Woordenboek
Spokaans-Nederlands | Nederlands-Spokaans

Spokaans—Nederlands     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

Nederlands—Spokaans     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 

L:: (= ) {afk} »liytre.

:: (= L) {afk} »liytre.

l•os:: {PX/SX} »’•os.

la::

  1. {C} la (muzieknoot).
  2. {S} (alg) korrels; stof in korrelvorm; grof soort poeder; (poe) zand (v strand); (dl= West-Liftka) gedorst graan.

la•:: {PXimpr.ww} (vormde oorspr inchoatief/mutatief; tegenwoordig allectief) (bijv) anše/laanše: voortduren/oprichten, stichten.

La:: (Fra lw: zie lemma's hieronder).

La Cloche Franēaise:: |Fra.| {N} (gerenommeerd restaurant met Franse keuken in de stad Tsjech); ; (UIS 99).

La Finesse:: |Fra.| {N} (restaurant bij motel Tālp-wālj’; gemeente Titeref); .

:: {G} (riviertje van Kulano-gebergte naar de Lajecō); .

lā•::

  1. {PX.u > k} (waardoor een vz-bepaling door een obj vervangen kan worden) (bijv) mirre/lāmirre: wandelen/wandelen in/op/over/langs.
  2. {PX.zn > k} be•; voorzien van; (bijv) futju/lāfutjue: meubelstuk/meubileren, voorzien van meubels; wāp/lāwāpe: wapen/[be]wapenen.
  3. {PX.zn > add} (samen met •or) •rijk, vol met, voorzien van; (bijv) futju/lāfutjuor: meubelstuk/gemeubileerd, voorzien van meubels; šifer/lāšiferor: zilver/verzilverd; l’nt/lāl’ntor: lijn/gelinieerd; minkedos/lāminkedosor: vondst/vindingrijk.
  4. {PX > c} (nominaliseert een interjectie) (bijv) hurrā!/dur lāhurrās fān ef jabār: hoera!/drie hoera's voor de koning.

laanše:: {K} oprichten, stichten (v vereniging ed).

laanšos:: {A} oprichting, stichting, het stichten.

lāāpe:: {K} »lāwāpe.

lāarmātate:: {K} (lett/fig) belichten (v films ed).

lāarmātatos:: {C} (lett) belichting (v films ed).

lāāsfalte:: {K} asfalteren.

lāāsfaltor:: {I} geasfalteerd (v weg).

lāāsfaltos:: {C} asfaltering; laag asfalt; asfaltweg.

lāaxe:: {K} hakken in (met een bijl bewerken zonder dat het voorwerp splijt).

lāaxerme:: {K} uitbuiten (v personeel).

lāazerše:: {K} beplanten (met planten/struiken/bomen voorzien).

lāazeršos:: {C} beplanting (planten/struiken/bomen).

labā:: {C} bes.

lābalseme:: {K} balsemen.

labān:: {C} map, omslag, kaft.

Labane:: {N} (vrw personificatie vd Aarde); fara ~: sprekend (v uiterlijk); ~ melde hift sientur: ze lijken sprekend op elkaar (alleen gezegd bij broer/zus, broer/broer, zus/zus); .

Labane-corvi'am:: {N} "Labane-gemeenschap" (bevordering v vrijetijdsbesteding in de geest vd Erg; in Lassos); .

Labane-instituša:: {N} (onderzoeksinstituut voor milieuvraagstukken; gemeente Mūninū); .

Labane-mirra:: {W} .

Labane-plep:: {W} .

lābare:: {K} bijwonen.

lābaros:: {A} bijwoning.

lābasor:: {I} gegrond.

labe:: {C} fes ef ~: aan de bergrand gelegen.

Labe-jelšā:: {N} (berghotel bij Ater-Šeeroymāp); .

Label:: {N} (veeslachterij in Tejho); .

lābelkor:: {I} vruchtdragend, met vruchten; fruitig (v wijn).

Labenō:: {G} (stad in Ales).

Labenō/Logono:: {N} (klein vliegveld; gemeente Logono); .

Labenō-Sinto-Logono ur Qupsāt:: {N} (»šarkdomenn bij Logono; district Ales); .

laber:: {C} stek (afgesneden tak/jonge boom).

labinār:: {I} zorgvuldig, secuur.

labināriy:: {C} zorgvuldigheid, secuurheid.

labiniy:: {C} pak[je], pakket.

labiy:: {C} korrel.

lāblāsor:: {I} beslijmd.

labo:: {C}

  1. (pop) laboratorium; »laboratorym.
  2. parasol, zonnescherm; »lagitofōbo.

Laboh::

  1. {F}.
  2. {N} (luchthaven; gemeente Korif); .
  3. {N} (vuurtoren; gemeente Korif); .
  4. {N} (hotel bij Kurriy); .

Laboh-koern:: {G} (ondiep water langs westkust v Plefō bij Prens-Hady-s’rt, deel v Ef Laboh); .

Laboh-weg:: {W} .

Laboh-xijera:: {G} (Atlantische westkust v Plefō); .

labora::

  1. {Aef} oorsprong.
  2. {I} oorspronkelijk; »dām.

labora-tecše:: {C} brontekst (te vertalen tekst).

laboratorym:: {C} laboratorium.

labore:: {E} ontstaan (alg); ontspringen (v rivier, bron).

labore-veldur:: {C} oermens.

labore-vobaros:: {C} oervorm.

laboros:: {C} het ontstaan; het ontspringen; plaats waar rivier ontspringt.

Laboros:: {G} (dorp; gemeente Šutā).

laborventiy:: {I} primitief.

lābrōtor:: {I} verkrot; tot krot verworden.

lābūe:: {K} betonnen (vaarwater v tonnen/boeien/bakens voorzien).

lābūos:: {C} betonning ([systeem v] afbakening v vaarwater).

lāc:: {S} lak, verf.

Lāc:: {N} (een vd drie met name genoemde vrw plaaggeesten); »defōliya; .

lāce:: {K} lakken, verven.

lāchaquinde:: {K} toespreken, aanspreken.

Lacher-mirra:: {W} .

Lāchiy:: {N} (vuurtoren; gemeente Eratiyft); .

lāch’te:: {K} volschijten, schijten op (bijv vogels die alles bevuilen).

lāclenpe:: {K} ~ rst furt flj: bij iemand aankloppen om iets (geld ed).

Lacōaler:: {F}.

Lacōatja:: {F}.

lācoliy:: {I} doelbewust; doortastend.

Laconec-mirra:: {W} .

l'Acorée:: {F}.

Lacorunā:: {G} (dorp; gemeente Crānt).

Lacorunā-vender:: {W} .

lācos:: {C} het lakken, het verven; laklaag, verflaag.

Lacōše:: {F}.

lacriyts:: {S} drop (snoepgoed).

lacriytsiyn:: {C} dropje; stuk drop (als snoepje).

Lacroix:: {F} (Fra).

lācrome:: {K} verchromen.

lācromor:: {I} verchroomd.

lacs::

  1. {C; mv= ~z} (alg) wet.
  2. {A; mv= ~es} (juridische taal) wet.

lacsater:: {C} advocaat.

Lacsater-buro GENO:: {N} (advocatenkantoor in Amahagge); .

Lacsater-buro Gryhelle-Perdu & Thyss:: {N} (advocatenkantoor in Tona a/e Grāt); .

lacsater-tōp:: {C} (hoge hoed zoals advocaten die dragen); ; (DOM 117).

lacse:: {K} legaliseren.

lacses:: {mv} »lacs.

lacs-fixe:: {K} ~ rst: iemand de wet voorschrijven.

Lacs frópj’ ef Energiy-c’rbaros:: {N} (afk= LEC) "Wet op de Energievoorziening" (Spok wet); .

Lacs frópj’ Tuffes-forts furt Misans ur ās Aptoppest:: {N} (afk= LTMA) "Wet betreffende Openingstijden voor Winkels en Musea" (Spok wet, in 2002 vervangen door de »Tuffes-fort-lacs furt Misans); .

Lacs furt ef Flā-donnos:: {N} (afk= LFlā) "Wet voor het Vlagvoeren" (Spok wet, in 1945 vervangen door de »Flā-lacs ur Veemān-ōc); .

Lacs furt ef Frofāler-cirrarōsta:: {N} (afk= LFC) "Wet voor Gehandicaptenfaciliteiten" (Spok wet); .

Lacs furt ef Kentseren:: {N} (afk= LfKents) "Wet voor het Communewezen" (Spok wet); .

Lacs furt ef Kofano Gabanos:: {N} (afk= LaKoGa) "Wet voor het Openbaar Vervoer" (Spok wet); .

Lacs furt ef Lebetos:: {N} (afk= LfeL) "Wet voor het Handeldrijven" (Spok wet); .

Lacs furt ef Mannos rifo Sekte-fyralōsta:: {N} (afk= LMSF) "Wet voor het Uitvoeren van Sektarische Grondbeginselen" (Spok wet, verving in 1991 de »Ququl-lacs); .

Lacs furt ef Mariys ur ās ef C’rollōsta:: {N} (afk= LaMaC’r) "Wet voor de Huwelijken en Partnerschappen" (Spok wet); .

Lacs furt ef Rigts én Duets frópj’ Toranief Revertōsta:: {N} (afk= LaRiDu) "Wet voor de Rechten en Plichten met betrekking tot Geneeskundige Behandelingen" (Spok wet); .

Lacs furt ef Tobacc-keldos:: {N} (afk= LaToke) "Wet voor het Gebruik van Tabak" (Spok wet); .

Lacs furt ef Ÿwencatos enn Dālnese Belps:: {N} (afk= LŸDB) "Wet voor het Houden van Uitheemse Dieren" (Spok wet); .

Lacs furt Informere-duet:: {N} (afk= Lindu) "Wet voor Informatieplicht" (Spok wet); .

lacsiy:: {I} wettelijk; wettig; onbetwist.

lacs-manta:: {C} wetsartikel.

lacsos:: {A} legalisering.

lacsplan:: {C} wetsvoorstel.

lacs-prōpen:: ef ~ stat: het daartoe bevoegde gezag.

lacs-reppos:: {C} amendement.

lacsriffe:: {K} wettigen; wettig maken.

lacsriffos:: {A} wettiging.

lācsule:: {K} bespugen.

lac’r:: {C} ontsteltenis.

lāc’raor:: {I} (alg) verhard (v wegen: plaveisel, asfalt ed); (arch) bedekt met takken (vroegere methode om modderwegen te "verharden").

lāc’rbare:: {K} ~ rifo: uitrusten met; voorzien van.

lāc’rbaror:: {I} ~ rifo: uitgerust met; voorzien (vdw) van.

lāc’rbaros:: {C} uitrusting, het uitrusten; het voorzien.

lac’re:: {K} (fig) verwarren; in verwarring brengen.

lāc’re:: {K} verharden (plaveien v weg/straat).

lāc’ror:: {I} verhard (v wegen); »lāc’raor.

lac’ros:: {A} (fig) verwarring.

lāc’rs::

  1. {Aef} gebeurtenis.
  2. {I} vaak plaatsvindend, frequent.

lada:: {C} (pop) paraplu, regenscherm; »lagitofidal.

lāšāfe:: {K} (lett) overschaduwen; schaduw werpen op.

ladare:: {K} beladen.

ladaros:: {C} belading.

lade:: {K} laden; do ~ ef sviba fes/mip ef oto: hij laadt de koffer in/uit de auto.

lāše:: {U} behaaglijk zijn.

lāšer:: {C} iets wat behaaglijk is; behaaglijkheid.

Ladi:: {F}.

lādiuse:: {K} (fig) overstelpen.

lādiusos:: {A} (fig) overstelping.

lāšiy:: {I} behaaglijk.

lados:: {C} lading.

Lašostiy:: {F}.

Lādra-lirrotiy:: {W} .

LaDre:: {afk} »Laloje Dreutukeer.

Lādriy:: {G} (dorp; gemeente Quobenta).

Ladrōs Fynt-mirra:: {W} .

lādviynde:: {K} benevelen (door drank).

Laėhhe:: {F} (Peg).

lāémājere:: {K} emailleren.

lāémājeror:: {I} geėmailleerd.

lāen:: {mv} »c’rlaa.

Lāerftāf:: {N} (rangeerterrein bij Zertoniyta); .

laes:: {C} klier (orgaan).

Lāes:: {G} (dorp; gemeente Knolbol-belt).

laeše:: {U} [op]zwellen, opzetten.

laešos:: {S} [op]zwelling, opzetting.

laess:: {S} drijfzand.

Laess-lirrotiy:: {W} .

Laess-weg:: {W} .

lāéttele:: {K} voorzetten (v eten).

•laf:: {SX.tw > c} (gereduceerde vorm v lafex) •hoek; (bijv) durlaf: driehoek; hentlaf: vijfhoek, pentagon; (ook nog:) terlaf: tweesprong, driesprong (v wegen).

Lāf:: {G} (stad in Renō).

lāfabroke:: {K} industrialiseren.

lāfarte:: {K} (lett) belopen; lopen in/op/over.

lāfāstoe:: {K} bekleden, overtrékken (stoel, matras).

lāfāstoos:: {C} bekleding, overtrek, tijk.

Lafayette:: {F} (Fra).

lāfbenk:: {I} versuft; ef kette ~ ón rst: iemand [doen] versuffen.

lāfeldre:: {K} zitten op (een stoel ed).

Lāfer:: {J}.

lafes:: {I} (arch) soms.

lafešami:: (= lefešami) {I} in sommige gevallen; het komt [soms] voor dat; Petriy meltecū ~ nekvāmpajé: in sommige gevallen kan Petriy onredelijk zijn; soms komt het voor dat Petriy onredelijk is.

lāfesype:: (lāfsype) {K} langzaam te gronde richten/doen gaan; doen wegkwijnen.

lāfesypos:: (lāfsypos) {A} het langzaam te gronde gaan; wegkwijning.

lāfetōce:: {K} toespelingen maken op.

lāfetōcos:: {A} toespeling.

lafets:: {C; mv= ~a} bontmuts.

lafetsa:: {mv} »lafets.

lafex:: {C} schaar (om te knippen).

laffa:: {C} föhn; valwind in een bergdal (in Spok kan het ook een vochtige wind zijn, vooral langs de westkant vh Az’-gebergte op West-Berref).

laffate:: {U} (waaien van valwinden; het aanwezig zijn ve »laffa).

Laffenet:: {G} (stad in Ales).

Laffenet-korda:: {N} (RK kerk bij dorp Laffenet-Sinto-Mariy); .

Laffenet-Sinto-Mariy:: {G} (dorp; gemeente Fexa).

Lāffiy:: {F}.

lāfinne:: {K} beginnen met; do ~ sener ’rōm: hij begint met zijn werk.

lāfjye:: {K} verluchten, illustreren (v boek).

lāfjymip:: {C} geļllustreerd boek.

lāfjyor:: {I} geļllustreerd (v boek).

lāflecsor:: {I} (lett/fig) vurig; vol vuur.

Lafono-mirra:: {W} .

lafro:: {C} inslag; »murt.

lafronā:: {C} weefspoel; »šefce.

Lafronā-mirra:: {W} .

Lafro-plep:: {W} .

lāfs:: {vdw} »lāfse.

lāfse:: {U; vdw= lāfs} verwelken.

lāfsiy:: {I} verlept, verwelkt.

lāfsiye:: {U} verlept zijn, verwelkt zijn.

lāfsype:: {K} »lāfesype.

lāfsypos:: {A} »lāfesypos.

Laft:: {G} (rivier; gemeenten Jatty (BF) en Roensa); .

lāft:: {C} schakel (in ketting).

Lafta:: {G} (beek; gemeente Daba); .

Lafta-mirra:: {W} .

Lafta-wuma:: {G} (bos; gemeente Daba); .

Lafter-chént:: {C} schubbige boschampignon (L. Agaricus silvaticus).

Lafter-flyddere:: {C} kleine ijsvogelvlinder (L. Ladoga camilla).

Lafter-plep:: {W} .

Lafter-temp:: {G} (bergrug; gemeente Zekon); .

Lafter-toberg’:: {G} (gebergte in Centraal-Ziyp); ; (DOM 170).

lāftos:: {C} leiding (elektrisch, water-); (lett/fig) telefoonlijn.

lāftos-knurfel:: {S} leidingwater.

Laftriy:: {G} (beek; gemeenten Hajofese en Zekon); .

lāfutjue:: {K} meubileren.

lāfutjuor:: {I} gemeubileerd.

lāfutjuos:: {C} meubilering.

lāg:: {SC} (Erg: verlangen naar het onbereikbare; associaties met onbereikbare dingen); kost ~ melde, den riffe eft kuraclaba tupplip: mijn liefste wens is om een reis om de wereld te maken (maar daar zal het wel nooit van komen); groft rovretos melde ~ furt eup: hij weet/voelt dat zij zijn liefde niet kan beantwoorden.

lāgal:: {C; mv= léges} deken (op bed).

lagitofidal:: {C} paraplu, regenscherm; (= »lagitofot + »bidalos).

lagitofidal-sparot:: {C} tafelden (L. Pinus pinea).

lagitofō:: {I} onderdeks (op een schip).

lagitofōbo:: {C} parasol, zonnescherm; (= »lagitofot + »kōbo).

lagitofot:: {VZ} (richting) onder[door]; kirro ufire ~ ef hardlap vilduls: we rijden onder de hoge bomen door.

lagitofote:: {K} (lett) verlagen, lager maken; (fig: spr) verlagen (v loon, uitkering, belasting ed).

lagitofotiy:: {I} onderste; ondergenoemd, onderstaand.

lagitofotos:: {C}

  1. (lett) verlaging.
  2. (taalk) trap van vergelijking; lurgiy ~: verkleinende trap (bijv: hupster oiba = minder groot); wālc ~: minste trap (bijv: hupster tom = minst groot).

lagitom’rt:: {C} (pop/iro) onderdak.

lagizosti:: {C} metro, ondergrondse (ihb in Amahagge; oorspr eigennaam: »Lagizosti).

Lagizosti:: {N} (voormalig vervoerbedrijf in Amahagge voor de exploitatie vh in 1955 geopende metro-net); .

Lagkōbo-lōbā:: {G} (rotspunt aan noordkust v Br’r; 103 m hoog); .

Lagkōbo-lōbā-weg:: {W} .

Lagkōbo-pāt:: {W} .

lāglarfe:: {K} ombuigen.

lāgleche:: {K} ef ~ ef eits: (fig) zich de ogen uitwrijven.

lāgritsaor:: {I} volbloed (behalve bij paarden).

lāgrolliy:: {I} behekst.

lāgt:: {I; =vk v olla of trojo} minder fijn, minder aangenaam.

Lāgte:: {F/J/M}.

Lāgte-Gajener-instituša:: {N} (instituut voor vredesvraagstukken, in Zest); .

lāgume:: {K} vulkaniseren; coveren (autobanden v nieuw rijvlak voorzien).

lāgvārcare:: {K} doorzóéken.

lāgvārcaros:: {C} doorzóéking.

lāgvārce:: {K} zoeken naar.

lāgyne:: {K} (trans) bakken, braden (vis, vlees ed); eup ~ ef fijānta: zij braadt het vlees.

lahāje:: {K; gst= lahās of lahāt} rekenen op/met.

lāhāle:: {K} bewenen; huilen om.

lahās:: {gst} »lahāje.

lahāt:: {gst} »lahāje.

Lahennta-pārc:: {W} .

Lahennta-Piramitt:: {W} (stadswijk in Amahagge); .

lāhentor:: {I} (lett) in de hand[en] houdend; gress giffe lef ef ~ ’ršar: ik sta met de hoed in mijn hand; do lelperre eft ~ mimpit: hij houdt een boek in zijn hand[en].

laice:: {U} beven, sidderen, huiveren, rillen.

laicos:: {C} gebeef, gesidder, gehuiver; siddering, huivering, rilling.

Laider:: {F} (Dui).

lain:: {S} linnen (zn).

lainfāsto:: {C; mv= ..fāstōe; rsmv= ~tt} linnen lap; stuk linnen.

lainfāstōe:: {mv} »lainfāsto.

lainfāstott:: {rsmv} »lainfāsto.

lainiy:: {I} linnen (bv), van linnen gemaakt.

Lain-plep:: {W} .

laiy:: {I} korrelig.

Laja:: {J/M}.

Lajāc-mirra:: {W} .

lajaša:: {C} gejubel.

lajāf•:: {PX} sleep•, trek•; »lajāf-.

lajāfbelp:: {C} trekdier; .

lajāfdreutos:: {C} vrachtautocombinatie (jur: vrachtauto met aanhanger, of trekker met oplegger); .

lajāfgōs:: {C} treinstel.

lajāfgre:: {K; gst= ~t} slepen.

lajāfgret:: {gst} »lajāfgre.

lajāfka:: {C} sleepboot.

lajāfnolac:: {C} bijwagen (v tram).

lajāfoto:: {C} oplegger (v vrachtauto, achter de trekker); .

Lajate:: {N} (vrw personificatie vd Jacht); .

Lajate-covent:: {N} (Erg klooster; gemeente Lammafin); .

Lajate-fōresta:: {G} (bos; gemeente Mosento); .

Lajate-kyfaf:: {C} Gelderse roos (L. Viburnum opulus).

Lajate-mirra:: {W} .

Lajate-plep:: {W} .

Lajate-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Hirdo); .

Lajate-zōler:: {C} weegbreemelitaea (vlinder) (L. Melitaea cinxia).

Laje:: {G} (riviertje van Lajetu-duinen naar Ef Krāg); .

Lajecō:: {G}

  1. (dorp; gemeente Moze-Lāpranā).
  2. (rivier van Kulano-gebergte naar de Firani); .

Lajecō-c’ralo:: {S} (mossoort in laaggebergte) (L. Tritomaria quinquedentata).

lajete:: {K} krenken; [uit]schelden (ihb scheldwoorden tegen iemand roepen).

lajetos:: {C} krenking; scheldpartij.

Lajetu:: {G} (voormalig dorp).

Lajetu-belt:: {G} (dorp; gemeente Trondom).

Lajetu-dunjes:: {G} (duingebied in district Tjemp); .

Lajetu-klemk:: {N} (»klemk; gemeente Moze); .

Lajetus’rt:: {G} (stad in Tjemp).

Laji:: {F/J}.

lajik:: {I} goed gestemd, goed gehumeurd.

lājik:: {C} leek.

Lajiy:: {F}.

Lajjāndes-weg:: {W} .

lajjefare:: {K} administreren; administratie voeren.

lajjefaros:: {C} administrering, het voeren van de administratie.

lajjefatjen:: {C} administrateur.

lajjefe:: {E} tot [zijn] recht komen.

lajjefos:: {C} administratie.

lajjeftiy:: {I} administratief.

Lajjeve:: {F}.

lājōle:: {K} (lett) vergulden.

lājōlor:: {I} (lett) verguld, voorzien van [blad]goud.

Lajto:: {F}.

Lajy:: {G} (stad in Neze).

Lajy Heenōše:: {F}.

lak:: {S} (laag[je] stof/zand/meel ed, dat zich ergens op/aan vastgehecht heeft).

lakā:: {C} rest; overige (zn); (spr) furt ef ~: voor de rest; verder; overigens.

lākabior:: {I} (lett) bedrukt (met inkt).

lakāe:: {U} over zijn, resteren; ef linnos ~ velk ón kirro: ons rest nog de vraag.

lakāiy:: {I} overig; de rest van.

lakā-j’zoošos:: {C} restant (overgehouden voorraad).

lakāos:: {C} restant.

lākartafiyor:: {I} gediplomeerd, in bezit van diploma.

lakā-tindelira:: {I} overigens (voor de rest geldend; afgezien van dit feit); do zāre fes eft ’rpō'as fes eft ~ penša villa-oftian: hij woont in een krot in een overigens nette villawijk.

lakiysore::

  1. {K} (lett) uitpakken, blootleggen.
  2. {U} vallen (v avond).

lakiysoros:: {C} (lett) blootlegging; het uitpakken; exhibitionisme.

lākliykamiy:: {I} aanklikbaar (met de muis).

lākliyke:: {K} aanklikken (met de muis).

lākmtiy:: |M| {C; rs= ~t} vink (L. Fringilla coelebs).

lākmtiy-labā:: |M| {C} "vinkenbes" (soort bosbes, vooral uit Tjemp, Bloi en Teujan) (L. Vaccinium fringillaris).

Lākmtiy-mirra:: |M| {W} .

lākmtiyt:: |M| {rs} »lākmtiy.

lākmtiy-tolabā’:: |M| {C} struik van de "vinkenbes" (L. Vaccinium fringillaris).

lāknurfelor:: {I} waterrijk, vol water, rijk aan water.

Lako::

  1. {J}.
  2. {P} (figuur uit de Ergemip).

LaKoGa:: {afk} »Lacs furt ef Kofano Gabanos.

