuldigd zijn.

tiōit:: |tōit| {gst} »tiōie.

tiōt:: {I} verschuldigd.

tiōter:: {vdw} »tiōie.

tip:: {C} snuifje (tabak); snufje (zout).

tira:: {SC} ~ rifo ef lanes: wonderlijkheid.

tirae:: {Kid} bewonderen||verafschuwen; ef ~ tjāg ef cubu = ef ~ lo ’drent: bewonderen; ef ~ lo gōrōgentiy: verafschuwen.

Tirahille:: {N} (rangeerterrein bij Lassos); .

Tirahille-korda:: {N} (Erg kerk; gemeente Lassos); .

tiraiy:: {I} verbluffend.

tirajera:: {C} (vrw lid vd Erg kloosterorde »Tirajer-wālka).

Tirajer-wālka:: {C} (Erg kloosterorde); .

tiraner:: {I} wonderlijk.

tiraniy:: {C} wonder.

tirdus:: {I} stuk, kapot; ef farte lo ~: kapotgaan (spr).

tirdusare:: {U} stukgaan, kapotgaan.

tirdusbōne:: {U} stukbreken.

tirduse:: {U} kapot zijn.

tirduskinā:: {SC} vernielzucht.

tirdusriffe:: {K} stukmaken, kapotmaken.

tire:: {U} wedden; weddenschap aangaan; ~ furt: wedden om.

Tiress:: {G} (rivier van Hajega-gebergte naar de Kjoep); .

tiros:: {C} weddenschap.

Tiros:: {J}.

Tirrafener:: {N} (Chinees/Indisch restaurant in Hirdo); (UIS 47).

Tirrafener-lirrotiy:: {W} ; (DOM 211).

Tirrafener-mirra:: {W} .

tisjane:: {K} (alg) bekennen, toegeven; (ihb) zakken (voor examen); do ef exām ~: hij is voor het examen gezakt; ur kirro ~, ...: en toegegeven, ....

tisjanos:: {A} bekentenis, bekenning.

tissū:: {C} weefsel (biologisch).

Titeref::

  1. {F}.
  2. {G} (stad in Jelafo).

Titioros:: {J}.

tivjās:: {I} onwaardig.

tix:: {C} venster, ventilatieopening (voor zolderverdieping of schuur: raam zonder glas maar met luiken, en soms ook tralies).

•tiy:: {SXimpr} (in geografische namen) gereduceerde vorm van »•tiyf.

tiyc:: {!} tik!; ~ tec! (= tiyc-tec of tiyctec): tik tak!.

tiycet:: {C} kaartje, biljet, ticket.

tiyc-tec:: {!} »tiyc.

tiyctec:: {!} »tiyc.

tiyf:: {C} buitenhuis, zomerverblijf (idyllisch gelegen, v rijke stadsmensen, 18e en 19e eeuw).

•tiyf:: {SXimpr} (in geografische namen) eig "buitenhuis", zoals in Pāntiyf = "buitenhuis van Pān"; in veel namen is •tiyf gereduceerd tot •tiy, zoals in Garostiy = "Garos-heim"; »tiyf.

tiyffiye:: {I} onwetend.

tiyffóte:: {S} (Erg) nieuwsgierigheid + onzekerheid.

tiyft:: {C} kramp.

tiyftiy:: {I} (lett) krampachtig; met kramp[en].

Tiyftiy-mirra:: {W} .

tiykse:: {U} scheren (snel bewegen).

tiyksos:: {C} het scheren (snel bewegen).

tiylf:: {gst} »tiylvle.

tiylvle::

  1. {U; gst= tiylf} dwarrelen.
  2. {E; gst= tiylf} warrig praten.

tiym:: {PV} (arch); »tiymme.

•tiym:: {SX.vz} (gereduceerde vorm v tem 1; dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky) (bijv) kaftiym = kaf tem: op die, erop; 'karatiym = helkara tem: naar die, ernaar toe.

tiymme:: {PV} (passieve afleiding v tem 1) het, die, zij, hun, hen; blul keldelije ~: zij (voorwerpen) worden gebruikt; (caus) ef pleko k’ponje/Jān k’ponje-~: het zand droogt/Jān laat het drogen; »tem; »•ex.

tiympe:: {U} verlopen; verslechteren; afnemen; in reputatie achteruitgaan.

tiympiy:: {I} (alg) stomp, bot (v mes); (fig) koel, onaandoenlijk (geen emoties of vriendelijkheid tonend); zeer droog (smaak v witte wijn: niet zuur of zoet).

Tiympiy Terf:: {W} .

tiympos:: {A} verloop; verslechtering; achteruitgang; verlies van reputatie.

Tiyms’s-kryobiy:: {G} (heuvelrug; gemeente Laraine); .

Tiyms’s-letver:: {N} (insnijding v spoorlijn; gemeente Laraine); .

tiyn:: {C/SC}

  1. (alg) ding, voorwerp, item, iets; (ihb) collo (stuk bagage); (dl= Peg) baksteen;
  2. stuk[je]; 15 ~s ri'ef 3 herco: 15 stuks ą 3 herco;
  3. (idiomatische uitdrukkingen) ef paine ef ~s ón flj (ón is vz): werk van iets maken; eft belt ~: een kleinigheid (stelt niet veel voor); ef munke ef ~s frópj’ flj: opzien tegen iets; do nōtice ef ~s: hij heeft altijd rotopmerkingen; ur ~s lo kā (afk= u.t.l.k.): en dergelijke; eft tnefer ~: iets vreemds; een vreemd iets; klótarus ~s [melde tijā]: gedane zaken [nemen geen keer]; nert ér ~: helemaal niets; kā ~ melde!: ziezo, dat is dat!; dat zit erop!; dat is voor elkaar!; gress lelperre bertert ~s lef do: ik heb genoeg van hem; ik heb het helemaal gehad met hem; ur idem ~s (afk= uit.): en dergelijke (in opsomming); frópj’ ef ~ rifo (vz-uitdr): op het stuk van; frópj’ ~s rifo (vz-uitdr): ter zake van; n’f ~s: niets; gress hozāve n’f ~s: ik geloof er niets van; gress tiffe n’f ~s: ik weet van niets; (sprkw) fitpert ~s fitpert miyparosz: zoveel hoofden zoveel zinnen;
  4. (vervangt dikwijls een eerder genoemd zn) eft hupster sért ur eft belt ~: een groot huis en een klein [huis]; ef kolai mimpit melde ef kostiy ur ef blotter ~ ef viltiy: het gele boek is van mij en het blauwe [boek] van jou;
  5. (vaak als "leeg" obj bij semtrans ww) do arkette [ef ~]/do ef ~ arkette: hij huilt/hij heeft gehuild; ef zomar melde ef ~, perkelira beri zikore ef naliycos: het is de gemeente, die voor onderhoud moet zorgen;
»šōt; »tiyns; »tiyns-ur-tiynstes.

•tiyn:: {SX.s > c} (na voc) (bijv) šocla/eft šoclatiyn: chocolade (als materiaal)/een chocolaatje, reep chocolade (voorwerp); »•iyn.

tiynāe:: {I} onzijdig; (taalk) noch mannelijk noch vrouwelijk.

tiynāpe:: {K} kwalificeren (geschikt maken).

tiynāpos:: {A} kwalificatie.

Tiyndagge-covent:: {N} (Erg klooster; gemeente Xemān); .

Tiyndagge-mirra:: {W} .

Tiyndagge-plākom’:: {N} (spoorwegtunnel; gemeenten Sinto-Groje en Xemān); .

tiynelder:: {C} (taalk) zelfstandig naamwoord, substantief.

tiyneren:: {C} samenstel, stelsel.

tiyn-moftos:: {C} (taalk) nominale wortel (niet-afgeleid en niet-samengesteld substantief, zoals sért = huis).

tiynrinnos:: {A} omzet.

tiyns:: {Cmv} bagage, vracht, goederen.

tiyns-garrent:: {C} goederenstation.

tiyns-karé:: {C} vrachtschip.

tiyns-kūfōs:: {C} vrachtverkeer.

tiyns-kul:: {C} goederenloods, vrachtloods.

tiynslenker:: {C} vrachtrijder, vrachtwagenchauffeur.

Tiynsmaterialo-C’rbatts:: {N} (afk= TMC) "Goederenmaterieel-Voorzieningen" (onderhoudsbedrijf voor spoorwegmaterieel, in Bešā); .

tiynsnjep:: {C} vrachtvaart.

tiynsnolac:: {C} goederenwagon (trein); bestelbusje; .

tiyns-oto:: {C} vrachtauto; .

tiyns-pitter:: {C} bakfiets.

tiynstes:: {S} rommel, rotzooi.

tiynstesfolā:: {C} uitdrager[ij]; winkel/handelaar in tweedehands spullen.

tiyns-treno:: {C} goederentrein.

tiyns-ur-tiynstes:: {Cmv} (alg) rommel, rotzooi; (ihb) spulletjes; vaat, afwas.

tiyns-’tinās:: {C} bagagedrager (v fiets).

tiyntef:: {I} ef ~ tiyn: de zoveelste; »•tef.

tiyn-tiff:: {C} kennis van zaken, zaakkennis.

tiyn-wencater:: {C} procureur.

tiyp:: {C}

  1. schub (vis).
  2. stel[letje], paar[tje] (mensen); (sprkw) ten melde ~, dur melde clūma: twee vormen een paar, drie is een menigte (nav driehoeksverhouding ed).

tiyp-ferre:: {C} schubvaren (L. Ceterach officinarum).

•tiyse:: {SX.c > c/s} •vlees (eetbaar); (bijv) knoktiyse: varkensvlees; snultiyse: niertjes.

Tiys-eka::

  1. {G} (baai voor zuidwestpunt v Jelafo bij Aflif, ook Leev-eka genoemd); .
  2. {W} .

tiysse:: {mv} »tyss.

tiyste:: {U} gieten, hozen, hard regenen.

tiystos:: {C} stortbui.

Tiys-weg:: {W} .

tiyt:: {I} net[jes].

tiytiy:: {A; mv=enk} netheid.

tiytiyriyt:: {C} winterkoning (vogel) (L. Troglodytes troglodytes).

tiytpenša:: {I} piekfijn.

tizjyr:: {C} groep; horde; zwerm.

tizjyre:: {U}

  1. (personen) als groep optreden; iets gemeenschappelijk doen (groot aantal mensen bij elkaar);
  2. (dieren) zwermen (vliegen v menigte vogels, insecten ed).

tizjyrelira:: {I} welwillend, inschikkelijk; minzaam.

tizjyrmerte:: {K} muiten.

tizjyrmerter:: {C} muiter.

tizjyrmertos:: {C} muiterij.

tizjyros:: {C} het massaal optreden (v politiemacht); gezwerm; zwerm (vogels, insecten).

Tja:: {F/M} (Peg).

TJA:: {afk} »Tolām-Jatty-Arānkas.

tjable:: {C} tablet (alg; GEEN medicijn); tafel (plaat met inscriptie).

tjāciyk:: {C} beschuit, hard bros gebak; ef tundare ~ frópj’ flj: versteld staan over iets.

Tjadyvylle:: {M} (Peg).

Tjaeerfef:: {J} (Peg).

Tjafani:: {M} (Peg).

Tjāff:: {G} (dorp; gemeente Empecho).

tjāg:: {VZ} (betrekking)

  1. (vrnl abstract) door [middel van], met, middels; do hūche pipar ~ ef habilemiy ur cošos: hij lost alles op met handigheid en tact; ~ ef graviy hupster kika: met de grootste moeite; blul stindelije dena wufta ~ bp: dit woord wordt met bp geschreven; (ook wel bij zaken die niet als een echt werktuig worden beschouwd, bijv:) ef clūma xlegge hédān ~ kolinis: de menigte bekogelt elkaar met stenen; eup lukte ef efanty ~ lavendiy-sep: ze wast het kind met lavendelzeep; do byte ~ ef ére vust kaf ef kelbra: hij slaat met zijn vuist op tafel;
  2. (vervoermiddel) met; kirro arfine ~ ef trem: we komen met de tram;
  3. (arch; werktuig) met [behulp van]; eup axe ef vildul ~ eft grampa axos: ze hakt de boom met een roestige bijl om;
  4. (bij getallen) ef hogorite/lagitofote ef š’ny ~ 5%: een prijs met 5% verhogen/verlagen; ef š’ny farta-armt ~ 20%: de prijs is met 20% gestegen; »na.

tjaga:: {C/S} [stuk] timmermansgereedschap.

•tjaga:: {SX > c/s} •gerei, •gereedschap; kokmittjaga {C/S}: keukengereedschap; (ww'n krijgen •os:) drave/dravostjaga: tekenen/tekengerei.

Tja Henna:: {F} (Peg).

Tja Henna & Rames Zjae:: {N} (afk= TH&RZ) (voormalige bank te Amahagge); .

tjāk:: {C} stip[pel].

tjāka:: {C} [houten] vlot.

tjākaer:: {C} houtvlotter.

Tjāka-nūrcus:: {N} (voetveer op de Lajecō); .

Tjāl:: {J}.

Tjamennce:: {J} (Peg).

Tjamensten:: {J} (Peg).

Tjāndrare:: {F}.

Tjaōc:: {J} (Peg).

tjāse:: {U} ritselen.

tjāsos:: {C} geritsel.

tjāst::

  1. {C} geritsel.
  2. {I} deftig.

Tjeek:: {F}.

tjef:: {C} (fig) beeld; kā melde eft tjāst ~!: dat staat je goed! (kleding ed).

tjefe:: {K} afbeelden.

tjefos:: {C} afbeelding.

tjeft:: {C} afbeelding, plaatje.

tjége:: {U} schamper lachen.

tjégos:: {C} schamper gelach.

tjek:: {C} getijde, tij; lef ef ~s: steevast; ef melde ef ~ fes ef Kjūpur-zee: aan de orde van de dag zijn.

tjel:: {C} straf; ef monta ~ sompe ef monta painos: dezelfde straf volgt uit dezelfde [mis]daad (het "oog om oog tand om tand"-principe zoals genoemd in de 2e »mennmarāt; door dit principe zijn lijfstraffen in Spok nog lang in gebruik geweest, en ook tegenwoordig worden straffen zo veel mogelijk gerelateerd aan het vergrijp).

tjel-armtmōquos-qudex:: {C} (alg) Wetboek van Strafrecht.

Tjel-armtmōquos-qudex:: {N} (afk= TAQ) Wetboek van Strafrecht (Spok wetboek); .

tjelblaf:: {I} strafbaar.

tjelblafe:: {U} strafbaar zijn.

tjelfe:: {K} [be]straffen.

tjelfe-necān:: {C} strafkamp; .

tjelfos:: {C} bestraffing.

tjel-reve:: {Krs} fusilleren.

tjel-revos:: {C} fusillade.

tjel-rigteren:: {C} strafrecht.

Tjel-weg:: {W} .

Tjemp:: {G} (district op eiland Berref).

Tjemp Akademiy:: {N} "Tjempse Academie" (tot 1950 in Tanburo, daarna in Kussik); ; (DOM 83-84).

Tjempź Akadejmy:: {N} (dl= Tjemp); »Tjemp Akademiy.

tjempōr:: {C} (het Spok dialect in district Tjemp, inclusief Lammafin en omgeving); ; (DOM 84).

Tjemp-rót:: {C} "Tjemps trekpaard" (sterk paardenras; zwart met witte bles; hoge schoften; korte benen, dikke voeten; werd vroeger in de landbouw gebruikt, tegenwoordig voornamelijk nog bij folkloristische feesten ed).

Tjemp Trip-L’nts:: {N} (afk= TTL) (interlokale tramwegmaatschappij, hoofdkantoor in Bōrā); .

tjen:: {C} graad (temperatuur); [kleine] etappe; (fig) stap.

tjerkatjen:: {C} belt ~: klein dikkopje (vlinder) (L. Thymelicus lineola); hupster ~: groot dikkopje (L. Ochlodes venata).

tjerke:: {U} dartelen.

tjerp:: {I} draaierig, duizelig; kost ére quešā melde ~: ik heb mijn enkel verstuikt.

tjerpe:: {U} duizelig/draaierig zijn.

tjerpiy:: {C} (alg) duizeling; (pop) uitstapje; schoolreisje.

tjert:: {C} (betoverde steen/vrucht op de grond: het is verstandig om deze te laten liggen, maar een steen kan ook aan een gālytt toegevoegd worden; in de Ergemip staat beschreven hoe men een tjert als zodanig herkent).

tjest:: {Iid} vervallen||in goede staat; ("vervallen" bij rs) ef ~ husoff: het vervallen kasteel; ef ~ husof fes ef xnārf: het in goede staat verkerende kasteel.

tjester:: {C} ravage, verwoesting.

tjestove:: {Krs} »tjestrove.

tjestovor:: {vdw} »tjestrove.

tjestovos:: {C} »tjestrovos.

tjestrove:: {Krs; vdw= tjestovor} verwoesten.

tjestrovos:: {C} verwoesting, het verwoesten.

tjiyk:: {I} (lett) stralend.

tjiykét:: {I} (fig) briljant.

tjiykéte:: {E} (lett/fig) schitteren, stralen.

tjiykétos:: {C} (lett/fig) schittering, straling.

tjiynde:: {C} keukentje; kookgelegenheid (klein keukentje).

tjiytse:: {U} knetteren (v vuur).

Tjoāva::

  1. {G} (dorp; gemeente Sinto-Feuty).
  2. {N} (mineraalwatermerk); ; (DOM 93).

Tjoāva TC:: {N} (mineraalwaterfabriekje te Sinto-Feuty); .

tjōfbelp:: {C} ondier.

tjōfe:: {E} spoken, ronddolen van geesten.

tjōfos:: {C} spookverschijnsel[en]; gespook.

tjōfos-husof:: {C} spookkasteel.

tjōfos-sért:: {C} spookhuis.

tjōftār:: {SC; mv= ~a} spook, geest; tu chaquintecū ef ~a furt ef: daar kun je donder op zeggen.

tjōftāra:: {mv} »tjōftār.

Tjōftār-fōresta:: {G} (klein bosgebied in Hirdo); .

tjōftāriy:: {I} spookachtig.

Tjōftār-letver:: {N} (insnijding v spoorlijn; gemeente Fraja); .

Tjōftār-vilduls:: {G} (bos; gemeente Zekon); .

Tjōftār-weg:: {W} .

Tjōftār-wuma:: {G} (bos; gemeenten Mozent en Šatoliy); .

tjōftār-zeffos:: {C} spookverhaal.

Tjōftār-zuft:: {W} .

tjōg:: {C} [aanleg]steiger.

Tjōg-weg:: {W} .

tjokās:: {C/S} brood; »bār.

tjokāsa:: {C} boterham; ef paine eft ~ lef bār: een boterham smeren; blarās/šem lef ~s: boterhammen met kaas/jam; ef nert probare beri larde eft ~: het niet zien zitten (geen mogelijkheid zien; niet weten wat te doen; er geen zin in hebben); furt eft opera-cārjerr, eup nert probaro beri larde eft ~: een carričre bij de opera zag ze niet zitten.

tjokāsitt:: {C} broodoven.

tjokāsknociyr:: {C} broodrooster.

Tjokās-mirra:: {W} .

Tjokās-weg:: {W} .

Tjokky:: {G} (wijnbouwgebied op Tigof); .

Tjokky-plep:: {W} .

Tjokkyt:: {G} (stad in Neno).

Tjokkyt-afstoen:: {N} (15e-eeuwse tempelruļne even buiten Tjokkyt); .

Tjokky-toberg’:: {G} (gebergte in district Neno); .

Tjokky-weinō:: {C} (wijn uit het Tjokky-gebergte).

Tjoks:: {N} (pension; gemeente Manes-Puriy); .

tjondatjen:: {C} kok.

tjonde::

  1. {K} (trans) koken, aan de kook brengen; gress ~ ef knurfel: ik kook het water.
  2. {Upr} (intrans) koken; ef knurfel sen ~: het water kookt.

tjonde-dreut:: {C} kooktoestel.

tjonde-kjupt:: {I} snikheet (v weer).

tjonder:: {C} stoofpan.