Lako-mirra:: {W} .

lākorsor:: {I} kousen dragend; kaf ~ tiffugs: op kousenvoeten.

lākorstae:: {K} vertoornen.

lākorstaor:: {I} vertoornd, erg woedend; vol woede.

lākrabéor:: {I} invloedrijk.

lākrātše:: {K} (pop) pikken, jatten (wegpakken, stelen).

lākre:: {Kpr; gst= ~t} zich wikkelen in; prap ~ flj: (fig) zich iets aanmeten.

lākret:: {gst} »lākre.

lākrume:: {U} een bocht nemen; door de bocht gaan.

lālāce:: {K} lakken, van een laklaag voorzien.

lālācor:: {I} gelakt, met een laklaag.

lālamire:: {K} verlangen naar.

lālappe:: {K} opstappen [op] (op de fiets ed).

lālāse:: {K} op smaak brengen; ~n ef sōsa tjāg c’rpep: breng de saus met peper op smaak.

lālate:: {K} (fig) nalopen (behartigen, controleren).

lālbos:: {C} lóf ef ~: in aanbouw.

lālekirse:: {K} overwoekeren.

lālelde:: {K} ontwikkelen (flink groeien).

lālelt:: {I} ontwikkeld (v groei).

lālenke:: {K} aanhouden op (de kust).

lālijeuve:: {K} staren naar.

lālirare:: {K} ~ piti: toevertrouwen aan.

Laloje:: {G} (stad op Teujan).

Laloje Dreutukeer:: {N} (afk= LaDre) (fabriek voor landbouwmachines in Laloje); .

lālorerde:: {K} ~ rst armt flj: voor iemand iets kopen.

lalōve:: {U} ~ furt: zich rekenschap geven van.

lāl’nte:: {K} liniėren.

lāl’ntor:: {I} gelinieerd, van lijnen voorzien.

lama:: {C} lama (mnl/ntr) (L. Lama glama).

LaMaC’r:: {afk} »Lacs furt ef Mariys ur ās ef C’rollōsta.

Lama-pārc:: {G} (savanne-achtig gebied met lama's; gemeente Lankos); .

lamata:: {C; mv= ~s} lama (vrw).

lāmbe:: {C} lam, jong schaap, jonge geit (vrw); ef vlemóte eft cōmatiy ~: de handen ineenslaan (iets gezamenlijk ondernemen).

Lāmbe-fōresta:: {G} (bos; gemeenten Heles-Tenta en Šatoliy); .

Lāmbe-plākom’:: {N} (spoorwegtunnel; gemeente Heles-Tenta); .

Lāmbert:: {F}.

lāmbetiyse:: {C} lamsvlees (v jong schaap).

Lāmbetiyse-mirra:: {W} .

Lāmb'ur Piā:: {N} (herberg bij Fexa); .

lāmdo:: {C} alver (zoetwatervis) (L. Alburnus alburnus).

lāme:: {U} suffen, dromen.

lāmécaror:: {I} omvangrijk.

lāmelde:: {K} verkeren in/te; zich bevinden in/te; óps ~ ef ymālgé, āl ...: ze verkeren in onzekerheid of ....

lāmennrojior:: {I} in hoofdletters; eft ~ wufta: een woord in hoofdletters.

lāmerre:: {K} spelen op (een instrument); eup ~ eft liftkar pjano: ze speelt op een oude piano.

Lāmesse-mirra:: {W} .

Lamess-mirra:: {W} .

Lāmfes-weg:: {W} .

lāminkedosor:: {I} vindingrijk; vol ideeėn.

lamir:: {I} nodig (wat hoognodig gedaan moet worden); eft ~ verfutos: een [hoog]nodige schilderbeurt.

lamire::

  1. {K} bevallen; goed doen; gress ~ ef: het doet me goed; het bevalt me; do ~ ef bidalos: de regen doet hem goed.
  2. {U} ~ ón: verlangen naar; do ~ ón ef bidalos: hij verlangt naar de regen.

lāmiror:: {I} harig, met haar.

lamiros:: {A} verlangen (zn).

lāmirre:: {K} wandelen in/op/over.

lāmiy:: {I} dromerig.

Lāmiy:: {F}.

Lamk:: {F}.

Lamk-plep:: {W} .

Lamk-toberg’:: {G} (berggebied op West-Lomky); .

Lamk-weg II:: {W} .

Lammafin:: |lammfin| {G} (stad in Plefō); (DOM 93-94).

Lammafin-belt:: |lammfin-| {G} (stad in Plefō).

Lammafin-rutt:: {N} "Lammafinroute" (Bergparel-hotel in Lufia); .

Lammafin-S’rt:: |lammfin-| {N} (station).

lammefiy:: {I; [mv=enk]} duister, donker (geen licht); louche (onbetrouwbaar persoon).

Lamoneo:: {G} (stad in Ziyp).

lāmos:: {C} gesuf, gedroom.

Lāmpa:: {J}.

lāmrātare:: {K} ~ fes: [in]passen in; gress nert ~cū ef kleter xafolla fes ef fort-sgema: ik kan de nieuwe opdracht niet in het tijdschema [in]passen.

lāmrātaros:: {A} invulling (fig); ef finanšela ~: de financiėle invulling (zodanige financiėle maatregelen nemen dat het plan uitgevoerd kan worden).

lamtoh:: {C} zuiger (v motor, pomp).

lamtoh-bonarō:: {C} zuigerstang.

lāmule:: {K} [in]laden, volladen (v schip/voertuig); do ~ ef oto: hij laadt de auto in.

lāmule-oto:: {C} pick-up (open bestelauto).

lāmule-pōnt:: {C} laadbrug .

lāmunke:: {K} ~ tjāg: (lett) behangen met.

lāmunkor:: {I} ~ tjāg: behangen (vdw) met.

lāmustor:: {I} geschoeid; schoenen dragend.

Lamy:: {M}.

lanbiy:: {I} stemmig, niet opzichtig (vooral kleding).

lānše:: {U} adverteren.

Lānder:: {F}.

lānšos:: {C} advertentie.

landrō:: {SC} (Erg: personificatie ve abstract begrip, voorgesteld als een godheid of dienaar ve god; deze "goden" wonen in de "hemel" die »Heboreta genoemd wordt).

Landry:: {J}.

Lāndyge-fōresta:: {G} (bos; gemeenten Fexa, Teujo, Tloer en Xalf); .

lānš’r:: {C} sieraad.

Lāndy-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Prus); .

lane:: {U} (arch/poe) zwijgen; »’lane.

lānefrojior:: {I} met kleine letters; in onderkast.

Lānell:: {J}.

lāngār:: {C} taal; ef riffe rifo ~: onder woorden brengen.

Lāngār-filosofa:: {N} (boektitel); .

Lāngār + Tibān:: {N} (meest gerenommeerde tijdschrift voor taalwetenschap en andere wetenschappen die een band met taal hebben; verschijnt 4x per jaar); .

Lāngār ur Tibān:: »Lāngār + Tibān.

lānger:: {C} leng (vis) (L. Molva molva).

langiy:: {VZ} (tijd) door ... heen, gedurende; ~ ef p’rs: door de eeuwen heen.

lango::

  1. {VZ}
    1. (beweging binnen bep grenzen) langs; do farte ~ ef krur: hij loopt langs de muur (de uiteinden vd muur zijn de grenzen;
    2. (maat) met de lengte van; eft mirra ~ 23km: een weg van 23 km lang; een weg met een lengte van 23 km.
  2. {VZrs} (richting) langs, omheen (in een bocht); do farte lango ef vildull (rs!): hij loopt langs de boom/om de boom heen.

langoare:: {K} (lett) ontwijken; ef lenker trije beri ~ ef vildul: de automobilist probeert de boom te ontwijken.

langoaros:: {C} (lett) ontwijking; ontwijkmanoeuvre.

langofes:: {VZ} (beweging binnen bep grenzen) binnen langs; do farte ~ ef krur: hij loopt binnen langs de muur; »lango.

langoloiniy:: {I} in lengterichting.

langomip:: {VZ} (beweging binnen bep grenzen) buiten langs; do farte ~ ef krur: hij loopt buiten langs de muur; »lango.

lāniotor:: {I} omheind.

laniy:: {I; =ot v plāks} [het] verst, meest ver; »plāks.

lānjebope:: {K} bevaren; varen op/in/over.

lanko:: {C} koepel.

Lanko-feslosos furt Zāros-fōntses:: {N} (afk= LfZf) "Koepelstichting voor Woningfondsen" (belangenbehartiging v bouwfondsen; in Xemān); .

Lanko-mirra:: {W} .

Lanko-plep:: {W} .

Lankos:: {G} (stad in Neze).

lankotat:: {C} koekoek, lichtkoepel, dakraam.

lanko-tlafo:: {C} koepelvormig plafond.

Lano:: {M}.

Lanōc-weg:: {W} .

Lanoka-mirra:: {W} .

lānole:: {K} kiezen voor, verkiezen (nadruk op de voorkeur; ook personen); »cošare.

Lanōs:: {F}.

lānsere:: |..’je| {K} lanceren.

Lānsmān:: {F}.

Lānsmān & Heeder:: {N} (afk= L&H) (bank te Blort); .

lānt::

  1. {C} omlijsting, lijst.
  2. {Aid} (alleen in:) lef ~ tukst (afk= l.l.t.): in het bezit van||verstoken van; do melde lef ~ tukst quista zāre-rumpstjō lo eft lelperros: hij is in het bezit van goede woonruimte; fes ef trā ileset kirro melde lef ~ tukst ef wertlā-hāfteros lo eft misos: op het afgelegen eiland zijn we verstoken/ontbloot van het wereldgebeuren; lef ~ tukst jadāk namoirose: ontbloot van iedere verdenking; boven iedere verdenking verheven.
  3. {Iid} aanwezig||ontbrekend; ~ ... fes iftam: aanwezig; ~ ... fes noi: ontbrekend; ef ~ ramās fes ef ’tiffos: de aanwezige gegevens; ef ~ ramās mip ef ’tiffos: de ontbrekende gegevens; ef ~ finanšela nōziys tjāg ef ’kaftos: de aanwezige [beschikbare] financiėle middelen; ef ~ finanšela nōziys š’m ef ’kaftos: de ontbrekende financiėle middelen; ef cošart cōstišerpos melde ~: de belangstelling is aanwezig; ef net-cošart cōstišerpos melde ~: de belangstelling ontbreekt.

lāntate:: {Kid} bevoordelen||benadelen; ef ~ mikar: bevoordelen; ef ~ nerikar: benadelen; do ~ gress lef šāft: hij benadeelt me.

lānte:: {Uid} voordelig zijn||nadelig/onvoordelig zijn; ef lorerdos rāgtago beri ~ lo mikar: de aankoop bleek voordelig te zijn; ef lorerdos lānto lo nerikar: de aankoop was nadelig/onvoordelig; dena iyicel ~ fes ef offertos: deze verpakking is voordelig; dena iyicel ~ tildā: deze verpakking is onvoordelig.

Lāntmān:: {F}.

Lanto-mirra:: {W} .

lān’le:: {K} beschijnen; schijnen op/over.

l.a/o:: {afk} (= luft »arkette ur obezjere).

lāornutor:: {I} »lāwornutor.

laos:: {IIef} Laotiaans (bv).

Laos:: {G} Laos.

Laosa:: {Cef} Laotiaanse vrouw.

Laoso:: {Cef} Laotiaan.

lāp:: {C} (spr) asociaal persoon.

Lāpana:: {Cef} Lapse vrouw.

Lāpann:: {Cef} Lap[lander].

lāpano:: {IIef} Laps (bv).

Lāpano:: {G} Lapland.

lāpanos:: {C} Laps (taal).

lāpéje:: »lāpéke.

Lapejufe:: {G} (stad in Tjemp).

lāpéke:: (= lāpéje) {K} (vulg) volschijten, volkakken; groft hurt ~ ef pijā platform: zijn hond schijt de hele stoep vol.

Laperiy:: {F}.

Laperiy-plep:: {W} .

Laperiy-weg:: {W} .

Lapi:: {J}.

lāpitte:: {K} fietsen over/op/door.

lāpiy:: {C} luier.

lāpjōle:: {K} ~ flj ón rst: praten over iets tegen iemand; reppen over/van iets tegen iemand.

Lāpkāmp:: {G} (dorp; gemeente Bora-Fercen); (DOM 136).

lāplastice:: {K} plastificeren.

lāplāt:: {C} klap, knal; ef spātre tjāg eft ~: met een klap uit elkaar spatten; »lā•.

lāpliyfone:: {K} drinken uit (een glas ed).

lāplōnse:: {K} (fig) zich storten op (onderzoek ed).

Lapoā:: {G} (stad op Teujan).

Lapoā-arābe:: {N} (crematorium; gemeente Lapoā); .

lapōf:: {S} veren, verendek, grof dons (gehele verenpakket ve vogel).

lāpoire:: {K} zich vermaken met.

Lapojy:: {J}.

lāpollere:: {K} blazen (v wind), doen waaien; ef omelech ~ gress lo martel: ik krijg het koud vanwege de wind.

Lapory-weg:: {W} .

lappaaf:: {C} treeplank.

lappe:: {E} stappen; nert ~-tūe kafonn sest tiyn: aan zo'n zaakje moet je niet beginnen.

Lappia:: {N} (zeepfabriek in Hirdo); .

lappiy:: {I} stapvoets.

lappos:: {C} stap.

Lāpranā:: {G} (dorp; gemeente Moze-Lāpranā).

Lāpranā-helmys:: {Gmv} (grottencomplex; gemeente Moze-Lāpranā); .

lāprōfa:: {SC} argument.

lāprófā:: {I} kinds.

lāprogrāme:: {K} zijn zinnen zetten op.

lāptōp:: {C} laptop.

lāputte:: {K} vasthouden (absorberen); ef ciytravint ~ pert ropja: de grond houdt veel vocht vast.

lāp’:: {C} schrik, ontsteltenis; (= »lā• + »p’).

lāquankaos:: {C} naamgeving (een officiėle naam geven: aan persoon, schip ed).

lāqurtor:: {I} stekelig, vol stekels.

lāqus:: {I} bruut (bv).

lāqu’e:: {K; gst= lāqu’t} opwachten; ~ gress tu luft ef garrent: ik zal je bij het station opwachten.

lāqu’t:: {gst} »lāqu’e.

Lār:: {G} (dorp; gemeente Haleu).

l.ar.:: {afk} (= lef »armtroos).

Lara:: {G} (beek; gemeenten Ef Ÿchis, Laraine en Sinto-Jeny); .

Laraine:: {G} (stad in Flāp).

Laraine-fonis:: {G} (inham in zuidkust v Tigof, op de grens v Neno en Flāp bij Laraine); .

Laraine-greel:: {N} (doorwaadbare plaats in de Opper-Cheetucjā); .

Laraine-letver:: {N} (insnijding v spoorlijn; gemeente Laraine); .

Laraine-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Laraine); .

Laras-plep:: {W} .

lardacc:: {C} voogd.

lardacceren:: {C} voogdij.

Lardacc-smurf:: {G} (dorp; gemeente Milbo).

lardae:: {K} voeden, voederen.

lardae-ses:: {C} stuwmeer.

lardae-šocheros:: {C} voedingssupplement.

lardae-tex:: {C} stuwdam.

lardamiy:: {I} eetbaar.

lardanomit:: {C} eetkamer; (samentrekking v »larde-kofano + »•mit).

lardaos:: {C} voedering, het voederen.

lardare::

  1. {K} water geven, begieten (v planten).
  2. {Upr} (fig) zich bedruipen.

lardaros:: {C} begieting, het water geven (v planten).

lardatjen:: {C} eter; kostganger; gast (iemand die blijft eten).

larde:: {K} eten (ww); (tdw) ef perke ~lira: honger/trek hebben.

larde-éttel:: {C} dagschotel (eenvoudige maaltijd in café ed).

larde-kinner:: {C} spijskaart, menu[kaart].

larde-kofano:: {C} gezellig eetfestijn, ongedwongen diner.

lardemflute:: {U} de honger stillen.

Larden:: {F}.

Lārden:: {F}.

larde-ool:: {S} (spijs)olie (om te braden, bakken).

larde-pica:: {C} ijsje, ijsco.

lardeskō:: {C} eetafdeling, eethoek (in Spok huis: deel vd keuken waar gegeten wordt); eetzaal (in een tehuis ed); (= »larde + »eskō).

larde-stovy:: {C} eetmarkt (festijn met kraampjes waar men allerlei soorten voedsel en drank kan proeven; verder kan er aan lange tafels gedineerd worden. Beroemd is de »Larde-stovy v Trondom).

Larde-stovy:: {N} "Eetmarkt" (bekend festijn in Trondom, 1e week v juli); ; (DOM 107).

larde-tijā:: {K} opeten.

larde-’tin:: {C} eetlust, trek.

larde-zlānt:: {S} echte of witte waterkers (L. Nasturtium officinale).

larde-zovert:: {I} voldaan (genoeg gegeten).

lardos::

  1. {C/S} eten, voedsel; »lart.
  2. {C} etentje; diner.

lardoseren:: {C} restaurantwezen.

lare:: {K} zich inleven in; meeleven met.

larefe:: {C} ontbranden.

larefos:: {C} ontbranding.

lārevos:: {C} beschieting.

lare-’tin:: {C} inlevingsvermogen.

large:: {C} lariks.

large-chént:: {C} roffiy ~: gele ringboleet (L. Suillus grevillei).

Lārge-weg:: {W} .

LaRiDu:: {afk} »Lacs furt ef Rigts én Duets frópj’ Toranief Revertōsta.

lārigte:: {K} recht hebben op.

lāripjae:: {K} (fig) in toom houden.

Laristō-rōnter:: {W} .

Lariy::

  1. {J}.
  2. {G} (wijnbouwgebied rondom Huron-s’rt op Tigof); sectā mip ~ (dure rode of witte wijnsoort).

Lariyg:: {J}.

Lariyg Hyccān:: {N} (Bergparel-B&B in Mozent) .

lārk:: {C} heuveltop.

Larkof:: {F}.

lārk-s’n:: {C} heuvelsein (spoorwegen).

Larmatiy:: {F}.

Larmin:: {N} (lichteiland; gemeente Gret); .

Larmina:: {N} (uitgeverij in Amahagge); .

Larminagge:: {W} (buurtschap); .

Larmin-blufk::

  1. {W} .
  2. {N} (naam v gasverdeelstation in Amahagge); .

Larmin-blufk-mirra:: {W} .

Larmin-bōrtee:: {W} .

Larminka:: {N} (veerdienst); .

Larminka I:: {N} (auto/treinveer); .

Larminka II:: {N} (stoomveer); .

Larminka III:: {N} (auto/treinveer); .

Larmin-mirra:: {W} .

Larmin-plep:: {W} .

Larmin-port:: {W} .

Larmin-Pōst:: {N}

  1. (regionaal avonddagblad in Bloi en Ziyp); ; (DOM 140).
  2. (uitgeverij in Gret); .

Larmin-rivo:: {N} (onderwijsinstituut in Amahagge); .

Larmin-rivo Korda:: {N} (Erg kerk in Amahagge); .

Larmin-rivo-lirrotiy:: {W} .

Larmin-rivo-weg:: {W} .

Larō:: {M}.

larōk:: {C} niet-woede; geen-plaag; geen-last; gress lelperre eft ~ ón tu: ik ben [helemaal] niet boos op je; eft ~ melde, den gress kaftare vilt efantys: het is geen enkel probleem voor mij om op je kinderen te passen; ik vind het niet erg om op je kinderen te passen.

Larō-plep:: {W} .

lart::

  1. {S} kost, eten (abstracter dan lardos); ef riffe ~ furt rst: eten koken voor iemand; »lardos.
  2. {II} hongerig.

Lārysa:: {M}.

lāryta:: {I} degelijk.

lārytā:: {C} rozenbottel.

Lārytā-pāt:: {W} .

lās:: {C}

  1. (mbt zintuig) smaak, het proeven.
  2. (lett) ent, loot, scheut (v tak); (fig) uitwas.

lāsaile:: {K} bezeilen; zeilen op/in/over; zeilen (een boot zeilend ergens heen varen); gress ~ ef karé helkara Amahagge: ik zeil de boot naar Amahagge. lāsare:: {K} doen uitlopen, doen uitkomen (v knop); ef kōbo ~ ef knō: de zon doet de knop uitkomen; door de zon komt de knop uit.

lāse::

  1. {K} proeven; ef ~ tlosiy: dat is geen punt; dat doet er niet toe; »joiy.
  2. {U} uitkomen, uitlopen, uitbotten (v knop).

•lāse:: {SX > c} •biet; (bijv) lijamalāse: rode biet; sucrolāse: suikerbiet; huronlāse: bloembol.

lāsele:: {K} zouten, zout toevoegen, in zout conserveren.

lāselor:: {I} (lett) gezouten.

Laser:: {F}.

laser-nānk:: {C} laserstraal.

lāšifere:: {K} verzilveren.

lāšiferor:: {I} verzilverd, met een laag zilver.

lāsimmor:: {I} omfloerst (lett/fig); intiem (v kamer ed).

lāšiyle:: {K} kruiden (v voedsel).

lāšiylor:: {I} gekruid (v voedsel).

lāsiynes:: {C} kokkerd (grote dikke neus); (= »•lāse + »nes).

lāsiynes-haje:: {C} ruwe haai, steenhaai (L. Galeorhinus galeus).

lās-izardos:: {C} essence, smaakstof, reukstof.

lāske::

  1. {K} lassen.
  2. {C} (= lāskos) las (in metaal).

Laskom:: {J}.

Laskom Larkof-Kviyft-mirra:: {W} .

lāskos:: {C} »lāske 2.

lāsn’or:: {I} besneeuwd.

lāsor:: {I} erudiet.

lasso:: {C; mv= lassōe; rsmv= lassót} lasso.

lassōe:: {mv} »lasso.

Lassos::

  1. {G} (stad in Litii).
  2. {Gmv} (rivier van Girdes-gebergte naar Zar-bocht); .

Lassos-greel-nūrcus:: {N} (autoveer op de Lassos); .

Lassos-mirra:: {W} .

Lassos-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Lassos); .

lassót:: {rsmv} »lasso.

lassote:: {K} (fig) aanschieten, aanklampen (iemand).

Lassy-Korda:: {G} (dorp; gemeente Komy).

lāst::

  1. {C} vocht, tranen (in ogen, wond).
  2. {I} vorig, verleden, voormalig; ~ Kriystās: met Kerstmis, afgelopen Kerstmis; eft ~ mink: een week geleden; eft hupster ~ mink: ruim een week geleden; ~ ér zurtarr: een uur geleden; ~ ten zempers = ten ~ zempers: twee jaar geleden; ~ terat 3 zempers: meer dan 3 jaar geleden; ~ oiba 6 terrats: minder dan 6 dagen geleden; ~ pert: lang geleden; ~ litel: kort geleden; terat ~ ki pert: heel lang geleden; ~ fortarr: een tijd/poos geleden; ~ oras pert zempers: oneindig lang geleden; ef terrats melde ~ lef ef sōlitariy: de dagen zijn in eenzaamheid vergaan; eft ~ iyra: lang/een tijd geleden; blul dōe frotexelije ~ ten minks furt mas: hij is morgen twee weken geleden geopereerd (het is morgen twee weken geleden dat ...).

lasta:: {C/S} traan (v walvis).

Lāsta:: {F}.

Lāsta-Holiy-mirra:: {W} .

lāstanae:: {K} vertinnen (ve laag tin voorzien); met tin solderen.

lāstanaor:: {I} vertind, met een laag tin.

lāste:: {K} voorbij laten gaan, over laten gaan, laten passeren (fig: v tijd, narigheid, kwade bui ed).

Lāster-weg:: {W} .

lāstōf:: {C} (dl= Peg) gevlekt schaap.

lāstōpe:: {K} stoppen bij; halt houden bij.

Lāst-temp:: {G} (heuvelrug; gemeente Aagee); .

lāst’rō:: {III} zo-even, daarnet, zojuist.

Lāstyrre-kiyk:: {W} .

Lāstyrre-nūrcus:: {N}

  1. (autoveer op de Pālst); .
  2. (voetveer op de Caherrte); .

Lāstyrre-poentel:: {N} (oeroude herberg even buiten Sinto-Torafebabō); ; (UIS 86).

Lāstyrre-wuma:: {G} (bos in Pālsten-gebergte; gemeente Sinto-Torafebabō); .

Lāst’r-tyvjā:: {C} (soort glazenmaker of kleine libelle) (L. Aeshna juncea).

lāsurojior:: {I} met kleine letters; in onderkast.

lāsute:: {K} kostumeren.

lāsutor:: {I} gekostumeerd.

Lasy::

  1. {F}.
  2. {G} (stad in Kina).

lat::

  1. {C} (arch/poe) ros (paard).
  2. {I} betrouwbaar (alg); berijdbaar (v weg).

lāt:: {I}

  1. verdord, dor.
  2. onhandig.

Lāt:: {J}.

Latana:: {G} (dorp; gemeente Aneta).

latare:: {K} zich GEEN zorgen maken over.

lātare:: {U} verdorren.

Latatube:: {G} (rivier van Qumk-vlakte naar Ef Rāster); .

Latatube-fōresta:: {G} (bos; gemeente Advō); .

Latatube-g’rt:: {W} .

late:: {K} ~ ón: wijden aan; Yvonn ~ cradef terrats ón ef stūšos: Yvonn wijdt alle dagen aan de studie; »wācce.

lāte:: {U} verdord zijn.

latere:: {U} wapperen.

laterelira:: {I} (fig) opgewonden, nerveus.

lateros:: {C} gewapper.

lātesmriyor:: {I} gedreven (enthousiast); met verve.

lati•:: {PX.c > c} blauw, groen, blauwgroen (kleur variėrend v blauw tot groen).

Latig’p-weg:: {W} .

latikerly:: {C} "groenrok" (scheldnaam voor Erg geestelijke).

lātire:: {K} wedden om.

latisé:: {SC} onrecht; fes ~: ten onrechte.

lātise:: {C} Letlands (taal).

latiy:: {I} gerust (zonder zorgen).

latiyce:: {K} met rust laten.

latizjuta:: {C/S} blauw guichelheil (L. Anagallis arvensis coerulea).

latizōne:: {C} blauwe zone (parkeren alleen toegestaan indien dit expliciet is aangegeven).

lātjondor:: {I} geėxalteerd (opgewonden).

lātmka:: |M| {C; rs= ~t} spies (wapen).

lātmkat:: |M| {rs} »lātmka.

LaToke:: {afk} »Lacs furt ef Tobacc-keldos.

lātōrtor:: {I} afgetrapt (v schoenen).

Latra:: {F}.

lātrānse:: {K} in trance brengen.

latrare:: {U} bezinken (v vloeistof: helder worden).

latre:: {U; gst= latt} op het punt staan te zinken.

lātrekke:: {K} afhalen (schoonmaken v bonen ed).

lātreox:: {gst} »lātreoxje.

lātreoxje:: {K; gst= lātreox} ontgelden, bezuren.

latriy:: {I} (arch/poe) wapperend (v mantel/vlag).

Latroma:: {M} (Gar).

latt::

  1. {C} lading (in vuurwapen).
  2. {gst} »latre.

latterān:: {Crs} kanteel; »•ān.

lattlot:: {C} kamer (v vuurwapen).

lātullor:: {I} (lett) gesluierd, met een sluier.

lātyja:: {IIef} Letlands (bv).

Lātyja:: {G} Letland.

Lātyjana:: {Cef} Letlandse vrouw.

Lātyjany:: {Cef} Letlander.

latyn:: {C} Latijn (taal).

latyna:: {I} Latijns (bv).

Lāuben:: {G} (stad in Bloi); (DOM 134-135/146).

Lāuben-eka:: {G} (zuidoostelijke baai vd Kjūpur-zee; valt voor een deel bij eb droog en is geliefde rustplaats voor zeehonden); ; (DOM 133-134).

Lāuben-mirra:: {W} .

lāufire::

  1. {K} berijden (v weg/brug/tunnel ed); rijden op (een weg); rijden door (een tunnel); rijden over (een brug); rijden op (dienst hebben op); rijden tegen (een boom); (obj bij lāufire kan GEEN rijdier/vervoermiddel zijn); dena treno nert ~ Gret: deze trein rijdt niet op Gret (gaat volgens de dienstregeling niet naar Gret); ef merater/oto ~ ef vildul: de man/auto rijdt tegen de boom aan; (vgl) ef merater/oto ~ ef vildull (rs!): de man/auto rijdt de boom omver/kapot; gress nert lāufirecū do: ik kan het niet met hem vinden.
  2. {U} ~ na: aanrijden op; af komen rijden op; do ~ hups na gress: hij komt hard op me afrijden.

Laünes:: (Peg)

  1. {F}.
  2. {N} (verffabriek in Kanea); .

Laurance:: {J} (Fra).

Laürden:: {F} (Peg).

lava:: {S} lava.

lāvekos:: {C} besnijdenis; .

lavendiy:: {S} lavendel.

Laver:: {G} (dorp; gemeente Puty).

Laver-Fetu:: {G} (rivier; deel vd Fetu); .

lāverfute:: {K} beschilderen; eft krur, lāverfut tjāg mindefit kōbos: een muur, beschilderd met rode zonnen.

Laver-seert:: {N} (landgoed; gemeente Puty); .

Lāvess-mirra:: {W} .

lāvetsée:: {K} inschepen; ef prap ~ luft eft situašo: inspelen op een situatie.

lāvildulor:: {I} boomrijk, vol bomen.

lav’:: {C} oploop, rel, opschudding.

lāwāpe:: (lāāpe) {K} [be]wapenen.

lāwornutor:: (lāornutor) {I} (lett) gesluierd (een wornut dragend).

lāwumae:: {K} bebossen (bos planten).

lāwumaos:: {C} bebossing.

lāw’tor:: (lā’tor) {I} aan het spit (vlees).

Lax:: {F/J}.

la'ycā:: {C} waarde (zn); painor-luft ~: meerwaarde; ef šobiyre flj ump ~: iets op zijn waarde schatten; iets appreciėren; ef kette ~ furt/ón (ón is vz): waarde hechten aan; ef putte lo ~: zich verwaardigen; tukst eft ~ rifo: tot een waarde van.

laycacc:: {gst} »laycache.

laycache:: {K; gst= laycacc} waarde hechten aan.

lāycāe:: {I} waardeloos.

la'ycās:: {Cmv} deviezen, valuta.

la'yce:: {K} het waard zijn; dena mimpit ~ sener š’ny fes jadāk loin: dit boek is zijn prijs dubbel en dwars waard.

la'yciye:: {K} waard zijn; dena platiranu ~ pert smurf: dit schilderij is veel geld waard.

lā’šycuor:: {I} vlezig, met veel vlees.

lā’lane:: {K} [stil]zwijgen over.

la'ymōr:: {I} waardevol, kostbaar.

lā’pjare:: {K} verstikken.

lā’pjaros:: {C} verstikking.

lā’tor:: {I} »lāw’tor.

lāzāre:: {K} bewonen; wonen in/op.

lāzāros:: {C} bewoning, het bewonen.

lāzeffor:: {I} ~ betōn: gewapend beton.

lāzenntor:: {I} ongebaand; met hindernissen.

Lazer:: {J}.

lāzerfare:: {K} doorzien; vluchtig bekijken.

lāzerfe:: {K} bekijken; aankijken; kijken naar.

lāzirde:: {K} liggen op (een divan; op de sprei v bed ed, maar niet IN bed).

lāzōlumōje:: {K} vliegen in/door/over/naar/op (vliegtuig); ef plano ~ ef ayr: het vliegtuig vliegt in/door de lucht; ef zālft-zelf’er ~ ef granōs: de helikopter vliegt over/boven de bergen; ef plano nert ~ Schiphol: het vliegtuig vliegt niet naar Schiphol (maar vliegt een andere richting op); het vliegtuig vliegt niet op Schiphol (er is geen lijndienst op Schiphol).

LBQ:: {afk} »Lebet-Buroex ef Ququlā.

l.b.s.:: {afk} (= lef belt »stebe).

le:: {TW} (arch) één; (nog terug te vinden in »letterās en »l’n).

Le:: (Fra lw: zie lemma's hieronder).

Le résultatif nominal et verbal en spocanien:: {N} (tijdschriftartikel); .

LE:: {afk} »lekirstel.

L.E.:: {afk} (= luft »Erget).

Leaner:: {F}.

Leathery:: {N} (voormalige popgroep); .

LEB:: {afk} »Lebet-depārtemen.

Leba:: {G} (stad in Bloi); (DOM 137).

Leba-mirra:: {W} .

lebet:: {C} handel.

lebetare:: {K} verhandelen.

lebetaros:: {C} (lett) verhandeling, het verhandelen.

lebetatjen:: {C} handelaar, dealer.

Lebet-Buro:: {N} "Kamer van Koophandel" (in alle »rigts’rts); .

Lebet-Buroex ef Ququlā:: {N} (afk= LBQ) "Vereniging van Kamers van Koophandel" (hoofdkantoor in Hoggebim); .

Lebet-depārtemen:: {N} (afk= LEB) (ministerie); .

lebete:: {U} handelen; handel drijven.

lebeter:: {C} handelaar, koopman.

Lebeter-oftian:: {W} (stadswijk in Amahagge); .

lebet-glyda:: {C} compagnon; ef firma Metrusse uLG (= ur lebet-glyda): de firma Metrusse & Co (= en compagnon); (bij meer dan een compagnon wordt de afk uLGs = ur lebet-glydas, gebruikt).

lebetiyns:: {Cmv} handelswaar, koopwaar.

lebetjus:: {C} boodschap; gekocht artikel; ef pónze ~z: boodschappen doen (alg: gaan winkelen); ef pāre ef/eft ~: de/een boodschap doen (ihb: een bep artikel gaan kopen); ef pāre ef ~z: de boodschappen doen (ihb: bep artikelen gaan kopen); gress melde t’rt/revente frópj’ ef ~-’pónzos: ik ben/kom terug van het boodschappen doen.

lebetmārc:: {C} handelsmerk.

Lebet-mārket:: {W} .

lebet-menester:: {C} minister van handel.

Lebet-ofiss:: {N} "Handelskantoor" (informatiecentrum voor buitenlanders die handel willen drijven met/in Spok; in Hirdo); .

Lebet-oftian:: {W} (stadswijk in Zest); .

lebetos:: {C} het handel drijven.

lebet-rófto:: {C} compagnie, vennootschap.

Lebet-seert:: {N} "Handelshuis" (bekende hotelnaam)

  1. (Bergparel-hotel in Crobela); .
  2. (Bergparel-hotel in Mirāstriymiy (Acaratsa)); .
  3. (Bergparel-hotel in Mozent); .
  4. (Bergparel-hotel in Prio); .
  5. (Bergparel-hotel in Quandepā); .
  6. (Bergparel-hotel in Sa Crono); .

Lebet-Sentrym:: {N} "Handelscentrum" (bevordering vd handel en internationale contacten in de gemeente Amahagge); .

lebet-tāx:: {C} (ong) vennootschapsbelasting; .

leblā:: {C} "districtsbestuur" (in Spok: bestuur ve »distrycc ("district, provincie")).

Leblā:: (districtsbestuur als organisatie gezien); Muntex ef ~: het Districtsbestuur van Munt; het District Munt (bestuurlijk gezien); .

leblāer:: {C} (his; ong) stadhouder; »leblā.

Leblā-mirra:: {W} .

leblās’r:: {C} "districtshoofdstad"; »suhurdog.

LEC:: {afk} »Lacs frópj’ ef Energiy-c’rbaros.

lece:: {U} lekken; vocht doorlaten.

Lecc:: {F/J}.

léche::

  1. {U} schuilen.
  2. {Upr} ~ tukst: aarden naar.

léchos:: {C} geschuil, het schuilen.

lécht:: {C} schuilplaats.

Lechtō:: {G} (dorp; gemeente Kreg).

Lecocq:: |lekōk| {F}.

lecos:: {C} lek (zn).

lecuma:: {S} groente.

Lecuma-mirra:: {W} .

Lecuma-pāt:: {W} .

Lecuma-plep:: {W} .

lecuma-šupa:: {C/S} groentesoep.

LED:: |let| {C} led.

LED-armāt:: |lettarmāt| {C} ledverlichting.

lédo:: {C}

  1. insigne; kenteken; merkteken; keurmerk; onderscheidingsteken;
  2. kenmerk, symptoom; lo ef ~s zalatre: zonder meer, best [wel] eens, zonder bezwaren te maken; tu trempecū ef mimpit lo ef ~s zalatre: je kan het boek best eens lezen (niet verder over zeuren!); gress quarderavy tu lo ef ~s zalatre: ik wil best wel eens langskomen.

lédo-avis:: {C} motto, devies, kenspreuk.

lédotat:: {C} controlelamp[je].

lédote:: {K} merken, van merkteken voorzien.

lédotos:: {C} merking, het merken.

LED-tat:: |lettat| {C} ledlamp, ledlichtje.

leé:: {C; rs= létte} leeuw (mnl/ntr).

lée:: {K} (lett) ontvouwen; open laten vallen; ef ~ eft zolle-nota: een bankrekening openen.

Leeche-jerp-pāt:: {W} .

Leėe::

  1. {N; rs= ~ta of Leette} Leeuw (sterrenbeeld).
  2. {G} (beek; gemeente Mūninū); .

Leėe-agru:: {G} (heuveltop; gemeente Mūninū; 618 m hoog); .

Leėe-mirra:: {W} .

Leėeparr-mirra:: {W} .

Leėe-poentel:: {N} (eenzaam restaurant bij het gehucht Brāeenco); .

Leėeta:: {rs} »Leėe 1.

Leefes-plep:: {W} .

Leefquh-labā-plep:: {W} .

Leefquh-mirra:: {W} .

Leef-tankos:: {Gmv} (twee meertjes; gemeente Yfte); .

Leeft-pāt:: {W} .

Leef-weg:: {W} .

Leeg:: {F}.

leé-gart:: {C} muurleeuwenbek (L. Linaria cymbalaria).

léeja:: {C} gordijn; blef sener š’r ~[s]: op eigen houtje; eft ~ menkerate furt groft lomkā: hij heeft een bord voor zijn kop; ef ~s hulle gress: de muren komen op me af.

léejazorā:: {C} gordijnroede.

LeeLa:: {afk} »Leesy-Lacōše-Benc.

Leemān:: {F}.

Leemān & Sūmiy Ÿršos:: {N} (uitgeverij in Hirdo en Liyrotyka); .

Leen:: {F}.

Leena:: {M} Lena.

Leene:: {M} Leen.

Leepāv::

  1. {F}.
  2. {N} (»wegs’rt langs autoweg M6; gemeente Jelā); .

leéparr:: {C} luipaard (mnl/ntr).

Leer:: {F}.

Leerbā:: {N} (rangeerterrein bij Manes-Puriy); .

léerho:: {C} kuit (deel v been).

Leeserf::

  1. {F}.
  2. {G} (stad in Litii).
  3. {N} (bekend biermerk); .
  4. {N} (bierbrouwerij te Aflif en Bōrā); .

Leeserf-Lassos:: {N} (»šarkdomenn bij Leeserf; district Litii); .

Leestry-mirra:: {W} .

Leesy:: {F}.

Leesy-Lacōše-Benc:: {N} (afk= LeeLa) (voormalige bank te Hirdo); .

Leeter:: {F}.

Leette:: {rs} »Leėe 1.

Leev:: {G} (dorp; gemeente Aflif).

Leev-eka:: {G} »Tiys-eka.

lef:: {VZ} (betrekking) [tezamen] met, mee met; eft sért ~ eft blotter kul: een huis met een blauwe schuur; Mariy ~ ef hāst riffe eft mintepot promirret: Mariy maakt een lange wandeling met de hond; eft ōrešy ~ eft blotter uniform: een soldaat in een blauw uniform; Jān melde ef frera ~ Petriy: Jān is de broer van Petriy (en P. is de broer v J.); (vgl) Jān melde ef frera armt Elsa: Jān is de broer van Elsa (E. is NIET de broer v J.); (fig) eft wuma ~ cameras: een woud aan camera's (zo veel palen met camera's dat het op een woud lijkt).

léf::

  1. {C} glas léf (bier).
  2. {S} bier (gebrouwen in Spok: lijkt op ale of bokbier); »léft; .

Lefaber:: {F} (Eng).

leferakānda:: {C} diner; warm eten.

leferakānolac:: {C} restauratiewagen (in trein).

leferakānukér:: {C} openbaar eetfestijn (op marktplein waarbij alle boeren uit de omgeving een bijdrage leveren).

lefešami:: {I} »lafešami.

Leffef:: {F}.

leffy:: {C} peer (vrucht).

Leffy::

  1. {F/J}.
  2. {G} (stad in Plefō).

leffy-brūe:: {S; rs= ~t} perencompote, perenmoes (gekookte peren met suiker, citroen en rozijnen).

leffy-brūet:: {rs} »leffy-brūe.

Leffy-lirrotiy:: {W} .

Leffy-mirra:: {W} .

Leffy-ollstovy:: {N} "Perenkermis" (grote kermis in Amahagge, elk jaar in juli); .

leffys-vildul:: {C} perenboom.

Leffy Teecrā-mirra:: {W} .

Leffy Teecrā-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Pla); .

Leffy-terf:: {W} .

leffy-torovōn’:: {C} peervormige lijsterbes (L. Sorbus domestica).

Lefmen:: {F}.

Lefōf:: {G} Lwow (in Polen).

léfquh:: {C; mv= léfqusta} [gewone] vlier (L. Sambucus nigra).

léfquh-labā:: {C} vlierbes.

léfqusta:: {mv} »léfquh.

léfše:: {K} reiken tot, zich uitstrekken tot; ef léeja ~ ef flor-lānt rempe ef tlafo: het gordijn reikt vanaf het plafond tot (aan) de plint; ef ~ rempe A hiycce B: het reikt van A tot B; het strekt zich uit van A tot B; (altijd rempe en hiycce, nooit trāk of resultatief).

léfšos::

  1. {C} (lett) uitloper van gebergte.
  2. {A} (fig) reikwijdte.

Left:: {F}.

léft::

  1. {C} glas léft (bier).
  2. {S} (dl= Tigof/Lomky) bier (gebrouwen in Spok); »léf; .

leftel:: {C}

  1. lepel, eetlepel; (maateenheid bij recepten: 15 ml) eetlepel (afk = lft); pl. 2 lft mōl: ca. 2 eetlepels bloem.
  2. meid (gemeenzame benaming voor goede bekende); Tek melde eft lūfiy ~: Tek is een leuke meid.

Leftel::

  1. {F}.
  2. {G} (dorp; gemeente Advō).

leftele:: {K} opscheppen (v soep ed).

leftel-fe-grūmiyl:: {C} langoorvleermuis (L. Myotis bechsteinii).

leftel-ryje:: {C} lepelaar (L. Platalea leucorodia).

Leftel-weg:: {W} .

legatiy:: {C} legaat, erfenis.

legc:: {C} lichaamsdeel.

Leger:: {J}.

léges:: {mv} »lāgal.

Leget:: {F}.

legquer:: {A; mv=enk} onduidelijkheid.

legquiy:: {I; [mv=enk]} onduidelijk, duister.

Lehore:: {J}.

Lehortiy-Zagy-Feslosos:: {N} (afk= LZF) (overkoepelende stichting voor de exploitatie v Volkshogescholen; in Laffenet); .

Lehortiy-Zagy-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Laffenet); .

Leif:: {J} (Noo).

Leif-fōresta:: {G} (bos; gemeente Piroes); .

Leif-plep:: {W} .

Leije:: {G} (rivier van Lafter-gebergte naar Zverosta-kust); .

Leije-pāt:: {W} .

Leije-plep:: {W} .

Leije-seert:: {N} (hondenkennel, waar de "Gālpiy'se berghond" gefokt wordt; gemeente Xark); .

Leije-stašon:: {N} (voetbalstadion bij Jatty (BF)); .

Leije-šupa:: {N} (herberg; gemeente Flipa); .

Leije-s’rt:: {G} (dorp; gemeente Šemp).

leir•:: {PX} vinger•, teen•; »leir-.

leirbent:: {C} vingerring.

leiršyg:: {C} vingerhoed; bār’r ~: vingerhoedskruid (L. Digitalis purpurea).

Leirfesšeeos-museem:: {N} "Vingerafdruk-museum" (bij Milbo); .

leirmust:: {C} sandaal (met bandjes tussen de tenen).

leirponto:: {C} vingertop.

leja::

  1. {C; mv= ~s} leeuwin.
  2. {S} leisteen.

lejaparr:: {C} luipaard (vrw).

lejaplāc:: {C} lei (om op te schrijven).

leja-póc:: {C} griffel (om op een lei te schrijven).

Leja-seert:: {N} (eenvoudig pension in het gehucht Brāeenco); .

Leja-weg:: {W} .

Leja-wuma:: {G} (bos; gemeente Aāstiy); .

Leje:: {F}.

Lejf:: {J} (Noo).

lejiy:: {I} leistenen; van leisteen gemaakt.

lejonye:: {U; gst= lejonyt} dineren; ef ~ fes finstraiy lef rst (2niv!): onder één hoedje spelen met iemand.

lejonye-gās:: {C} dinergast.

lejonyt:: {gst} »lejonye.

Lejynne:: {F}.

lek:: {VG} (gelijkstelling) ofwel, of [te wel], of liever gezegd; ef omeleche, ~ ef mónse: het waait, of liever gezegd, het stormt; kā melde eft hupster srialyotū ~ eft belt vildul: dit is een grote struik of eigenlijk een kleine boom.

lék:: {S} look (diverse planten; vrnl in samenstellingen als šarmiy-~ = daslook).

l.e.k.:: {afk} (= lef ef »kāmpaiy).

lekirse:: {U} tieren, welig groeien; (lett/fig) gedijen.

lekirsos:: {C} welige groei; het gedijen.

lekirstel:: {Cef} (afk= LE) "groeimaand" (12e maand v Erg tijdrekening).

lekirt:: {I} weelderig (overvloedig).

lekk:: {C} lijk, stoffelijk overschot.

lekkō:: (= lekkoh) {I} lekker, goed van smaak.

lekkoh:: {I} »lekkō.

lék-krutt:: {C/S} look-zonder-look (L. Alliaria petiolata).

leks:: {I} bits, vinnig.

Leksa:: {F}.

lel•:: {PXimpr} roof• (bij dieren; »lel-).

lelart:: {C} sperwer (L. Accipiter nisus).

lelbelp:: {C} roofdier.

Lelbelp-oftian:: {W} (stadswijk in Hirdo); .

Lelbelp-plep:: {W} .

lelchat:: {C} boommarter (L. Martes martes).

•leldā:: {SXimpr.zn > c} •teelt, •bouw; (bijv) agenleldā: akkerbouw; fa'ileldā: veeteelt.

leldāe:: {K} telen, kweken.

leldame:: {C} (alg) groei; (ihb) loopbaan.

leldāos:: {C} teelt, kweek, het telen, het kweken.

leldare:: {K}

  1. vatten (kou, vuur, vlam ed).
  2. doen/laten groeien.

leldast:: {C} gevangene, arrestant.

leldast-gert:: {C} gevangenbewaarder.

Leldast-seert:: {N} Huis van Bewaring (als instantie); .

leldast-sért:: {C} huis van bewaring.

leldatt:: {I} ~ [armt]: vatbaar [voor].

lelde::

  1. {K} [aan]pakken, grijpen, beetpakken, [aan]vatten; arresteren; ef ~ eft eksām: (pop) slagen voor een examen; (tdw) ef paine ~lira: aanpakken, aanleggen, beginnen, doen; do paina ~lira ef lo terat habilem ki: hij heeft het heel handig gedaan/aangelegd; gress nert tiffe, kol perke beri paine ~lira sener revertafiy: ik weet niet hoe ik mijn scriptie moet aanpakken; ik weet niet hoe ik met mijn scriptie moet beginnen; flājū pai do painelije ~lira: er is niets door hem ondernomen.
  2. {U} groeien; »lomkā.

lelde-fes:: {K} ~ flj tukst rst: iemand aan iets onderwerpen.

lelde-luft:: {K} nuttigen, gebruiken (vrnl voedsel, drank).

lelder:: {C} houder (gas-, pen-); (naam v planten met klitachtige bloemen of vruchtjes, ihb fyg-~ = heggendoornzaad).

lelde-ral:: {K} oppikken (iemand meenemen).

leldiy:: {I} vol (smaak v rode wijn).

leldos-luft:: {C} consumptie (het nuttigen v iets).

Leld'seert-mirra:: {W} .

Leld'seert:: |lelsért| {N} (afk= LS) Gevangenis (als instantie); .

leld'sért:: |lelsért| {C} (afk= LS) gevangenis.

leldufja:: {C} zeewolf (vis) (L. Anarhichas lupus).

lelfisa:: {C} roofvis.

leliy:: {C} benul.

Leljahove-covent:: {N} (RK klooster bij Skorp; gemeente Cleft); .

Leljahove-mesā:: {N} (begraafplaats; gemeente Cleft); .

lelk:: {C} hooiberg.

Lelko:: {G} (stad in Jelafo).

lelk-otōp:: {C} hooischuur.

lellpe:: {rs} »lelp.

lelmo:: |lemo| {AW; enk-concr/semc} (dichtbij) dit, deze; ~ groft canariy: deze kanarie van hem; ~ tof: vandaag, heden; ~ luppor: vanavond.

lelmoiy:: |lemoiy| {Cef; mv=enk} (nominalisatie v lelmo/lelmos 2) ef ~: dit/deze hier; tu zecofe folarra belt-omi? – gress zecofe ef ~: welk gebakje wil je? – ik wil déze/dķt graag; bō mindefit mimpit ur ef kolai ~: dat rode boek daar en dit gele hier.

lelmos:: |lemos|

  1. {ZV; mv; gnp= ~er; gnz= ~’r; rs= ~es} deze[n], die (spr: deiktisch); (Jān wijst op de appels en zegt:) ~ melde tval: deze zijn rot; (Mariy wijst op enkele boeken en zegt:) ~’r caribōsta melde clāp: de kaften van deze/hiervan zijn versleten; (ik wijs op mijn zoekende ouders en zeg:) ~er kasz melde tijā: hun jas is weg; (Elsa wijst op de aardbeien en frambozen, en zegt:) aftel tu bladide tem ~ oft bōs ~?: wil je déze of dķe?; pert ~: veel van deze[n]; tirdus ~: deze die kapot zijn.
  2. {AW; mv-concr/semc/stoff} (dichtbij) deze, dit; ~ pleko melde grūva oiba dus bōs tiyn: dit zand is minder grof dan dat [daar]; ~ groft canariys: deze kanaries van hem.

lelmoser:: |lem..| {gnp} »lelmos.

lelmoses:: |lem..| {rs} »lelmos.

lelmos’r:: |lem..| {gnz} »lelmos.

lelp:: {PV; rs= lellpe (arch) of iyffe (»ef); 2niv-3enk-ntr/zkl} het, hem, haar; ef (= ef plano) zōlumōje sumā ~ (= ef granō): het (= het vliegtuig) vliegt ertegen (= tegen de berg).

lelparus:: {I} onbeschaamd.

lelper:: {C} toonder.