Tjonder:: {F}.

tjondere:: {K} zieden, koken (v zeep/zout); (ook) [laten] opkoken (v saus/pudding: tot het door koken opbruist).

tjonde-rōsiy:: {S} frituurvet.

tjonde-tijā::

  1. {U} droogkoken; ef pān ~: de pan staat droog te koken; (fig) do ~ lef sest ’rōm: hij gaat aan dit soort werk kapot; hij gaat er met zulk werk aan onderdoor (geestelijk en/of lichamelijk geheel gebroken).
  2. {Upr} verkoken (net zo lang koken tot er niets meer over is); ef knurfel sen tjondo-tijā: het water is verkookt; (fig) gress sen tjonda-tijā: ik ben helemaal op (compleet uitgeput).

tjondos:: {C} het koken, het aan de kook brengen.

tjondos-tijā:: {C} het droogkoken; drooggekookte [stoom]ketel (die dan meestal beschadigd is).

tjōnt:: {C} kok.

tjontmip:: {C} kookboek.

tjōp:: {C} klodder.

Tjóprgy:: {F} (Gar).

tjōste:: {K} spartelen.

tjōstos:: {C} gespartel.

Tjulle:: {G} (dorp; gemeente Tij’).

Tjulle-belt:: {G} (dorp; gemeente Tij’).

tjūt:: {C} prik (met scherp voorwerp); injectie, vaccinatie.

tjūt-uzer:: {I} »uzer.

tjyme:: {K} zich afvragen; gress ~ kvā sest tiyns: ik vraag me zulke dingen nooit af.

tjyto:: {S} vulling (in gebak, pastei ed).

t-kurs:: »T-kurs.

T-kurs:: {C} T-shirt.

T/L:: {afk} (= lef tuffes »lorerdepecc).

tlāc:: {C} gesp.

tlafo:: {C} plafond, zoldering.

tlafo-sat:: {C} hemelbed.

Tlal:: {G} (stad in Munt).

Tlal-agru:: {G} (bergtop in Lafter-gebergte; 1053 m hoog); .

Tlal-kōl:: {G} (bergpas in Lafter-gebergte; 760 m hoog); .

Tlamoec-korda:: {N} (Erg kerk; gemeente Fraja); .

Tlariy:: {G} (dorp; gemeente Menscherr).

tlass:: {gst} »tlazre.

tlatta:: {C} gekletter (v regen).

tlaz•:: {wst} »tlazre.

tlazre:: {U; gst= tlass; wst= tlaz•} afgedankt zijn; niet meer gebruikt worden.

tlette:: {C/S} water dat in het zonlicht schittert.

t/lira:: {afk} »tiffelira.

tliytse:: {U} spatten (v vonken).

tliytsos:: {C} gespat (v vonken).

tlōc:: {C} giftige boleet (in Spok met name dufja-~ en fisa-~); mesā ~: groene boleet (zeer giftige paddenstoel, vaak gebruikt als zelfmoord-middel).

Tloer:: {G} (stad in Munt); (DOM 158).

tlōgt:: {I} druk, levendig (persoon, dier).

tloise:: {C} antwoord; ~ ón flj/rst (ón is vz): antwoord op iets/aan iemand; eft ~ ón gert vertaros: een antwoord op uw reactie; fara ~ ón (vz-uitdr): in antwoord op.

tlokko:: {C; mv= tlokkōe; rsmv= tlokkót} tante (zuster v vader of moeder).

tlokko-diy:: {C; mv= tlokko-diys} oom (echtgenoot v »tlokko); »diy.

tlokkōe:: {mv} »tlokko.

tlokkōe-mālp:: {mv} »tlokko-mālp.

tlokko-mālp:: {C; mv= tlokkōe-..; rsmv= tlokkót-..} (tlokko v echtgenoot/echtgenote).

tlokko-marianten:: {C} oom en tante (tante is zuster v vader/moeder; oom is aangetrouwd).

tlokkót:: {rsmv} »tlokko.

tlokkót-mālp:: {rsmv} »tlokko-mālp.

tlosiy:: {I; [mv=enk]} gewoon, alledaags; ef lāse ~: dat is geen punt.

TLS:: {afk} »Trymt Luggage Services.

Tlych’:: {F}.

tl’ff:: {C} stuk leder; lederen lap.

tlypje:: {U; gst= tlypp} grinniken.

tlypjos:: {C} gegrinnik.

tlypp:: {gst} »tlypje.

tmāhe:: {K; gst= tmāt} ~ flj: iets verhinderen, tegenhouden; ~ rst tukst flj: iemand iets beletten, verhinderen, verhoeden; gress ~ Petriy tukst ef ’pratos: ik belet Petriy te vertrekken.

tmāhos:: {A} verhindering, beletting, verhoeding.

tmāt:: {gst} »tmāhe.

TMC:: {afk} »Tiynsmaterialo-C’rbatts.

tmope:: {Kid} versnellen||vertragen; ef ~ flj lo tradam: iets versnellen; ef ~ flj lo prōāt: iets vertragen.

tmopiy:: {Iid} snel||langzaam; litel ~ = móns-~: snel; prétt-~: bliksemsnel; terat ~ ki = dūgter-~: langzaam; ~ terat meltecū nert trag: langzamer kan niet.

tmopiy-messer:: {C} snelheidsmeter.

tmopos:: {Cid} versnelling||vertraging; tradam-~: versnelling; prōāt-~: vertraging.

tmopp:: {C} (spr) opruiming, [grote] schoonmaak; »tmopplimaros.

tmopplim:: {I} opgeruimd.

tmopplimare:: {K} opruimen (v kamer ed).

tmopplimaros:: {C} opruiming (v kamer ed).

tmopplime::

  1. {K} stallen (v dieren).
  2. {U} opgeruimd zijn (v kamer, kast ed).

tmopplimos:: {C} stalling, het stallen (v dieren).

tmustā:: {C} kinkhoorn.

Tnaceo:: {G} (riviertje van Krappa-gebergte naar de Ÿrošoe); .

Tnaceo-agru:: {G} (bergtop in Krappa-gebergte; 785 m hoog); .

Tnaceo-helmy:: {G} (grot; gemeente Nustiy); .

tnade:: {U} toesnellen, [komen] aanschieten.

tnadyr:: {I} raadgevend.

tnadyrratjen:: {C} raadsheer.

tnadyrre:: {K} raad geven.

tnadyrros:: {C} raad[geving].

tnāk:: {!} knak!, krak! (geluid).

tnāke:: {U} knakken (ihb geluid); knapperen (v houtvuur).

tnākiy:: {C} knak, knik, breuk.

tnef:: {I} (arch) vreemd; »tnefer.

tnefer:: {I} vreemd, typisch, merkwaardig; buitenlands; ef melde ~ beri [svime prōāt]: het is vreemd om [achteruit te zwemmen].

Tnefer Agens:: {Gmv} (akkerbouwgebied; gemeenten Gret en Pitrani); .

tneferdes:: {C} vreemdeling, buitenlander.

Tneferdes-c’rtiyr fes Spooksoliy:: {N} (afk= TCS) "Buitenlanderhulp in Spokaniė" (hoofdkantoor in Hirdo); .

tneferiy:: {C} vreemdeling, zonderling.

Tnef’rzjo:: {N} (afdeling vd »Qurubo-Lanko (Veiligheidsdienst), die buitenlanders in Spok in de gaten houdt).

tnesst:: {C} prik.

tnesste:: {K} prikken, steken; ef qurt ~ gress: ik prik mij aan de doorn.

tnesstere:: {U} steken, pijn doen.

tnessteriy:: {I} drastisch.

tnesstos:: {C} geprik, gesteek.

tnips:: {C} fluitje (v politie/scheidsrechter).

tnti.:: {afk} (= »tof nert tof iftam).

tn’r:: {C}

  1. werktijd.
  2. (lett/fig) berg, stapel, opeenhoping; eft ~ rifo pleko: een hoop/berg zand; eft ~ rifo ’rōm: een hoop/boel werk; eft ~ rifo muts: een hoop herrie.

tn’r-lyk:: {C} collega.

:: (= toh) {I} afgemeten, kortaf (uit de hoogte).

to•:: {PX.zn/add} (prod bij zn; minder prod bij add; »•er’) schijn•; namaak•, vals, niet echt; pleeg• (bij familieleden); (bijv) bār/tobār: roomboter/margarine (namaakboter); koffon/tokoffon: dood/schijndood; frera/tofrera: broer/pleegbroer; (soms wat meer gelexicaliseerd) bax/tobaxiy: oordeel/bevooroordeeld ("een schijnoordeel hebbend"); kassos/tokassos: gemartel/getreiter; lurfel/tolurfel: restaurant/kantine; jola/tojola: vrij/gedwongen, gekunsteld.

to•e:: {rs} »to•’.

to•’:: {PX/SX.c/s > c} (rs= to•e indien de wortel op voc eindigt: tozuffu’/tozuffue maar torovōn’/torovōn’e; collectief of geeft naam aan iets dat uit een verzameling identieke voorwerpen bestaat) •groep, bundel, ge•e, verzameling; •boom, •struik (bij vruchtnamen); bergo/toberg’: berg/gebergte; huldu/tohuldu’: kers/kersenboom; (soms gelexicaliseerd) blof/toblof’: paard/cavalerie; drur/todrur’: munt/kleingeld, wisselgeld; luktos/toluktos’: was/wasgoed (om te wassen).

Toabiylara-mirra:: {W} .

toāks’:: {C} »towāks’.

toālbos’:: {C} bebouwde kom.

toamendle’:: {C} amandel (boom) (L. Prunus dulcis).

toaniso’:: {C} anijsplant (L. Pimpinella anisum).

toāparatā’:: {C} apparatuur.

tobacc:: {S} tabak.

Tobacc-mirra:: {W} .

Tobago:: {G} Tobago.

tobajōk’:: {C} riolering (met nadruk op afvoer v toilet/gootsteen).

tobamico’:: {C} carillon, klokkenspel.

tobār:: {S} margarine (namaakboter).

tobāror:: {I} (fig) smeuļg (vertellen ed).

tobar’:: {C} reling, verschansing (v schip).

tobaso:: {C} drogreden.

tobaxiy:: {I} bevooroordeeld.

tobelk’:: {C} vruchtenboom, fruitboom.

tobelp’:: {C} (arch) kudde; »tebbel.

tōbemt:: {C} knol (gewas).

tōbemt-fenelc:: {C/S} [knol]venkel (groente) (L. Foeniculum vulgare); (venkel als groente is in Spok vrijwel onbekend).

tōbemt-flyddere:: {C} klein koolwitje, knollenwitje (L. Pieris rapae).

tōbemt-huron:: {C} holwortel (L. Corydalis bulbosa).

tōbemt-kolinixog:: {C} knolsteenbreek (L. Saxifraga granulata).

tōbemt-vycc:: {S} knollathyrus (L. Lathyrus linifolius).

toberg’:: {C} gebergte.

Toberg’:: {W} .

toberg’-areū:: {C; rs= ~t} berggebied.

toberg’-areūt:: {rs} »toberg’-areū.

Toberg’-mirra:: {W} .

toberg’-šark:: {C} bergachtig land.

Toberg’-seert:: {N} "Gebergte-huis" (Bergparel-B&B in Fietso); .

tobidalos’:: {C} regenval.

tobjesā’:: {C} [blauwe] bosbes (struik); »bjesā.

toblof’:: {C} cavalerie.

toblof’er:: {C} cavalier.

tobo'efyt’:: {C} standsverschil, klassenonderscheid.

tobyt’:: {C} slagwerk (in orkest).

tocar:: {C} vergrijp.

tochare:: {U} ontstoken zijn.

toche:: {E} ontsteken (v wond).

tochos:: {C} ontsteking (v wond).

tochoše:: {K} (alg) op listige wijze verwerven; (ihb) ronselen (soldaten ed).

tochošos:: {A} (alg) listige verwerving; (ihb) ronseling (v soldaten ed).

tochūt:: {C} snuisterij.

tocirre:: {K} ~ rst: iemand iets voorspiegelen, iemand gouden bergen beloven.

toclades:: (= toclades’) {C} gehucht.

toclades’:: {C} »toclades.

tocodre:: {K; gst= tocott} rijgen, met grote steken naaien.

tocōma:: {C} puntkomma (leesteken ;).

Tocōmpanšo:: {N} "Schijnmaatschappij" (maatschappijkritisch maandblad); .

tocōnkrett:: {I} (taalk) semi-concreet; ~ supstantiviy: semi-concreet substantief; »tocōnkretter.

tocōnkretter:: {C} (taalk) semi-concreet substantief (in de Spok taal: alle woorden die in dit woordenboek met {SC} zijn gemerkt).

tocott:: {gst} »tocodre.

Tōcsajas:: {F}.

tocvyste:: {K} verbeuzelen.

tocvystos:: {A} verbeuzeling.

toc’rbatt’:: {C} set, garnituur, toebehoren, benodigdheden, uitrusting.

toc’rpep’:: {C} peper (plant) (L. Piper nigrum).

toc’rspiy:: {I} ironisch.

toc’rspos:: {A} ironie.

todāts’:: {C} dadelpalm.

todemarrine:: {rs} »todemarrin’.

todemarrin’:: {Srs} fokvee; (boeren gebruiken soms de rs-vorm todemarrine, als zij "geslacht fokvee" bedoelen).

tošér’:: {C} tuig (voor trekdier).

todiet:: {rs} »todiō.

todiō:: {SC; rs= todiet} afgod.

todirt’:: {S} vuilnis.

todirt’er:: {C} vuilnisman.

todirt’lot:: {C} vuilnisbak.

todirt’nolac:: {C} vuilnisauto.

todirt’-sako:: {C} vuilniszak.

todoffār’:: {C} braam (struik) (L. Rubus fruticosus).

Todoffār’-wālj’-vjadūk:: {N} (viaduct in de M47; gemeente Trendon); .

todrave:: {K} schetsen, vluchtig tekenen.

todravos:: {C} schets, vluchtige tekening.

todreut’:: {C} inrichting, installatie (apparaat, combinatie v apparaten).

todrur’:: {C} kleingeld, wisselgeld, pasmunt.

to'eff:: {Cid} (verandering in temperatuur) het warm||koud worden; ef knurfel-~ melde hupster: het water wordt warm; vilt cafer-~ melde belt: je koffie wordt koud; ef ityro lelperre eft belt ~: het klimaat wordt kouder; ef lelperre eft hupster ~: het wordt warmer.

toeftos:: {C; mv= ~z} (oude spelling voor »tóftos; wordt nog wel gebruikt in niet-Spokaanse teksten als de ó niet weergegeven kan worden).

toékig:: {C} kunstgebit.

toellerios:: {C} uitvlucht, schijnexcuus.

toelx:: |X| {I} schijnheilig; niet echt bescheiden.

toerva:: {SC} onheil.

Toesro-šarmiy:: {N} (natuurwonder, dal, ontstaan na een aardbeving; gemeente Acabra); .

toessare:: {K} hypnotiseren.

toessarer:: {C} hypnotiseur.

toessaros:: {C} hypnose.

tof:: {C; mv= terrats} dag (concreet gezien v 4-22 uur, maar dikwijls in de betekenis v "etmaal"); armt ef ~, den ...: op de dag dat ...; sértare gress armt ef ~ fara do prate: ik zal verhuizen op de dag als/dat hij vertrekt; effer ~: een dezer dagen; fes ~ (afk= f.t.): overdag; fes ~!: goedendag! (bij komen); fes ef terdor terrats: op zijn oude dag; lelmo ~: vandaag, heden (4-22 uur: die nog komen moet, of reeds aan de gang is; spr: dit etmaal); lāst ~: vandaag, afgelopen dag (4-22 uur; in spr wordt liever hols = "gisteren" gebruikt); ef lilt-terat ~: de godganselijke dag; ~ nert ~ iftam (afk= tnti.): om de andere dag; lóf ef pijā ~: [gedurende] de hele dag; cradef terrats: alle dagen, elke dag; ja terrats: van dag tot dag; eft koffon ~: "een dode dag" (een nevelige, windstille [herfst]dag, waarop de natuur in slaap lijkt; geen geluid, geen kleuren en geen beweging); do zāre [amiši] ten terrats fes kult zeces: hij woont [pas] twee dagen in ons dorp; do nert lelperre sener rovret ~: hij heeft zijn dag niet (alles zit tegen).

TOF:: {N} (afk v Tsjech Oto-Fabrokiy)

  1. (enige Spok automobielfabriek, in Tsjech); .
  2. (Spok automerk); .

tofalétt’:: {C} jury (bij quiz ed).

Tofano:: {G} (stad in Kina).

tofent’:: {C} festival.

tofeszollos’:: |..feso..| {C} spaargeld, spaarcentjes.

tōff:: {C} steen, kei; kinderhoofdje, kassei.

tōff-chelte:: {U} over straat zwalken.

toffik:: {C} richting (waar iemand/iets VANDAAN komt); »praba; »loin.

tōff-kles:: {S} straatgras (L. Poa annua).

tōfftéte:: {K} stenigen.

tōfftétos:: {C} steniging.

Tōff-weg:: {W} .

toficc’:: {C} (pop) rotzooi, enorme troep.

tofijānt’:: {C} vleeswaren; (= »to•’ + »fijānta).

tófiy:: {I; [mv=enk]} stellig, gerust, onfeilbaar, waarachtig; vast en zeker.

tofiyrk’:: {C} netwerk (relaties/computer ed).

Tofiyrk’-kainot:: {N} (afk= ToKa) "Netwerk-alert" (bedrijf dat de toestand v alle bovengrondse communicatie- en electriciteitskabels in de gaten houdt; in Potas’rt); .

tofkof:: {C} [avond]schemering (tussen »tof en »miskof); »koftof.

tofkoffe:: {U} schemeren; »tofkof.

toflome-mannos:: {C} kwakzalverij.

toflomer:: {C} kwakzalver.

tof-nrelf:: {C} madeliefje (in Spok dikwijls roze tot rood) (L. Bellis perennis).

tofō:: {C} laagste punt (in gebouw/schip).

tofollus:: {C} pleegvader.

toforigiy:: {C} dageraad.

tofpip:: {III} de gehele dag; »terratip.

tofrāmbosiy’:: {C} framboos (struik) (L. Rubus idaeus).

tofrenvu:: {C} bastaard (dier).

tofrera:: {C} pleegbroer.

toftas:: {III} dagelijks (4-22 uur: zo goed als elke dag; spr: zo goed als elk etmaal); riyfain ~: elke dag (4-22 uur).

toftiy:: {I} dagelijks, daags, doordeweeks, gewoon; kult ~ tjokās: ons dagelijks brood; ef ~ petsquts: de orde van de dag.

tóftos:: {C; mv= ~z} (afk= [T]) (Spok munteenheid)

  1. (1820-1969) 14 tóftos = 1 zotiylko;
  2. (sinds 1969) 100 tóftos = 100 = 1 herco = ca. € 1,00; 1 nieuwe tóftos = 10 oude tóftos); »herco; »drureren.

tofutju’:: {C} ameublement.

tofyco’:: {C} vijgenboom.

tofysa’:: {C} kaneelboom (L. Cinnamomum verum).

togām’:: {C} wildstand.

togany:: {C} taak, opdracht.

Tōgeeror-seert:: {N} (revalidatiecentrum in Amahagge); .

togeffy’:: {C} appelboom.

tōgériy:: {I} invalide (bv), gebrekkig.

tōgéror:: {C} invalide (zn).

tōgéror-kartafiy:: {mv} »tōgéror-kornin.

tōgéror-kornin:: {C; mv= ..-kartafiy} (afk= TŌKO) invalidenkaart (waarmee een invalide gebruik kan maken van allerlei faciliteiten, zoals invalidenparkeerplaats, kortingen op toegangsprijzen en openbaar vervoer, voorrang bij wachtrijen ed); .

togert’:: {C} wacht (groep personen die de wacht houdt).

togillt’:: {C} vakbond; »bōnt 2.

toginebra’:: {C} gemberplant (L. Zingiber officinale).

toglūfiy’:: {C} bedrijfsleven.

togo:: {IIef} Togolees (bv).