Lelperiy:: {F}.

lelperre:: {K} hebben, bezitten; do ~ riyfain ef miflifs lo tuffes: hij heeft altijd de ramen open; ef mimpit ~lije pai gress, Jān té kuntiyre: ik heb het boek dat Jān gestolen heeft (dat door Jān gestolen is); do eft quista qummertaros ~: hij heeft een goede opleiding genoten; (= »lelde + »pe + »•ere: gress lelperre eft blof = (arch) gress lelde peėre eft blof = (lett) ik pak/neem dat wat een paard is = ik heb een paard); »vende.

lelperre-armt:: {K} aanhebben, dragen (v kleren); ef mosjeusz goe huronsót robōs ~: de vrouwen droegen een gebloemde jurk.

lelperre-luft:: {K} aanhouden, aanlaten (v jas); ophouden, oplaten (v hoed) (als men ergens op bezoek is).

lelperrere:: {K} bezitten.

lelperroroni:: {C} bezittelijk voornaamwoord.

lelperros::

  1. {C} bezit (wat men in bezit heeft); Lerduex ef ~: het bezit van Lerdu (degene die bezit); »holos 2.
  2. {A} eigenschap; ef ~z rifo eft durlaf: de eigenschappen van een driehoek.

lelpirovap:: {III} (fig) anderzijds, aan de andere kant.

Lelpirovap:: {N} "Andere Kant" (praatprogramma op TV); ; (DOM 110/137).

lelpiru:: {II} ander; do parfāse kvā n’f ~ veldurs: hij wil nooit met enig ander mens omgaan.

lelpirus:: {ZV; mv; gnp= ~er; gnz= ~’r; rs= ~es} andere[n]; Maliy ur Lerdu quardere gress lilt, tur gress zerfe lendiy ~: Maliy en Lerdu bezoeken mij vaak, maar anderen zie ik zelden; gress nert affionnose Berkaex ef malodé, aftel tu nert lelperre ~er tiyns?: ik houd niet van Berka's muziek, heb je niets (geen muziek) van anderen (iemand anders)?; ..., ur n’f ~: als geen ander; do lelperre ef progrām frópj’ liftkar gorbasz, ur n’f ~: hij is als geen ander gespecialiseerd in oude postzegels; do chafoste, ur n’f ~: hij zingt als geen ander; ~ rast: iemand anders; ur ~ (afk= u/lelp.): en andere[n] (e.a.).

lelpiruser:: {gnp} »lelpirus.

lelpiruses:: {rs} »lelpirus.

lelpirus’r:: {gnz} »lelpirus.

lelpirutt:: {C} ef ére ur ef ~: de/het ene en de/het andere.

lelpirutter:: {OV enk-concr} andermans, van iemand anders (eig gnp v lelpirutt, maar de basisvorm lelpirutt in de betekenis v "iemand anders" bestaat niet meer).

Lelpiru Weinō-pāt:: {W} .

lelt:: {C} gewas.

leltiy::

  1. {I} ~ [pai]: begroeid [met].
  2. {III; mv=enk} (arch/dl= Peg) hoe langer hoe ..., steeds ...; ~ hupster terat = ~ hupsterr (rs!): hoe langer hoe groter; steeds groter.

lem:: {I} lauw, zoel.

léma:: {C} (alg) penning.

Lembō:: {J}.

Lemde:: {G} (beek vanuit de bossen op het landgoed Peevjabo naar Ef Larmin); .

Lemde-rivo:: {N} (herberg; gemeente Marafaniy); .

lemnās:: {C; mv= ~a} grafheuvel; (er zijn ca. 1200 grafheuvels bewaard gebleven, variėrend v nauwelijks zichtbare bobbeltjes in het terrein tot enorme heuvels waarin hele families begraven liggen).

lemnāsa:: {mv} »lemnās.

Lemnās-agens:: {Gmv} (akkerbouwgebied; gemeenten Amejo en Ef Diōs); .

Lemnās-areōm:: {W} (stadswijk in Hirdo); .

Lemnās-āskān:: {W} .

Lemnās-fōresta:: {G} (bos; gemeente Abenatošā); .

Lemnās kusamat ef Bajuftō:: {N} "Heuvel naast de Beek" (een vd 7 Koninklijke Grafheuvels op het landgoed Ef Sinto Aša); .

Lemnās-lirrotiy:: {W} .

Lemnās-mennweg:: {W} .

Lemnās-mesā:: {G} (bos; gemeente Doe); .

Lemnās-pāt:: {W} .

Lemnās-weg:: {W} .

Lemnās-wuma:: {G} (bos; gemeente Molen); .

lemnās-’mpos:: {A} nagedachtenis.

Lemp:: {G} (stad in Munt); (DOM 121).

Lemp-belt:: {G} (dorp; gemeente Lemp); (DOM 121).

lemrān:: {C} heldhaftige dood (op slagveld); »•ān.

lemrāne:: {K} doodschieten.

lemt:: {S} wierook.

lén:: {C} (fig) atmosfeer, sfeer; lef ~: expliciet, uitdrukkelijk.

Lena:: {M}

lenabatjen:: {C} kaper.

lenabe:: {K}

  1. rapen (op de grond gevallen fruit/noten ed); plukken, zoeken (eetbare paddenstoelen/bessen); rooien (aardappels).
  2. kapen (schip, vliegtuig).

lenabor:: {I} gebroken, terneergeslagen.

lenabos:: {C} het rapen, het plukken, het rooien; kaping; »lenabe.

Lenano:: {G} (stad in Tjemp).

Lenano-dunjes:: {G} (kleiner duingebied in district Tjemp); .

Lena ur Lerdu:: {N} (bekende ballade uit de 17e eeuw); .

lendiy:: {I; [mv=enk]} zelden; pijā ~: heel zelden; bijna nooit.

léne:: {K} uitdrukken.

lenen:: {C} stokvis.

Lenert:: {J} Leonard.

Lenhārt:: {G} (dorp; gemeente Daba).

Lenhārt-greel:: {N} (doorwaadbare plaats in de Puriy-Gāp); .

leninesmiy:: {C} leninisme.

leniy:: {I; [mv=enk]} afgesproken, overeengekomen.

lenkatjen:: {C} [beroeps]chauffeur.

lenke:: {K} [be]sturen (v auto).

lenke-armt:: {K} bijsturen (vrnl fig).

lenker:: {C} bestuurder, chauffeur (NIET als beroep); »lenkatjen.

lén'kurre:: {I} nert ~: onuitsprekelijk.

lenkzorā:: {C} helmstok (v scheepsroer).

lenn:: {!} (pop) oké!, afgesproken!, in orde!.

Lenn:: {J} Leen.

lenne::

  1. {K} (fig) berusten op, steunen op; berusten in.
  2. {U} kloppen; in orde zijn.

Lenne:: {J}.

lennelira:: {I} gangbaar, courant.

Lenorr:: {M} Leonora.

lénos:: {C} uitdrukking, spreuk.

lenp:: {I} kloek, flink.

lens:: {I} lenig, soepel.

léns:: {VZ1n} (betrekking) blijkens, zoals blijkt uit; ~ groft wufta-cos do mafurte ón ef blaffoser: blijkens zijn woordkeus is hij woedend op de belastinginspecteur.

lensān:: {C} lans; »•ān.

lensān-ferre:: {C} eikvaren (L. Polypodium vulgare).

lense:: {C} lens, loep, vergrootglas; ef zerfe mitai ef ~e (rs!): onder de loep nemen (van naderbij beschouwen).

lénse:: {K} ondervinden, ervaren.

lensiy:: {A; mv=enk} lenigheid, soepelheid.

lénsos:: {A} ondervinding, ervaring; ef ~ aptoppe den: de ervaring leert dat ....

lent:: {I} (lett/fig) doorschijnend, transparant, doorzichtig.

lenta:: {C} term; lef ~s, reppelira ...: in termen van ....

lentel:: {C} linze.

Lentyne:: {M}.

Leo::

  1. {J}.
  2. {G} (stad in Plefō).

Leō:: {N; rs= ~ta} Leeuw (sterrenbeeld).

Leon:: {J}.

Leonsa:: {J}.

Leon-weg:: {W} .

Leōta:: {rs} »Leō.

lep:: {C} (alg) brok, stuk, klont; (ihb) schol (geologisch: aarddeel tussen breukvlakken); ef spātre fes ~s ur tāts: in brokstukken uiteenspatten; šām ~s: zonder brokken, zonder een ongeluk te veroorzaken.

lepare:: {K} verbrokkelen.

leparos:: {C} verbrokkeling.

Lepberiy:: |lepperiy| {F/J}.

lepe:: {K} [af]brokkelen.

Leporello-f’tafiy:: {N} (kroniek in harmonicavorm uit 1480; maakt gewag v 13e-eeuwse nederzetting op Mikkon; wordt bewaard in het Mikkon-museum in Hirdo); .

leppetepe:: {E} kibbelen.

Leranu:: {G} (stad in Renō).

Leranu-belt:: {G} (dorp; gemeente Leranu).

Leranu-S’rt:: {N} (station).

Lerdu:: {F/J/M}.

Lerdualer:: {F}.

Lerdu Flās Comāf-Kanea-weg:: {W} .

Lerdu-Husof-mirra:: {W} .

Lerdu Kruns-Leftel-mirra:: {W} .

Lerdu-mōliy-weg:: {W} .

Lerdu-Ōrs:: {J}.

Lerdu Prāndec-Myhhen-mirra:: {W} .

Lerdu-Pyt:: {J}.

Lerdu Qurten-Safjéńg-plep:: {W} .

Lerdu Riesling-grup:: {N} (voormalige folkgroep); .

Lerdu Seeteffe:: {N} (Bergparel-hotel in Xā ja ef Prusots); .

Lerdu-salviy:: {S} kleinbloemige salie (L. Salvia verbenaca).

Lerdu Stāp-mirra:: {W} .

Lerdu-Sypa:: {J}.

Lerdu Treebā-Šenk-weg:: {W} .

Lerdu Zinšes-mirra:: {W} .

Lerf:: {F/J}.

Lerfa:: {M}.

Lerfāc:: {J}.

Lerfāc Sinto-Recc:: {N} (Bergparel-B&B in Staef); .

Lerjen:: {F}.

Lerkara:: {G} (voormalig landgoed; gemeente Amahagge); .

Lerp’-fōresta:: {G} (bos; gemeente Lasy); .

lerrke::

  1. {C} leeuwerik; (ihb) veldleeuwerik (L. Alauda arvensis).
  2. {S} (bep soort Spok bier); .

Lerstōn-pōnt:: {N} (spoorbrug over de Ziffon bij Tenkō); .

Lerstōn-weg:: {W} .

lertā:: {C} (plataanachtige populier, veel geplant langs Spok wegen) (L. Populus platanea).

Lertā-mirra:: {W} .

les:: {VZ} (betrekking) min[us] (bij aftrekken); sers ~ ten kette fār: zes min twee is vier.

Les Arbres:: |Fra.| {N} (restaurant in Hirdo); .

lesa:: {C} lager, geleider (technisch).

lésan:: {C} compliment[je]; roem, lof.

lésane:: {K} roemen, loven.

lésaniy:: {I} roemrijk.

lésan-quista:: {I} lofwaardig.

Lesbifem:: {N} (feministische beweging voor lesbische vrouwen; hoofdkantoor in Gralkrich); .

lese:: {K}

  1. aftrekken (rekenkundig).
  2. geleiden (stroom, warmte).

leser:: {C} minteken (–).

Leserf:: {F}.

lesiy:: {C} aftrek (korting).

lésore:: {U} achterdochtig zijn; argwaan hebben.

lésoriy::

  1. {Aef} argwaan.
  2. {I} argwanend.

lesos:: {C}

  1. aftrekking, aftreksom (rekenen).
  2. geleiding (v stroom, warmte).

Lešō-terf:: {G} (zeestraat tussen Rāsterhynne en Ÿrlešō, deel v Ef Larmin); .

lesoto:: {IIef} Lesothaans (bv).

Lesoto:: {G} Lesotho.

Lesotona:: {Cef} Lesothaanse vrouw.

Lesotony:: {Cef} Lesothaan.

less:: {C; mv= ~a} luis.

lessa:: {mv} »less.

Lesse:: {J}.

lest:: {DT} (doel/reden; evtl nert in bijzin) opdat niet, om niet te, uit vrees dat; tu ~ fespiltāt eft pr’mafiy, ef errosz [nert] bzaūttilóme: je moet het verzoek schriftelijk indienen, opdat er geen misverstanden ontstaan; gress ~ dvébe-kest eft c’ramm, gress [nert] pónsilóme jōrm-’katle: ik doe een das om, om geen keelpijn te krijgen.

lesta:: {C} sponning.

Lesta:: {M}.

leste:: {K} wissen, uitvegen.

Lester:: {F/J}.

Lester Crevo:: {N} (technisch installatiebedrijf in Mena); .

lesters:: {C} (afk= LS) (Spok gewicht: 1 lesters = 1LS = 397,94 gram = 160 r’te; tot 1953 in gebruik); »r’te; .

Lestō:: {N} (»šarkdomenn op Lestō-Wefot; district Flenazjekk); .

Lestō-Alerbō:: {N} (camping); .

Lestō-Blefgrūs:: {N} (station).

lestōk::

  1. {I} bewaakt.
  2. {VZ1n} (betrekking) (afk= lk.) onder leiding van, onder geleide van; eft belde-tupplip ~ eft kūr giyt: een excursie onder leiding van een kundige gids; kirro ~ eft dres-tif giyt quardere ef ’tinistas: we bezoeken onder leiding van een eigenwijze gids de druipsteengrotten.

lestōke:: {K} geleide doen; geleiden (persoon).

lestōke-hurt:: {C} blindengeleidehond.

lestōke-mip:: {K} uitgeleide doen.

lestōke-zeff:: {C} vangrail.

Lestomariy:: {F}.

Lestomary:: {F}.

Lesto Morō:: {F}.

Lestō-Opper:: {G} (eilandje in de Zūmbara-zee); zie ook »Lestō-Wefot; .

lestos:: {C} het wissen, het uitvegen.

Lestō-terf:: {W} .

Lestō-Wefot:: {G} (eilandje in de Zūmbara-zee); zie ook »Lestō-Opper; .

let:: {I} flauw (te weinig zout).

Leta:: {F/M}.

léte::

  1. {U} bazelen, dazen.
  2. {Upr} huichelen.

leteh:: {C} baret; eft bāskiy ~: een alpinopet[je].

letge:: {U; gst= lett} [over]hellen (v muur).

LET-karees:: {N} (rederij, hoofdkantoor in Ekkrešy); .

létos::

  1. {C} gebazel, gedaas.
  2. {A} huichelarij.

letra:: {C} brief.

letrae:: {K} briefwisseling houden met, corresponderen met.

letraer:: {C} secretaris.

letraera:: {C} secretaresse.

letralot:: {C} brievenbus (in huisdeur/voorgevel).

letralot-cōmpanšo:: {C} brievenbusmaatschappij.

letraos:: {C} briefwisseling, correspondentie.

letratjen:: {C} persoon (degene die optreedt: vooral in roman/toneelstuk).

letre:: {E; gst= lett} vóórkomen.

Letrenott:: {G} (stad in Flenazjekk).

Letrenott-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Letrenott); .

letros:: {A} het vóórkomen.

lett::

  1. {C} (soort knapperige pannenkoek).
  2. {Aef} spijt; ef qugle ~ ón: spijt hebben van.
  3. {I} spijtig.
  4. {III} (dl= Centraal-Berref) zelden, meestal niet; pijā ~: heel zelden; bijna nooit.
  5. {gst}
    1. »letge.
    2. »letre.
    3. »letve.

lette:: {U} spijtig zijn.

létte:: {rs} »leé.

letterās:: {III} een-twee-drie, als de wiedeweerga (aansporing, vrnl tegen kinderen); tu slapelsatāt ~!: je moet een-twee-drie naar bed!; (vd oude telwoorden le-tes-rās = een-twee-drie); .

Lettiy:: {F}.

letve:: {U; gst= letver of lett} (een omweg maken; om een heuvel heen lopen/rijden teneinde een sterke helling te vermijden).

letver::

  1. {C} insnijding (door heuvel: voor spoorlijn ed).
  2. {gst} »letve.

letvos:: {C} omweg (om een heuvel om een sterke helling te vermijden).

Leū:: {G} (riviertje van Krappa-gebergte naar de Opper-Krappa); .

leufe:: {K} ontvoeren.

leufer:: {C} ontvoerder.

leufos:: {C} ontvoering.

leve:: {K} aanhalen, liefkozen.

leve-etet:: {I} aanhalig (graag aangehaald willen worden; v mens of dier).

levent:: {I} aanhalig (geneigd om iemand te strelen).

lever:: {III} op (opgestaan; uit bed gekomen); aftel do melde ~ pip?: is hij al op?

levere:: {K} opstaan, uit bed komen.

leveros:: {C} verrijzenis, opstanding.

Levviseert:: {N} (kasteelruļne; gemeente Monce); .

Lex:: {J}.

Lexa:: {N} (boekhandelketen); .

lexikografos:: {C} lexicograaf.

lexikolōiy:: {C} lexicologie.

Lext:: {F}.

le’r:: {C} presenteerblad, dienblad.

Lezjamy:: {M}.

Lezo:: {J}.

LFC:: {afk} »Lacs furt ef Frofāler-cirrarōsta.

LfeL:: {afk} »Lacs furt ef Lebetos.

LfKents:: {afk} »Lacs furt ef Kentseren.

LFlā:: {afk} »Lacs furt ef Flā-donnos.

LfZf:: {afk} »Lanko-feslosos furt Zāros-fōntses.

L&H:: {afk} »Lānsmān & Heeder.

LI:: {afk} »Literariy Instituša 1.

libanen:: {IIef} Libanees (bv).

Libanen:: {G} Libanon.

Libanena:: {Cef} Libanese vrouw.

Libaneno:: {Cef} Libanees (bewoner).

Liber:: {N} (theatergroep uit Asjetto); .

liberala:: {I} liberaal, vrijzinnig.

Liberala Jolaiy-Party:: {N} (afk= LJP) "Liberale Vrijheidspartij" (voormalige politieke partij); .

Liberala Zampōr:: {N} (afk= LiZa) "Liberaal Volk" (politieke partij); .

liberaliy:: {C} liberaal (zn); vrijzinnig persoon; (neo)liberaal politicus (ihb lid vd LiZa).

liberiy:: {IIef; mv=enk} Liberiaans (bv).

Liberiy:: {G} Liberia.

Liberiyna:: {Cef} Liberiaanse vrouw.

Liberiyny:: {Cef} Liberiaan.

Libra:: {N} Weegschaal (sterrenbeeld).

licere:: {U} verroesten.

liceros:: {C} het verroesten.

licerr::

  1. {C} glaasje likeur, likeurtje.
  2. {S} likeur.

Licerr-strōlizardatjen Bjela:: {N} "Likeurstokerij Bjela" (in Bōrā); .

lich:: {III} toch; is ... tur ~: weliswaar ... maar toch/desalniettemin; ~ mintofess: alsnog.

Lic’ršō-plep:: {W} .

Lidl:: {N} (internationale supermarktketen); .

Liebermann::

  1. {F} (Dui).
  2. {N} (uitgeverij in G’rō); .

liet:: {S} loog (chemische stof).

liff:: {C} lijf, lichaam; ef veve flj mitai ef ~: iets onder de knie krijgen; fesducupp ef ~: door merg en been.

liff-•:: {PXimpr} lijfelijk, lichamelijk; een lichaam hebbend; »liff-...

liff-cōntakt:: {C} lijfelijk contact, lichaamscontact.

Liffey:: {N} (bar bij motel Ef V’r Piramitts in Amahagge); .

liff-frera:: {C} lijfelijke broer.

liffiy:: {I} lichamelijk.

liff-k'mamelde:: {U} lijfelijk aanwezig zijn.

liff-mān:: {C} lijfelijk mens, mens van vlees en bloed.

Lifger Lirha:: {W} .

lifrate:: {U} in aanzien staan.

lifroste:: {K} aanzien, bekijken.

lifrostiy:: {VG} (reden/oorzaak) (schr) aangezien, omdat, doordat, daar; »janof.

lifrostos:: {I} aanzienlijk.

lift::

  1. {C} grijsaard, oude man.
  2. {I} (arch) oud; »liftkar.

Lift::

  1. {G} (hoofdstad v Bloi); (DOM 135-136).
  2. {N} (klein vliegveld; gemeente Lift); .

lifta:: {C} oude vrouw.

liftaler:: {C} kleinzoon.

Liftā-plep:: {W} .

Lift-Ašas:: {N} (station).

lifte:: {U} aanleggen (bij herberg).

lifter:: {C} (persoon/gezin welke een oude vader/moeder in huis heeft en verzorgt).

liftientur:: {C} grootmoeder; overgrootmoeder; (= »lift + »sientur); »ratle.

Liftka:: {G} (een vd 7 hoofdeilanden).

Liftkaoeg Tāmp-Arānkas:: {N} (afk= LTA) (voormalige spoorwegmaatschappij); .

liftkar:: |..fk..| {I; vt= qufaa; vk= j’zūg} oud (alg); oudbakken (brood); (onr trappen v verg alleen absoluut, bij personen): ef mosjeus melde ~ terat dus ef merater: de vrouw is ouder dan de man; (vgl) eft qufaa mosjeus: een oudere vrouw (= niet zo erg jong meer); kost frera melde ~ oiba dus gress: mijn broer is minder oud dan ik; eft j’zūg frera: een jongere broer (nog niet zo oud); ef melde pip 150 zempers lo ~: het is al 150 jaar oud.

Liftkar Afstoen:: {N} (tempel in Amahagge); .

Liftkar Arābe:: {W} .

Liftkar Arābe-pāt:: {W} .

Liftkar-Atrokse:: {N} (extreem orthodoxe Erg sekte); »Atrokse.

Liftkar Aveām-pāt:: {W} .

Liftkar Avenū:: {W} .

Liftkar Berg:: {N} (cultureel centrum in Gret); .

Liftkar Blof-weg:: {W} .

Liftkar Boert-pāt:: {W} .

Liftkar Brāeenc-wuma:: {G} (bos; gemeente Kitia); .

Liftkar-Clamiša:: {N} (paleisruļne; gemeente Tunbas); .

Liftkar Cōrn-port:: {W} .

Liftkar Covent-pāt:: {W} .

Liftkar Deftsec’r Seert:: {N} "Oude Wijvenhuis" (museum in Aflif); .

liftkare:: |..fk..| {U} verouderen, oud[er] worden.

Liftkar Eesty-pāt:: {W} .

Liftkar Fōresta-weg:: {W} .

Liftkar Garosiyg:: {N} (voormalige vuurtoren; gemeente Garos); .

Liftkar Gaza-mirra:: {W} .

Liftkar Hāpyja-dunjes:: {G} (duingebied bij Liyrotyka); .

Liftkar Hāū-pāt:: {W} .

Liftkar Helmy-mirra:: {W} .

liftkar-historise:: |..fk..| {I} voorhistorisch.

Liftkar Hōspitalo:: {N} (ziekenhuis in Amahagge); .

liftkariy:: |..fk..| {A; mv=enk} ouderdom.

Liftkar Jakām-pāt:: {W} .

Liftkar Kinseert:: {N} "Oude Hospitaal"

  1. (expositieruimte en cultureel centrum in Kurriy); .
  2. (leegstaand gebouw in Crelco); .

Liftkar Knurfel-Mōjōl:: {N} (cultureel centrum in Bref); .

Liftkar Kōbo-weg:: {W} .

Liftkar Kōrakir-weg:: {W} .

Liftkar Korda::

  1. {N} (voormalige Erg kerk; cultureel centrum in Hirdo); ; (DOM 208).
  2. {W} (buurtschap) .

Liftkar-Korda-lirrotiy:: {W} ; (DOM 208).

Liftkar Kylgiy-mōliy-weg:: {W} .

Liftkar Lirrotiy:: {W} .

Liftkar Mārket:: {W} .

Liftkar Mennweg:: {W} .

Liftkar Mirra:: {W} .

Liftkar-mirra:: {W} .

Liftkar Miyns-weg:: {W} .

Liftkar Moeni-plep:: {W} .

Liftkar Mosento-weg:: {W} .

Liftkar-mosjeus-arābe:: {W} .

Liftkar Muzeem:: {N} (museum te Hirdo; let op dialectische spelling v muzeem met een z); ; (DOM 209).

liftkar-nōrgise:: {C} Oudnoords.

Liftkar Nūrcus-weg:: {W} .

Liftkar Oes-pōnt:: {N} (oude brug over de Oes bij Šašā); .

liftkaroiy:: |..fk..| {S} bejaarden; alle oude mensen bij elkaar (zowel mnl als vrw).

Liftkar Ōle-weg:: {W} .

Liftkar Ōresseert-lirrotiy:: {W} .

liftkaros:: |..fk..| {C} oudheid.

liftkarosesz:: |..fk..| {Cmv} voorouders.

liftkaros-tibān:: |..fk..| {C} oudheidkunde.

Liftkaros-tibān-museem:: {N} "Oudheidkundig Museum" (museum in Blort); .

Liftkar Ošyff:: {W} .

Liftkar-Oto-museem:: {N} "Oude-Automuseum" (museum op het šarkdomenn Ef Solōs; district Tjemp); .

Liftkar Ovap-plep:: {W} .

Liftkar Plychō-weg:: {W} .

Liftkar Port::

  1. {W} .
  2. {G} (havenbekken in Asjetto); .

Liftkar Prefyntā-kiyk:: {W} .

Liftkar-prusot:: {W} .

Liftkar Qugiy:: {W} .

Liftkar Riffō-weg:: {W} .

Liftkar Rutōs-vender:: {W} .

Liftkar Šarkweg:: {W} .

Liftkar Šark-weg:: {W} .

Liftkar-spooksoliy dokumentās ur istjos:: {N} (boektitel); .

Liftkar S’rt-flipflor:: {N} "Oude Stadsschouwburg" (eerste schouwburg v Amahagge); .

Liftkar Tallo-pāt:: {W} .

Liftkar Tāmp-Arānkas:: {N} »Spooksoliy Arānkas.

Liftkar Telen:: {N} (B&B-adres; gemeente Arestaliy-Motacoque); .

Liftkar Terf:: {W} .

Liftkar Teujo-grāx:: {W} .

Liftkar Tira-weg:: {W} .

Liftkar Unkiyst-weg:: {W} .

Liftkar Vāsote-fōresta:: {G} (bos; gemeente Hirdo); .

liftkar-vendos:: |..fk..| {A} veroudering, het oud[er] worden.

Liftkar Vildultos-plep:: {W} .

Liftkar Vuldurtos:: {W} (buurtschap); .

Liftkar Wandet-pāt:: {W} .

Liftkar Weg-na-Laver:: {W} .

Liftkar Weg-na-Mārpen:: {W} .

Liftkar Weg-na-Quac’r:: {W} .

Liftkar Wik-weg:: {W} .

Liftkar Xolestajo-weg:: {W} .

Liftkar Zeces-riyn:: {W} .

Liftkar Zintes Museem:: {N} "Museum voor oude wetenschap" (museum in Amahagge); .

liftkasért:: |..fk..| {C} bejaardentehuis, rusthuis.

liftkazemp:: |..fk..| {C} oudejaarsavond (31 dec).

Liftkazempof:: |..fk..| {N} Oudejaarsdag (officiėle feestdag; winkels beperkt geopend).

Lift-l’nts:: {N} (afk= LL) (gemeentelijk vervoerbedrijf v Lift); .

Lift-MG:: {N} (station).

Lift-mirra:: {W} .

liftollus:: {C} grootvader; overgrootvader; (= »lift + »follus).

Liftollus rafane:: {N} (boektitel); .

liftūsto:: {C} kleindochter.

Liger-Kents:: {G} (woongemeenschap; gemeente Bleujā); .

Liger-mesā:: {G} (bos; gemeente Bleujā); .

ligt:: {I; ot= hos; mt= grus} licht (v kleur).

ligtensten:: {IIef} Liechtensteins (bv).

Ligtensten:: {G} Liechtenstein.

Ligtenstena:: {Cef} Liechtensteinse vrouw.

Ligtensteny:: {Cef} Liechtensteiner.

ligt-kolai:: {I} lichtgeel.

ligustriy:: {C} wilde liguster (L. Ligustrum vulgare).

Ligustriy-mirra:: {W} .

Lija:: {M} Lia, Lyda.

lijamalāse:: {C} [rode] biet, kroot.

lijan:: {I} (fig) veelzeggend.

lijaniy:: {I} welbespraakt.

lijanone:: {E} veelzeggend zijn.

•lije:: {SX.ww} (markeert hoofdww, als obj de zinskern is: obj-passieve zin) (bijv) gress trempe ef mimpit/ef mimpit trempelije pai gress: ik lees het boek/het boek wordt door mij gelezen; blul pruccelije ef huron: de bloem wordt geplukt.

lijeer’:: {I} object-passief (gevormd met het sx »•lije).

lijerc:: {C} geul, greppel (altijd droog).

Lijercā:: {N} (voormalige popgroep); .

Lijercā-s’rt:: {G} (stad in Flāp).

Lijerc-weg:: {W} .

lijeuve:: {U} staren; ef ~ armt eft jakām/ef zé: staren over een vlakte/de zee.

lijeuvos:: {C} gestaar; starende blik.

•lijos:: {SX.ww} (deverbaliseert obj-passieve vorm) (bijv) ef mimpit trempelije pai do/ef mimpitex ’trempelijos pai do: het boek wordt door hem gelezen/het lezen van het boek door hem; »•lije; »’•os.

LiKi:: {C} (spr) »LiKi-insūrānsos.

LiKi-insūrānsos:: {A} »Liliy Kinā-insūrānsos.

likkō::

  1. {I} horizontaal.
  2. {III} even (in gelijke mate); (evtl met ideoantoniem) óps melde ~ bōlf: ze zijn even groot (= ze hebben dezelfde afmetingen; (vgl) óps melde ~ hupster: ze zijn even groot (= ze zijn beide groot v stuk en hebben bovendien dezelfde afmetingen); ef ~ šyss efantys: de even oude kinderen (= v gelijke leeftijd); ~ ... lo: even ... als; óps lelperre eft hupster arābe – ~ hupster lo ef kultiy: ze hebben een grote tuin – even groot als de onze.

likkō-seder:: {C} Libanonceder (L. Cedrus libani).

Lilche:: {M} (Gar).

lilepiy:: {I; =vt v plāks} verder, meer ver; voorts; gress zāre ~ rifonn sener ’rōm dus Petriy: ik woon verder van mijn werk dan Petriy; gress motavy ef kles ur ~ axavy ef koffon vildul: ik wil het gras maaien en verder/voorts de dode boom omhakken; kirro nert tiffe ~m do: we kennen hem verder niet; ef durtef zurtarr ur ~: drie uur of meer; do rinne ef erg-serstef herco ur ~: hij verdient twintig herco of meer; kirro melde ral eft hertel ~: we zijn nu een maand verder; ón ... ~: ... voorbij; kirro farta ón ef gerlas-’stōpiy ~: we zijn de bushalte voorbij gelopen; »danen; »plāks; »wānta; »liliy.

Lili::

  1. {M}.
  2. {N} (pizzeria in Kanea); .

liliy:: {I; [mv=enk]} verder, aanvullend; ~n informaša (mv!): verdere informatie; »lilepiy.

Liliy Kinā-insūrānsos:: {A} (afk= LiKi[-insūrānsos]) Aanvullende Ziektekostenverzekering.

Liljater:: {F}.

Lille:: {M}.

lilt:: {I} vaak, dikwijls; ~ Lerdu vlemóte sener boerts quandro: Lerdu slacht zijn koeien vaak zelf (het is vaak Lerdu die slacht, niet zijn broer); Lerdu vlemóte sener ~ boerts quandro: Lerdu slacht vaak zijn koeien zelf (koeien slacht hij vaak, andere dieren niet zo vaak); ef ~-terat tof: de godganselijke dag; noi ~: niet vaak; ~ nert: vaak niet; gress arfine litel ~ kusami: ik kom hier weinig.

limaciy:: {C} slak (dier).

limās:: {S} (mengsel v zeezout, knoflook en »fecc; gebruikt als aroma in soepen en »brūe).

Limita-weg:: {W} .

limite:: {K} (lett/fig) begrenzen.

limitos:: {C} (lett) begrenzing.

limitos:: {A} (fig) begrenzing.

limmerān:: {Crs} achterhoede; ef lelde fes ef ~: laten rusten; er niet [meer] mee bezig zijn; »•ān.

Lindemann:: (Dui) {F}.

Lindo:: {N} (landhuis; gemeente Kjeja); .

Lindokiy:: {F/M}.

Lindokiy-plep:: {W} .

Lindokiy-pōnt:: {N} (brug over de Trendon in Jatty (BF)); .

Lindokiy-pōnt-weg:: {W} .

Lindokiy-Zabert-mōbāriy:: {N} (monument; gemeente Folates); .

Lindokiy-Zabert-plep:: {W} .

Lindokiy Zabert-pōnt:: {N}

  1. (spoorbrug tussen Mollefin en het eilandje Vlociys, over de Reeše-terf); .
  2. (verkeersbrug in Hoggebim); .

Lindokiy Zabert-sentraliy:: {N} (elektriciteitscentrale; gemeente Moze-Lāpranā); .

Lindokiy-zalas:: {N} (gebouw waar ministers en hun adviseurs hun vergaderingen en besprekingen hebben); .

Lindqvist:: {F} (Zwe).

Lindu:: {afk} »Lacs furt Informere-duet.

Lindy:: {M}.

linguistise:: {I} linguļstisch, taalkundig.

linguistiyc:: {C} linguļstiek.

Linguistiyc-armtšeeos:: {N} (boektitel); .

liniy:: {C} linie (leger).

linnare:: {K} navraag doen bij.

linnaros:: {C} navraag.

linnatt:: {I} ~ ón (ón is vz) (afk= ltó of ltoe): te bevragen bij (in advertenties).

linne::

  1. {K} ~ ón/piti: vragen aan; gress ~ dus tu!: nou vraag ik je!.
  2. {U} ~ helkara flj: vragen naar iets.

Linnee:: {N} Linnaeus.

Linnee-kelg:: {C} Linnaeusklokje (L. Linnaea borealis).

linne-ponto:: {C} vraagteken (?); gress plaše ~s luft ...: (fig) ik zet vraagtekens bij ....

linneramā:: {C} vragenlijst.

linniy:: {I} [veel]gevraagd.

linnoroni:: {C} vragend voornaamwoord.

linnos:: {C} [aan]vraag, verzoek; flj giffe fes ef ~: er is vraag naar iets; ef melde jazy eft ~, āl ...: het is maar de vraag of ...; ef kette eft ~: een vraag stellen.

Linnōsta frópj’ ef riješer-kernas:: {N} (tijdschriftartikel); .

Lint:: {F}.

Linter-plep:: {W} .

Liocc:: {F}.

lippe:: {U} (arch) lopen; (terug te vinden in »lippione).

Lippe:: {F}.

lippio:: {C; mv/rsmv= ~nes; rs= lippót} poot (v dier met MEER dan twee poten; v tafel/stoel of ander voorwerp); ef émec’r dur ~nes: de drie poten van de [letter] m; »bonarō.

lippione:: {C} (arch) poot; (lippione is een afleiding v »lippe (lopen) en betekent zoiets als "loopstok"); »lippio.

lippiones:: {mv/rsmv} »lippio.

lippót:: {rs} »lippio.

Lipry:: {J} (Gar).

lipsiy:: {I; [mv=enk]} glanzend [en hard].

liquist:: {VG} (positieve toegeving) (arch/poe) doch, maar; »tur.

•lira:: {SX.ww}

  1. (vormt tdw) farte/fartelira: lopen/lopende; ef arkettelira 'jan: de huilende jongen; gress qu’e ’ršelira ef gerlas: ik wacht bibberend op de bus; (in tdw kan tijdsaspect uitgedrukt worden) ef heldertalira hurt: de hond die geblaft heeft; ef trempulira 'nin: het meisje dat zal lezen.
  2. (vervangt vg den 2) dat; (bijv) gress tiffe, den tu arfine = gress tiffe, tu arfinelira: ik weet dat je komt; ef t’den, den do vreéšo = ef t’den, do vreéšolira: het bericht dat hij geslaagd is; »den.
  3. (vervangt een bt) ef boert, té craze fes ef blufk = ef boert, crazelira fes ef blufk: de koe die in de wei graast; ef meraters, gress nert tiffe mit = ef meraters, gress nert tiffelira: de mannen die ik niet ken; (schr: splitsing v tdw en bepaling) ef fartelira 'jan lelperre-armt n’f bofs, lango ef klarb’r (= ef 'jan, fartelira lango ef klarb’r, lelperre-armt n’f bofs): de jongen, die langs de oever loopt, heeft geen broek aan.
  4. (drukt een voortdurende handeling of een ergens mee bezig zijn uit) do uokkelira eft sigarett: hij is een sigaret aan het roken/is bezig een sigaret te roken; ef chat sm’zelira rys ef kōbo: de kat ligt in de zon te spinnen.
  5. (drukt in een uitroep verbazing uit) tu mešanelira kiygt!: wat kom je laat!; pert veldurs meldelira!: wat een hoop mensen!.
  6. (met ber 2) té ... om ...; (bijv) do melde ber flifados, den nert invóbelira do: hij is té aardig om niet uit te nodigen; »ber.
  7. (met lo 3.c) zo ... dat; (bijv) Jān pliyfone lo pónzelira nurp-’katle: Jān drinkt zo [veel] dat hij hoofdpijn krijgt; Petriy byte Elsa lo kursuuselira: Petriy slaat Elsa tot bloedens toe (lett: zo [hard] dat ze bloedt); Petriy byte Elsa lo vārnelira ef polišo: Petriy slaat Elsa zo erg, dat ze de politie waarschuwt; ef fesputtās ālbe gopirus g’rts lo roitarelira ef zefa gōrg: het aannemingsbedrijf bouwt enige bruggen om het diepe ravijn te overspannen; »lo.
  8. (om obj bij intrans ww mogelijk te maken) eup chafoste eft w’rrelira chafost: ze fluit een liedje (lett: "ze zingt een fluitend liedje": het trans ww chafoste is toegevoegd omdat w’rre intrans is); do stinde ef scāšelira rojis kaf ef scr’fkt: hij krast de letters op het papier (lett: "hij schrijft de krassende letters op het papier": het trans ww stinde is toegevoegd omdat scāše intrans is).
  9. (vormt add met idiomatische betekenis) simaje/simajelira: opbergen/achterbaks; (zie de desbetreffende lemma's).
  10. (in verscheidene idiomatische uitdrukkingen) ef distānt, té kettelira farte: de afstand die te lopen is; (zie de lemma's vd desbetreffende ww'n).
»melde; »qu.

•liraje:: {SX.ww} (geeft adjectivisch tdw, obj-passief; arch) (bijv) ef trempelira merater/ef trempeliraje mimpit: de lezende man (de man die leest)/het boek dat gelezen wordt.

lirare:: {K} ~ ón: toevertrouwen aan.

•lirare:: {SX.ww} (verbalisatie v tdw; arch) worden, gaan; (bijv) obezjere/obezjerelira/obezjerelirare: lachen/lachend/lachend worden, beginnen te lachen; do obezjeralirare: hij begon te lachen; »•lira.

•liratā:: (= •liratt) {SX.ww} (geeft adjectivisch tdw, echo-passief; arch) (bijv) ef kettelira merater/ef ketteliratā 'nin: de gevende man (de man die [iets] geeft)/het meisje aan wie [iets] gegeven wordt.

liratjen:: {C} vertrouweling, vertrouwensman.

•liratt:: {SX} »•liratā.

lirdare:: {U} schaften.

lirdaros:: {C} lunchpauze; schafttijd.

lirde:: {C} rust (zn).

lirdef:: {I} rustig.

lirdefmentos:: {III} op een rustig ogenblik.

Lirdef-vija:: {W} .

lire::

  1. {K} vertrouwen; ef melde fes ef ~ ort flj: vertrouwd zijn met iets.
  2. {U} ~ helkara: vertrouwen op.

•lire:: {SX.ww} (verbalisatie v tdw; arch) [bezig] zijn; (bijv) obezjere/obezjerelira/obezjerelire: lachen/lachend/lachend zijn, aan het lachen zijn; do obezjeralire: hij was aan het lachen; »•lira.

lirelira:: {I} vertrouwd.

liriy:: {C} teen (aan voet).

lirjās:: {I} ondoorgrondelijk.

Liro:: {F}.

liros:: {A} vertrouwen (zn); ef feldre fes ef ~ frópj’: vertrouwen hebben in.

lirrotiy:: {C} (afk= liy) plein; fes eft ~: op/aan een plein.

lirrotiy-baniylos:: {C} pleinvrees.

Lirrotiy rifo ef Kindisz:: {W} .

Lirrotiy rifo Servas:: {W} .

liry:: {C} rust, stilte (geen verkeer of drukte); fes sener ~s: in [alle] rust (zonder ruchtbaarheid of aankondiging; zonder zich te laten storen); ef terrafanos c’rchof'to fes sener ~s: de begrafenis heeft in ~ plaatsgevonden; gress kurravy beri ’rōme fes sener ~s: ik wil in alle rust kunnen werken.

•lir’ne:: {SX.ww} (verbalisatie v tdw; arch) blijven; (bijv) obezjere/obezjerelira/obezjerelir’ne: lachen/lachend/lachend blijven, blijven lachen; do obezjeralir’ne: hij bleef maar lachen; »•lira.

Lisa::

  1. {M}.
  2. {N} (restaurant met dakterras in »New City te Amahagge); .

Lisa Amyro-Keerā-mirra:: {W} .

Lisacao:: {F}.

lisage:: {K} vertroetelen.

lisage-belp:: {C} troeteldier.

lisagere:: {K} in behandeling nemen.

Lisager-mirra:: {W} .

lisagos:: {A} vertroeteling.

Lisben-mirra:: {W} .

Lisela:: {M}.

liskos:: {C; mv= ~z} fles.

Liskos:: {F}.

liskosatjen:: {C} bottelaar.

liskose:: {K} bottelen (v wijn); (fig) opschorten (voorlopig niet (uit)betalen); ef zomar ~ ef supsišiy: de gemeente schort de (uitbetaling vd) subsidie op.

liskosos:: {C} botteling (v wijn).

•litā:: {SX} (markeert hoofdww, als echo de zinskern is: echo-passieve zin) (bijv): gress chaquinde ón Petriy/Petriy chaquindelitā pai gress: ik spreek tegen Petriy/tegen Petriy wordt door mij gesproken; blul kettelitā Elsa enn flājū: aan Elsa wordt niets gegeven.

litāer’:: {I} echo-passief (gevormd met het sx »•litā).

Litafa:: {N} "Blauwoor" (Erg mythologie: maagd met blauwgroene oren die eens een havik met schildpadpoten baarde; beschreven in de Sage van de Kerrdiyfer); »kerrdiyfer; .

Litafa-flyddere:: {C} groene zomermeter (vlinder) (L. Geometra papilionaria).

litalu:: {C} lamp.

Litalu-fes-Wālj’:: {G} (dorp; gemeente Ef Plākomer).

litalu-kliqu:: {C} lampenglas.

litalu-sgūla:: {C} lampenkap (v glas/transparante kunststof).

litalu-stōl:: {C} lampenkap (v metaal/niet-transparante kunststof)).

litalu-’ršar:: {C; mv= ~a} lampenkap (v stof).

litalu-’ršara:: {mv} »litalu-’ršar.

•litās:: {SX.ww} (deverbaliseert echo-passieve vorm) (bijv) Mariy kettelitā ef mimpit pai Petriy/Mariyex ’kettelitās enn ef mimpit pai Petriy: aan Mariy wordt het boek door Petriy gegeven/het geven van het boek aan Mariy door Petriy; »•litā; »’•os.

litel::

  1. {I; vt= oiba; ot= tom; vk= crāmō; mt= bilā} weinig; ef ~ krodūrs fes kult zeces d’fie mas: de weinige bakkers in ons dorp staken morgen; ef weg melde ~ 10km lo mintepot: de weg is een kleine 10 km lang; fes noi ~ (afk= f.n.l.): allerminst; »lilt.
  2. {OV; mv; enk-semc/abstr; stoff} weinig; ef wélfa'ecosz kette ~ rajiytos: de ontwikkelingen geven weinig hoop; do pliyfone ~ bjerr ur larde ~ geffys: hij drinkt weinig bier en eet weinig appels.

liteleser:: {gnp} »litels.

litels:: {ZV; mv; gnp= liteleser; gnz= ~’r; rs= ~es} weinige[n]; ~ tiffe Quggerneesex ef poitiyns: weinigen kennen de gedichten van Quggernees; gress lelperre pert mimpits, tur sen tāge ~’r ’rt’ruba: ik heb veel boeken, maar ik herinner me de inhoud van weinige.

litelses:: {rs} »litels.

litels’r:: {gnz} »litels.

Liteo:: {G} (dorp; gemeente Prest).

liter:: {C} »litriy.

literaliy:: {I} letterlijk.

literariy:: {I} literair.

Literariy Instituša:: {N}

  1. (afk= LI) "Literair Instituut" (vereniging voor schrijvers en tevens organisatie ter bevordering vd literatuur; in Zest); .
  2. (uitgeverij in Zest); .

Literarr:: {N} (literaire sociėteit in Hirdo); .

literaturiy:: {C} literatuur.

Literaturiy-plep:: {W} .

Litii:: {G} (district op eiland Br’r).

Litii-plep:: {W} .

litoen:: (litón) {IIef} Litouws (bv).

Litoen:: {G} Litouwen.

litoenise:: (litónise) {C} Litouws (taal).

Litoesa:: {Cef} Litouwse vrouw.

Litoeso:: {Cef} Litouwer.

litón:: »litoen.

litónise:: »litoenise.

litoraliy:: {I} litoraal; kust•, strand•; ef ~n prusots: (korte riviertjes/beken die niet in de bergen maar in het vlakke kustgebied ontspringen); »xije•.

litōt:: {C} [hanen]kam (v haan); kuif (v vogel).

litōt-cermrent:: {C} kuifaalscholver (L. Phalacrocorax aristotelis).

litōter:: {C} fuut (L. Podiceps cristatus).

Litōter-mirra:: {W} .

litōt-meve:: {C} liyt ~: gevlekte kuifmeeuw (L. Larus cristatus).

Litra:: {N} (tweemaandelijks literair tijdschrift onder redactie v Peoll Cōlmann); .

litriy:: (= liter) {C} (afk= l) liter (inhoudsmaat).

lits:: {mv} »litte.

litt:: {C} gebergte, bergketen.

litte:: {C; mv= lits} (tot iets boven de knieėn reikend, getailleerd jasje met hooggesloten opstaande kraag, uit een stof met ingeweven motieven die refereren aan familieafkomst, beroep ed, of strepen in gedekte kleuren; werd vroeger gesloten met een hele reeks haakjes en oogjes, maar tegenwoordig is een ritssluiting in zwang; gedragen door zowel mannen als vrouwen, vrnl als onderdeel vd traditionele klederdracht); .

littekipt:: {C} vuurtoren.

littekipt-gert:: {C} vuurtorenwachter.

Littekipt-pāt:: {W} .

Littekipt-weg:: {W} .

Litter:: {N} (politieke en wetenschappelijke boekhandel in Amahagge); .

littit:: {I} roze, lichtrood.

littit-basc:: {C} barmsijs (L. Acanthis flammea).

littit-zé-kles:: {S} Engels gras (L. Armeria maritima).

live-malodé:: {C} livemuziek.

liy:: {afk} »lirrotiy.

liyce:: {K} stiekem doen.

liycespere:: |..’je| {K} ~ [beri/den]: stiekem hopen [op]; stilletjes wensen (met leedvermaak: plezier beleven aan iets wat anderen niet op prijs stellen); gress ~ eft graviy bidalos lóf ef demonstrašo: ik hoop stiekem op hevige regen bij de demonstratie.

liyche:: {III} toch niet, eigenlijk niet.

liyefto:: {S} waterspinazie (een variant vd Ipomoea aquatica die ook in koelere streken gedijt).

liyga:: {afk} »Liyrotyka-gabanos.

Liyger-mirra:: {W} .

Liyger-Zja::

  1. {G} (dorp; gemeente Garos).
  2. {N} (camping); .

liyk:: {S} zemelen (mv).

liykst:: {SC} leedvermaak.

liynbe:: {K} laten klinken, laten schallen.

liynber:: {C} persoon met heldere [en harde] stem.

liynbos:: {C} het laten klinken/schallen.

Liynderatō-lirrotiy:: {W} .

Liynderatō-weg:: {W} .

Liyngyja-plep:: {W} .

Liynk:: {N} (cultureel centrum in Liyrotyka); .

liyrdefe:: {I} rusteloos.

Liyrka:: {F}.

Liyrotyka:: {G} (stad in Renō).

Liyrotyka-gabanos:: {N} (afk= liyga) (gemeentelijk vervoerbedrijf v Liyrotyka); .

Liyrotyka Smurf:: {N} (afk= LS) "Liyrotyka Geld" (bank te Liyrotyka); .