Togo:: {G} Togo.

Togona:: {Cef} Togolese vrouw.

Togony:: {Cef} Togolees (bewoner).

togrup’:: {C} (alg) manschappen; (laagste legerrangen) manschappen (soldaten en korporaals); .

togrūs’:: {C} omheining.

tōgt:: {C} kleinzoon.

togūnos’:: {C} bewapening (alle wapens tezamen).

togvārc’:: {C} kliek, meute, groep.

tog’tliy’:: {C} vistuig.

togytōs:: {I} schamper (met minachting).

togytoze:: {K} geringschatten.

togytozos:: {A} geringschatting.

toh::

  1. {C} (dl= Noord-Liftka/Noord-Br’r) bochel (op rug); klein heuveltje (op mōliy).
  2. {I} ».

tohāgg:: {I} (arch) in zwijm, flauwgevallen.

tohant:: {C} kortsluiting.

tohārtiy’:: {C} vossenbes, rode bosbes (struik) (L. Vaccinium vitis idaea).

tohāslāf’:: {C} hazelaar (L. Corylus avellana).

tohelbi’:: {C} garderobe (klerenvoorraad).

tohuflif’:: {C} [gebouwen]complex.

tohuldu’:: {C} kersenboom.

tohynn’:: {C} archipel, eilandengroep.

toidenotos:: {A} fraude; verschrijving (eufemisme voor vervalsing om belasting te ontduiken).

toierque:: {U} (met zeer weinig of geen zeil voor de wind varen).

toila'’:: {C} »towila'’.

tointestinn:: {C} blindedarm, appendix.

Toja:: {M}.

toje::

  1. {VG} (uitsluiting) ~ ... fra: óf ... óf; Petriy ~ scemre fra reppe n’f tiyns: óf Petriy schreeuwt, óf hij zegt geen stom woord; (toje ... fra is in veel constructies minder emfatisch dan Ned óf ... óf; bijv) tem mimpits kettelira ryte ~ māltefiym fra noi: deze boeken zijn moeilijk of niet te bemachtigen.
  2. {VZ} (arch) uit, erbuiten; ta lo ~ = dalotoje: [daar als] buiten; »dalotoje; »dotoje.

tōje:: {VG} (uitsluiting) ~ ... frān: noch ... noch; ~ Drys frān Nest arfinecos (mv!): noch Drys noch Nest kan (enk!) komen.

toješiy’:: {C} touwwerk.

tojelake:: {K} verschepen, per schip vervoeren.

tojelakos:: {C} verscheping, vervoer per schip.

tojelbi:: {C} (pej) plunje, vodden, kleren; »tohelbi’.

tojéns’:: {C} (alg) buizenstelsel; (ihb) riolering.

tojesfsā:: |..jestā/..jefsā| {C} wedstrijd; concours.

tojiyser’:: {C} loofbos.

tojiys’:: {C} loofboom.

tojo:: {C} min, voedster.

Tojo:: {N} "Zus" (koosnaam voor oudere zuster, gebruikt als een eigennaam, en eig afk v »tojoredo).

tojola:: {I} gedwongen, gekunsteld.

tojoredo:: {C} [oudere] zus[ter]; Elsa ur Yvonn melde sours, ur Yvonn melde Elsaex ef ~: Elsa en Yvonn zijn zusters [van elkaar], en Yvonn is Elsa's oudere zuster/en Yvonn is de oudste.

tojunip’:: {C} jeneverbes (struik) (L. Juniperus communis); »junip.

tōk:: {C} wervel (draaibaar houtje); klink, sluitijzer (v deur).

ToKa:: {afk} »Tofiyrk’-kainot.

tokabi’:: {C} editie, druk (totaal vd exemplaren ve publicatie dat in één keer gedrukt en uitgegeven wordt).

tokadyr:: {C} (eenvoudig ritueel waarbij een kind in de Erg kerk aangenomen wordt); »kadyr.

tokārnt’:: {C} tuig (v schip).

tokarte’:: {C} kaartspel (pakje speelkaarten).

tokasse:: {K} treiteren, pesten.

tokassos:: {C} getreiter, gepest.

Tokelao:: {G} Tokelau.

Tōki:: {F}.

tokinner’:: {C} cartotheek; kaartsysteem.

tokinur:: {I} ongesteld, beetje ziek, niet helemaal in orde.

tokles’:: {C/S} (alg) onkruid; (poe) gras.

toknociy’:: {C} gebeente.

toknuf’:: {C} afwas, vaat (om te wassen); ef lukte ef ~: de afwas doen.

toknuf’e:: {U} de vaat doen, afwassen.

toknuf’-tiyn:: {C} afwasmiddel.

TŌKO:: {afk} »tōgéror-kornin.

tokoffon:: {I} schijndood.

tokok’:: {C} keukengerei.

tokolini’:: {C} gesteente.

Tokolini’-terf:: {W} .

tokorsamm’:: {C} hofhouding.

tokorst’:: {SC} ongenade.

tokriysto’:: {C} (pej) christendom.

tokrodur’:: {C} baksel.

tokrūpt’:: {C} tegelvoer.

Tōksajas::

  1. {F}.
  2. {N} restaurant in Sinto-Laboh; gemeente Iji; .

Tōksajas-mirra:: {W} .

tokurakette:: {K} verkwanselen.

tokuramos’:: {C} nalatenschap; boedel.

tokūrata:: {I} gekunsteld; kitscherig.

tokūrater:: {C} vrijetijdskunstenaar; dilettant; zondagsschilder.

tokurrete:: {rs} »tokurre’.

tokurre’:: {S; rs= tokurrete} vermogen (zn); ef jofy ~: de geestelijke vermogens (v iemand).

tolacs’:: {C} "wettenbundel" (verzameling wetten, in één publicatie bijeengebracht, zoals bijv de »Kuraketkanas-lacsz ur Šark-luftiffe-ōc; de term is vanaf ca 1955 in onbruik geraakt sinds wetsverzamelingen altijd "wetboek" (»qudex) worden genoemd).

tolāc’rs::

  1. {Aef} onverwachte gebeurtenis.
  2. {I} onverwacht gebeurend.

tolāft’:: {C} halsketting.

tolain’:: {C} linnengoed; ef kurakette ~ luft eft slapelsat: een bed verschonen.

Tolā-Kōlāk:: {G} (riviertje van de Kōlāk naar Ef Larmin); .

Tolām:: {G} (stad in Kina).

Tolām-Jatty-Arānkas:: {N} (afk= TJA) (particuliere spoorwegmaatschappij, opgericht in 1990); .

tolanko’:: {C} heelal.

tolānt:: {C} (fig) profiel; bestek; kader; rubriek.

tolāpiy’:: {C} uitzet (voor baby).

tolāprōfa’:: {SC} argumentatie.

tolarde:: {K} [op]peuzelen; ef agrén ~lira ef hāslāf: de eekhoorn zit het hazelnootje op te peuzelen.

tolardos:: {C} gepeuzel, het [op]peuzelen.

tolardos’:: {C} voedingsmiddel.

tolārk’:: {C} heuvelrug.

Tolārk’-plep:: {W} .

tolās:: {C} bijsmaak.

tolebete:: {U} sjacheren, sjoemelen.

tolebetos:: {C} gesjacher, gesjoemel.

tolecos’:: {C} lekkage.

Tolee:: {G} (stad in Tjemp); (DOM 74-75).

Tolee-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Tolee); .

toleffy’:: {C} perenboom.

toleftel’:: {C} bestek, couvert.

tolekk:: {C} kreng (slecht voorwerp; vals mens).

tōlemme:: {E} sluipen.

tōlemme-tijā:: {E} wegsluipen.

tolenkos’:: {C} stuurinrichting.

tolensān’:: {C} [leger]compagnie.

Toleo:: {G} (stad in Bloi).

tōlest:: {C} [berg]plateau (vlak gebied in de bergen).

toliftkar:: |..fk..| {I} belegen (v kaas: nog niet echt oud).

toliftkar’iy:: |..fk..| {I} oubollig.

tolinnos’:: {C} vraagstuk, probleem; eft drāgt ~: een heikele kwestie.

tolitt:: {C} voorgebergte (in Spok: overgang v mōliy naar gebergte).

Toliy:: {F/M}.

Tōliy-agru:: {G} (bergtop in Ziffon-gebergte; 1038 m hoog); .

Toliy-belt:: {G} (dorp; gemeente Fameto-Toliy).

tolješāget’:: |toledāget’| {C} veenbes (plant) (L. Oxycoccus palustris); lepeltjesheide ("cranberry": struik) (L. O- microcarpus).

Tolkiy:: {F}.

tolluh:: {C} troffel.

tolōbā’:: {C} rotsmassa; rotswand.

tolōfft:: {mv} »c’rtolōfo.

tolomkā:: {C} masker.

tolomkā-meve:: {C} kokmeeuw (L. Larus ridibundus).

tolóset’:: {C} geboefte.

tōlpe:: {K} ef ~ B ón A: A met B vullen; B in A doen; do ~ ef helt ón ef kliqu: hij vult het glas met melk.

Tōlst:: {J}.

Tolstoj-mirra:: {W} .

toluktos’:: {C} was[goed] (dat nog gewassen moet worden); ef paine ef ~: de was doen.

tolurfel:: {C} kantine.

tolutterafatjen’:: {Crs} omstanders, toeschouwers.

tom::

  1. {I; =ot v litel} [het] minst; c’rt A fenteste ef ~ resultāts: klas A behaalt de minste resultaten (maar ook de resultaten vd andere klassen zijn gering); (vgl) ef lof resultāts: de minst vele resultaten; nert ~: niet in het minst; fes ~: {III} althans; »litel.
  2. {DT} (achter [geverbaliseerd] add; drukt mt uit) ef hordā ~ hurons: de minst mooie bloemen; Elsa melde honesty ~: Elsa is het minst eerlijk; kost pitter grampae ~: mijn fiets is het minst geroest.

Tom:: {J} (Eng).

tomāner’:: {C} management (bestuur).

tomarās:: {C} tint.

tomare::

  1. {K} kreukelen; dubbelvouwen (meerdere keren).
  2. {Krs} te grabbel gooien.

tómare:: {E} onweren.

tómare-loa:: {C} »loa.

tomārket’:: {C} afzetgebied, markt.

tómaros:: {C} onweer; (sprkw) ef zerfe helkara chabōrtelira ~: de boot afhouden; gress dōxe ~: mag ik wat bestellen? (pop opmerking in kroeg om de aandacht vd barkeeper te trekken).

tomato:: {C} tomaat.

tomatoleldā:: {C} tomatenteelt.

Tomato-mirra:: {W} .

tomato-sōsa:: {S} tomatensaus.

tomato-šupa:: {C/S} tomatensoep.

Tomato-s’rt:: {W} .

tome:: {K} dubbelvouwen (één keer).

Tōmealer:: {F}.

tomebafa:: {C} miskraam.

tomespiyl’:: {C} mispel (boom) (L. Mespilus germanica).

tomerater’:: {C} [boeven]bende.

tomilt’:: {C} (fig) omlijsting; lef malodétiy ~: met muzikale omlijsting.

tomimpit’:: {C} bibliotheek; boekenverzameling.

tomissis’:: {C/S} narcotica, verdovende middelen, drugs.

Tomo:: {N} (frisdrank op basis v tomatensap); ; (DOM 43-44).

tomofla’:: {C} (Erg: groep v 14 uitverkoren »ryltiys die de nieuwe kandidaten zijn voor de »Reelā).

tomōntyos’:: {C} problematiek.

tomorg’:: {C} clientčle.

tomorrt’:: {C} moerbeiboom; »morrts-vildul.

tomos:: {C} vouw.

tōmp:: {C} graf; méte gert ~!: (vulg) donder op!; loop naar de hel!; ef ~ kura rst: het graf van iemand (waar iemand in ligt).

tōmpentare:: {U} uitbreken (v gevangene); losbreken (v dier).

tōmpente:: {E} [het] gemakkelijk hebben, [het] rustig aan [kunnen] doen; lef ~: met gemak; (= »tōmp + »vente).

Tōmp-fōresta:: {G} (bos; gemeente Yfte); .

tōmp-helmy:: {C} grafkelder.

Tōmp-pāt:: {W} .

Tōmp-Taris:: {N} (toren in Tsjech); .

Tōmp-weg:: {W} .

tomreinn’:: {C} kongsie (kliek); »mre'inniy.

Toms:: {J} Thomas.

tomust’:: {C} schoeisel; eft ~: een paar schoenen.

tomux:: {C} beeldspraak.

ton:: {S} smaragd (materiaal).

tōn:: {C} (afk= T) [scheeps]ton (1 m³).

tón:: {C} tonijn (L. Thunnus thynnus).

tona:: {I} smaragden, van smaragd gemaakt; met smaragden bezet.

Tona:: {N} (voormalig šarkdomenn; sinds 1876 opgegaan in de gemeente Tona armt ef Grāt); .

Tona armt ef Grāt:: {G} (stad in Ziyp); (»tóne); (DOM 171-173).

Tona-kabi:: {N} (uitgeverij in Tona a/e Grāt); .

tonarān’:: {C} garde, lijfwacht, keurbende.

tonatumt:: {I} onmondig (volk).

Tōnche-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Moja); .

tóne:: {C} (bordesje aan rivieroever om de was te doen, zoals in Tona armt ef Grāt).

tonegoros’:: {C} erfenis (vlgs Erg regels).

Toneija:: {G} (stad in Renō).

tonelk’:: {C} kruidnagelboom (L. Syzygium aromaticum).

tōng:: {I} stilletjes, onopgemerkt.

tōnga:: {IIef} Tongaans (bv).

Tōnga:: {G} Tonga.

Tōngana:: {Cef} Tongaanse vrouw.

Tōngany:: {Cef} Tongaan (bewoner).

toniyn:: {C} smaragd (edelsteen); voorwerp van smaragd.

Toniys-woedenn:: {G} (steile rotskust langs Oost-Br’r; hier worden tijdens koude winters wel papegaaiduikers aangetroffen); .

Toniys-woedenn-plep:: {W} .

Tonja:: {M} Tonia.

Ton-mirra:: {W} .

tonn:: {C} stedenschoon; fraaie architectuur.

Tonneā:: {F}.

tonolac’:: {C} wagenpark, (rollend) materieel (alle vrachtwagens of alle locomotieven, wagons ed ve bedrijf).

tonotit’:: {C} notulen.

tonōziy:: {C} surrogaat.

tōnsel:: {C} amandel (in keel).

Tōntes:: {F}.

tonutā’:: {C} notenboom.

Tony:: {J}.

Tonystiy:: {F}.

To-oibāniys ur to-offertosz:: {N} (titel ve rapport); .

tooche’:: {C} hekwerk, traliehek (v balkon ed); »towoche’.

toopj’gos:: {C} exploitatie (in ongunstige zin), uitbuiting; colonjer’ ~: kolonialisme (pej); vgl »opj’gos.

toopp:: {C} zandplaat, droogte (bij eb droogvallende zeebodem).

toopp-ecron:: {C} tripmadam (plant) (L. Sedum reflexum).

toopp-meve:: {C} kleine mantelmeeuw (L. Larus fuscus graellsii).

tōp:: {C}

  1. tophit, succesnummer.
  2. hoge hoed.

topašegtan’:: {C} wilderozenstruik; »pašegtan.

topak:: {C} kwast, rare vent.

topaza:: {S} topaas (materiaal).

Topaza-mirra:: {W} .

topaziy:: {I} topazen, van topaas gemaakt; met topazen bezet.

topaziyn:: {C} topaas (steen); voorwerp van topaas.

topijā:: (= topije) {I} (arch/poe) schier, bijna.

topije:: {I} »topijā.

toplata’:: {C} discotheek (verzameling grammofoonplaten of cd's).

toplinker’:: {C} gesternte.

tōp-main:: {C} top tien.

Tōp-main:: {N} (restaurant met feestzalen in Amahagge); .

topografijā:: {C} topografie.

topoitiyn’:: {C} dichtbundel.

topolōiy:: {C} topologie.

topōr’:: {C} almacht; onbeperkte macht.

tōppe:: {U} stampen (met voet).

toprest’:: {C} directie.

toprogrām’:: {S} software.

topucc’:: {C} pokken (ziekte).

topūl:: {I} onverstandig, ondoordacht.

topyrf’:: {C} ongeoorloofde daad; vergrijp; »pyrf.

toquanka:: {C} bijnaam; pseudoniem.

toquanka’:: {C} benaming; paaftor origiy-~ (afk= POT) beschermde oorsprongsbenaming (BOB) (officieel keurmerk).

toqudex’:: {C} wetgeving.

toqudul’:: {C} naaldbos.

toqummert’:: {C} oeuvre (gezamenlijk werk v kunstenaar).

toqurt’:: {C} (alg) doornstruik, struik met naalden (jeneverbes/rozenstruik ed); (poe/dl= Zuid-Liftka) naaldboom.

Tora::

  1. {M}.
  2. {G} (»ūpk-areū in districten Tjemp/Plefō).

tōra:: {I} dwaas (bv); belachelijk.

torafane:: {K} schetsen, in grote lijnen vertellen.

torafanos:: {C} schets, globale vertelling, verhaal in grote lijnen.

tōra-helk:: {C} koolmees (L. Parus major).

tōrajiy:: {C} dwaasheid.

toramā’:: {C} inventarisatie.

Toramā’ rifo Tumt-Cheetuc:: {N} (boektitel); .

toranief:: {I} geneeskundig.

toraniefa:: {C} geneesmiddel, medicijn.

toraniefa'ludi:: (toraniefatiyludi) {I} geneeskrachtig.

toraniefatiy:: {C} geneeskunde.

Toraniefatiy-instituša:: {N} "Instituut voor geneeskunde" (museum in Amahagge); .

toraniefatiyludi:: {I} »toraniefa'ludi.

Toraniefatiy-universitiy:: {N} "Geneeskundige Universiteit" (in Kurriy); .

Tora-plep:: {W} .

tora-skāt-canazā:: {S} Tora-graniet (groen geaderde, grijze granietsoort uit het Tora-gebergte).

torastobos’:: {C} bungalowpark (woonwijk met bungalows in fraaie omgeving).

tōratiyn:: {C} rariteit, gek voorwerp.

Torāt-kōl:: {G} (bergpas in Tora-gebergte; 433 m hoog); .

Tora-toberg’:: {G} (gebergte rond Lammafin); ; (DOM 90-91).

Torāt-plato:: {G} (hoogvlakte tussen de plaatsen Zendoreno, Lufia en Xarebafiy in het Pālsten-gebergte); .

Tora-weg:: {W} .

Tora-wuma-weg:: {W} .

Tora-zeces:: {G} (dorp; gemeente Manes-Pjeufiy).

toref’:: {C} salvo.

toregliss’:: {C} reglement.

Toren:: {F}.

torenš’:: {C} rundvee; (= »to•’ + »renše).

Tores:: {N} Stier (sterrenbeeld).

torevos’:: {C} artillerie.

torevos’er:: {C} artillerist.

tōrf:: {S} turf.

Tōrf-mārket:: {W} .

tōrf-uss:: {gst} »tōrf-uzre.

tōrf-uzratjen:: {C} turfsteker.

tōrf-uzre:: {K; gst= ..-uss} turfsteken.

torikāf’:: {C} gevogelte.

Toriym:: {F/J}.

toriyst:: {C} cake, banket.

tork:: {C/SC} schouw, beschouwing; (komt alleen in enkele samenstellingen voor: »fōresta-tork; »rāsdo-tork); »har.

torkare:: {K} ~ lo: [serieus] beschouwen als.

torkaros:: {C} [serieuze] beschouwing; furt ~ (afk= f/t): ter inzage.

torkarr:: {C} sectie, lijkschouwing.

torke:: {K} beschouwen, bekijken, in overweging nemen [en de voor- en nadelen tegen elkaar afwegen].

torkiy:: {I} beschouwend; gress miype ~: in overweging nemende; (vaak ook een voorzichtige uitspraak:) gress miype ~ armt ...: ik zou denken aan ....

torkos:: {A} beschouwing, overweging; (kritische) kijk.

Tōrnado-weg:: {W} .

torōgt’:: {C} urnenhuis, urnenkelder (bij crematorium of in Erg kerk); »rōgt.

torojite:: {rs} »toroji’.

toroji’:: {C; rs= torojite} lettergreep, syllabe.

toronter:: {I} ovaal, eirond.

Toronter Korda:: {N} (Erg kerk in Fonistā); .

torovōn’:: {C} [wilde] lijsterbes (boom) (L. Sorbus aucuparia); »rovōns-vildul.

toroza’:: {C} rozenstruik; »roza.

torozjepos’:: {C} besturing, stuurinrichting.

torp:: {I} ferm, flink, kranig.

Torp:: {F}.

torpa:: {I} degelijk, serieus.

tōrpakiy:: {C} (Erg: zilveren kan voor het doopwater bij de »quiyrāts; het doopwater komt dikwijls uit zee of ver afgelegen rivieren of bronnen, en wordt door een »lystra gehaald; lystra's die met een ~ reizen, mogen gratis met het openbaar vervoer mee, en het is altijd een eigenaardig gezicht om zo'n vrouw in lang gewaad met een kan vol water te zien manoeuvreren, te midden ve drommende massa treinreizigers).

tōrpedo:: {C; mv= tōrpedōe; rsmv= ~tt} torpedo.

tōrpedōe:: {mv} »tōrpedo.

tōrpedott:: {mv} »tōrpedo.

tōrs:: {C} tros, scheepstouw.

tōrsare:: {K} aanleggen, meren (v groot schip).

tōrsaros:: {C} het aanleggen, het meren (v groot schip).

tōrse:: {U} gemeerd liggen, vastliggen (v groot schip).

tōrse-port:: {C} insteekhaven.

Tōrsviyc-s’rt-Beldiyr-s’rt:: {G} (dorp; gemeente Šebantiy).

tōrte::

  1. {K} schoppen, trappen.
  2. {U} ~ kafonn flj: op/in iets trappen; eup ~ kafonn ef limaciy/hurt-skés: ze trapt op de slak/in de hondenpoep.

tōrte-tijā:: {K} aftrappen (v schoenen).

torut’:: {C} (fig) patroon.

tōrvyde:: {U} afwijken.

tōrvytt:: {C} afwijking (lett).

torygdiy:: {I; [mv=enk]} Oost-Indisch doof.

tos::

  1. {C; mv= tōse} stengel, steel (v bloem); stok, staart (v letter, zoals bij de b of q).
  2. {C; mv= tōse of tosz} schacht (v speer).

Tōs:: {F}.

tós:: {C} dar (mnl bij); nietsnut.

tošašōriy:: {I} geaffecteerd, gemaakt, aanstellerig.

tosafōt’:: {C} bedrijvengebouw (gebouw waarin verscheidene bedrijven zijn gehuisvest).

Tosafōt’:: {N} "Bedrijvengebouw" (gemeentelijke instelling in Amahagge); .

tosalbos:: {C} omhaal, drukte.

tosārf’:: {C} [gehele] kaas.

tošarkofiy’:: {C} landschapsschoon.

tošark’:: {C} landgoed, landerij(en) (groot gebied of verzameling akkers en bossen, in bezit ve grootgrondbezitter).

Tošark’-mirra:: {W} .

Tošark’-pavelonn:: {N} (restaurant in Hoggebim); .

toscr’fkt’:: |..ft’| {C} blocnote.

tōse:: {mv} »tos.

tošefce:: {U} schuifelen.

tosért’:: {C} huizenblok.

tosgūl’:: |tosūl’| {C} servies[goed].

tosientur:: {C} pleegmoeder.

tošifrō’:: {C} cijfers; cijfermateriaal.

tosiy:: {C} korte broek; short.

Tosiy::

  1. {G} (stad in Munt); (DOM 158/161-162).
  2. {N} (klein vliegveld; gemeente Tosiy); .

Tosiy-Airdon:: {N} (station).

Tosiy Gōlf-blufk:: {N} (golfterrein; gemeente Tosiy); .

Tosiy-Helāns:: {N} (station).

Tosiy-koles:: {N} "Tosiyaanse School" (ca. 1880; divisionistische schildersstroming).

Tosiy-MG:: {N} (station).

toski’:: {C} ski-uitrusting; eft ~: een paar ski's.

toslaja’:: (= toslaj’) {C} sla[atje], salade (gerecht met sla of andere bladgroente).

toslaj’:: {C} »toslaja’.

toslapos:: {C} dutje.

tosmurf:: {S} vals geld.

tosour:: {C} pleegzus[je].

tošovos:: {C} schijnvertoning.

tōsp:: {Aid} onpartijdigheid||partijdigheid, objectiviteit||subjectiviteit; š’r-~: onpartijdigheid, objectiviteit; glyda-~: partijdigheid, subjectiviteit.

tosperg:: {C} schijnspurrie (plant) (L. Spergularia); mindefit ~: rode schijnspurrie (L. S- rubra).

tōspiy:: {Iid} onpartijdig||partijdig; š’r-~: onpartijdig; glyda-~: partijdig; eft ~ ’rmetiyn l’ cradef ’rgōs: een onpartijdig standpunt; eft ~ ’rmetiyn lef c’rachōmmast: een partijdig standpunt.

tosprokto’:: {C} uitzet (v bruid).

tosrialyt’:: {C} struikgewas.

Tōss:: {F}.

Tosse:: {J}.

tostar’:: {C} sterrenbeeld.

tostat-glūfiy:: {C} semi-overheidsbedrijf.

tóste:: {U} staren; met opengesperde ogen kijken.

tos’n’:: {C} seinstelsel (bij spoorwegen).

tos’t:: {S} kunstzijde.

tos’ta:: {I} van kunstzijde gemaakt.

tótare:: {K} blijk geven van.

totarm’:: {C} ingewanden.

totarm’-stūléos:: {C} dysenterie.

totat:: {C} kunstlicht.

tóte:: {U} ~ beri/den: schijnen [te zijn]; lijken; de indruk maken; do ~ beri melde kinur: hij schijnt ziek te zijn; hij lijkt ziek [te zijn].

totelefonos’:: {C} telefonie.

totelegrafos’:: {C} telegrafie.

toterf:: {C} slop, [doodlopend] straatje.

Totiarofe-Lerescō:: {G} (stad in Jelafo).

totibāner:: {C} vrijetijdswetenschapsman, amateurwetenschapper, dilettant.

totiyns’:: {C} goederen, waren.

totiyn’:: {C} bos, bundel.

totjef:: {C} droombeeld, hersenschim, luchtkasteel.

tótos:: {C} blijk, teken.

totravint’:: {S} keramiek.

totrempos’:: {C} lectuur.

totrōchā’:: {C} (alg) raderwerk; samenstel van tandwielen; uurwerk; (spr) versnellingsbak (in auto).

totroj’:: {C} volksliedje (trad Spok, met moralistisch slot); »trojy; .

totropise:: {I} subtropisch.

totrubele:: {U} kibbelen.

totrubelos:: {C} gekibbel.

totūft:: {C} snack (snel [uit de vuist] te eten hap; meestal tussen de maaltijden door).

totuts’:: {C} toetsenbord, klavier (v piano, schrijfmachine ed).

totuts’-trekke-vluto:: {C} accordeon (ihb een balg-instrument waarbij een soort pianotoetsen bediend worden, en geen (ronde) knoppen).

toubāfta:: {I} gefingeerd, onecht; net alsof.

toulān’:: {C} binnenstad, oude stadskern.

toūplef:: {C} halfbloed (zn: persoon).

toūsto:: {C} pleegdochter; schoondochter.

tōvarrs:: {C} kameraad.

tovéert’:: {C} patrouille (groep mensen).

toveldur’:: {C} maatschappij, samenleving.

toverfutos’:: {C} schilderwerk (werk v huisschilder).

toverr:: {C} team.

tovildul’:: {C} geboomte, groep bomen; (pop) bos.

Tovildul’:: {N} (titel gedicht); .

tovlass:: {C; mv= ~a} formaliteit (uiterlijke vorm).

tovlassa:: {mv} »tovlass.

Tōvreena-seert:: {N} "Tōvreena-huis" (museum in Amahagge); .

tovro'egios’:: {C} encyclopedie.

tovyrtosiy:: {I} schijnheilig.

towāks’:: (toāks’) {C} vaarwater, vaargeul.

towālc-āksenter:: {C} (taalk) paroxytonon (woord met hoofdaccent op voorlaatste syllabe, zoals in elk Spok woord met variabel accent).

towaler:: {C} pleegzoon; schoonzoon.

towālta’:: {C} bosgebied (uitgestrekt bos; gebied met bossen).

towerv’:: {S} strubbelingen (problemen met onenigheid of ruzie).

towétriyn:: {C} bocht, slechte waar.

towila'’:: (toila'’) {C} vlechtwerk.

towochete:: {rs} »towoche’.

towoche’:: {C; rs= towochete} grille (v auto); »tooche’.

towuftos’:: {C} bewoordingen; (meestal in mv:) eft letra lef korsamen/riyps ~s: een brief in fraaie/scherpe bewoordingen.

Tōxajas:: {F}.

tōxare:: {U} na donker thuiskomen.

toxāreā:: {I} gewaand, vermeend.

tōxaros:: {C} thuiskomst (als het reeds donker is).

tōxe::

  1. {K} vooronderstellen.
  2. {U} nablijven (op school: voor straf); overwerken (op kantoor).

toxijera’:: {C} kustlijn.

tōxiy:: {I} waarschijnlijk.

tōxos::

  1. {C} het nablijven (op school); het overwerken; overwerk (op kantoor).
  2. {A} vooronderstelling.

toyclómmos:: {C} aanplakbiljet; ef berrare toyclómmōsta, den ...: van de daken schreeuwen dat ...; aan de grote klok hangen dat ....

to’še:: {C} meineed.

to’kaō’:: |to’kō’| {C} garnizoensplaats.

toylāmos:: {C} gilde.

Toylāmos furt Hāpyja-wencaters ur ās Lāmbetiyse-vlemoets:: {N} "Gilde voor Schapenhouders en Lamsvleesslagers" (soort productschap, o.a. ter promotie van lamsvlees; in Opjevu); .

Toylāmos-seert:: {N} "Gildehuis" (populair restaurant met terras in Kanea); .

toyrōqulos:: {A} ef kette ef ~ armt flj: iets laten doorschemeren.

to’rtāness:: {C; mv= to’rtānester} schijnkabinet (waarvan drie of meer ministers demissionair zijn; meestal gaat het hele kabinet dan vallen).

to’rtānester:: {mv} »to’rtāness.

tozalo:: {C} paraaf.

tozampōr:: {C} (licht pej) gepeupel.

tōze:: {K} (fig) afstevenen op.

tozelf’:: {S} (spr) pluimvee.

tozerfe:: {K} overzien, vluchtig doorkijken.

Toziyn:: {F}.

tozjoffatjen:: {C} opschepper.

tozjoffe:: {K} opscheppen over.

tozjoffos:: {A} opschepperij.

tozollos’:: {C} depot (voorraad).

tozuffu’:: {C} pruimenboom (ihb: L. Prunus domestica).

tp:: {afk} »tāp.

TPG:: {afk} »Tigof Pru-gabanos.

TPP:: {afk} (= »trofiy, portstindiy, portariy).

TPR:: {N} (bouwbedrijf in Sinto-Manta (LA)); .

TQ:: {afk} »TQ-benc.

TQ-benc:: {N} (afk= TQ) (bank te Hoggebim); .

tr:: {afk} »•-trom.

-tr:: {afk} »•-trom.

•-tr:: {afk} »•-trom.

trā:: {I} onbereikbaar, afgelegen; eft ~ ileset: een afgelegen (moeilijk te bereiken) eiland.

Trā:: {G} (stad in Neno).

Trabana:: {F}.

trace:: {U} trachten, proberen (iets te doen wat eigenlijk niet in je vermogen ligt); (verplichte kerndeletie in den-zin:) do ~ den obezjere: hij tracht te lachen; gress ~ den klate Jān: ik probeer Jān te overtuigen (het al dan niet slagen v mijn pogingen hangt vd kwaliteit v deze pogingen af, NIET vd vraag of Jān gemakkelijk te overtuigen is); (vgl) gress trije beri klate Jān: ik probeer Jān te overtuigen (het al dan niet slagen v mijn pogingen hangt slechts af v Jāns bereidwilligheid om zich te laten overtuigen; aan mijn pogingen zal het niet liggen).

Traces: occupying deletion voids, or marking deletion?:: {N} (tijdschriftartikel); .

Track:: {N} (bar met feestzalen in Amahagge); .

Tracks:: {N} (particulier railvervoerbedrijf, heette vóór 1999 »QZG); .

trācte:: {K} wakker roepen, wakker schreeuwen.

Trada:: {N} (bouwmarktketen); .

tradam::

  1. {SC} loop (met tijdsbepaling in de gen); fes ef tofec’r ~: in de loop van de dag; fes pert zempersec’r ~: in de loop van vele jaren; »•-tradam.
  2. {III} (lett) vooruit (niet achteruit).

•-tradam:: {SX.c > c} (tijdsbepaling) loop; fes ef tof-~: in de loop van de dag; fes ef zemper-~: in de loop van het jaar; »tradam.

tradamare:: {U} voorlopen (v klok).

tradamarfine:: {U} ~ lef: vooruitkomen met (vorderingen maken).

tradamarte:: {C} (fig) vooruitgang; (= »tradam + »farte).

tradame:: {K} (lett) vooruitzetten (v tafel ed); (fig) voorzien (verwachten).

tradamfarte:: {U} (lett) vooruitlopen, vooruitgaan.

tradamfartelira:: {I} (fig) vooruitstrevend.

tradamfartos:: {C} (lett) vooruitgang; het vooruitgaan/-lopen.

tradamiy::

  1. {C} (fig) vooruitzicht.
  2. {VZ} (betrekking) gaandeweg; in de loop van.

trade:: {Upr} ~ rifo: voorzien zijn van/met.

tradišo:: {C} traditie.

tradišonela:: {I} traditioneel.

Trā-eka:: {G} (baai voor zuidoostpunt v Neno bij Trā); .

trāf:: {I} dicht, op slot.

Trafano-terf:: {W} .

Trāfany:: {M} (Gar).

trāft:: {I} schichtig; kortstondig.

trag:: {I}

  1. {regelm. trappen v verg} traag (v beweging); gebonden (soep, saus); dik (pap); fes ef limaciy-tojesfsā kost limaciy blacroo ~ tom: in de slakkenwedstrijd kroop mijn slak het minst traag;
  2. {ot= pōmsell; mt= matox} traag (v begrip); Lerduex ef brenkā ’rōme matox: Lerdu's hersenen werken het minst traag.

Tragam-arābe:: {N} (crematorium bij Tunbas); .

Tragam-mirra:: {W} .

Tragam-pāt:: {W} .

Tragam Trip-cōmpanšo:: {N} (afk= TTC) (interlokale tramwegmaatschappij, kantoor in Troebas’rt); .

Tragam-zerfos:: {N} (herberg; gemeente Tunbas); .

tragediy:: {C} tragedie.

tragise:: {I} tragisch.

traine:: {K} ~ helkara: opleiden tot.

trainos:: {C} opleiding.

traiy:: {I; [mv=enk]} aan de bosrand gelegen; ef ~ sért: het huis aan de bosrand; eft ~ mirra: een weg langs de rand van een bos; (fig) ef sošolōiy ur ef ~n tiyns: de sociologie en haar randgebieden.

traiy-fini:: {C} natuurlijke grens.

traiy-l’nt:: {C} rooilijn.

Traiy-pāt:: {W} .

traje:: {K; gst= trat} (arch) doen, maken.

trajektiy:: {C} traject.

trājen:: {mv} »trajiy.

trajiy:: {C; mv= trājen} [dikke] houten balk; (ihb) verticale (staande) balk in een vakwerkconstructie; »mōlt.

trajiygōrde:: {S} vakwerk (bouwconstructie van een houten frame, gevuld met klei, leem of baksteen).

trajiygōrdos:: {S} vakwerk (als bouwmethode).

Trajiy-mirra:: {W} .

Trajiy-plep:: {W} .

trajo:: {I} (lett) gewrongen, verwrongen.

trajofuts:: {vdw} »trajofutsitée.

trajofutsitée:: {K; vdw= trajofuts} (alg) verwringen.

trajofutsitéos:: {C} (alg) verwringing.

trajota:: {C} grimas.

trāk::

  1. {VZ} (plaats; vrnl horizontale richting) vanaf, weg van; ef ārg ~ ef karé hiycce ef kah: de loopplank vanaf de boot tot aan de kade; gress byte ef nodās ~ do: ik sla de muggen van hem af; do reve ~ ef rufa: hij schiet vanaf de torentrans; »rempe.
  2. {VZrs} (richting; in horizontale richting) weg van, van ... vandaan; do frajjae ~ ef qulle (rs!): hij rent weg van de vuurzee; ef vogily zōle [tijā] ~ ef rufae (rs!): de vogel vliegt [weg] vanaf de torentrans; »rempe; »ryses.

trāke:: {K} smijten, wild (ongericht) gooien.

trāker:: {I} zich verwijderende, ervandaan gaande; ef ~ treno l’ ef garrent: de uit het station wegrijdende trein; de trein die zich verwijdert van het station.

trākk'mi:: {C} uithoek.

trākos:: {C} gesmijt, wild gegooi.

trākt:: {C} traktaat.

trākter:: {I} (arch); »trāker.

Trām:: {F}.

tramāte:: {U} stampen, werken (v schip).

tramātos:: {C} gestamp (v schip).

tramiy:: {I; [mv=enk]} smeuļg.

tramm:: {I} schielijk, haastig; urgent.

Tramme:: {G} (dorp; gemeente Polefi-Jariālo).

trammende:: {U} spoeden (zich snel begeven naar iets); »tramm; »vende.

trān:: {I} open (veld/zee/water); ef ~ zé: het ruime sop.

trāne:: {K} (alg) [uit]strekken; (ihb) ophouden (v hand).

Trānn:: {F}.

Trano:: {J}.

trānos:: {C} (alg) uitstrekking; (ihb) het ophouden (v hand).

trānsare:: {U} in trance raken.

trānse::

  1. {U} in trance zijn.
  2. {K} ~ ón: (pop) veranderen in; »trānsformere.

trānsformašo:: {C} verandering, transformatie.

trānsformater:: {C} transformator (elektrisch).

trānsformere:: |..’je| {K} ~ ón (ón is dt/vz): veranderen in, transformeren in.

trānsformere-plūg:: |..’je-| {C} verloopstekker.

trānsister:: {C} transistor.

trānslatašo:: {C} (alg) vertaling; (arch) verplaatsing.

trānslatere:: |..’je| {K} (alg) vertalen; (arch) verplaatsen; ~ tjāg: vertalen met/door; ~ helkara: vertalen naar/in (fig).

trānslaterr:: {C} vertaler.

tranšō:: {I} bovendien; (dikwijls als inleidende bijstelling, gevolgd door komma) ~, do [enn] ef kles moje: hij heeft bovendien het gras gemaaid; ur ~ melde ...: en daarbij komt nog ....

trāns-plūg:: {C} (spr) verloopstekker; »trānsformere-plūg.

trānsportašo:: {C} (lett) aanvoer.

trānsportere:: |..’je| {K} (lett) aanvoeren.

trapistiy:: {C} trappist (mnl lid v RK kloosterorde).

trapistiy-bjerr:: {S} trappistenbier.

traplol:: {C} veroordeling (juridisch).

traplole:: {K} ~ furt: veroordelen tot; ~ rifo: veroordelen wegens; blul traplolelije dōe rifo ef zaftakyn furt jola-tjel lóf 2 hertels: hij wordt wegens de diefstal tot 2 maanden gevangenisstraf veroordeeld.

traplolor:: {I} ~ furt: veroordeeld tot.

traplolos:: {C} veroordeling, het veroordelen (afkeuren).

trapp:: {C} vis (mnl).