Liyroty-Vender:: {N}

  1. (onbewoond vervallen kasteel; gemeente Girdes); .
  2. (camping); .

liyrres:: {gst} »liyrshe.

liyrs:: {I} lang (in tijd); lóf ~: lang, gedurende lange tijd; eft frinta lóf ~: een oude vriendin = een vriendin die je al lange tijd kent; eft ~ glyda: een oud lid = iemand die al lange tijd lid is; eft ~ storās: een lang verhaal = een verhaal waarvan het vertellen lang duurt; (vgl) eft mintepot storās: een lang verhaal = een verhaal dat vele pagina's beslaat; eft ~ promirret: een lange wandeling (duurt lang); pip lóf ~: al lang (gedurende lange tijd; lange tijd geleden); do melde ef ququlā-ziyter pip lóf ~: hij is al lang voorzitter van de vereniging; blul kā mōntyos hūchelije pip lóf ~: dit probleem is al lang [geleden] opgelost; »ips; »quista.

liyrs•:: {wst} »liyrshe.

liyrs-fort-miypos:: {A} langetermijndenken.

liyrshe:: {K; gst= liyrres; wst= liyrs•} te wijten zijn aan; de oorzaak zijn van.

liyrshos:: {A} (datgene wat te wijten is aan/de oorzaak is van).

liyrshos-ketter:: {C} (iemand die altijd alles op een ander afschuift/een ander de schuld geeft).

liyrsiy:: {I} langdurig.

liyrswencatamiy:: {I} lang houdbaar (v levensmiddelen).

LIYS:: {N} (spaarbank te Liyrotyka); .

liysta:: {C} aanplakbord, mededelingenbord; »lyst.

Liysta:: {N} "Aanplakbord" (stichting via welke de overheid met de burger communiceert; in Hirdo); .

liystiy:: {C} motregen.

liystiy-bidale:: {E} motregenen.

Liyst-tōmp:: {N} (graf; gemeente Harāfloja-Ÿrtuhaj); .

liyt:: {I} gevlekt, bont.

liytā:: {C} vlek, plek.

liyt-arum:: {C} gevlekte aronskelk (L. Arum maculatum).

liytā-’troer:: {C} gevlekte lipvis (L. Labrus bergylta).

liytre:: {C} (afk= L of ) (Spok inhoudsmaat: 1 liytre = 1 = 4,82 cm³; in gebruik tot 1953); .

liyts::

  1. {C; mv= ~a} reebok, mnl ree.
  2. {III} ef melde ~: ongelijk hebben.

liytsa:: {mv} »liyts 1.

Liyts-pāt:: {W} .

Liyts ur Dā:: {N} (voormalige herberg; gemeente Xōc’ršamiy); .

LiZa:: {afk} »Liberala Zampōr.

Liza-ef-Vildul-Kents:: {G} (voormalige Erg commune; gemeente Ÿrnajecū); .

Ljamiylto-fōresta:: {G} (bos; gemeenten Afarcal en Crelco); .

Ljanstee:: {F}.

lješāget:: |ledāget| {C} veenbes (vrucht); lepeltjesheide (vrucht: "cranberry"); »tolješāget’.

Ljedjaget:: |ledāget| {F}.

Ljengjérts:: {W} .

ljocare:: {K} (lett) ophopen.

ljocaros:: {C} (lett) ophoping.

ljocc:: {C} schoof, schelf (hooi).

ljōl:: {C} rups.

ljom•:: |lo..| {wst} »ljomge.

Ljomāg:: {C} (vechtsport, gebaseerd op de beginselen van het Erg-geloof); .

Ljomeg:: {F}.

ljomge:: |lo..| {Kpr; gst= ljomm; wst= ljom•; vdw= ljōmge} zich toewijden aan.

ljōmge:: |lō..| {vdw} »ljomge.

ljomm:: |lo..| {gst} »ljomge.

ljopā:: {C} stuk marmer, marmerblok.

Ljopā-weg:: {W} .

LJP:: {afk} »Liberala Jolaiy-Party.

l.ju.:: {afk} (= lef »jurestiyos).

lj’niy:: {C} boomgroepje (op mōliy).

Lj’niy-ager:: {N} (badstrand; gemeente Kitia); .

Lj’niy-knurfel:: {G} (moerasmeer; gemeente Kitia); .

Lj’niy-mirra:: {W} .

Lj’niy-pāt:: {W} .

lk.:: {afk} »lestōk.

LL:: {afk} »Lift-l’nts.

Lloyd Spocania:: {N} (afk= LL-SIY) (bank te Hirdo); .

LL-SIY:: {afk} »Lloyd Spocania.

l.l.t.:: {afk} (= lef »lānt tukst).

l.m.:: {afk} (= lo »moplariy).

l.mk.:: {afk} (= lef »muxkettos).

l/ms:: {afk} (= lef »mirrofsmurf).

LMSF:: {afk} »Lacs furt ef Mannos rifo Sekte-fyralōsta.

lo::

  1. {I} quasi, niet echt, schijn• ; eft ~ piaquan merater: een schijnvriendelijke/niet echt vriendelijke man; (lo wordt pas dan gebruikt als het gebruik vh synonieme sx to• om de een of andere reden niet gewenst/mogelijk is).
  2. {VZ}
    1. (betrekking) net zo als, lijkend op; Yvonn chaquinde ~ eft politiycera: Yvonn praat als een politicus (ze is GEEN politicus; »fara); ef kette ~ értef: (fig) voorop stellen; ~ kā: (spr: dikwijls stopwoord) zó; op deze manier; gewoon; zonder meer; nou; tu synne lef kluft ~ kā?: waar loop je zo mee te zeulen?; yss dus, ~ kā gress reppe!: kom hier, zeg ik je!; tu riffecū ef nert ~ kā: zó/op deze manier kun je het niet repareren; gress tinde kusami ~ kā: ik blijf gewoon hier; [zerfe,] ~ kā!: kijk daar nou 's!; aftel tu melde glado lef ef kleter oto? – ~ kā!: ben je blij met je nieuwe auto? – nou en of!/wat dacht je?; logise ~ kā!: nogal wiedes!;
    2. (verbinding tussen tijdsperiode en datgene wat in die periode gebeurt) dur gestriys ~ zirrot: drie dagen vakantie; perd’r zurtarr ~ ’rōm: twee uren werk; main mitarr ~ lufiros: tien minuten rijden;
    3. (zintuiglijke waarneming) naar; ef knurfel mrōge ~ clor: het water stinkt naar chloor; ef c’rstyne ~ flj: smaken naar iets (enz).
  3. {DT}
    1. (vergelijking) hoe, evenals, gelijk; do ~ paino, do chaquintilóme: hij deed, gelijk hij sprak; óps eft kofano ~ kette, eft jabār moncharilóme sener mariantof: zij hebben een feest gegeven, even groots als de bruiloft van een koning (lett: ... evenals een koning zijn bruiloft viert);
    2. (equivalentie) lo ... lo: even ... als; ~ doffiy ~ zjol: zo zwart als kool; ~ do ~ gress melde hupster = ~ do melde hupster ~ gress: hij is even groot als ik; ~ Lāt stōmple vita ~ Cerrt frajjae: Lāt strompelt even snel als Cerrt rent; do lajete graviy ~ fimpt ~ tsil = do ~ lajete graviy tu ~ gress: hij scheldt jou even hard uit als mij (= als hij mij uitscheldt); (vgl) ~ do lajete graviy tu/fimpt ~ gress: hij scheldt jou even hard uit als ik [jou uitscheld];
    3. (optioneel voor subjectief add; verplicht voor objectief add) ef vildul lelde [lo] lutt: de boom groeit krom; gress verfute ef krur ~ mesā: ik verf de muur groen; do lelperre riyfain ef miflifs ~ tuffes: hij heeft altijd de ramen open; ef ufiror mirra ~ tirdus: de kapotgereden weg; Petriy scemre ~ crōg: Petriy schreeuwt zich hees (door het schreeuwen wordt hij hees; (vgl) Petriy scemre crōg: Petriy schreeuwt hees (zijn geschreeuw klinkt hees)); ef vilduls lelde ~ ryāx zléf ef plaju: de bomen groeien vastgeklampt aan de helling (vdw op •āx/•er/• kan predicatief gebruikt worden, maar dan met lo ervoor);

    »loiy; »•lira.

LO:: {afk} »lofātel.

loa::

  1. {C; rs= lóte} vuur (in de buitenlucht: voor warmte of om te waken); ef riffe eft ~: een vuur[tje] maken/stoken (in de buitenlucht).
  2. {Cid; rs= ~tt} goede||slechte bui; do lelperre eft ~ rifo Pelres: hij heeft een goede bui/is in een goed humeur; do lelperre eft ~ l’ ef hely: hij heeft een slechte bui/is slecht gehumeurd; stus unerecū kvā belt ~: je kan er nooit achter komen of ze een goede of slechte bui heeft; je kan nooit aan haar zien in wat voor humeur ze is; eft kōbo-~: een stralend humeur; eft tómare-~: een slechte bui.

Loa-plep:: {W} .

loatite:: {U} (fig) zich inbinden; zich beheersen.

loatt:: {rs} »loa 2.

lōbā::

  1. {C} (alg) rots[blok], steenmassa; (persoon) stoere kerel.
  2. {S} rots, steenmassa, rotsen.

Lōbā-ārc:: {N} "Rotsboog" (natuurlijke rotsboog; gemeente Aboris-Sinto-Jenu); .

lōbā-flāx:: {S} smalbladig vlas (L. Linum tenuifolium).

Lōbā-granōs:: {Gmv/ef} de Rocky Mountains.

lōbā-jamóta:: {C} pinksteranjer (L. Dianthus gratianopolitanus).

lōbā-riypser:: {C} muurpeper (plant) (L. Sedum acre).

lōbāsl’g:: {C} (alg) prik (vis); (ihb) rivierprik (L. Lampetra fluviatilis).

lōbāsót:: {I} rotsachtig; vol rotsen; eft ~ xijera: een rotsachtige kust.

lōbātiy:: {I} rotsachtig; van rots gemaakt; eft ~ sért: een uit rotsblokken gebouwd huis.

Lōbā-weg:: {W} .

lobezjeros:: {C} gelach, het lachen; »l•os.

lobiy:: {C} lobby.

Lob’nn:: {F}.

lōc:: {I} (alg) dol (woedend, waanzinnig); (ihb) hondsdol.

Locāršen:: {F}.

locāt:: {C} locatie; fes eft hordā ~: op een mooie locatie.

locāteše:: {U} liggen; gelegen/gesitueerd zijn (geografisch).

locātešos:: {C} ligging, stand; ef sért lelperre eft penša ~: het huis staat in een keurige buurt/is op nette stand.

locc:: {C} sjalot (kleine ui).

lóch:: {I} verkapt.

•lōche:: {SX > c} •loog, •loge; (bijv) biolōche: bioloog, biologe.

lode:: {K} peilen (diepte, schip).

lod'kurre:: |lotk..| {I} nert ~: peilloos.

lodos:: {C} peiling, het peilen.

Lody:: {M}.

Loefe:: {F/J/M}.

Lōeftue:: {G} (dorp; gemeente Falebo).

Loena-pavelonn:: {N} (restaurant in Hoggebim); .

Loena-plep:: {W} .

Loenkiy-mirra:: {W} .

Loenyrā-krur:: {G} (rotswand; gemeente Šorās); .

Loenyrā-plākom’:: {N} (verkeerstunnel in weg 48; gemeente Šorās); .

Loestā:: {F}.

Loestā-Murr-museem:: {N} (museum in Tosiy); ; (DOM 158).

Loet:: {G} (eilandje in Pūlpoem-meer, in Hirdo); .

Loeta:: {J}.

Loete-mirra:: {W} .

Loetrepiy-weg:: {W} .

lof:: {I; =mt v pert} [het] minst veel; »pert.

lōf:: {C} genot; lef ~ na eft weinoh: onder het genot van een glaasje wijn.

lóf:: {VZ}

  1. (tijd) gedurende, tijdens, in, van; ~ dur zurtarr: gedurende drie uren; ~ liyrs: lange tijd; lang [durend]; gress zerfa éfti eup ~ hertels: ik heb haar sinds maanden niet meer gezien; eft kirt ~ main cretarr: een lichtflits van tien cretarr (= 1/3600 seconde); (bij maanden) ~ januy: in januari (de gehele periode ve maand); ~ kōbotof/fentatofs: op zondag/feestdagen; (dikwijls blijft lóf onvertaald) eup tindo ~ ef pijā luppor: ze is [gedurende] de hele avond gebleven; kirro ufire helkara Paris ~ ér tof: we rijden in/gedurende één dag naar Parijs (de reis duurt precies de hele dag); (vgl) kirro ufire helkara Paris ānte ér tof: we rijden binnen/in één dag naar Parijs (hoeft niet de hele dag te duren); ~ ef ninker-koles: op de lagere school (gedurende de tijd dat iemand op school zat); ~ preiptjek: bij hoogwater (gedurende de tijd dat het hoogwater is); »ānte.
  2. (afstand) over; ~ [ef distānt rifo] 300m: over [een afstand van] 300 m; (vgl) kaf 300m: over 300 m; 300 m verder; eft pjaqurros rifo 4/rmp ~ 2km: een stijging van 4‰ over 2 km; ~ eft utfiniy rifo: over een breedte van.

lofa::

  1. {C} blad (aan boom); biljet, kaartje.
  2. {C/S} (naam v diverse planten; vrnl in samenstellingen zoals littit mintepot-~ = wilgenroosje, of biyšōp-~ = zevenblad).

lofā:: {C} lente, voorjaar.

lofa-begonja:: {C} bladbegonia (L. Begonia rex hybride).

lofa-gōl:: {I} bladerloos.

lofā-kjōnt:: {C} meikever (L. Melolontha melolontha).

lofa-maquijy:: {C} kleine wintervlinder (L. Operophtera brumata).

Lofa-mirra:: {W} .

lofān:: {C} hoer; »•ān.

Lofa-plep:: {W} .

lofātas:: {III} in de lente, elke lente.

lofātel:: {Cef} (afk= LO) "lentemaand" (10e maand v Erg tijdrekening).

lofa-’vāna:: {C} (alg) bladwesp.

lōfer:: {C} genotmiddel.

loff:: {C} (alg) schop, trap; (pop) borrel; ef manne ef ~: borrelen, borrel drinken.

lōfft:: {mv} »lōfo.

Lofia-mirra:: {W} .

lofipana:: {C} paleis.

Lofipana-lirrotiy:: {W} .

Lofipana-nūrcus:: {N}

  1. (autoveer op de Girdestona); .
  2. (voetveer op de Zrūfā); .

Lofipana-oftian:: {W} (stadswijk in Zest); .

Lofipana-pārc:: {W} .

Lofipana-pāt:: {W} .

Lofipana-plep:: {W} .

Lofipana-vender:: {W} .

Lofjec:: {F/J}.

Lofjec Quūzzt-plep:: {W} .

lōfo:: {C; mv= lōfft} (bep soort haring, gevangen ten noorden v Spok) (L. Clupea kjupurus).

Lōfo-mirra:: {W} .

lōft'farte:: {I} geleidelijk, zonder rukken/stoten/hiaten.

lōftquar:: |..fq..| {I} langzaam; fes ~ stebes: langzaam maar zeker.

lōftquārda:: |..fq..| {III} langzamerhand, allengs.

lōftquar-kūfōs:: {C} langzaam verkeer (vlgs Spok wet: alle verkeer dat niet sneller kan of mag dan 40 km/u; hieronder vallen ook bromfietsen; dit verkeer mag geen gebruik maken v autowegen of autosnelwegen).

loftus:: {I} gecompliceerd, ingewikkeld.

Lofty-dunhes:: {N} (hippodroom; gemeente Kanea); .

Lofyniy:: {F}.

logise:: {I} logisch, vanzelfsprekend; ~ lo kā!: nogal wiedes!.

•logise:: {SX > add} •logisch; (bijv) biologise: biologisch.

logistiyc:: {C} logistiek.

logjā:: {C} afdak (dak zonder wanden).

Logono:: {G} (stad in Ales).

Logono-vjoly:: {C} gewoon bosviooltje (L. Viola riviniana).

lōgōs:: {C} woord.

Lōgōsec’r Matāns:: {N} "Vrienden van het Woord" (literaire sociėteit in Conityje); .

lōgōsiy:: {I} woordelijk.

logōs-logiys:: {S} »Logōs-logiys.

Logōs-logiys:: {N} (populair letterspel, lijkt op Scrabble); .

Lōgtōfiy:: {G} (bosrijk gebied in Crona-gebergte; gemeente Quobenta); .

Lōgtōfiy-weg:: {W} .

logyre:: {K} achteropkomen (inhalen).

lōhetje:: {Kid; gst= lōhett} onderschatten||overschatten; ef ~ lo elx: onderschatten; ef ~ lo dres-cijazut: overschatten; do ~ beritel sener ’rgefūšōsta: hij onderschat zijn capaciteiten; do ~ bertert sener tiffosz: hij overschat zijn kennis.

lōhett:: {gst} »lōhetje.

loif:: {gst} »lo'ife.

lo'ife:: {K; gst= loif} overeenkomst sluiten met.

loin:: {C} richting; helkara cradef ~s: in alle richtingen; ef utfin ~: de richting ongeveer, de globale richting; do coše ef rilko/neoliberala ~: hij kiest links/neoliberaal (als het om een politieke richting gaat); fes jadāk ~: dubbel en dwars; geheel en al; volop; : in de richting van; fes ~ helkara (vz-uitdr) (afk= f.l.h.): met het oog op; do ’rōme hups fes ~ helkara ef ielba ’pónzos: hij werkt hard teneinde rijk te worden (met het oog op rijk-worden); lóf eft plāks ~: ver vanaf hier.

loinatiy:: {I; [mv=enk]} onschendbaar (wet, recht).

loine:: {K} richten.

loine-koles:: {C} "richtschool" (alg: [avond]opleiding voor aanvullend onderwijs [tbv examen]).

Loine-Koles:: {N} (»loine-koles, gezien als Spok onderwijsinstituut); .

loinfeste:: {U} zich oriėnteren (v juiste richting).

loinfestos:: {A} oriėntatie, het oriėnteren.

loiniy::

  1. {VZ2n} (richting) in de richting van; kirro farte ~ ef garrent: we lopen in de richting van het station (maar niet met de bedoeling om ook NAAR het station te gaan); do zerfe ~ tsil: hij kijkt in de richting van mij/in mijn richting (maar niet met de bedoeling om mij te zien).
  2. {VZ} (tijd) tegen; ~ Kriystās: tegen Kerstmis (als Kerstmis nadert); ~ ef naponto-zemper: tegen het eind van het jaar; ef kloppa vende pip ~ main: het loopt al tegen tienen (tien uur).

loin-rozjep:: {C; mv= ..-ūrozjep} roer (v schip).

loin-ūrozjep:: {mv} »loin-rozjep.

loin-zeff:: {C} stuurstang, stuurkolom.

loiy::

  1. {I} eft ~ ... lo: eenzelfde/dezelfde/hetzelfde ... als (net zo'n; een ander exemplaar, maar v zelfde type); gress eft ~ bof lorerde lo tu lelperre-armt: ik heb eenzelfde/dezelfde broek gekocht als jij aanhebt; do trempe eft ~ mimpit [lo gress]: hij leest eenzelfde/hetzelfde boek [als ik] (met dezelfde titel, maar een ander exemplaar); (bij loiy staat altijd het onbep lidwoord eft, nooit ef); »monta.
  2. {VG} (toevoeging) evenals; óps tu ufege, ~ tsil = óps tu ufege, ~ óps enn gress: ze hebben jullie vergeten, evenals mij (= evenals ze mij vergeten hebben); óps tu ufege, ~ gress: ze hebben jou vergeten, evenals ik [jou vergeten heb]; ~ noi: evenmin als; net zomin als (ontkenning v loiy = evenals).

•lōiy:: {SX > c; rs= ~t} •logie; (bijv) biolōiy: biologie.

•lōiyt:: {rs} »•lōiy.

Loj:: {F}.

loja:: {S} metaal.

lojalot:: {C} trommel, blik (metalen doos met deksel).

lojek:: {C} duivin, duif (vrw).

lojiy:: {I} metalen, van metaal gemaakt.

Lojiy:: {F}.

lojiy-begonja:: {C} struikbegonia (L. Begonia metallica).

lōk:: {C} tas (met hengsels).

lók:: {C} avond vóór een feestdag (kerstavond, vastenavond ed).

lokalo:: {I} lokaal (bv).

Lokaren:: {G} (eilandje aan de noordkust v Tjemp); ; (DOM 79).

Lokaren-nūrcus-weg:: {W} .

Lokaren-zuft:: {W} .

loke:: {K} lijken [op], eruitzien als; zich gedragen als; Elsa melde liftkar terat dus ~: Elsa is ouder dan ze eruitziet; ef ~ jazy, ef pónzelira kvā heferg zurt: het lijkt wel of het nooit zeven uur wordt; ef ~ jazy, DEN do melde p’r: het lijkt wel OF hij gek is; (koppelww) Petriy melde jazy fit plōf, do ~ kinur: Petriy is zo bleek, hij lijkt wel ziek; eup ~ eft pūl derser ón gress: ze lijkt me een stomme trut; Elsa ~ Petriy: Elsa lijkt op Petriy (uiterlijk, gedrag); tu ~ jazy sener frera: je lijkt je broer wel (gedrag).

lōke:: {E} niets geven, niets hinderen, niets uitmaken; tuex lufegos enn ef mimpit ~: het geeft niets dat je het boek vergeten hebt.

lōkerst:: {I} (fig) honderdduizenden.

lōki:: {TW} honderdduizend.

Loki-plep:: {W} .

Lokiy:: {F}.

lo/ko:: {afk} (= lo »kofanoiy).

lōlt:: {C} uithaal (bij zingen).

lōlte:: {U} uithalen; met uithalen zingen.

lom:: {I} loom.

Loma:: {F/J}.

lōmā:: {C} (driestemmig geneurie/tekstloos gezang, begeleid door »prāggah en »hycc; meestal bij Erg kerkdiensten).

Lomala-fōresta:: {G} (bosgebied aan de rand v Amahagge); .

Lomala-pāt:: {W} .

Lomān:: {F}.

Lomāra-ponto:: {N} (camping); .

Lōmbārt:: {F}.

Lōmbert:: {F}.

lōmše:: {C} hok; klein kamertje; grote ingebouwde kast; inloopkast.

lomeše:: {Uid; vdw= lomest} wel||geen moeilijkheden veroorzaken; ef tiffugbāl-hajemjerers ~ graviym: de voetbalsupporters veroorzaken moeilijkheden; do di lomešu plariy: hij zal geen moeilijkheden veroorzaken/maken; ef d’fielira gekkers ~ pert tildā tiyns fes ef kolestiy: de stakende leraren zorgen voor veel moeilijkheden/ongemak bij het onderwijs.

lomess:: {Cid; mv= lōmesse} moeilijkheid||makkelijkheid, soepel verloop; ef graviy ~: de moeilijkheid; ef plariy ~: de makkelijkheid, het soepele verloop; ef plariyn lōmesse: de afwezigheid van moeilijkheden.

lōmesse:: {mv} »lomess.

lomest:: {vdw} »lomeše.

Lomiy:: {F}.

lómiy::

  1. {I} azuren (blauwe kleur).
  2. {I; [mv=enk]} (dl= Centraal-Liftka/Noord-Br’r) donker, duister (in een afgesloten ruimte, terwijl het erbuiten licht is); ef zāft sen tynao fes ef ~ feldariy: de dief verschool zich in de donkere kast (dit impliceert dat de kamer waarin deze kast zich bevindt, NIET donker is).

lómiyen:: {C} azuur (zn).

lomkā:: {C} [aan]gezicht, gelaat; l’ ~ hiycce ~e (rs!): van aangezicht tot aangezicht; ef ~ finne beri lelde: het begint erop te lijken.

Lomkā-weg:: {W} .

Lomky::

  1. {F}.
  2. {G} (een vd 7 hoofdeilanden).

Lomky-seder:: {C} "Lomky-ceder" (nauw verwant aan de atlasceder (L. Cedrus atlantica), maar met donkere tapse kegels; op Lomky en Garos) (L. Cedrus lomkyi).

lommpe:: {rs} »lomp.

lomp::

  1. {VR; gnp= ~er; rs= lommpe (arch) of lomp} wie?; do ustjāge ~?: wie bedriegt hij?; ~ ustjāge do?: wie bedriegt hem?; gress linne, do ustjāgāt ~: ik vraag wie hij bedriegt; gress linne, ~ ustjāgāt do: ik vraag wie hem bedriegt; ~er oto melde?: van wie is de/die auto?, wiens/wier auto is dat?; ~er oto melde mesā?: wiens/wier auto is groen?, wie heeft er een groene auto?, van wie is die groene auto?; do linne, ~er oto meltāt: hij vraagt van wie de auto is.
  2. {VG; gnp= ~er; rs= lommpe (arch) of lomp} wie; gress tiffe, ~ ustjāge do: ik weet wie hem bedriegt; gress nert tiffe, ~ do ustjāge ef: ik weet niet wie hij bedriegt (dummy-obj = ef, omdat ik niet weet aan welk geslacht "wie" refereert); gress tiffe, ~ do ustjāge eup: ik weet wie hij bedriegt (dummy-obj = eup, omdat ik weet dat "wie" aan enk-vrw refereert); gress tiffe, ~ Mariy enn ef mimpits kette ón óps: ik weet aan wie Mariy de boeken gegeven heeft (dummy-obj = óps, omdat ik weet dat Mariy de boeken aan meer dan 1 (mnl) persoon gegeven heeft); gress nert tiffe, ~er oto melde: ik weet niet, van wie de auto is; Petriy nert tiffe, ~er mimpit do trempelira ef: Petriy weet niet, wiens/wier boek hij aan het lezen is (dummy-obj = ef, omdat Petriy het geslacht van "wiens/wier" niet kent).

lomper:: {gnp} »lomp.