Trapp ur Plora:: {N} (herberg op het eilandje Zvomina; gemeente Yfte); .

Traquera:: {N} (pretpark in Tosiy, met de grootste achtbaan in Spok); ; (DOM 158).

tras:: {C} waterkant (smal deel v oever, direct aan het water).

trās:: {C} bijl; »étārt.

trat::

  1. {C} [slag]boom.
  2. {gst} »traje.

trāte:: {I} wrang, bitter (v smaak).

trātere:: {K} (fig) verbitteren.

trāteros:: {A} (fig) verbittering.

Trātre Zyss:: {F}.

trātse:: {E} kletteren (met lawaai kapotvallen).

travint:: {S} aardewerk, keramiek.

travintiy:: {I} aarden, van aardewerk gemaakt; eft ~ sejis: een aarden schotel.

trav’:: {C} schrik; furt kost ~: tot mijn schrik.

trav’baniyl:: {I} schrikaanjagend.

trāx:: {S} (alg) spek.

Trea-helmy:: {N} (grot in Vyl-Āster; gemeente Tosiy); .

Trecha:: {F}.

Trecha-Moffain-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Abenatošā); .

Tree:: {M}.

Treebā:: {F}.

Treek:: {G} (stad in Renō).

Treek-weg:: {W} .

trefe:: {U} (zo hoog hangen/zich bevinden dat je er niet bij kan); ef zeft ~ ón gress: ik kan niet bij de bel.

Trefiycha:: {G} (dorp; gemeente Seerts); (DOM 84-85).

Treft-mirra:: {W} .

trege:: {I} wulps, hoerig, wellustig, uitdagend (vrouw).

TreGe:: {afk} »Trendon Gerlas.

tregg:: {C} hoer.

Trei:: {F}.

trejaniy:: {C} rivierdelta.

trejaniy-gobiy:: {C} dikkopje (vis) (L. Pomatoschistus minutus).

Trejasu:: {G} (stad in Plefō).

trek:: {C} kreupelhout, bosje, klein struikgewas.

trekhor:: {C} lot (v loterij).

trekhore:: {K} loten om.

trekhore-mip:: {K} verloten.

trekhore-tijā:: {K} uitloten.

trekhoros:: {C} loterij; loting.

trekhoros-mip:: {C} verloting.

trekhoros-tijā:: {C} uitloting.

trekk:: {C} (lett) schuifla; (fig) aftrek.

trekkārp:: {C} trekhaak (aan auto).

trekke::

  1. {K} (alg; ook v klanten, toeristen ed) trekken; (ihb) wieden (v onkruid).
  2. {E} aftrek vinden.

trekke-armt:: {K} aantrekken (magneet, zwaartekracht).

trekke-armt-crāf:: {C} (lett) aantrekkingskracht.

trekke-kaf:: {K} overtrékken (v vliegtuig).

trekke-mip:: {K} uittrekken, uitdoen (v kleren).

trekke-preip:: {K} (lett) optrekken, omhoogtrekken (v gordijn, brug ed); (fig) opkrikken, stimuleren, aansporen, vergroten.

trekke-vluto:: {C} accordeon, trekharmonica, trekzak (alg: elk muziekinstrument dat met een balg werkt).

trekk-kelbra:: {C} commode, [lage] ladekast.

trekknolac:: {C} aanhanger (achter vrachtauto); .

trekkos:: {C} trek, het trekken.

trekkos-mip:: {C} het uittrekken (v kleren).

trek-pak:: {C} kaapstander.

trelpe:: {U} werken (v hout/muur).

trem:: {C} [stads]tram; »trip; .

trem-gara:: |-gAra/-garA| {C; mv= ~es} tramremise; .

trem-garaes:: {mv} »trem-gara.

Trem-gara-mirra:: {W} .

Trem-gara-museem:: {N} "Tramremise-museum" (museum in Amahagge); .

trem-gert:: {C} [tram]conducteur.

trem-l’nt:: {C} tramlijn (lokaal).

tremmirra:: {C} tramrail[s] (in de rijweg).

trempatjen:: {C} (alg) lezer (die in een concreet geval iets leest).

trempatt:: {I} leesbaar.

trempe:: {K} lezen.

trempe-blātiy:: {C} leesteken.

trempe-hups:: {K} voorlezen.

trempelmit:: {C} (alg) leeszaal; (ihb) leeskamer, bibliotheek (in groter woonhuis).

trempe-mimpit:: {C} bestseller, veel gelezen/gekocht boek.

tremper:: ~ rifo Erget {C} (mnl lid vd Erg kloosterorde »Wālka rifo ef Trempers).

trempera:: ~ rifo Erget: {C} (vrw lid vd Erg kloosterorde »Wālka rifo ef Trempers).

trempe-sel:: {C} leescel; (vele oude bibliotheken (o.a. Stadsbibliotheek te Hirdo) hebben cellen, waar de lezer met zeer kostbare werken opgesloten kan worden, om diefstal vd boeken tegen te gaan; d.m.v. een tafelbel kan men te kennen geven dat men vrijgelaten wil worden).

trempe-specc:: {C} leesbril.

trempest:: {C} lezer (iemand die als liefhebberij literatuur leest) .

trempe-tivjās:: {I} onleesbaar (schrift).

trempit:: {C} leesboek.

trempos:: {C} legende.

Tren:: {G}

  1. (stad in Litii).
  2. (waterval in de Lassos; gemeente Tren); .

trénare:: {K} schuilen voor.

trénbā:: {I} behendig.

trence:: {K; vdw= trent} onderdompelen.

trencos:: {C} onderdompeling.

Trendon:: {G}

  1. (stad in Munt); (DOM 105-106).
  2. (grote rivier van Lafter-gebergte naar Hildi-inham); .

Trendon-ager:: {W} .

Trendon-belt:: {G} (stad in Munt).

Trendon-blacroer:: {C} kleine modderkruiper (vis) (L. Cobitis taenia).

Trendon Gerlas:: {N} (afk= TreGe) (gemeentelijk vervoerbedrijf v Trendon); .

Trendon-kah:: {W} ; (DOM 209).

Trendon-kanol:: {G}

  1. (kanaal langs de Trendon tussen Amestā en Trondom); .

  2. (kanaal in Hirdo, tussen de Trendon en het spoorwegemplacement); .

Trendon-kanol-mirra:: {W} .

Trendon-klarb’r:: {G} (dorp; gemeente Duji).

Trendon-MG:: {N} (station).

Trendon-mirra:: {W} .

Trendon-mōjōl:: {G} (dorp; gemeente Zekon); (DOM 57-58).

Trendon-mōjōl-sentraliy:: {N} (voormalige elektriciteitscentrale; gemeente Zekon); .

Trendon-Perhāx:: {N} (station).

Trendonpōnt:: {G} (dorp; gemeente Tenkō).

Trendon-sōsa:: {S} ragout, dikke vleessaus.

Trendon-Tryjumf:: {N} (station).

Trendon ur Trondom Tāmp-Arānka:: {N} (afk= TTTA) (voormalige spoorwegmaatschappij; de eerste in Spok (1871)); .

Trendon-wālj’:: {W} (stadswijk in Hirdo); .

Trendon-wālj’-covent:: {N} (RK klooster; gemeente Šark); .

Trendon-wālj’-pāt:: {W} .

Trendon-wālj’-weg:: {W} .

Trendy Mill:: {N} (voormalige elektriciteitscentrale, nu cultureel centrum, bij dorp Trendon-mōjōl); .

tréne:: {U} ~ [tygtja]: schuilen [voor].

Trengemiy:: {N} (chemische fabriek, in Tren); .

Trenkary:: {F}.

treno:: {C} trein.

treno-āskān:: {C} spoorlijn; »•ān.

trenoeren:: {C} treinenloop.

treno-forts:: {Cmv} spoorboekje, dienstregeling.

treno-gert:: {C} [trein]conducteur.

treno-lofa:: {C} treinkaartje; .

trenomirra:: {C} spoorrail[s].

Treno-mirra:: {W} .

treno-moplariy:: {C} treinongeluk; (het 1e treinongeluk in Spok vond plaats op 5 maart 1873 bij Trendon, toen een trein door een steen op de rails ontspoorde; hierbij vielen 8-10 doden (de bronnen spreken elkaar tegen), waaronder de beeldhouwer Moffain Quzoji-Pr’r).

Trenos:: {N} (maandblad voor spoorweggeļnteresseerden); .

Treno-weg:: {W} .

trent:: {vdw} »trence.

Trents:: {G} (stad in Jelafo).

treox:: {gst} »treoxje.

treōx:: {vdw} »treoxje.

treoxje:: {K; gst= treox; vdw= treōx} schroeien, blakeren.

treoxjos:: {C} schroeiing, blakering.

Trert:: {F}.

treske::

  1. {K} dorsen.
  2. {Krs} (trans) [uit]doven, uitdoen (v licht, kaars ed).
  3. {Upr} (intrans) [uit]doven, uitgaan (v licht, kaars ed).

treskos:: {C}

  1. (graan ed) dorsing, het dorsen.
  2. (licht/kaars ed) [uit]doving, het uitdoven; het uitgaan.

treskosés:: {C} dorsvloer; (= »treskos + »wés).

Trest-mirra:: {W} .

tret:: {C} (dl= Ales) opdonder, dreun.

tretare:: {K} ~ flj ón rst: iemand trakteren op iets.

trete:: {K} ~ rst: (alg) iemand trakteren; (dl= Ales) iemand een opdonder/dreun verkopen.

tretos:: {C} traktatie.

Treüles:: {F} (Peg).

tribunn:: {C} tribune.

Trifchost:: {F}.

trijare:: {K} monsteren.

trijaros:: {C} monstering.

trije::

  1. {K; gst= trit} [uit]proberen; [aan]passen; gress ~ dena kleter ynt-pāsta: ik probeer deze nieuwe tandpasta; aftel g’rs tritavy ef bof?: wilt u de broek passen?.
  2. {U; gst= trit} ~ beri/den: proberen te; do ~ beri obezjere: hij probeert te lachen; »trace.
  3. (tdw; geeft speciale constructie; zn komt vóór trijelira, een ww erachter; de erop volgende bijzin in de toekomende tijd) door, als men ..., [dan] zal men ...; šōnosos ~lira, ef di pónzu ’ršaag terat: door het samen te vatten, zal het duidelijker worden; ~lira vende tjāg ef oto, tu di mešanu wānta: door met de auto te gaan, zul je er eerder zijn.

trije-eksām:: (= trije-exām |ks|) {C} herexamen.

trije-exām:: {C} »trije-eksām.

trijelira:: (tdw); »trije 3.

trijelmit:: {C} paskamer.

trijeniy:: {I} proefondervindelijk.

trijos:: {C} (alg) monster, staal[tje]; proef[model]; probeersel; (arch/ambt) keuring[sdienst] (vrnl in eigennamen, zoals Ÿrūša-trijos: Voedselkeuring).

triko::

  1. {Sef} tricot.
  2. {I} van tricot gemaakt.

triljōn:: {TW} triljoen (biljoen x miljoen).

trille:: {S} molm.

trimachō:: {C} hulst (L. Ilex aquifolium).

Trimachō-mirra:: {W} .

trim’r:: {SC} liefdesverdriet; heimwee naar je vaderland.

trim’ra:: {C} patriot.

Tringles:: {N} (restaurant en grand café in Conityje); .

Trinitāt:: {G} Trinidad.

triogr’še:: {C} driepersoonsfiets, tandem met drie zadels achter elkaar.

trip:: {C}

  1. [interlokale] tram; »trem;
  2. tocht, trip (kleine reis).

Trip-frints:: {N} "Tramvrienden" (stichting die strijdt voor het behoud van (onrendabele) tramlijnen; in G’rō); .

trip-gara:: |-gAra/-garA| {C; mv= ~es} tramremise.

trip-garaes:: {mv} »trip-gara.

Trip-gara-lirrotiy:: {W} .

trip-l’nt:: {C} tramlijn (interlokaal).

tripmirra:: {C} tramrail[s], spoorbaan voor interlokale tram (die in Spok meestal niet op de rijweg rijdt).

Trip-mirra:: {W} .

Trip-plep:: {W} .

Trip-sentrym:: {N} "Tramcentrum" (oude tramremise, nu markthal, in Hirdo); .

Trip-weg:: {W} .

trisāgo:: {C} »Trisāgo.

Trisāgo:: {C} (Erg: drie-eenheid, gesymboliseerd door geesten (= bedreiging), paddenstoelen (= beschermende krachten) en vogelnesten (= bescherming, afweer tegen de bedreiging; hoewel deze drie elementen reeds in de Ergemip een belangrijke rol spelen, zijn zij in ca. 1650 als "drie-eenheid" verklaard, als een soort parodie op de christelijke pendant; het idee vd drie-eenheid is waarschijnlijk afkomstig van enkele monniken in het Br’ro-klooster bij Metie).

Trisāgo-koles:: {N} ("overgangsschool" in Amahagge); .

Trisāgo-mirra:: {W} .

Trisāgo-mōbāriy:: {N} (monument; gemeente Cōs); .

trisket::

  1. {Aef} lichtgeraaktheid; kleingeestigheid.
  2. {I} lichtgeraakt; kleingeestig.

triskete:: {E} prikkelbaar zijn.

trisketos:: {A} prikkelbaarheid.

trit:: {gst} »trije.

trit’r:: {C} ananas.

Triyšā:: {N} (»wegs’rt langs autoweg M6; gemeente Āpō); .

Triyfāf::

  1. {G} (dorp; gemeente Amentōlestu).
  2. {N} (mineraalwatermerk); ; (DOM 93).

Triyfāf-liskosos:: {N} (mineraalwaterfabriekje te Triyfāf); .

triyft:: {C} dansmug (L. Chironomus annularis).

triyka:: {C} geschifte, gek (persoon).

triyt:: {C} houtsplinter.

triyte:: {U} [ver]splinteren.

triytos:: {C} versplintering.

Trizziy:: {F}.

trjōmpe:: |trō..| {U} (zich zo gedragen dat de aanwezigen zich opgelaten voelen en/of vertrekken).

trjōmpos:: |trō..| {C} (onhebbelijk gedrag waarbij de aanwezigen zich opgelaten voelen en/of vertrekken).

trk.:: {afk} »tārkiy; »tārko.

Trobensta:: {G} (stad in Jelafo).

Trobensta-arābes:: {W} (buurtschap); .

Trobensta-pārc:: {G} (park in Amahagge); .

Trobensta-pāt:: {W} .

Trobensta-plep:: {W} .

trōchā:: {C} wiel, rad.

trōchā-bas:: {C} wielbasis.

trōchā-cheltiy:: {C} rolschaats.

trōchā-decs:: {C} wieldop.

trōchā-ferdu:: {C} rolstoel.

trōchā-kūfōs:: {C} rijverkeer; »tiffug-kūfōs.

Trōchā-lirrotiy:: {W} .

Trōchā-spura:: {W} .

tróda:: {C} verdieping, etage (begane grond meegerekend); fes ef értef ~: op de begane grond/parterre; fes ef fārtef ~: op de DERDE verdieping.

tróda-dlavor:: {I} split level; eft ~ rastobos: een split-level bungalow.

tróda-dlavos:: {C} splitlevel.

Troeba armt ef Ses:: {G} (dorp; gemeente Troebas’rt).

Troeba-lofipana:: {N} (paleis; gemeente Troebas’rt); .

Troebas’rt:: {G} (stad in Ales).

Troef::

  1. {F}.
  2. {N} (»šarkdomenn bij Kiven; district Kina); .

Troef-riygā-weg:: {W} .

Troef ur Atelva:: {N} (afk= T&A) (uitgeverij in Blumarr); .

Troem-lirrotiy:: {W} .

Troem-mirra:: {W} .

Troener-pāt:: {W} .

trofaliy:: {I; [mv=enk]} treurend.

trofaliy-iextō:: {C} [groene] treurwilg (L. Salix babylonica).

Trofi:: {F}.

Trofila:: {F/J/M}.

trofiy:: {C} post[erijen]; ~, portstindiy, portariy (afk= TPP): PTT (alternatieve benaming v dit staatsbedrijf, ipv PTT); (trofiy en enkele v zijn samenstellingen refereren tegenwoordig aan het postwezen op het platteland; in steden zijn pōst met zijn samenstellingen gebruikelijker); »pōst.

trofiyare:: {K} bezorgen (v post).

trofiyaros:: {C} bezorging (v post).

trofiyatjen:: {C} postbode, brievenbesteller (op platteland); »pōster.

trofiye:: {K} posten, ter post bezorgen (op platteland); »pōste.

trofiy-kinner:: {C} ansichtkaart.

trofiy-nakaftos:: {C} (afk= tro/na) rembours; luft ~ (luft tro/na) = fara ~ (afk= f/tn): onder rembours; ef zālbinase flj luft tro/na = ef zālbinase flj f/tn: iets onder rembours verzenden.

trofiyos:: {C} terpostbezorging.

trofiyta:: {C} geadresseerde.

trofiytiyn:: {C} (alg) poststuk; (arch) brief.

trofsért:: {C} postkantoor (op platteland); »pōstsért.

Troftam::

  1. {F}.
  2. {N} (fabriek in Clatō v producten v metaaldraad, zoals mandjes, roosters, wasrekken, vogelkooien ed); .

Trōftia-mirra:: {W} .

Trofy:: {G} (hoofdstad v Neze).

Trofy-fonis:: {G} (baai met inham langs noordkust v Neze bij Pitu); .

Trofy-kabi:: {N} (uitgeverij in Trofy); .

Trofy-trem:: {N} (afk= TRTR) (voormalig trambedrijf in Trofy); .

Trofy-t’den:: {N}

  1. (huidig regionaal ochtenddagblad op Tigof en Lomky); .
  2. (weekblad uit de vorige eeuw; propageerde onafhankelijke, katholieke republiek, bestaande uit Tigof, Lomky en Garos; heeft slechts tussen 1819 en 1837 bestaan); .
  3. (voormalige uitgeverij in Trofy); .

Trōg:: {G} (dorp; gemeente Halefiytjō).

troja:: {I} kuis, zedig, zedelijk.

Troja:: {J}.

trojaiy:: {A; mv=enk; rs= trojatt} zedelijkheid.

Troja-rens-gart:: {W} .

Troja-rens-siyclo:: {W} .

Troja-rens-ulān:: {W} .

Troja-rens-wees:: {W} .

trojatt:: {rs} »trojaiy.

trojo:: {I; vt= vóz’r; ot= trotiy; vk= lāgt; mt= qury} aangenaam, prettig; lekker, fijn (waarbij je je prettig voelt); ef ~ hupster karé: een lekker groot schip; ef mirre lo ~: lekker/fijn wandelen.

trojy:: {C} zede.

troj’:: {C} lettergreep, syllabe; »toroji’.

trojye:: {K} mores leren; tot de orde roepen.

trojy-painos:: {A} zedenleer.

trōl:: {C} kabouter.

trōle::

  1. {E} toveren.
  2. {U} krimpen.

trōlos:: {C}

  1. toverkunst[je].
  2. krimp; het krimpen.

trom::

  1. {C} vierkant (zn).
  2. {SX} »•-trom.

-trom:: {SX} »•-trom.

•-trom:: {SX} (afk= -tr) vierkante (bij maten); (bijv) meter-trom (afk= m-tr): vierkante meter (m²); 1 ins-trom (afk= 1:tr): vierkante ins (12,13 cm²); .

tróma:: {C} gebak[je], taartje.

tromiy:: {I} vierkant (bv).

tromlot:: {C} vakje, hokje.

trona:: {C} (spr) rembours; »trofiy-nakaftos.

tro/na:: {afk} (= trofiy-nakaftos); »trona; »trofiy-nakaftos.

Trondom::

  1. {G} (stad in Plefō); (DOM 105-106).
  2. {N} (klein vliegveld; gemeente Trondom); .

Trondom-Cālf:: {N} (station).

Trondomex ef Gōlf-clup:: {N} (golfterrein; gemeente Has-belt); .

Trondom-koles:: {N} "Trondomse School" (ca. 1875; nieuwe schildersstroming; bekendste vertegenwoordigers zijn Celf Hūnt en Giyner).

Trondom-MG:: {N} (station).

Trondom-Prusot:: {N} (station).

Trondom-quiyrda:: {N} (regionaal ochtendblad in Trondom en omstreken); .

Trondom-Zutter:: {N} (station).

trōne:: {K} overhalen, overreden.

tróne:: {K} smokkelen.

trónebet:: {C} sluikhandel.

tróner:: {C} smokkelaar.

tronōs:: {C} troon; ef rupke flj mip ef ~: gewag maken van iets.

trōnos:: {A} overhaling, overreding.

trónos:: {C} smokkel, het smokkelen.

tronōs-fōlgté:: {C} troonopvolger.

Tronōs-mirra:: {W} .

Tropicana:: {N} ("tropisch" restaurant in het attractiepark bij Quobenta); .

tropise:: {I} tropisch.

Tropiy-mirra:: {W} .

trops:: {Cmv} tropen (mv).

Trops-arābe:: {G} (park in Aflif); .

Trōsterre-weg:: {W} .

trotiy:: {I; [mv=enk]; =ot v olla en trojo} [het] fijnst, aangenaamst; »olla; »trojo.

trótiy:: {I; [mv=enk]} effen (v kleur); formeel, stijf (v gedrag/opvatting).

trott:: {C} zwerver.

trottare:: {U} rondzwerven, zwalken.

trotte:: {U} zwerven.

trotte-poh:: {C} zwerftocht.

trottos:: {C} (alg) zwerftocht; het zwerven; (spr) kroegentocht.

Trottos-pāt:: {W} .

trovōc:: {C} hoopje stenen; getal.

trovōce:: {K} (lett) ophopen.

trovōciy:: {I} in groten getale.

Trovōc-korfe:: {N} "Getal-mand" (populair tv-programma, een quiz en loterij waarbij kijkers geldprijzen kunnen winnen); .

trovōcos:: {C} ophoping, het ophopen.

trovōctiyn:: {C} hoop, berg, ophoping.

TRTR:: {afk} »Trofy-Trem.

trubele:: {U} twisten.

truch:: {C} bezoek, visite; ef kette eft ~ ón: een bezoek brengen aan.

truchiy:: {I} gemoedelijk.

Trūšāme-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Monanee); .

Trūšāme-korda:: {N} (Erg kerkje bij Conityje; gemeente Hajofese); .

truff:: {C} aanwinst (vrnl lett); dena kleter kreslō melde eft ubāfta ~: die nieuwe fauteuil is een hele aanwinst.

trufō:: {I} juist, waar; fara fit ~: hoe dan ook; sowieso.

trufōe:: {U} waar zijn; kurrelira ~ (afk= k.tr.): als het ware; (tdw; geeft samen met merfelira speciale constructie) ... ~lira ral ur ... merfelira zuf: zo ... als nu, zo ... als toen; do melde flifados ~lira ral ur iftšormt merfelira horit: zo aardig als hij nu is, zo vervelend was hij vroeger; do felda mubātolmo kusamat tu lāst’rō merfelira ur do haiyrume lef ef āmpiy unkettos sumā tu ral ~lira: zo gespannen als hij daarnet nog naast je zat, zo vol tedere overgave leunt hij nu tegen je aan.

Truh:: {M}.

trull:: {C} (Erg) altaar, offersteen, offertafel (buiten, om lammeren/stierkalveren ritueel te slachten; meestal onder heilige boom of op heuveltop; een ~ die binnen in een kerk staat, is meestal een marmeren tafel bedekt met damasten kleed, waarop diverse voorwerpen (kaarsen, bokalen, slofaro-kan ed) uitgestald staan; op een apart kanten kleed staat de kist voor de »stūléos); »slofaro; .

trull-dryk:: {C} (Erg) offertafel.

Trull-mirra:: {W} .

trull-rovretos:: {A} ef traplole fes ~: bij verstek veroordelen.

trumle:: {U; gst= trumm} trommelen.

trumlezorā:: {C} trommelstok, drumstick.

trumm:: {gst} »trumle.

trumpetiy:: {C} trompet.

trumpetmerr:: {C} trompettist.

trune:: {U} gek zijn, getikt zijn (personen); we, tu ~!: ach, je bent gek! (als reactie op een onzinnige uitlating v iemand).

trūnig:: {I} uitdagend (tartend/uit de tent lokkend).

trūnige:: {K} uitdagen (tarten/uit de tent lokken).

trūnigos:: {A} uitdaging (het tarten/uit de tent lokken).

trunn:: {C} (alg) staart (v dier); (fig) nasleep.

trunn-dōlze:: {C} pijlstaart (eend) (L. Anas acuta).

trunn-haje:: {C} voshaai (L. Alopias vulpinus).

trunn-helk:: {C} staartmees (L. Aegithalos caudatus).

trunn-ketter:: {C} hazelworm (L. Anguis fragilis).

trunnōave:: {U} kwispelstaarten, kwispelen.

trunnōavos:: {C} gekwispel.

trunn-star:: {C} komeet.

trunntat:: {C} achterlicht (v auto, fiets).

trunn-teper:: {C} rouwkwikstaart (L. Motacilla alba yarrellii).

trunntiyn:: {C} achterste, achtereind, zitvlak.

Trunschen:: |trunsen| {G} (stad in Munt); ; (DOM 123-124).

trūnt:: {I} benepen.

trūnta:: {I} uitgeput (v voorraad, mijn ed).

trup:: {C} troep (groep).

Trupiy:: {G} (stad in Bloi); (DOM 130).

Trupiy-mirra:: {W} .

Trupiy Quobett:: {N} (blikfabriek in Trupiy); ; (DOM 130).

Trupjystįs:: {F} (Gar).

trurg:: {I} treurig.

Trus::

  1. {F}.
  2. {G} (stad op Teujan).

trūse:: {mv} »truss.

truss:: {C; mv= trūse} [zang]lijster (L. Turdus philomelos).

truss-fr’cc:: {C} grote lijster (L. Turdus viscivorus).

trusske:: {I} bevredigend.

Truss-plep:: {W} .

Trust:: {F}.

trustane:: {I} argeloos.

trustatt:: {I} betrouwbaar.

truste:: {K} vertrouwen (ww).

truste-linnos:: {A} vertrouwenskwestie.

trustiy:: lelperre eft ~ kura rst: aankunnen op iemand.

trustos:: {A} vertrouwen (zn); ef ~ ón rst: het vertrouwen in iemand; ef ubere rst furt ef ~: iemand in vertrouwen nemen.

trustyy:: {I} vertrouwelijk.

trut:: {C} trui.

tr’:: {C} »tr’je.

tr’•:: {PX.c > c} probeer•, proef•, pas•; »trije; »tr’-.

tr’belp:: {C} proefdier.

Tryf:: {F}.

Tryfge:: {F}.

tryft:: {C} pak, pakket.

Tr’ft:: {G} (rivier van Girdes-gebergte naar de Ālfrych); .

tryfter:: {C} pakhuis.

Tryfter-grāg:: {W} .

Tryfter-mirra:: {W} .

Tryfter-pādra:: {W} .

trygtā:: {C} trechter.

trygtā-chént:: {C} trechterzwam (L. Clitocybe); grist ~: knotsvoettrechterzwam (L. C- clavipes); plōf ~: grote trechterzwam (L. C- geotropa); o'icrā ~: slanke trechterzwam (L. C- gibba).

tr’je:: {C} (= tr’) (dl= Tigof/Lomky) spinnewiel.

tryjumf:: {C} poort.

Tryjumf-lirrotiy:: {W} .

Tryjumf-mirra:: {W} .

tr’j’nt:: {C} proefmodel.

tr’kyl:: {C} paspop, buste.

tr’kyliy:: {I} (taalk) onbezield, inanimaat (alle entiteiten die geen mens of dier zijn).

Trymt:: {N} (internationale luchthaven bij Hirdo); .

Trymt Luggage Services:: {N} (afk= TLS) (bagageafhandelingsbedrijf op de luchthaven Trymt); .

Trymt-blufk-mirra:: {W} .

Trymt-lirrotiy:: {W} .

Trymt-lofipana:: {N} "Trymt-paleis" (museum in Amahagge); .

tryp::

  1. {Sef} velours.
  2. {I} van velours gemaakt.

trypfāsto:: {C; mv= ..fāstōe; rsmv= ~tt} lap velours.

trypfāstōe:: {mv} »trypfāsto.

trypfāstott:: {rsmv} »trypfāsto.

tryp-huron:: {C} afrikaantje (bloem) (L. Tagetes).

Tryp-plep:: {W} .

Tryslaša-krur:: {G} (rotswand; gemeente Crānt); .

tr’sért:: {C} laboratorium.

tr’s’rt:: {C} proefstation.

tr’ts:: {C; mv= ~a} echt walstro (L. Galium verum).

tr’tsa:: {mv} »tr’ts.

tryunne:: {U} ~ armt: klaar/gereed staan/liggen voor; ef ojelstos ~ armt kirnem: de bestelling ligt voor u klaar.

tr’veldur:: {C} proefpersoon.

Tšāšū:: {F}.

tsāke:: {U} stotteren.

tsāste:: {U} ritselen (dorre bladeren).

tsāstos:: {C} geritsel (dorre bladeren).

tšatt:: {IIef} Tsjadisch (bv).

Tšatt:: {G} Tsjaad.

Tšatta:: {Cef} Tsjadische vrouw.

Tšatty:: {Cef} Tsjadiėr.

tsazi:: {VZ2n}

  1. (betrekking) naar aanleiding van, ingevolge; ~ ef tildā critiycs, gress nert miypare beri lutterafe ef stāgos: naar aanleiding van de slechte kritiek voel ik er niet zo veel voor om de voorstelling te gaan zien; ef nert melde ~ tsil/zirrel! (2niv!): aan mij/hem ligt het niet! (enz); ef melde ~ ef menester, blul armtstāgelije ef regliss mas: als het aan de minister ligt, wordt de regel morgen ingevoerd (als de minister het voor het zeggen heeft); āme ef melde ~ tsil: wat mij betreft, als ik het voor het zeggen heb, als het aan mij ligt;
  2. (doel) teneinde, om; do vende helkara Spooksoliy ~ doex ’métos enn sener sour: hij gaat naar Spokaniė om zijn zuster te ontmoeten; mas óps arfine ~ ef ’lardos: ze komen morgen eten; gress nert arfinecū ~ ef ’c’rtiros enn tu: ik kan je niet komen helpen;
  3. (gelijktijdigheid) bij, terwijl; ~ ef ’gyros enn ef argerat ...: bij het openen van de deur ... (als/toen ik de deur open[de] ...).

tsazze::

  1. {K} aanleiding geven tot; zorgen voor.
  2. {U} opslaan, omhooggaan (v prijzen).

tsazziy:: {C} opslag (v prijzen).

tsazzos:: {A} aanleiding.

ts.b.r.:: {afk} (= tsazi »blaffos rifo).

TSC:: {afk} »Tentef Stabōos-cōmišo.

Tšega:: {Cef} Tsjechische vrouw (sinds de splitsing v Tsjechoslowakije).

tšegiy:: {IIef} Tsjechisch (bv; sinds de splitsing v Tsjechoslowakije).

Tšegiy:: {G} Tsjechiė (sinds de splitsing v Tsjechoslowakije).

Tšego:: {Cef} Tsjech (sinds de splitsing v Tsjechoslowakije).

Tšegōf:: {F} Tsjechov (naam v Russische schrijver).

Tšegolanda:: {Cef} Tsjechische/Tsjechoslowaakse vrouw.

tšegolandes:: {IIef} Tsjechisch, Tsjechoslowaaks (bv).

Tšegolandes:: {G} Tsjechoslowakije.

Tšegolando:: {Cef} Tsjech[oslowaak].

tšegolant:: {C} Tsjechisch (taal).

tsela:: {I} gemeenzaam.

tsem:: {C} kram.

tsento:: {C} aanhef (v gezang ed).

tsentoe:: {K} aanheffen (gezang ed).

tser:: {C} korte trilling.

tsere:: {U} trillen.

tsere-kles:: {S} pōr ~: bevertjes (trilgras-soort) (L. Briza media).

tseros:: {C} trilling, getril.

tserra:: {C} geritsel.

tsil:: {PV; rs= ~le (arch) of tsiyle; 2niv-1enk} mij, me; do nert unere ~: hij verstaat me niet; óps tsiyle afānole: ze hebben mij achtergelaten.

tsille:: {rs} »tsil.

tsiyle:: {rs} »tsil.

tsiymā:: {C} bergweg, bergpad.

Tsiymā-na-Abertō:: {W} .

Tsiymā-na-Giyl:: {W} .

Tsiynf-plākom’:: {N} (tunnel in de M8; gemeenten Kwāgseert en Staef); .

tsiyp:: {C} tik.

Tsjech:: |tsek| {G} (hoofdstad v Tigof, in Neno).

Tsjech Lejas SQB:: |tsek| {N} (voetbalclub in Tsjech); .

Tsjech-Lysse:: |tsek-| {N} (station).

Tsjech-MG:: |tsek-| {N} (station).

Tsjech Oto-Fabrokiy:: |tsek| {N} »TOF.

Tsjech-Port:: |tsek-| {N} (station).

Tsjech-spura:: |tsek-| {W} .

Tsjech-Trem-ur-Gerlas:: |tsek-| {N} (afk= TTG) (gemeentelijk vervoerbedrijf v Tsjech); .

Tsjok:: |tsok| {G} (rivier van de Cheetucjā naar Tsjok-meer); .

Tsjok-blacroer:: |tsok-| {C} "brakke modderkruiper" (vis in het Tsjok-meer) (L. Cobitis tigofensis).

Tsjok-eka:: |tsok-| {G} (dorp; gemeente Halaresto).

Tsjok-gobiy:: |tsok-| {C} Tsjok-grondel (leeft in Tsjok-meer) (L. Gobius rutilus).

Tsjok-koern:: |tsok-| {N} (camping); .

Tsjok-pōnt:: |tsok-| {G} (dorp; gemeente Alas, district Flāp).

Tsjok-rivo:: |tsok-| {W} .

Tsjok-ses:: |tsok-| {G} (meer in Flāp, gevoed door de Tsjok); .

tsōk:: {C} slag (v klok, hart).

Tsurafygō-weg:: {W} .

t.s.w.:: {afk} (= tuksof sompelira »wišos).

tsyne:: {K} kietelen.

tsynos:: {C} gekietel.

tsyre:: {U} tintelen.

tsyre-knurfel:: {S} sodawater.

tsyros:: {C} getintel, tinteling.

tt:: {afk}

  1. »tūratof.
  2. »tukst.

TTC:: {afk} »Tragam Trip-cōmpanšo.

•tteve:: {SX.add > ww} (verbalisatie v rs add) te ... zijn; (bijv) guria/guriate/guriatteve: aangenaam/te aangenaam/te aangenaam zijn; potoe/potoete/potoetteve: blijmoedig/te blijmoedig/te blijmoedig zijn.

TTF:: {afk} »Tanburo Trem-fāgōtexas.

TTG:: {afk} »Tsjech-Trem-ur-Gerlas.

TTL:: {afk} »Tjemp Trip-L’nts.

TT-ofiss:: {afk} »Telegrafos-telefonos-ofiss.

TTTA:: {afk} »Trendon ur Trondom Tāmp-Arānka.

tu::

  1. {VZ2n} (betrekking) op aandrang van, krachtens; gress paine ef ~ fimpt: ik doe het op aandrang van jou.
  2. {PV; 1niv-2enk/mv-fam} jij; je, jou, jullie; ~ zerfe Petriy: jij ziet Petriy; jullie zien Petriy; Petriy zerfe ~: Petriy ziet jou/jullie; ~ Petriy = Petriy ur ~: Petriy en jij; Petriy en jullie; (als soort add bij familietitel) ef ~ frera rifo Petriy: jij, de broer van Petriy; ef ~ freras rifo Petriy: jullie, de broers [en zusters] van Petriy; jullie, de broer en zuster van Petriy; »•ex.

TU:: {afk} »Tenk-Ūn.

tu-•:: {PX.bz > add} op ... verzoek; (bijv) tu-kost: op mijn verzoek; tu-belt: op haar verzoek; Petriyex tu-groft: op verzoek van Petriy; ef mosjeuser tu-belt: op verzoek van de vrouw; »tu 1.

:: {PV} (arch); »tūe.

•tū:: {SX.vz} (gereduceerde vorm v tu B; dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky) (bijv) óntū = ón tu: aan jou; aan jullie; 'karatū = helkara tu: naar jou/jullie [toe].

TuBa:: {afk} »Turee-l’nt.

T.U.batjen:: {C} (pop) opstandeling; »tuffesuberatjen.

tuberkuloss:: {C; mv= ~a} tuberculose.

tuberkulossa:: {mv} »tuberkuloss.

tubōs:: {C} [getrouwde] vrouw.

TUC:: {afk} »Tul’nn Umynos-Cōmpanšo.

Tuckrā:: {N} (vuurtoren; gemeente Manes-Lašer); .

Tuckrāhynne:: |tukrā..| {G}

  1. (onbewoond eilandje tussen Tigof en Lomky; in de Hurt-straat/Ef V’mpiyass); .
  2. (beschermd natuurgebied op gelijknamige eilandje); .

Tuckrāka I:: {N} (autoveer); .

Tuckrāka II:: {N} (autoveer); .

Tuckrā-pōnt:: {N}

  1. (spoorbrug over Ef Tuckrā); .
  2. (station).

Tuckrā-port:: {N} (station).

Tuckrā-ruinn:: {N} (kasteelruļne; gemeente Manes-Lašer); .

Tuckrā-ses:: {G} (meer in district Neze); .

tūdū:: {C} (lett) snotneus, vieze neus.

tūe:: {PV} (passieve afleiding v tu) jij, je, jou, jullie; blul vāpjelije ~: jij wordt geplaagd; jullie worden geplaagd; (imperatief) trempe-~ ef mimpit!: lees dat boek!; lezen jullie dat boek!; nert uokke-~!: rook niet!, niet roken!; (caus) Jān trempe-~ ef mimpit: Jān laat jou/jullie het boek lezen; Jān geeft jou/jullie het boek te lezen; »tu 2; »•ex.

tu'errt:: {I} aantrekkelijk.

tu'errtiy:: {A; mv=enk} aantrekkelijkheid; aantrekkingskracht.

tuf:: {VZ}

  1. (betrekking) maal, keer (bij vermenigvuldigen); dur ~ fār kette tesen: drie maal vier is twaalf;
  2. (maat) bij; met een dikte van; eft mittus āfry dur ~ fār meter: een kamer van drie bij vier meter; eft répiyt ~ 1dm: een kabel met een dikte van 1 dm; ef nregtā melde pl. ~ 1,5sm: de plank is ca. 1,5 cm dik.

tuf•:: {PX.c > c} •gat, •opening (meestal met bepaald doel); (bijv) tufcnō: knoopsgat; tufmust: gat in een schoen.

tūfa:: {S} tufsteen.

tufare:: {U} vermenigvuldigen (rekenkundig).

tufaros:: {C} vermenigvuldiging (rekenkundig).

tufcnō:: {C} knoopsgat.

tufeit:: {C} kijkgat.

tufer:: {C} maalteken (×).

tuffes:: {I} open (niet dicht); los (niet verpakt); »qu’e; »tuf•.

tuffesāt:: {C} opening, gat; eft ~ mip flj: een gat/opening IN iets.

tuffes-bonariy:: {I} wijdbeens.

tuffese:: {K} openen.

tuffes-eitiy:: {I} sportief, eerlijk.

tuffes-fort:: {C} openingstijd (v winkels ed; meestal in mv gebruikt).