Lompik-fonis:: {G} (inham in oostkust v Ben bij Vlament); .

Lompik-xijera:: {G} (noordoostkust v Ben); .

Lompik-zee:: {G} (zee tussen Teujan en Ben); .

lompol::

  1. {VR} wie van de?; ~ kost freras tu méte?: wie van mijn broers hebben jou ontmoet? (meerdere broers); ~ kost frera tu méte?: wie van mijn broers heeft jou ontmoet? (één broer); gress linne, tu lompol merater zerfāt: ik vraag wie van de mannen jij gezien hebt (je hebt één man gezien).
  2. {VG} wie van de; gress tiffe, ~ merater tu enn ef zerfe = (arch/schr) gress tiffe, ~ tu enn ef merater zerfe: ik weet wie van de mannen jij gezien hebt (één man); gress tiffe, ~ meraters enn tu zerfe: ik weet wie van de mannen jou gezien hebben.

lōmt:: {C} bakhuisje (losstaand gebouwtje bij, of uitbouw ve klemk, waar brood gebakken en/of voedsel gerookt wordt).

Lōn:: {G} (beek; gemeenten Krea en Sinto-Ÿrcō); .

Lona:: {F/M}.

Lonaka:: {F}.

Lōnde:: {G} Londen.

Lōnde-mirra:: {W} .

Lōnder:: {F}.

Lōndiyk:: {W} (buurtschap); .

London-avenū:: {W} .

lone:: {K} ~ [kaf]: richten [op] (geweer, aandacht ed); (fig) ~ fes: aansturen op, aanstevenen op; do ~ sener cōstišerpos kaf ...: zijn belangstelling gaat uit naar ....

loner:: {C} richtlijn (mbt het richten v vuurwapens; aanwijzing ve te volgen gedrag).

Lōnges:: {G} (stad in Ziyp).

Lōnges-pāt:: {W} .

Lōnn:: {F}.

lonos:: {C} het richten (v geweer, aandacht ed).

Lōn-pāt:: {W} .

Lōntajā-taris:: {N} (bewoond kasteel; gemeente Tona a/e Grāt); .

Loo:: {F}.

Loō:: {F}.

loōre:: {U} dwarrelen, warrelen.

lop:: {I} (arch); »loper.

Lōp:: {G} (beek die in de Krappa uitmondt); .

lōpare:: {K} salueren.

lōpe:: {K} iets van je laten horen, een levensteken geven; ~ gress Jān: ik zal Jān iets van me laten horen; ik zal Jān een berichtje sturen.

Lopec:: {F}.

Lōpecc:: {F}.

loper:: {I} tot alles bereid; zeer gewillig.

Loper:: {F}.

lopert:: {OV; mv; enk-semc/abstr; stoff} evenveel, in gelijke mate, gelijke hoeveelheid (alleen in relatie tot een zinskern die 2 of meer entiteiten bevat); Jān ur Petriy rinne ~ smurf: Jān en Petriy verdienen evenveel geld (= Jān verdient evenveel als Petriy; (vgl) lo Jān rinne pert smurf lo Petriy: Jān verdient evenveel [geld] als Petriy); kirro kinuro lóf ~ terrats: we zijn [beiden] evenveel dagen ziek geweest; ef dur mōlarresz ’rgefūše ~ vults: de drie hokken bevatten [elk] evenveel kippen (gelijk aantal, kan ook slechts één kip zijn; (vgl) lo pert vults melde fes lo ef dur mōlarresz: er zitten evenveel kippen in de drie hokken (lopert is onmogelijk omdat dit anders in de zinskern zou staan!; het aantal is "veel", zou het aantal de kwalificatie "weinig" krijgen, dan moeten we zeggen: lo litel vults ...)).

Lopes:: {F}.

Lopiy:: {F}.

Lopiy-Arānja-covent:: {N} (RK klooster; gemeente Gasky); .

Lopiy Tenk-gabanōsta:: {N} (afk= LT) (railvervoerbedrijf in Bōrā en Mollefin); .

Lōp-mirra:: {W} .

lōpos:: {A} groet (officieel: militair ed).

lōpse:: {K} (lett) afwikkelen; gress ~ ef miyns-gmul: ik wikkel de klos garen af; gress ~ sener helbi: ik ontdoe me van mijn kleren.

Lōpsiy::

  1. {W} .
  2. {N} (Bergparel-B&B in Quober); .

lōpsos:: {C} (lett) afwikkeling, het afwikkelen.

Lōp-taris:: {N} (toren; gemeente Mosento); .

Lopynne:: {F}.

Lōp-zerfos:: {N} (herberg; gemeente Mosento); .

Lor:: {G} (hoofdstad v eiland Teujan).

lora:: {C; mv= lorāe; rsmv= ~tt} bosanemoon (L. Anemone nemorosa).

Lora:: {G} Loire (Franse rivier).

Lōra:: {F/J/M}.

lorāe:: {mv} »lora.

lorake:: {U} komen opdagen; tevoorschijn komen; (fig) boven tafel komen; (pop) komen; do ~ cupp ef douba: hij komt uit de mist tevoorschijn; gress ~ mas: (pop) ik kom morgen [bij je langs].

Lora-mirra:: {W} .

loratt:: {rsmv} »lora.

Lora-weg:: {W} .

Lordater:: {F}.

Loren:: {J} (Peg) Laurens.

Lorensiy::

  1. {J} (Laurens);
  2. {N} (koosnaam voor de »Lorensiy-domiy in Hildi); (DOM 111-112).

Lorensiy-domiy:: {N} (beroemde domkerk in Hildi); ; (DOM 111-112/208).

lorerbariy:: {I} kooplustig.

lorerdater:: {C} koopman, aankoper.

lorerdatjen:: {C} koper.

lorerde:: {K} kopen, afnemen; ef ~ flj kaf €35: iets voor € 35,- kopen; ef ~ flj ón rst: iets voor iemand kopen.

lorerdebet:: {C} koophandel.

lorerdepecc:: {C} aankoopsom; lef ronter ~ (afk= R/L): vrij op naam (bij prijzen v onroerend goed: notariskosten, kadastrale inschrijfkosten enz zijn voor rekening vd verkoper); lef tuffes ~ (afk= T/L): kosten koper.

lorerde-sentrym:: {C} winkelcentrum.

lorerde-s’rt:: {C} supermarkt, grote winkel (met weinig keus, maar grote voorraden en lage prijzen).

lorerdos:: {A} [aan]koop; ef lelde luft ef ~: op de koop toe nemen.

lorertāx:: {C} aankoopbelasting; .

lores:: {C} laurier[struik] (L. Laurus nobilis).

Lores:: {J} Laurens.

loresā:: {C} [water]kruik met 2 handvaten (zoals afgebeeld in Spok wapen).

loresiyn:: {C} laurierblad.

Lores-mirra:: {W} .

lores-pārs:: {C} lauwerkrans.

lores-pārser:: {C} kampioen, overwinnaar.

lores-tohuldu’:: {C} laurierkers (struik) (L. Prunus laurocerasus); »to•’.

Lorfānca-wuma:: {G} (bos; gemeenten Hāutūnsch en Zekon); .

lorg:: {C} scheut (vloeistof).

lorgare:: {C} gulpen (vloeistof).

lorgissare:: {K} tappen (sterke drank verkopen).

lorgissare-jabincos:: {A} tapvergunning (verkoop en nuttigen v sterke drank); .

lorgissās:: (= lorgisser) {C} [ijzer]gieterij.

lorgisse:: {K} ~ ón: schenken in, gieten in (v vloeistof); eup ~ ef miyna ón ef tašā: ze schenkt de thee in het kopje; gress ~ knurfel luft ef hurons: ik giet water bij de bloemen; ef lorgissor hurons: de begoten bloemen.

lorgisse-armt:: {K} in-, volschenken (v emmer, kopje ed); eup ~ ef tašā: ze schenkt het kopje vol.

lorgisse-fes:: {K} inschenken (v vloeistof); eup ~ ef miyna: ze schenkt de thee in.

lorgisser:: {C} »lorgissās.

lorgisse-tijā:: {K} vergieten (v bloed).

lōrgū:: {C} waterhoen (L. Gallinula chloropus).

Lōrgū-lirde:: {N} (begraafplaats; gemeente Mollefin); .

Lōrgū-mirra:: {W} .

Loriol:: |Fra.| {N} (beste restaurant van Teujan, in Lor); .

Loriys-mirra:: {W} .

Lorjen:: {F/J/M} (Peg).

Loroeg Seert:: {N} (kasteeltje in Lor); .

loroh:: {C} gieter (om planten water te geven).

Lōrrze:: {G} (riviertje van Tjokky-gebergte naar de Cheetucjā); .

lort:: {A} kosten (wat iets kost); miyr ef ~ rifo (vz-uitdr): ten koste van.

Lorysse:: {J} (Peg).

Lošā:: {W} (buurtschap); .

losamer:: {A; mv=enk} verplaatsbaarheid.

losamiy:: {I} verplaatsbaar.

lose:: {K} verplaatsen; overplaatsen (andere standplaats); omleggen (v wissel: stand veranderen).

lóse:: {U} wegraken, zoekraken.

loser:: {A; mv=enk} (fig) kruiperigheid.

lóset:: {C} boef, vlegel.

losiy:: {I; [mv=enk]} (fig) kruiperig.

Losk:: {F}.

Loskam:: {J}.

losos:: {C}

  1. verplaatsing; overplaatsing.
  2. verwerking.

losten:: {III} het is de vraag of ...; do arfine ~: het is de vraag of hij komt; zou hij nog komen?; do probare beri c’rtire ~: het is de vraag of hij wil helpen; zou hij willen helpen?; (vgl) ef melde ~, do probarāt beri c’rtire: het is de vraag in hoeverre hij wil helpen; ef melde ~, kol liyrs do tintecū: het is de vraag hoe lang hij kan blijven.

Lostō:: {G} (stad in Ben).

lot:: {I} (dl= Tjemp) zwaar.

•lot:: {SX > c} (alles wat met opbergen te maken heeft; meestal met deksel of deur) •doos, •bak, •kast; (bijv) simalot: [opberg]doos (alg); letralot: brievenbus; ubaralot: [voedsel]ruif; moterlot: motorkap.

Lot•:: {PX} (oorspr voor Peg persoonsnamen: "kind van"; meestal gecombineerd met de vocatief/affectief-uitgang •en; (bijv) Lotcārmen = kind van Cārm(en); zowel Lot• als •en is tegenwoordig allectief); »•en.

lōt:: {C} partij (goederen).

lota:: {C} kwabaal (vis) (L. Lota lota).

Lota:: {M}.

Lotāndrynne-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Jerkō); .

Lotāndrynn-plep:: {W} .

Lotcārmen:: {F/J} (Peg).

Lotcārmen-g’rt:: {N} (brug over de Kjoep, tussen Cōs en C’r’rtina); .

Lotcārmen-plākom’:: {N} (tunnel in de M8; gemeente Kwāgseert); .

Lotcyrdanen:: {F/J} (Peg).

Lotdārnen:: {F/J} (Peg).

Lotdyrrne:: {F/J} (Peg).

lote:: {U} stoken (vuur aanhebben).

lóte::

  1. {U} fluiten (v vogels).
  2. {rs} »loa 1.

Lotfalyten:: {J} (Peg).

Lotfalyten-mōbāriy:: {N} (monument; gemeente Leeserf); .

Lotfrandera:: {J} (Peg).

Lotgirjen:: {F/J} (Peg).

Loti-weg:: {W} .

lotiy:: {I; [mv=enk]} (fig) zwaar, hevig (ziekte, straf, misdaad, ademhalen); gress sen cente ~, gress perkelira beri hatoe ón óps: het valt me zwaar afscheid van hen te moeten nemen.

Lotlorjen:: {F/J} (Peg).

Lotlozen:: {F/J} (Peg).

Lotlyndylen:: {F/J} (Peg).

Lotmerlen:: {J} (Peg).

Lotmervylen::

  1. {F/J} (Peg).
  2. {P} (ca. 1400-ca. 1450; legendarische Peg koning die met vergiftigde wijn vermoord is); ef sterde lo eft lotmervylen: door vergiftigde wijn sterven.

Lotmervylen-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Husta); .

Lotnummadōn-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Alerbō-Lestō); .

Lotnummadōn-weg:: {W} .

Lotōc:: {F}.

lotōlmensten:: »Lotōlmensten 2.

Lotōlmensten::

  1. {F/J} (Peg).
  2. {P} (1539-1594; domme Peg koning 1570-1592); lo pūl lo ~: zo stom als het achtereind van een varken; te dom om voor de duvel te dansen.

lótos:: {C} gefluit, gekwinkeleer.

Lotpālmen:: {F/J} (Peg).

Lotperfen-Kents:: {G} (Erg commune; gemeente Mequā); .

Lotqurten:: {F/J} (Peg).

Lōtriymme:: {F}.

Lotrōmyll:: {F/J} (Peg).

lots:: {C} loods (scheepvaart).

Lotseciy-belt-wuma:: {G} (bos; gemeente Ÿrnajecū); .

Lotseciy-weg:: {W} .

Lotseciy-wuma:: {G} (bos; gemeente Huron-s’rt); .

lotseren:: {C} loodswezen.

Lōtt:: {F}.

lotus:: {C} rolklaver (L. Lotus) (vrnl in samenstellingen zoals pleko-~ = gewone rolklaver).

Lotyrra-plep:: {W} .

Louis:: {J} (Fra).

Louisa:: {M} (Fra).

Louise:: {M} (Fra).

lōvān:: {C} (lid v bereden politie); »lōvān-polišo; »•ān.

lovanai:: {C} schoonheid, knapheid (het mooi/knap zijn).

lovanai-chyloer:: {C} estheet.

lovanai-filosofiy:: {C} estheticus.

lovaniy:: {I} schoon, lieflijk, knap, bekoorlijk.

lovāniye:: {I} onooglijk, zeer lelijk.

lōvān-polišo:: {C} (afk= L.P.) bereden politie (in Spok een omvangrijke politiemacht met zeer sterke paarden, die vrnl patrouillediensten verricht).

lōve:: {U} (Erg) bidden; ~ furt flj: bidden om iets.

lōve-flomatjen:: {C} (Erg) gebedsgenezer; »priare-flomatjen.

Lovely:: {N} (milde filtersigaret die associeert met typistes en receptionistes); .

lovve:: {I} schattig, beeldig.

Lovve:: {M}.

Lovyc:: {J} Lodewijk.

lōx:: {C} (alg) kachel; (pej) pot, lesbienne.

Lōx:: {G} (dorp; gemeente Šamō).

lo’buti:: {C} [open]haardvuur (in huis).

Lo’buti-mirra:: {W} .

loyše:: {K} ~ [lef]: dreigen [met] (persoon tot persoon).

loyšos:: {C} dreigement (persoon tot persoon).

Lozé:: {F/J/M} (Gar).

Lozen:: {F}.

Loziy:: {J}.

Lōziytree-port:: {W} .

Lōziytree-port Cōmpanšo:: {N} (hulporganisatie voor buitenlandse zeelui in Spokaniė; hoofdkantoor in Bōrā); .

lozōster:: {gst} »lozōstje.

lozōstje:: {K; gst= lozōster; vdw= ~y} afvaardigen.

lozōstjemm:: {C} (persoon) vertegenwoordiger, afgezant; (zaak) vertegenwoordiging; Spooksoliy Lozōstjemm: (vertegenwoordiging vh Koninkrijk Spokaniė in het buitenland, echter lager in rang dan consulaat, en zonder diplomatieke onschendbaarheid); .

Lozōstjemm-seert:: {N} "Huis van de Afgevaardigden"; .

lozōstjey:: {vdw} »lozōstje.

lozōstjos::

  1. {C} afvaardiging; delegatie.
  2. {A} vertegenwoordiging, het vertegenwoordigen/afvaardigen.

L.P.:: {afk} »lōvān-polišo.

l.p.h.:: {afk} (= lo »palles’rtos helkara).

l.q.:: {afk} (= lo »qurtos).

LS:: {afk}

  1. »leld'sért.
  2. »lesters.
  3. »Liyrotyka Smurf.

lt:: {afk} »lunatof.

LT:: {afk} »Lopiy Tenk-gabanōsta.

L.T.:: {afk} (= Liftkar »Testamentos).

LTA:: {afk} »Liftkaoeg Tāmp-Arānkas.

LTMA:: {afk} »Lacs frópj’ Tuffes-forts furt Misans ur ās Aptoppest.

ltó:: (= ltoe) {afk} (= »linnatt ón).

ltoe:: (= ltó) {afk} (= »linnatt ón).

LU:: {afk} »lunatel.

:: {I} vol zorgen, [veel] zorgen hebbend.

l/ū:: {afk} (= lo »ūqutiy).

Luānprō:: {N} (zinkmijn en -fabriek bij Hirdo); .

Luānprō-zeces:: {W} (buurtschap); .

Lubāja:: {G} Ljubljana.

Luben:: {G} (dorp; gemeente Krsitsi).

Luben-Zalas:: {G} (dorp; gemeente Ibesto-Horo).

luberos:: »pótān; »ubere; »l•os.

Luca:: {J}.

Luces:: {J} Lucas.

Ludana:: {N} (»wegs’rt langs weg 9; gemeente C’rbast’-s’rt); .

Ludana-jakāms:: {N} (motel; gemeente Komy); .

Ludana-weg:: {W} .

ludār:: {C} onderbroek.

ludatjen:: {C} klokkenluider (lett).

lude:: {K} luiden (v klokken); ef bamicos sena ~: de klokken luiden; ~lira reklāme-mux: ronkende reclametaal.

ludi:: {I} effectief; uitwerking hebbend.

•ludi:: {SXimpr.zn > add} •makend, •veroorzakend, •krachtig, vol; (bijv) yelles/yellesludi: gerucht/geruchtmakend; prex/prexludi: schandaal/schandalig, schandaal veroorzakend; (altijd in ongunstige zin, behalve: toraniefatiy/toraniefa'ludi: geneeskunde/geneeskrachtig).

lūšo:: {S} schuim (op bier).

ludos:: {C} [klokken]gelui.

ludosiy:: {C} (pej) herrie, kabaal (dit sterk pejoratieve woord wordt niet door katholieken gebruikt, voor wie het luiden v klokken een religieuze betekenis heeft, dit in tegenstelling tot Erg gelovigen).

lue:: {rs} »luy 1.

luere::

  1. {K} [uit]kijken over; turen over/vanaf (vanaf een hoogte over een dal ed).
  2. {U} gemakzuchtig zijn.

luere-ponto:: {C} (fig) hoogtepunt.

Luerf:: {F}.

luet:: {III} ~ ón (ón is vz): overeenkomstig aan, analoog aan.

lu'ette:: {E} ~ ón: gelijkluidend/overeenkomstig zijn met.

lu'ettiy:: {I} gelijkluidend (dezelfde inhoud/betekenis).

lūettiye:: {I} ongeėvenaard.

lu'ettos:: {A} overeenkomst (identiek; verdrag); gelijkluidendheid; verdrag, akkoord.

luf:: {C; mv= ~a} aanrecht (in keuken); werkbank.

lūf:: {C} nar.

lufa:: {mv} »luf.

Lufanius:: {J}.

Lufanius-afstoen:: {N} (tegenwoordige naam vd tempel waar Flortof onthoofd is; bij het dorpje Est, even ten westen v Hirdo); .

lufde:: {I} slap (karakter, tijd, houding, ed).

lufdeiy:: {A; mv=enk} slapte (v karakter, tijd, houding ed).

luffāsto:: {C; mv= ..fāstōe; rsmv= ~tt} vaatdoek.

luffāstōe:: {mv} »luffāsto.

luffāstott:: {rsmv} »luffāsto.

Lufia:: {G} (stad in Plefō).

lūfiy:: {I} geestig, leuk (ook iets waar je plezier aan beleeft); Tek melde eft ~ leftel: Tek is een leuke meid; eft ~ merriyc: een leuk spel.

lūfiye: {U} leuk zijn (waar je plezier aan beleeft); dena plyt nert ~: die grap is niet leuk.

luf-quola:: {C; mv= ..-quolāe; rs= ~tt} gereedschapskist.

luf-quolāe:: {mv} »luf-quola.

luf-quolatt:: {rs} »luf-quola.

luft:: {VZ}

  1. (plaats) bij; eft ’c lelde ~ ef kul: er groeit een eik bij de schuur; kirro pónze kluft ~ ef?: wat krijgen we toe?; wat is het dessert?; kost pijā fatasōr ~ ef keldus: mijn hele familie op de boerderij;
  2. (maat) met de breedte van; eft kiyk ~ 1m: een pad van 1 m breedte; »tukst.

luft•:: {PX.ww > ww} (nieuwe ww'n); »luft; »luft-.

luftblaffe:: |luvb..| {K} profiteren van.

luftblaffos:: |luvb..| {A} het profiteren.

luftchaquinde:: |lufch..| {K} instemmen met.

luftchaquindos:: |lufch..| {A} instemming.

luftdiuse:: |lufti..| {E} (fig) zich ophopen.

luftdiusos:: |lufti..| {A} (fig) op[een]hoping.

Luft Ef Agru:: {F}.

Luft ef Blufk:: {W} .

Luft Ef Helmy:: {F}.

Luft ef Hūst:: {W} .

Luft ef Plaju-kaltān:: {W} .

Luft Ef Pōnt::

  1. {F}.
  2. {W} .

Luft Ef Port:: {W} .

Luft ef Taris:: {W} .

luftencate:: {U} »luftwencate.

lufténe:: |luftÉne| {K} ~ flj ón rst: iemand aansporen tot iets.

luft-éne:: |lUfténe| {U} kolen opgooien (kachel, locomotief); gas geven (auto).

Luft Erget:: {F}.

luftfarte:: {K} vergezellen.

luftfartos:: {C} het vergezellen.

luftgabane:: {K} dóórvoeren (v goederen).

luftgabanos:: {C} dóórvoering (v goederen).

luftharbe:: {K} dienen voor.

luftiffare:: {K} »lufttiffare.

luftiffe:: {K} »lufttiffe.

luftiffos:: {A} »lufttiffos.

luftjesme:: {K; gst= ..jess} indelen.

luftjesmos:: {C} indeling.

luftjess:: {gst} »luftjesme.

luftkafte:: |lufk..| {K} afbetalen.

luftkaftos:: |lufk..| {A} afbetaling; lef ~: op afbetaling; ef lorerde fes ef ~: op afbetaling kopen.

luftkenke:: |lufk..| {K} (fig) omschakelen.

luftkenkos:: |lufk..| {A} (fig) omschakeling.

luftkette:: |lufk..| {K} óverleggen, tonen.

luftkettos:: |lufk..| {C} óverlegging, het tonen.

luftkold•:: |lufk..| {wst} »luftkoldre.

luftkoldre:: |lufk..| {K; gst= ..kolt; wst= ..kold•} allesomvattend/universeel zijn.

luftkolt:: |lufk..| {gst} »luftkoldre.

luftmenee:: |..ewe| {Upr; gst= ..menet} er geld op toeleggen.

luftmenet:: {gst} »luftmenee.

luftmiypare:: {K} bedacht/verdacht zijn op.

luftm’ze:: {K} bezorgen, afgeven.

luftm’zos:: {C} bezorging, afgifte.

luftopj’giy:: {I} achterstallig.

Luft-Opper:: {G} Nabije Oosten.

luftpaine:: |lufp..|

  1. {K} ~ tukst: onderbrengen bij/in, huisvesten bij/in; ef zomar ~ ef wygce-wósers tukst ef efantoiy-sért/tukst veršōšūs: de gemeente brengt de asielzoekers onder in de jeugdherberg/bij particulieren.
  2. {Upr} ~ tukst: ondergebracht zijn bij; gehuisvest zijn in; ef musém sen ~ tukst ef bentmeldor hōspitalo: het museum is ondergebracht in het voormalige ziekenhuis.

luftpārare:: |lufp..| {K} voorzien in; ef ~ eft j’šedos furt: een bijdrage leveren aan.

luftpāre:: |lufp..| {K} [af]leveren (v goederen); onderhouden (v relatie).

luftpāre-mip:: |lufp..| {K} uitleveren.

luftpārer:: |lufp..| {C} leverancier.

luftpārnolac:: |lufp..| {C} bestelauto; .

luftpāros:: |lufp..| {C} [af]levering.

luftpāros-mip:: |lufp..| {C} uitlevering.

luftpilde:: |lufp..| {K} garneren (v gerecht/schotel).

luftpildos:: |lufp..| {C} garnering (v gerecht/schotel).