Tuffes-fort-lacs furt Misans:: {N} (afk= TuMi) "Openingstijdenwet voor Winkels" (Spok wet); .

tuffesiy:: {C} (fig) openheid.

tuffesos:: {C} losplaats (voor schip of goederentrein).

Tuffes Reelfmit:: {N} "Open Studio" (tv-programma); .

tuffesta:: {I} openlijk.

tuffesuberatjen:: {C} agitator, opstandeling.

tuffesubere:: {K} agiteren tegen.

tuffesuberos:: {C} agitatie.

tuffianto:: {I} slechts; ~ velk: alleen nog; velk ~: nog maar, nog slechts; blul kimorelije ki ef ~ garrents, luft mit ef Intercitys verge: alleen/slechts de stations waar de Intercity's stoppen, worden genoemd.

Tufge:: {F}.

Tufiepo:: {G} (stad in Ben).

tūfiy:: {I} tufstenen; van tufsteen gemaakt.

tūfjana:: {C} paapje (vogel) (L. Saxicola rubetra).

Tūfjana-mirra:: {W} .

Tūfjana-zalas:: {N} (voormalige concertzaal in Amahagge); .

tufnjam:: |..nam| {C} spuigat (op scheepsdek).

tuforp:: {C} gat in nestkastje; nestgat (in boom); (= »tuf + »horp).

tufriffer:: {C} factor (rekenkundig).

tūft:: {C} hap (eenvoudige maaltijd); eft miltef ~: een stevige hap.

tūgt::

  1. {I} omlaag, neerwaarts.
  2. {VZ} (richting) omlaag van, van ... omlaag; ef mirra vende ~ ef kryobiy: de weg loopt van de heuvel omlaag; do fle lango ~ ef lōbā: hij klimt langs de rots omlaag.

tūgtanas:: {C} benedenhelft, onderhelft; (= »tūgt + »kanas).

tūgtebirr:: {C} stalactiet.

tūgtencatrer:: {A; mv=enk} kruiperigheid.

tūgtencatriy:: {I; [mv=enk]} kruiperig.

tūgtgayšiy:: |tūga..| {I} grievend.

tūgtjek:: {C} eb, laagwater; tu nert rafanāt den ~ melde preiptjek: je moet er geen doekjes om winden.

tūgtovap:: {C} onderkant, benedenzijde; »preipovap.

tūgtovap-nōt:: {C} voetnoot (officiėle term).

tūgtpres:: |..gp..| {C} neerwaartse druk.

tūgtprese:: |..gp..| {K} (fig) overrompelen, overvallen.

tūgtpresos:: |..gp..| {A} (fig) overrompeling, overval.

tūgtquch:: |..gq..| {C} ondereinde, benedeneinde.

Tūgtylt:: {G} "Beneden-Ylt"; »Ylt; (DOM 100).

tūgtzerfe:: |..gts../..gdz..| {K} vernederen.

tūgtzerfos:: |..gts../..gdz..| {A} vernedering.

tuie:: {U; gst= tuit} ~ ón: (lett) onbelemmerde doorgang verlenen aan; (fig) op zijn beloop laten.

tuit:: {gst} »tuie.

Tujā-pādra:: {W} .

tujen:: {C} lawine; aardverschuiving; instorting (v mijnschacht/tunnel); storting (v beton/zand/grind ed); (fig) instorting, ineenstorting (v succesvolle onderneming ed); ef kette ~: beton storten.

TUK:: {afk} »Depārtemen furt Tibān ur Kūra.

tu-kanas:: {III} mikkelel ~: voor het belangrijkste deel.

Tukrah:: {F}.

tuksof::

  1. {VZ} (tijd) tot [aan]; do tinde ~ dur zurt: hij blijft tot drie uur; ~ ral: tot nu toe; ~ fes 2012: tot in 2012.
  2. {VG} (voortijdigheid) tot[dat]; do tinde, ~ ef ’rōm klótare: hij blijft tot[dat] het werk klaar is.

tukst:: |tust|

  1. {VZ}
    1. (plaats) naar toe, tot; gress ef mimpit trempe ~ pracā erg: ik heb het boek tot bladzijde 14 gelezen;
    2. (richting) naar [toe]; do wente sener kūltā ~ gress: hij wendt zijn blik naar mij toe;
    3. (= tuksof) (tijd) tot [aan]; gress qu’e ~ dur zurt: ik wacht tot drie uur; hurtos aprila ~ septembry: van april tot september (is t/m augustus); ~ fes: tot in; hurtos aprila ~ fes septembry: van april tot [in] september (dus ook nog een deel van/geheel september);
    4. (betrekking) (afk= tt) ą; 15 tt 16 tiyns: 15 ą 16 stuks; ~ furt: tot; do maile ef ubarae ~ furt eft molarriy: hij vermaalt het voedsel tot een brij;
    5. (idioom) ~ mip ...: op ... na; ~ mip 2m: op 2 meter na (dus net 2 m te kort); ef hupster oras korda ~ mip ér: de op een na grootste kerk; ~ ... luft ef: met inbegrip van ...; ef zāreldurs ~ ef sértbelps luft ef: de bewoners met inbegrip van/inclusief de huisdieren (dus de huisdieren worden ook tot de bewoners gerekend); ~ [eft piyše šōpecc]: tegen [een geringe vergoeding]; ~ ... oras: ten ..ste; ~ ōgjél oras: ten sterkste; ~ graviy oras: ten zeerste.

  2. {VZrs} (richting; dikwijls gecombineerd met ander vz) tot ... toe, tot aan; kirro farte ~ fesdu ef fōrestae (rs!): we lopen tot in het bos.

tukst•:: {PX.ww > ww} (nieuwe ww'n); »tukst; »tukst-.

tukstblaffe:: |..ksbl..| {K} verordenen.

tukstblaffos:: |..ksbl..| {C} verordening, reglement; statuut.

tukstc’rane:: |..ksc..| {U} schikken (beide partijen wat toegeven).

tukstc’ranos:: |..ksc..| {A} schikking, beetje toegeven van beide partijen.

tukstfarte:: |..ksf..| {K} (lett) najagen, achternazitten.

tukstfartos:: |..ksf..| {C} (lett) najaging.

tukstfin:: |..ksf..| {III} ten slotte, uiteindelijk; arfine tu ~?: kom je eindelijk [eens]? (uiting v ongeduld).

tukstlef:: |tustlef| {VZ}

  1. (plaats) tot en met; pracā dur ~ erg (afk= 3 tf 14): bladzijde 3 t/m 14;
  2. (richting; altijd gecombineerd met ander vz) tot ... toe, tot aan; kirro farte ~ fesdu ef fōresta: we lopen tot in het bos; »tukst.

tukstpaine:: |..ksp..| {U} ~ helkara: besluiten tot.

tukstpāre:: |..ksp..| {K} ophalen (v herinnering ed).

tukstpāros:: |..ksp..| {C} ophalen (v herinnering ed).

tukstrupke:: |..ksr..| {K} roepen, ontbieden (vragen of iemand wil komen).

tukstrupkos:: |..ksr..| {C} ontbieding.

tuksttāpe:: |tukstāpe| {K} samenvoegen.

tuksttāpos:: |tukstāpos| {C} samenvoeging, het samenvoegen.

Tulācco:: {W} .

Tulfiy:: {F/J}.

Tulfiy Mirra-Uvinas-mirra:: {W} .

Tulfiy Pārges-plep:: {W} .

Tuliy-weg:: {W} .

tulkette:: {K} verhullen, maskéren.

tulkettos:: {A} fes ef ~ rifo: onder het mom van.

tull::

  1. {C} sluier, voile.
  2. {S} tule.

tulliy:: {I} (lett) van tule gemaakt; (fig) gesluierd (ook v foto's); eft ~ tull: een tule sluier.

Tūlmen:: {F/J} (Peg).

Tūlmenille:: {G} (dorp; gemeente Frezzet).

tūlpen:: {C} tulband.

tūlpiy:: {C} tulp (L. Tulipa hybride).

Tūlpiy-even:: {W} .

Tūlpiy-plep:: {W} .

tult:: {C} gang, hal; ef nramyte rst fes ef ~: (fig) achter iemand heen zitten; iemand opjagen.

Tul’nn:: {G} (stad in Plefō).

Tul’nn Umynos-Cōmpanšo:: {C} (afk= TUC) "Tul’nn Mijnbouwmaatschappij"; .

tume:: {K} ~ ón: lenen aan; ~ tukst: lenen van.

tume-mip::

  1. {K} ~ ón: ontlenen aan; do ~ sener tiffos ón eft tovro'egios’: hij ontleent zijn kennis aan een encyclopedie.
  2. {Upr} ~ ón: ontleend zijn aan.

tume-wufta:: {C} leenwoord.

TuMi:: {afk} »Tuffes-fort-lacs furt Misans.

tumor-mip:: {I} ~ ón: ontleend aan.

tumos:: {C} lening (geld); het lenen.

tumos-mip:: {A} ontlening.

tumt:: {S} [platte]land; fes ef ~: op het platteland.

tumt-musém:: {C} "plattelandsmuseum" (een museum buiten de bebouwde kom, meestal op een fraaie locatie en met een landelijk karakter).

tumt-muzém:: {C} »tumt-musém; »muzém.

tumtos:: {C} landleven; leven op het platteland.

tumt-’ksanutos:: {C} buurt, buurtschap (groepje huizen bij elkaar op het platteland, administratief behorend bij een stad in de buurt).

Tun•:: {PX} »Tan•.

tunbas::

  1. {Cef} modderpoel.
  2. {I} modderig, bedekt met modder.

Tunbas:: {G} (hoofdstad v Ales).

tunbasót:: {I} vol met modderpoelen (v onverharde weg).

Tunbasz ber Zest:: {N} (boektitel); .

tūnch:: {I} onvermurwbaar, onverbiddelijk.

tundare::

  1. {K; vdw= tūndare of regelm.} (trans) breken.
  2. {U; vdw= regelm.} breken (v golven op de kust).

Tundare:: {F}.

tūndare:: {vdw} »tundare 1.

tundāriy:: {I} breekbaar.

tundart:: {C} breuk, barst.

tundar’ne:: {K} afbreken (v tak ed).

tundar’nos:: {C} afbraak, het afbreken (v tak ed).

tunde::

  1. {K} uitvallen tegen (plotseling in woede uitbarsten); plotseling aanvallen (v korte duur).
  2. {U} losbarsten, uitbarsten, uitbreken (donderbui, vulkaan, oorlog, ziekte); ~ lef: uitbarsten in; ef ~ lef ’c’rsikos/larkettos: in snikken/huilen uitbarsten.

tunder:: {C} afbreekstreepje (in Spok vroeger "=", maar tegenwoordig meestal "-").

tundos:: {C} losbarsting, uitbarsting, uitbreking (donderbui, vulkaan, oorlog, ziekte); uitval (driftige uiting; plotselinge, maar kort durende woede-uitbarsting); snelle en korte aanval (v leger).

tūne:: {K} behalen, verwerven.

Tunesa:: {Cef} Tunesische vrouw.

tunesiy:: {IIef; mv=enk} Tunesisch (bv).

Tunesiy:: {G} Tunesiė.

Tuneso:: {Cef} Tunesiėr.

Tunfaniy:: {G} (dorp; gemeente Riysbo).

Tuniy:: {G} (stad op Teujan).

Tunja:: {M}.

Tunjelle:: {M}.

Tunlāf:: {G} (dorp; gemeente Riysbo).

Tunlāf-mirra:: {W} .

Tunoefiy:: {G} (dorp; gemeente Troebas’rt).

Tunoefiy-Fija:: {G} (dorp; gemeente Troebas’rt).

Tunoefiy-port:: {N} (voormalig station, nu restaurant; gemeente Troebas’rt); .

tūnos:: {C} score (behaalde punten).

Tunprest:: {G} (dorp; gemeente Jek).

Tunprest-Afonyste:: {N} (station).

tunt:: {C} bres.

tūp:: {DT} (plaats) waar; gress ~ tiffe, do zārilóme: ik weet waar hij woont; Elsa ~ gvārce fes ef quiyrda, blul wencatilomije ef stāgos: Elsa zoekt in de krant, waar de voorstelling gehouden wordt; aftel tu ~ tiffe, Jān zārilóme?: weet jij waar Jān woont? (vraagsteller weet het zelf wel, maar verifieert of gevraagde het óók weet; antwoord kan dus zijn "ja" of "nee"; »’r); (bij indirecte vragen kan tūp niet gebruikt worden).

Tūper:: {F}.

Tūper-Kents:: {G} (woongemeenschap; gemeente Sa Crono); .

Tupi:: {N} (afk v Tustia Pitters, fietsenfabriek in Tustia); .

tupp:: {C}

  1. (persoon) bode, koerier (vrachtrijder).
  2. (voorwerp) tube.

tupplip:: {C} reis; ~ rifo ronter: excursie, rondleiding, rondreis; ef vende fes ~: op reis gaan.

tupplip-šōpecc:: {C} reiskosten.

tupplipe:: {E} reizen.

Tupplip š’m tu:: {N} (boektitel); .

tupplipe-šō:: {K} afreizen (overal heen gaan om te bezoeken of iets te vinden); do ~ ef pijā wertlā: hij reist de hele wereld af.

tupplipe-fespildōsta:: {Cmv} reisdeviezen.

Tupplipe-kornin furt Zāre/’rōme-kūfōs:: {N} (afk= TZ’k) ("Reisbewijs voor Woon/werkverkeer", vgl Openbaarvervoerverklaring: een document dat werkgevers aan de Belastingdienst moeten verstrekken, om aan te tonen dat een werknemer vh openbaar vervoer gebruikmaakt om tussen woonplaats en werkplek te reizen; zonder dit document krijgt de werknemer zijn reiskosten niet vergoed); .

tuppliper:: {C} reiziger.

tupplip-insūrānsos:: {A} reisverzekering.

tupplip-mip’rōmos:: (C) arrangement (geheel verzorgde reis met excursies ed).

tupplipofiser:: {mv} »tupplipofiss.

tupplipofiss:: {C; mv= ..ofiser} reisbureau.

tupplip-quardere:: {K} bereizen (reizend bezoeken).

Tupplip-Ququlā:: {N} (afk= TUQU) "Reis-Vereniging" (hoofdkantoor in Xolije); .

tupplip-ralaer:: {C} reisgenoot.

TUQU:: {afk} »Tupplip-Ququlā.

tuquf:: {I} bedwelmd.

tur::

  1. {C} (arch/dl= Oost-Liftka/Teujan) vrouw; (nog terug te vinden in »sientur en als -tar in »plurstitar).
  2. {III} maar [eens], toch; tu tritāt ef ~!: dat moet je [maar] eens proberen!; dat moet je toch proberen!; ~ gress nert hozāve tu: maar ik geloof je niet.
  3. {VG/DT} (positieve toegeving) maar; gress ef mimpit trempe, ~ gress cōnsidere ef lo palgt = gress ef mimpit ~ trempe, gress cōnsiderilóme ef lo palgt: ik heb het boek gelezen, maar ik vind het saai; ~ iftam ...: [maar] alleen ... (echter); (aan het begin ve zin:) eft ošém zirrot melda, ~ iftam ef bidalo j’ršen: het was een geslaagde vakantie, alleen regende het de hele tijd (of: ... alleen, het regende de hele tijd).

tūr:: {afk} »tūratof.

Tura:: {G} (stad in Ziyp).

turane:: {U} (verbale afleiding v tu B; 2mv) ef ~: jullie zijn het, dat zijn jullie; ef zāfts ~: jullie zijn de dieven; kost ~lira sours: jullie, mijn zusters; ef ~, té c’rtirāt (enk!): JULLIE moeten helpen; kost turanor ’ksanuters: jullie, mijn vroegere buren; (algemene bewering) ef nert ~ beri nie sest qundrés: jullie zijn er niet voor om zulke karweitjes op te knappen; (arch: met object) ef ~ sener tubōsz: jullie met/en je vrouw; »tu 2.

tūratof:: {Cef} (afk= tt of tūr) dinsdag.

tūrbulenšo:: {C} turbulentie.

tūršā:: {C} bak, doos.

ture:: {K} (fig) uitzien naar.

•ture:: {SXimpr.ww} (oorspr caus, nu gelexicaliseerd) laten; »kirture; »kobature.

tūre:: {VG/DT} (negatieve toegeving) maar niet; (evtl nert in bijzin) gress ef mimpit trempe, ~ gress [nert] cōnsidere ef lo yroppiy = gress ef mimpit ~ trempe, gress [nert] cōnsiderilóme ef lo yroppiy: ik heb het boek gelezen, maar ik vind het niet spannend; ~ noi: maar niet (vg; emfatischer dan alleen tūre).

Turee:: {G} (stad in Munt); »Turee fes ef Wuma; (DOM 125).

Turee armt ef Fonis:: {G} (oude naam voor de stad Trunschen); ; (DOM 124-125).

Turee fes ef Wuma:: {G} (oude naam voor de huidige stad Turee; de aanduiding "fes ef Wuma" is officieel komen te vervallen in 1823, toen Turee armt ef Fonis officieel Trunschen ging heten); ; (DOM 125).

Turee-l’nt:: {N} (afk= TuBa) (interlokale tramwegmaatschappij, stoomtram, kantoor in Turee; in de afkorting staat Tu voor Turee en Ba voor Balison, de twee eindpunten vd lijn); .

turf:: {I} fors (gebouwd).

tūrg:: {C}

  1. (emotie) [lach-/huil-]bui.
  2. (mbt meten) maat, afmeting, formaat; āfry ef ~s: van de afmeting[en], van het formaat.

tūrgencatiy:: {I} berekend (steeds op voordeel uit); (= »tūrg 2 + »wencate).

tūrgette:: {K} opmeten, maat nemen van; (= »tūrg 2 + »kette).

tūrgettos:: {C} opmeting.

tūrgiy:: {I} afgepast, op maat gebracht.

tūrgjue:: {U} passen, overeenkomen wat de maat betreft; ~ lef: stroken met.

tūrgjuiy:: {I} pas[send] (op maat); eft ~ riffor kas: een pas[send] gemaakte jas.

Turiy:: {F}.

Turk-Cacos-ilesets:: {Gef/mv} Turks- en Caicoseilanden.

turkes:: {S} turkoois (materiaal).

turkesiy:: {I} turkooizen, van turkoois gemaakt; met turkooizen bezet.

turkesiyn:: {C} turkoois (steen); voorwerp van turkoois.

Turkes-mirra:: {W} .

Turklanda:: {Cef} Turkse vrouw.

turklandes:: {IIef} Turks (bv).

Turklandes:: {G} Turkije.

Turklando:: {Cef} Turk.

turklant:: {C} Turks (taal).

Turkmenistān:: {G} Turkmenistan.

tūrne:: {U} turnen (sport).

tūrnmerr:: {C} turner.

tūrnmerre:: {U} turnen (sport).

turoft:: {VG} (gelijkstellend) of[wel]; eft oto ~ eft ’rlat: een auto ofwel een automobiel.

turrare::

  1. {K} tutoyeren.
  2. {Upr} elkaar tutoyeren.

turre:: {U} (verbale afleiding v tu; 2enk) ef ~: jij bent het, dat ben jij; ef zāft ~: jij bent de dief; kost ~lira sour: jij, mijn zuster; ef ~, té c’rtirāt: JIJ moet helpen; kost turror nurp: jij, mijn vroegere baas; (algemene bewering) ef nert ~ beri nie sest qundrés: jij bent er niet voor om zulke karweitjes op te knappen; (arch: met object) ef ~ sener tubōs: jij met/en je vrouw; »tu 2.

Turre:: {J}.

turreh:: {I} aangrijpend (emoties opwekkend).

turrene:: {K} aangrijpen, ontroeren; eft ~lira stāgos: een ontroerende voorstelling.

turrenos:: {A} ontroering.

turrtā:: {I} eigenaardig.

tus:: {C} stofje, pluisje.

tūs:: {I} plat (bv).

tušare:: {K} [be]tasten, aanraken.

Tūsc’r:: {F}.

tuše::

  1. {K} aanraken.
  2. {U} ~ tygtja: zwemen naar (min of meer lijken op).
  3. {U} sloffen, slenteren.
  4. {C} kromme tabakspijp (met dekseltje).
  5. {C}
    1. (alg) ladde, drijftil (drijvend eilandje v samengegroeide waterplanten);
    2. (dl= Noord-Liftka) rietveld langs oever.

tuše-qu’er:: {C} kruidje-roer-me-niet (L. Mimosa pudica).

tušos:: {C}

  1. aanraking, betasting; n’f tušōsta!: niet aanraken! (als opschrift).
  2. geslof, geslenter.

tussef:: {VG} (gelijktijdigheid) terwijl; ef telefonos rupke, ~ gress melde fes ef wik: de telefoon gaat, terwijl ik in bad zit.

tūst:: {S} stof, fijn vuil.

tūster:: {C} stoffigheid, vuiligheid.

Tustia:: {G} (stad in Plefō).

Tustia Pitters:: {N} »Tupi.

tūstiffug:: {C} (lett) platvoet; (insect) pissebed (L. Oniscus asellus).

tūstiffuger:: {C} persoon met platvoeten.

tūstiy:: {I} stoffig.

tūst-rāg:: {C; mv= ..-reg} stoffer.

tūst-reg:: {mv} »tūst-rāg.

tustu:: {C} ei; ef pilde eft ~: "een ei leggen" (voetbaluitdrukking: gezegd ve speler die een ander meedogenloos omverloopt); ef tānpe ef zām ~s: zich onmogelijk maken.

tustu-blās:: {S} eiwit.

tustu-kōbo:: {C} spiegelei.

tustu-kronām:: {C} eierdopje.

tustūr:: {C/S} brood (alles, behalve wittebrood).

tustu-ronter:: {I} ovaal, eirond.

Tustūr-weg:: {W} .

tustu-sel:: {C} eicel.

tustu-sōsa:: {S} eierragout (trad Spok gerecht op Tigof en Lomky).

tustu-svegt:: {S} (ong) advocaat (in Spok: DUNNE alcoholische drank met eigeel en vanille).

tūs-zirder:: {C} griet (vis) (L. Scophthalmus rhombus); belt ~: dwergbot (L. Phrynorhombus norvegicus); nar ~: gevlekte griet (L. Zeugopterus punctatus).

tūtrées:: {C} ontwikkelingsgang; wijze van ontwikkelen.

tuts:: {C} toets.

tutse:: {K} ~ fes: toetsen op.

tutsos:: {A} toetsing.

tutt:: {C} dakpan.

tutt-flyddere:: {C} bosparelmoervlinder (L. Mellicta athalia).

Tutt-mirra:: {W} .

tuttos:: {C} pannendak.

Tutt-weg:: {W} .

Tuūn::

  1. {G} (hoofdstad v Flenazjekk).
  2. {N} (klein vliegveld; gemeente Tuūn); .

Tuvalu:: {G} Tuvalu.

tuve:: {K} aanleggen (v vuur); do ~ ef m’rt-s’rt: hij legt een vuur in de haard aan.

tu-vrōk:: (= tu-wys) {III} op deze wijze; ~ [fitfara]: zodanig [dat], op die manier [dat], dusdanig [dat]; zó ... dat; ~ A fitfara B: zo A, dat B.

Tśwermān:: {F} (Peg).

tu-wys:: {III} »tu-vrōk.

Tuynšee:: {G} (dorp; gemeente Nustiy).

TV:: |tEve| {C} televisie; »televišo.

tval:: {I} bedorven, [ver]rot.

tvale:: {K} bederven, [ver]rotten.

tvalos:: {A} bederf, [ver]rotting.

Tveela-plep:: {W} .

tvéla:: {C} haam, halsjuk (voor trekpaarden).

Tvelf:: {F}.

Tvoefa'i:: {G} (dorp; gemeente Andel).

tvoka::

  1. {Aef} uitzondering (wat uitgezonderd is).
  2. {I} uitzonderlijk.

tvokatiy::

  1. {I} uitgezonderd.
  2. {VZ2n/VG} (betrekking) (schr) uitgezonderd, behalve, met uitzondering van; g’rs kaftāt jadāk hertel ~ ef mai: u moet elke maand betalen, met uitzondering van mei; ef bālmerrs ~ ef coler ’tine goe kolazlebas: de voetballers met uitzondering van de keeper dragen een geel shirt.

tvoke:: {K} uitzonderen.

tvokos:: {C} uitzondering, het uitzonderen; ef riffe eft ~ furt: een uitzondering maken voor; eft ~ ón flj (ón is vz): een uitzondering op iets; furt ~: uitzonderlijk; ef furt ~ arpinzol: het uitzonderlijke plan.

TV-reks:: {C} tv-serie.

Tweehuysen:: {F} (Ned).

Twento:: |tvento| {G} (stad in Jelafo).

Twento-blufk:: |tvento-| {N}

  1. (camping); .
  2. (herberg); .

Twirl:: |Eng.| {N} (gevechtsvliegtuig; Spok-Engelse coproductie, gebouwd bij Hawker Siddeley & Frārmiy TC te Ypiy); .

Ty:: {F}.

t’:: {S} thee[plant]; (niet de drank, »miyna).

t.’.:: {afk} (= tukst »’kjōndos).

t’ān:: {IIef} Taiwanees (bv).

T’ān:: {G} Taiwan.

T’āna:: {Cef} Taiwanese vrouw.

T’āno:: {Cef} Taiwanees (bewoner).

Tybelt:: {J} Tybold.

Tyca:: {F/J}.

Tycalotte:: {F}.

Tycońg-agru:: {G} (hoogste punt v Garos; 523 m hoog); .

Tycońg-bergos:: {Gmv} (heuvels op Garos); .

Tycońg-pāt:: {W} .

Tycońg-sent:: {W} .

t’den:: {C} bericht, tijding, nieuws; ef rafane ~ ón rst: iemand verwittigen; gress rafane ~ ón do, den [gress] arfine: ik verwittig hem van mijn komst.

t’den-dragjer:: {C} nieuwsbrenger, boodschapper.

t’den-duet:: {SC} "tijdingsplicht" (Erg: het door de »ryltiys verkondigen v de dood vd »Reelā).

Tyšony:: {M}.

t’e:: {K} (arch) ondergįįn (v straf, handeling ed).

tyfe:: {K} (dl= West-Berref) schapen scheren.

t’fe:: {K} (dl= Oost-Berref) schapen scheren.

tyfes:: {C} tyfus.

Tyffalōte:: {N} (eig "Schapenscheerfeesten"; nationale feestdag op 28 maart; Dag van de Jeugd; winkels gesloten); (= »tyfe + »falōte); .

tyfonn:: {C} tyfoon.

tyfos:: {C} (dl= West-Berref)

  1. het scheren van schapen; schapenscheer-feest.
  2. pas geschoren schaap; »hāpyja.

t’fos:: {C} (dl= Oost-Berref)

  1. het scheren van schapen; schapenscheer-feest.
  2. pas geschoren schaap; »hāpyja.

tygrōnsc::

  1. {I} voornįįm; eup melde eft ~ én slamestiy mosjeus: zij is een voorname en beleefde vrouw.
  2. {III} (bep bij add) allesbehalve; eup melde eft ~ slamestiy mosjeus: zij is een allesbehalve beleefde vrouw.
  3. {VG} ~ A igt B: niet alleen A maar ook B; do melde ~ fākomm igt pūl: hij is niet alleen gemeen, maar ook dom.

Tygt-frints:: {N} (sportcomplex; gemeente Hirdo); .

tygtja:: {VZ}

  1. (richting) tegen[aan]; do tōrte ef gumbāl ~ ef col-kibā: hij schopt de bal tegen de doelpaal [aan]; »preip 1;
  2. (betrekking) tegen; ef manne ~: uitrichten tegen.

tygtja•:: {PX} (nieuwe woorden); »tygtja; »tygtja-.

tygtjabyte:: {K} indruisen tegen.

tygtjacar:: {C} berisping.

tygtjašée:: {K} ~ rst furt flj: iemand terughouden/weerhouden van iets; iemand verhoeden voor iets.

tygtjašéos:: {A} verhoeding, weerhouding.

tygtjadraka:: {C} (lett) balans, evenwicht.

tygtjae:: {K} tegengaan, voorkomen.

tygtjafest:: {I} averechts.

tygtjafelec:: {gst} »tygtjaflectre.

tygtjaflect•:: {wst} »tygtjaflectre.

tygtjaflectratjen:: {C} dwarsligger (persoon).

tygtjaflectre:: {K; gst= ..felec; wst= ..flect•} doorkruisen, dwarsbomen.

tygtjaflectrelira:: {I} uitmuntend.

tygtjafoto:: {C} negatief (zn).

tygtjakāmpaos:: {A} ironie.

tygtjakettiy:: {I} ongelukkig (spel, val, ontmoeting).

tygtjaklām:: {C} weerhaak.

tygtjaklāme:: {K} verlakken, beetnemen.

tygtjaklāmer:: {A; mv=enk} koppigheid, vasthoudendheid.

tygtjaklāmiy:: {I} koppig, vasthoudend.

tygtjaklāmos:: {A} verlakkerij, beetneming.

tygtjalire:: {Upr} klikken tussen (goed samengaan); óps sena nert ~: het klikt niet tussen hen.

tygtjamite:: {K} beleggen (v geld).

tygtjamitos:: {A} belegging (v geld).

tygtjaos:: {A} het tegengaan, voorkoming.

tygtjapāre:: {K} (fig) in aanraking komen met; geconfronteerd raken met.

tygtjaplaša:: {C} eufemisme.

tygtjaputte:: {U} ~ ón: bekomen, gevolgen hebben voor; ~ mittof tildā ón tu: dat zal je slecht bekomen.

tygtjare:: {U} recalcitrant/onwillig zijn, tegen de draad zijn.

tygtjastinde:: {K} voorschrijven (medicijn).

tygtjastint:: {C} recept (voor medicijn); eft ~ kura eft toraniefa: een recept voor een medicijn.

tygtjastrette:: {U} ~ luft: concurreren met.

tygtjaš’rtyc:: {C} tegenvoorstel.

tygtjatelefonos:: {C; mv= ~z} telefonisch tegenbericht.

tygtjatisjanos:: {A} verantwoording; ef šove sener ~: verantwoording afleggen.

tygtjatsazze:: {K} in opspraak brengen, compromitteren.

tygtjatsazzos:: {A} compromittering.

tygtjat’den:: {C} tegenbericht.

tygtjaubere:: {K} hinderen.

tygtjauberos:: {C} (fig) hinder, stoornis; struikelblok.

tygtjauste:: {K} aanvegen.

tygtjazjoffe:: {K} tegenspreken.

tygtjazjoffos:: {A} tegenspraak, het tegenspreken.

Tygt-lirrotiy:: {W} .

Tygt-mirra:: {W} .

Tygt-pādra:: {W} .

Tygt-pārc:: {W} (stadswijk in Hirdo); .

Tygyraniy-blufk:: {W} .

Tygyraniy-hall:: {N} (sporthal in Amahagge); .

Tygyraniy-mirra:: {W} .

tyja:: {I} verborgen.

tyjare:: {U} verborgen zijn.

tyjaros:: {C} dat wat verborgen is, verborgen voorwerp/persoon.

Tyje::

  1. {J} Theo.
  2. {M} Thea.

Tyjoharo:: {M}.

tyka:: {C} fat, zeer ijdele man.

tyll:: {I} bekoorlijk, charmant.

tylliy:: {A; mv=enk} bekoorlijkheid, charme.

t’-lofa:: {C} theeblad, theeblaadje (blad v theeplant).

tylpare:: {K} afrollen; scrollen.

tylpe::

  1. {K} (lett; trans) [doen] rollen; do ~ ef gumbāl kura ef mirra: hij rolt de bal over straat.
  2. {Upr} (lett; intrans) rollen; ef gumbāl sen ~ kura ef mirra: de bal rolt over straat.

tyma:: {S} [pres’r] ~: vroegbloeiende tijm (L. Thymus praecox); pōr ~: borstelkrans (L. Satureja vulgaris).

T’n:: {G} Tyne (Engelse rivier).

tyna•:: {wst} »tyna'e.

tyna'e:: {Upr; gst= tynat; wst= tyna•} (lett) zich verschuilen; ~ na: (fig) zich verschuilen achter.

tyna'os:: {C} schuilhoek.

Tyna'os:: {W} (stadswijk in Gralkrich) .

tynat:: {gst} »tyna'e.

Tync-agru:: {G} (bergtop in Pālsten-gebergte; 1127 m hoog); ; (DOM 90).

tynce:: {U} (dl= Tigof) zangerig praten (zoals men op Tigof doet).

Tync-kōl:: {G} (bergpas in Pālsten-gebergte; 561 m hoog); .

tyng:: {I} bloot; eenvoudig, zonder meer, zonder hulpmiddelen.

T’n-mirra:: {W} .

Tynovyll:: {F}.

t’os:: {C} (arch) het ondergįįn (v straf ed).

typ:: {C} type, persoon, figuur (belangrijk, vreemd).

T’per-fōresta:: {G} (bos; gemeente Manes-Halāf); .

T’per-Kester:: {G} (dorp; gemeente Manes-Halāf).

Typically Spocanian:: {N} (boektitel); .

typise:: {I} (spr) typisch, vreemd.

typografijā:: {C} typografie.

typografise:: {I} typografisch.

Typografise Ālmanek:: {N} (typografisch jaarboek; overzicht vd stand v zaken in de typografische wereld v Spok); .

typograpōlto:: {C} typografische verzorging (v boekwerk ed).

T’pp:: {F}.

tyr::

  1. {C} traan (in oog); kost ~s ’rge ef eits: de tranen springen me in de ogen.
  2. {III} voort, verder.

t’r::

  1. {C} opperknecht (belangrijkste knecht op een boerderij, vroeger vaak als zoon behandeld indien de boer zelf geen zonen had).
  2. {gst} »t’rre.

tyrāhe:: {K; gst= tyrāt} blussen.

tyrāhe-āp:: {I} nert ~: (lett) onblusbaar.

tyrāher:: {C} brandblusapparaat.

tyrāhor:: {I} geblust.

tyrāhos:: {C} het blussen, bluswerk.

tyrāk:: {I} gebrekkig.

tyrann:: {C} tiran.

tyrann-jacie:: {U} ~ sumā: tiranniseren.

tyrare:: {K} bediscussiėren.

tyrāt:: {gst} »tyrāhe.

tyre::

  1. {K} bespreken; spreken over, gewag maken van.
  2. {U} op het punt staan te huilen, bijna huilen.

tyre-eksemplar:: {C} recensie-exemplaar (boek om te bespreken).

tyrnatiy:: {I; [mv=enk]} onvolledig.

tyrne:: {U} ontbreken.

tyrnos:: {A} ontbreking, het ontbreken.

tyrntiyn:: {C} ongerechtigheid (klein gebrek; vuiltje).

tyros:: {C}

  1. beginnende huilbui.
  2. bespreking.

t’ros:: {C} gehalte; lef eft ninker natrym-~: met een laag natrium-gehalte.

T’rps:: {G} (dorp; gemeente Šark); (DOM 58).

T’rps-klarb’r-wuma:: {G} (bosgebied aan het D’rpze-meer, bij het dorp T’rps); .

t’rqušiy:: {C} (lett/fig) deining, onrust.

Tyrr:: {J}.

Tyrre:: {J/M}.

t’rre:: {E; gst= t’r} (arch/poe) vluchten.

t’rros:: {C} (arch/poe) vlucht, het vluchten.

tyrs:: {SC} ijdelheid.

tyrsa:: {I} ijdel.

Tyrsā:: {M}.

Tyrsįńg:: {F} (Gar).

t’rt:: {I} terug, retour; gress melde ~ frópj’ ef lebetjus-’pónzos: ik ben terug van het boodschappen doen; ef lén l’ eft p’r lo ~: de sfeer van een eeuw terug.

T’rt:: {N} (boektitel); .

t’rt-āskān:: {C} (lett/fig) terugweg; n’f ~s melde: er is geen weg terug; »•ān.

t’rte:: {K} (lett) terugbrengen.

t’rtebyte:: {U} afdingen (op de prijs).

t’rtebytos:: {C} afdinging (op de prijs).

t’rtencatare:: {U} »t’rtwencatare.

t’rtencatriy:: {C} »t’rtwencatriy.

t’rthakéfe:: |t’rta..| {K} belenen (als onderpand geven).

t’rthakéfos:: |t’rta..| {A} belening.

t’rtjuftos:: {C} (fig) terugwerkende kracht.

t’rtolare:: {K} achterwege laten.

t’rtolaros:: {A} het achterwege laten.

t’rtole:: {U} achterwege blijven.

t’rtolos:: {A} het achterwege blijven.

t’rt-poh:: {C} terugtocht.

t’rt-trofiy:: {C} fes ~ (afk= f/t’t): per omgaande (post).

t’rtupplip:: {C} terugreis; (= »t’rt + »tupplip).

t’rtwencatare:: (t’rtencatare) {U} minder goed werken, minder goed bevallen (dan het vorige ding; dan men verwachtte); ef kleter warmohit ~: de nieuwe kachel is minder goed [dan de oude]; de nieuwe kachel bevalt minder goed [dan ik verwacht had]; groft bentvendiy oto t’rtwencataro: zijn vorige auto beviel minder goed [dan zijn huidige].

t’rtwencatriy:: {C} terughoudendheid; gereserveerdheid (niet: t’rtencatriy).

t’rtzerfi:: |t’rdz..| {C} spiegel.

t’rtzerfi-camera:: |t’rdz..| {C} spiegelreflexcamera.

T’rtzerfi furt kult Sientur-mux:: {N} (boektitel); .

t’rtzerfos:: |t’rdz..| {C} weerzien.

Tys:: {G} (dorp; gemeente Nutterkoles).

t’šamiy:: {I} haalbaar, te verwezenlijken.

Tyšā-plep:: {W} .

Tys-covent:: {N} (RK klooster; gemeente Xōc’ršamiy); .

Tysšamiy-clamiša:: {G} (moeras in district Tjemp); .

t’še:: {K} verwezenlijken; halen (examen; financieel; weer beter worden); ef ~ eft pijōfty: een doel halen/realiseren; (tdw) do melde ~lira: hij is er weer bovenop; hij heeft het gehaald (na ziekte/operatie).

Tysegg:: {N} (vuurtoren; gemeente Xōc’ršamiy); .

Tysegg-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Xōc’ršamiy); .

t’šos:: {A} verwezenlijking.

tyss:: {C; mv= tiysse} muziekinstrument.

Tystūlf-fōresta:: {G} (bos; gemeente Zimp); .

tyšu:: {C} voedster, konijn (vrw).

tytage:: {K} planten (v boom; ter herinnering aan overleden familielid).

tytagos:: {C} het planten (v boom; ter herinnering aan overleden familielid).

t’tiy:: {I; [mv=enk]} bedreven, ervaren (bv).

tytle:: {C} titel.

tytorr:: {I/vdw} »tytorre.

tytorre::

  1. {K; vdw= tytorr} uithongeren (niet te eten geven); eft tyrorr slaviy: een uitgehongerde slaaf (ziek vd honger).
  2. {Upr; vdw= regelm.} verhongeren (sterven vd honger); eft tytorror slaviy: een verhongerde slaaf (dood door de honger).

tytorros:: {C} verhongering, uithongering.

Tytre:: {F/J/M} (Gar).

t’tyniy:: {I; [mv=enk]} onbeperkt, onbegrensd, ongelimiteerd.

tyvjā:: {C} (alg) glazenmaker (libel met lang dun maar stevig lichaam); blotter ~: blauwe glazenmaker (L. Aeshna cyanea); miterus ~: bruine waternimf (L. Aeshna grandis).

tyzzer:: {C} muziekstuk (trad Spok); .

Tyzzer-mirra:: {W} .

TZ’k:: |ts’k| {afk} »Tupplipe-kornin furt Zāre/’rōme-kūfōs.

 

© (2000) De Twee Hanen v.o.f. • Kimswerd • The Netherlands

DICTIO