Lūft-plep:: {W} .

luftplios:: |lufp..| {A} wedijver.

luftpónze:: |lufp..| {K} opdoen (v kennis).

luftreppafiy:: {C} prospectus.

luftreppe:: {K} opgeven (v naam/adres: voor examen; v prijs ed).

luftreppos:: {C} opgave, het opgeven (v naam/adres).

luftrupke:: {K} herroepen.

luftrupkos:: {A} herroeping.

luftšefce:: {U} opschikken, opschuiven; plaats maken.

luftšefcos:: {C} opschikking; het plaats maken.

luftstāge:: {K} improviseren (muziek, toneel).

luftstāgos:: {C} improvisatie (muziek, toneel).

lufts’rte:: {K} zich toeleggen op; zich specialiseren in.

lufts’rter:: {C} specialist.

lufts’rtos:: {C} specialisatie; dat waarop men zich toegelegd heeft.

lufttiffare:: (luftiffare) {K} kwalificeren (benoemen).

lufttiffe:: (luftiffe) {K} ~ ón: toekennen aan, toewijzen aan.

lufttiffos:: (luftiffos) {A} toekenning, toewijzing.

luftubere:: {K} reikhalzen naar.

luftularāfe:: {K} aanhouden (niet uitdoen: v kleren).

luftvotos:: {C} ballotage.

luftwencate:: (luftencate) {U} gelijklopen (v klok).

Luft Xejafiy fes Sinto:: {N} (»šarkdomenn bij Xejafiy; district Neno); .

Luft-Yfteka:: {N} (veerdienst); .

Luft-Yfteka I:: {N} (stoomveer); .

Luft-Yfteka II:: {N} (stoomveer); .

Luft-Yfteka III:: {N} (stoomveer); .

Luft-Yfteka IV:: {N} (autoveer); .

luft’zjale:: {U} erbij komen, zich eraan toevoegen; eft fārtef raptre-tiyn luft’zjala: er is een vierde attractie bij gekomen.

luftzarō:: {I} bijkomstig, ondergeschikt.

luftzolle:: {K} opsparen.

luftzollos::

  1. {C} het opgespaarde; wat opgespaard is.
  2. {A} opsparing, het opsparen.

lūgā:: {I} benauwd.

lūgé:: {C} benauwdheid.

Lugga:: {G} (rivierarm in de Klinn’r-delta); .

lugk:: {C} (mv: |luks|) luik (vooral voor de ramen).

Lugk-mirra:: {W} .

luh:: {C} los, lynx (L. Lynx lynx).

Luh-plep:: {W} .

lūiy:: {A; mv=enk; rs= lūte} beslommering; zware zorg.

Lukās:: {N} (bijbel) Lucas.

Lukk:: {G} Luik (in Belgiė).

lukt:: {C; mv= ~en} wastafel, wasbak.

luktāparatā:: {C} wasmachine.

luktās:: {C} wasserij.

luktasjeus:: {C} (arch) wasvrouw.

Luktasjeus-terf:: {W} .

Luktās-mirra:: {W} .

luktatjen:: {C} wasvrouw.

Luktatjen-mirra:: {W} .

luktclene:: |lutcl..| {K} omwassen.

lukte:: {K} [af]wassen.

lukte-āp:: {I} wasecht.

lukte-šenc:: {C} wastobbe.

lukte-sgūla:: {C} lampetkan.

lukte-knuf:: {C} waskom.

lukte-krutt:: {C/S} zeepkruid (L. Saponaria officinalis).

lukten:: {mv} »lukt.

lukte-pytšutū:: {C} wasbeer (mnl/ntr) (L. Procyon lotor).

lukte-tiyn:: {C} wasmiddel.

luktfāsto:: |lutf..| {C; mv= ..fāstōe; rsmv= ~tt} washandje (in Spok een driehoekige lap).

luktfāstōe:: |lutf..| {mv} »luktfāsto.

luktfāstott:: |lutf..| {rsmv} »luktfāsto.

luktiy:: {I} doorweekt.

luktos:: {C} was, het wassen; »luktōsta.

luktōsta:: {Cmv} was[goed] (dat reeds gewassen is); »luktos.

luktōsta-ješiy:: {C} waslijn.

luktotomat:: {C} wasautomaat.

Lukūrme:: {W} (buurtschap); .

lumbā:: {C} (lett) uitgang; (fig) uitweg.

lumbā-mirra:: {C} (lett) uitweg, uitrit.

lūme:: {C} zeer jong veulen (bij werk-/trekpaarden tot ca. 2 maanden; bij rijpaarden tot ca. 3 maanden; bij mynalls tot ca. 5 maanden).

lumme::

  1. {U} galmen (hol klinken).
  2. {C} galm.

lump:: {C} hekel (voor vlas); pijnscheut.

lūmpa:: {C} rei, koor (zanggroep).

lūmpa-hyrr:: {C} koorzang.

lun:: {afk} »lunatof.

luna:: {C} maan; ef uengelira ~: de wassende maan; xulā ~ (afk= x/l): volle maan; zjoba ef ~: in het maanlicht.

Luna-ager:: {N} (camping); .

Luna-arābe:: {W} (buurtschap); .

Luna-avenū:: {W} .

Luna-hall:: {N} (tentoonstellingshal in Amahagge); .

luna-huron:: {C} lavas ("maggiplant") (L. Levisticum officinale).

luna-išāfos:: {C} maansverduistering.

Luna Korda:: {N} (Erg kerk in Amahagge); .

Luna-mirra:: {W} .

Luna-nejlosh:: {N} (café-restaurant aan strand op Garos); .

luna-n’los:: {C} maneschijn.

Luna-plep:: {W} .

Luna-pōnt:: {N} (brug over de Trendon bij Yservildul); .

luna-specc:: {C} maanbril; ; (DOM 48-49).

Luna-taris:: {N} "Maantoren" (toren in Hoggebim); .

lunatat:: {C} maanlicht.

lunatel:: {Cef} (afk= LU) "maanmaand" (schrikkelmaand in Erg tijdrekening: wordt, zodra midzomer (21 juni) binnen kōbotel valt, in het jaar ERVOOR tussen de maanden pāltel en picatel ingelast, zodanig dat midwinter (21 dec) in lunatel valt).

Luna-terf:: {W} .

lunatof:: {Cef} (afk= lt of lun) maandag.

luna-zemper:: {C} schrikkeljaar (in Erg tijdrekening: als het jaar een 13e maand bevat; »lunatel.

Lundberg:: |lunberg| {F}.

Lunen:: {F}.

lunne:: {I} aanliggend (hoek).

lūnteori:: {mv} »lūnters.

lūnters:: {C/S; mv= lūnteori} (alg) klimop (met geel/rode bladeren) (L. Hedera lenta); (ihb) guirlande; festoen.

Lūnters:: {N} (café in Crelco); .

Lūnters-feslosos:: {N} "Stichting Klimop" (stichting voor de behartiging vd belangen v gehandicapten; in Hoggebim); .

lup:: {C; mv= lūps} (alg) kuip, vat, ton; (ihb) romp (v schip); ef paine rst fes ef ~: iemand dwarszitten (pesten); »sako.

lup-closes:: {mv} »lup-closs.

lup-closs:: {C; mv= ..-closes} duig (v ton).

lupp-fenta:: {C} soiree.

lupplejon:: {C} souper; (= »luppor + »lejonye).

luppoiyrda:: {C} avondblad (krant).

luppōmhūls:: {C} avondjapon, avondjurk, avondtoilet.

luppor:: {C} avond (17-22 uur); lelmo ~: vanavond, hedenavond (17-22 uur: die nog komen moet, of reeds aan de gang is); lāst ~: vanavond, afgelopen avond (17-22 uur); fes ~!: goedenavond! (bij komen: officieel 17-22 uur); lóf eft pijā paqur ~: een hele avond lang.

lupporas:: {III} 's avonds (17-22 uur: zo goed als elke avond); riyfain ~: elke avond (17-22 uur).

luppor-vrens:: {C} teunisbloem (L. Oenothera biennis).

luppor-’rgelira:: {I} avondvullend (voorstelling ed).

lūps:: {mv} »lup.

lupse:: {U} ~ tygtja rst: iemand tarten.

lūpse:: {K} tappen (v bier/wijn: uit vat).

lupsos:: {C} getart, het tarten.

Lūps-Riffe-mirra:: {W} .

lūpt:: {I} met een schok/stoot; ef oto sen festencate ~: de auto komt met een schok tot stilstand; eft ~ tāk: een harde duw; een hevige stoot.

lūrde:: {U} rammelen.

lūrdes:: {C} gerammel.

lurfe:: {U} smullen; eten/nuttigen van smakelijk/luxe voedsel.

lurfe-feslosos:: {C} eetgelegenheid (lett: horeca waar je een maaltijd kan nuttigen; ambtelijke term).

lurfel:: {C} restaurant (in Spok altijd in een stad, anders heet het póntel); do larda fes ef Ef Dur Tarisz-lurfel (let op het dubbele lw!): hij heeft in het restaurant De Drie Torens gegeten.

lurfel-c’rbatt:: {C} restaurantvoorziening (de aanwezigheid ve restaurant); ~s én cāšy-ōc: horecavoorzieningen.

lurfel-larde:: {U} uit eten gaan (in een restaurant).

Lurfels ur Poentels:: {N} "Restaurants en Herbergen" (populair tv-programma over drinken, eten en uitgaan); .

lurg•:: {PX} midden•, middel•, middelste; »lurg-.

lurgānt:: {VZ} (beweging binnen bep grenzen) middenin; do svime ~ ef tanko: hij zwemt middenin de vijver [rond].

lurgfes::

  1. {VZ} (plaats) middenin; do giffe ~ ef tanko: hij staat middenin de vijver.
  2. {VZrs} (richting) middenin; do plōnse ~ ef tankoe (rs!): hij duikt middenin de vijver.

lurgiy::

  1. {Cef} midden (zn), centrum; fes ef ~ rifo: (lett) in het midden/centrum van; (lett/fig) (afk= f/l.r.) te midden van.
  2. {I} middelste; middelbaar.
  3. {I} centraal, midden (in geografische namen zoals Lurgiy-Liftka = Centraal-Liftka).

Lurgiy:: {W} .

Lurgiy Akademiy:: {N} (lurgiy »akademiy, gezien als Spok onderwijsinstituut); .

Lurgiy Ertos:: {W} .

lurgiy-fortiyn:: {C} middeleeuwen.

lurgiy-fortiyniy:: {I} middeleeuws; in/uit de middeleeuwen.

lurgiy-g’p:: {C} evenaar, equator.

Lurgiy Instituša:: {N} (lurgiy »instituša, gezien als Spok onderwijsinstituut); .

lurgiy-kanas:: {C} middengedeelte, middendeel.

lurgiy-koles:: (= lurgkoles) {C} middelbare school; atheneum (school die opleidt voor universitaire studie; duurt 4 jaar, te volgen na »’rijy-koles).

Lurgiy-Koles:: {N} (»lurgiy-koles, gezien als Spok onderwijsinstituut).

Lurgiy-Hōstanolac-mirra:: {W} .

Lurgiy-lirrotiy:: {W} .

Lurgiy-mirra:: {W} .

Lurgiy-Opper:: {G} Midden-Oosten.

Lurgiy-Plafotō:: {G} (rivierarm in de Plafotō-delta); .

Lurgiy-plaju:: {W} .

Lurgiy-plep:: {W} .

Lurgiy Servas-plep:: {W} .

Lurgiy Sparot-kryos-plep:: {W} .

Lurgiystā:: {G} (dorp; gemeente Bravone).

lurgiy-toberg’:: {C} middelgebergte.

lurgiyzorā:: {I} halfstok; ef poirare ef flā lo ~: de vlag halfstok hijsen.

lurgkoles:: {C} »lurgiy-koles.

lurgkormondō:: {C} midzomer; lóf ~: met midzomer (de eerstvolgende dag/afgelopen keer dat het midzomer is/was).

Lurgkormondō:: {N} Midzomer (gezien als feestdag); .

lurgkormondō-k’l:: {C} midzomernacht.

lurgl’nt:: {C} middellijn.

lurgponto:: {C} middelpunt.

lurgpontoe:: {K} (fig) centraliseren (v bestuur ed).

lurgpontoos:: {A} (fig) centralisatie (v bestuur ed).

lurgvas:: {C} handvat in het midden (v iets); middelste handvat.

lurg’rliriy:: {C} middelvinger.

Lurjozy:: {M} (Gar).

lurr:: {I} achterbaks.

Lus:: {F}.

lust:: {C} bedelnap, bedelzakje.

luste:: {K} ~ [beri]: zin/lust hebben in/om; gress nert ~ cafer ral: ik heb nu geen zin in koffie; óps ~ beri bālmerre: ze hebben zin om te voetballen.

lustos:: {A} welbehagen, lust.

lustriy:: {C} luister, pracht.

Luta-fōresta:: {G} (bos; gemeente Tona a/e Grāt); .

Luta-ker:: {G} (moerasgebied; gemeente Tona a/e Grāt); .

lūte:: {rs} »lūiy.

luteriy:: {I} luthers.

Lutpōl:: {J} Luutpol.

Lutpōl Kāstesch-mirra:: {W} .

lutt::

  1. {C} klepel (v klok).
  2. {C} luit (muziekinstrument).
  3. {C} (pop) bezichtiging, kijkje; lelperre kirro eft ~?: zullen we een kijkje gaan nemen?; »lutterafos.
  4. {I} gebogen, krom; ~ ur jag: schots en scheef.

lutta:: {I} volmaakt.

Lutta-mirra:: {W} .

lutt-ardekir:: {C} groot heksenkruid (L. Circaea lutetiana).

Lutta-terf:: {W} .

lutter:: {C} (poe) gebrekkig persoon; iemand die gebukt gaat onder een ziekte/narigheid.

lutteraerōx:: {I} kijklustig; alles graag willen bekijken/bezichtigen (vrnl uit interesse); (= »lutterafe + »werōx).

lutterafatjen:: {C} kijker (naar TV, film ed); toeschouwer.

lutterafe:: {K} bezichtigen; zien, kijken naar (TV, film, toneel ed).

lutterafos:: {C} bezichtiging.

luttielba:: {I} bezienswaardig.

lux:: {C; mv= luxes} lux (eenheid v lichtsterkte).

Lux:: {N} (staatsmerk voor benzine, diesel- en smeerolie); .

lūx:: {I} lux[ueus].

Luxemburga:: {Cef} Luxemburgse vrouw.

luxemburgiy:: {IIef; mv=enk} Luxemburgs (bv).

Luxemburgiy:: {G} Luxemburg.

Luxemburgiy-mirra:: {W} .

Luxemburgo:: {Cef} Luxemburger.

luxes:: {mv} »lux.

lūxiy:: {C} luxe (zn).

luy::

  1. {Aef; rs= lue} gemakzucht.
  2. {I} gemakzuchtig.

Luyss::

  1. {J} Louis.
  2. {M} Louise, Loes.

l’::

  1. {C} baan, reep (textiel).
  2. {C; mv= ~je} zeis; do nert ōtossecū ef ~: hij weet van toeten noch blazen.
  3. {VZ}
    1. (richting; dikwijls abstract) uit, vandaan; gress melde ~ Bōrā: ik kom uit Bōrā (= ik ben in Bōrā geboren);
    2. (tijd) uit; ~ p’r 12: uit de 12e eeuw;
    3. (betrekking) tengevolge van, door, uit; eup marteltšiy mippāre ~ ef pāntos: door de tocht heeft ze een verkoudheid opgelopen; ~ mittof: dientengevolge; do lelperre eft efanty ~ mittof mosjeus: hij heeft een kind bij die vrouw (l’ alleen mbt de moeder);
    4. (bij trappen v verg) Petriy melde ~ Elsa hupster terat (= Petriy melde hupster terat dus Elsa): Petriy is groter dan Elsa; groft oto ufire ~ ef viltiy vita oiba (= groft oto ufire vita oiba dus ef viltiy): zijn auto rijdt minder snel dan de jouwe;
    5. (kleinere hoeveelheid uit een grotere) van; dur ~ ef āke efantys: drie van de acht kinderen; dur renšes ur ér boert ~ ef[s]: drie runderen waarvan één koe; gress nert ér tóftos zerfe kvā ~ mittof smurf: ik heb nooit één tóftos van dat geld gezien; 30% ~ ef cāstjyto: 30% van het bedrag (hier wordt "bedrag" als de grotere hoeveelheid gezien); »rifo;
    »fótos.

lyare:: {K} verliefd worden op.

lyatt:: {I} beminnelijk.

lybiy:: {IIef; mv=enk} Libisch (bv).

Lybiy:: {G} Libiė.

Lybiyna:: {Cef} Libische vrouw.

Lybiyno:: {Cef} Libiėr.

L’cc:: {F}.

lycer:: {gst} »lycre.

l’chimōne:: {E} kwaad kunnen; schadelijk/gevaarlijk zijn.

Lycō-Fōresta-museem:: {N} (openluchtmuseum bij Eeneteree); .

Lycō-pāt:: {W} .

lycre:: {U; gst= lycer} uitdrogen (v bouwland).

Lyda:: {M}.

lydafiy:: {C} schriftelijke bekendmaking; convocatie.

lydare:: {K} leiden naar (v weg).

Lydaros:: {W} .

lydatjen:: {C} regént, bestuurder.

Lyda Urylle-weg:: {W} .

LŸDB:: {afk} »Lacs furt ef Ÿwencatos enn Dālnese Belps.

lyde::

  1. {K} (alg) aanvoeren, leiden; (v land) besturen; ef tangodām lydo eft gaotise aupross: de regering voerde een chaotisch beleid; ef ~ lo nurpaniy kura: voortrekken boven (begunstigen).
  2. {K} ~ [piti]: bekend maken [aan].
  3. {U} uitkomen (in wedstrijd/kaartspel); lomp ~?: wie moet er uitkomen?; ef ~ lef mipmerros/xejafa: uitkomen met troef/klaveren; do ~ furt ef aquonda al’n: hij komt uit voor het nationale elftal.

lyde-lāft:: {C} leidraad, richtsnoer.

lyde-mitai:: {K} rondleiden.

lyde-moteff:: {C} leidmotief.

Lyder:: {F/M}.

lyde-rōl:: {C} hoofdrol (toneel); (lett/fig) ef merre ef ~: de hoofdrol spelen.

lyd'mip:: {C} handboek.

lydos::

  1. {C} (alg) leiding (het leiden), aanvoering; (ihb) bestuur (v vereniging ed: groep personen); (ihb) aftappunt (stroom, gas ed); fes ef ~ pai (vz-uitdr): onder aanvoering van.
  2. {C} bekendmaking.
  3. {A} bestuur, het besturen (v land).

lydos-glyda:: {C} bestuurslid.

lydoslot:: {C} stopcontact, wandcontactdoos.

lydos-mitai:: {C} rondleiding.

lydres:: {C} leider, aanvoerder.

lye:: {K} beminnen, houden van (alg); verliefd zijn op (persoon); erg fijn vinden (zaak).

lyfa:: {C} lange wollen kous (door boerenvolk gedragen in de »ārtaks = klompen).

L’ff::

  1. {F}.
  2. {G} (dorp; gemeente Šemp).

L’fgārr:: {N} (discotheek in Hirdo); .

l’g:: {C} geur.

Lyger-cįljr:: {W} .

l’giy:: {C} anjer, anjelier (L. Dianthus caryophyllus).

lyiy:: {I} verliefd.

l’je:: {mv} »l’ 2.

L’je:: {G} (waterstroom in Ergānt-moeras); .

lyk:: {C}

  1. (persoon) kameraad, metgezel.
  2. (het diakritische teken ’ op ó en é: dit teken wordt vervangen door e indien het woord als opschrift, krantenkop, eigennaam ed gebruikt wordt); (vgl) zéer-póntel/Zeeėr-Poentel: (herberg waar veel zeelui komen)/Zeemanskroeg (als naam ve café; let op het trema in Zeeėr!); »e-lyk; »o-lyk.

L’ka-pādra:: {W} .

L’ka-terf:: {W} .

Lykkeliy:: {J} Lykele.

L’krubā-weg:: {W} .

L’miy-ager:: {N} (badstrand; gemeente Monny); .

L’miy-Korda:: {G} (dorp; gemeente Kjefa).

L’miy-Otageena:: {G} (dorp; gemeente Monny).

lymo:: {C} (pop) glas limonade.

lymonado::

  1. {C} glas limonade.
  2. {S} limonade.

Lyn:: {F/M}.

l’n:: {TW} elf (11); fes ef ~ zurtarr: te elfder ure; (= »le + »•en 3).

lyna:: {C} (fig) het stromen; stroom (elektrisch, maar niet v vloeistof).

Lyna:: {M}.

Lynaās:: {N} "Stroomfabriek" (cultureel centrum met populair restaurant in Ef Diōs); .

Lyn-Cherf & Ozzūpiyle-Bāljer:: {N} (makelaarskantoor te Trendon); .

Lynšy-fonis::

  1. {G} (kleine inham voor Ales bij Rāgtall); .
  2. {N} (restaurant aan de kust, in Rāgtall); .

Lynšy-pāt:: {W} .

Lyndyll:: {F/J} (Peg).

l’nt:: {C} lijn, streep; ef giffe armt ~: aantreden.

l’ntare:: {K} doorstrepen, doorhalen (met slechts één lijn); l’ntaror O: O met een streep erdoor (ų/Ų: Deense ö/Ö); l’ntaror Y: Y met een streep erdoor (/), samen met R als ligatuur (=R, tegenwoordig geschreven als ŸR, behalve in enkele [adellijke] familienamen).

l’ntatjen:: {C} lifter.

l’nte::

  1. {K} [aan]schrappen, [aan]strepen, onderstrepen.
  2. {U} liften.

l’nte-mip:: {K} doorschrappen, doorhalen.

l’nt-farte:: {U} zwerven (langs de wegen).

l’ntiy:: {I} lineair.

l’nt-mut:: {C} gestreept vel (v dier).

l’ntos:: {C} (alg) aanstreping, onderstreping; streep (onder een woord ed); (ihb) lift (meerijden).

l’ntos-mip:: {C} doorschrapping, doorhaling.

lyos:: {A} verliefdheid.

lyotū:: {C} struik; »srialyotū.

lypōnk:: {I} gepast, fatsoenlijk.

lypónke:: {I} ongepast, onfatsoenlijk.

l’putte:: {K} [eindelijk] vinden (na lang zoeken).

l’r:: {C} hommel (L. Bombus).

lyra:: {C} lier (snaarinstrument).

L’rcho:: {F}.

l’rchōne:: {U} geschil beslechten.

l’rchōnos:: {A} het beslechten van een geschil.

l’r-gratyliy:: {C} vlasleeuwenbek (L. Linaria vulgaris).

Lyro:: {J}.

lyrren:: {I} aanvallig, aanminnig.

lyrs:: {I} saai.

Lyrt-ager:: {G} (dorp; gemeente Vūch’).

Lyrt-s’rt:: {G} (dorp; gemeente Vūch’).

Lys:: {G} (zijriviertje vd Veltiyf); .

Lysa:: {M} Lisa.

Lyseem:: {N} (»lysém, gezien als Spok onderwijsinstituut).

lysém:: {C} lyceum (in Spok: particuliere middelbare schoolopleiding, vaak aan internaat verbonden, met accent op klassieke talen en geschiedenis).

Lys-fōresta:: {G} (bos; gemeente Afarcal); .

l’ss:: {I} lui.

l’sse:: {U} luieren, lui zijn.

Lysse-mirra:: {W} .

l’ssos:: {C} luiheid.

lyst:: {C} lijst; »liysta.

Lyst:: {M}.

lyste:: {K} (lett/fig) omlijsten.

Lyster:: {F}.

lystos:: {C} lett/fig) omlijsting.

lystra:: {C} (Erg) misdienares (meisje/vrouw v 11-30 jr oud, speciaal opgeleid om een geestelijke te assisteren bij Erg rituelen; ze delen de »slofaro (geheiligde wijn) rond, halen de gebedsbriefjes op en verrichten verder allerlei karweitjes. Lystra's worden veelal in religieuze communes grootgebracht en opgeleid. Vaak zijn het weeskinderen of vondelingen).

lytane:: {K} [toe]bereiden; gereed maken.

lytanos:: {C} het toebereiden; gereedmaking.

l’te:: {K} (arch) leiden tot.

l’tiy::

  1. {I} bijgevolg, derhalve.
  2. {VG} (gevolg) tengevolge waarvan, en derhalve, bijgevolg, met als gevolg; do eft moplariy pónze hols, ~ do miptrekkāt sener zirrot: gisteren heeft hij een ongeluk gekregen, en derhalve moet hij zijn vakantie uitstellen; do eft moplariy pónze, ~ do di krupel’nu: hij heeft een ongeluk gehad, tengevolge waarvan hij mank zal blijven/met als gevolg dat hij mank zal blijven.

lytket:: {I} leidinggevend; (= »lydos + »kette).

lytpōr:: {SC} aristocratie.

lytpōratjen:: {C} aristocraat.

lytpōriy:: {I} aristocratisch.

lytt:: {C}

  1. (alg) bestuur, bewind;
  2. (arch) leider, aanvoerder; »lydres.

lyze:: {U} ~ beri/den: (dl= Peg) beweren.

Lyzer:: {J}.

l.z.:: {afk} (= luft »zurrere).

LZF:: {afk} »Lehortiy-Zagy-Feslosos.

 

© (2000) De Twee Hanen v.o.f. • Kimswerd • The Netherlands

DICTIO