Woordenboek
Spokaans-Nederlands | Nederlands-Spokaans

SpokaansNederlands     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

NederlandsSpokaans     A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 

3D:: driedimensionaal.

3D-printer:: DD-kabier {C}, 3D-kabier {C}.

d:: (naam vd letter D) de {C}.

daad:: (handeling) car {C/Aef; mv= cre}; (met nadruk op voltooiing na inspanning) ups {C}; goede ~ (=weldaad): quistacar {C}; onbewuste/niet bedoelde ~: mrip {SC}; ongeoorloofde ~: topyrf {C}; vol met daden (energiek): car {I}.

daadwerkelijk:: real {I}.

daags:: (=doordeweeks/gewoon) toftiy {I}.

daar::

  1. (bw/bv)
    1. ~[ginds]: kusama {I}; k'ma {III} (spr), ta {III} (spr); kijk ~ eens!: zerfe-te k'ma/ta!; ~ zijn, zie ~: k'maje {E; gst= k'mat} (spr); kijk, ~ is/gaat een kameel, zie ~ een kameel: k'maje eft kamo; de boeken moeten dr zijn/liggen: ef mimpits k'mats; hij mag ~ niet zijn/komen: do k'matog noi; ~ waar ...: kaf ef srt, kaf t ...; kusamass, kaf t ...; kusamass r ... (spr); de takkenbossen liggen ~ waar het ijs dun is: ef grtyliys melde kusamass, kaf t ef pica melde fyg; Spokanirs komen niet ~ waar trollen wonen: ef Spooksls nert vende kaf ef srt, kaf t ef ratles zre; (in spr ook:) ef Spooksls nert vende kaf ef srt, r ef ratles zre;
    2. (px bij vz) daar (vz + dat): vz + pana {ZV; rs= panae} (enk: contextueel); pann {SX.vz} (gereduceerde vorm v pana; dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky); vz + panas {ZV; rs= panases of panses} (mv: contextueel); pass {SX.vz} (gereduceerde vorm v panas; dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky); (bijv) daarop: kaf pana = kafpann; kaf panas = kafpass; de kerk met ~naast twee beuken: ef korda lef perdr quitas kusamat pana (kusamatpann); twee huizen, en ~tegenover de school: perdr srts, ur st panas (stpass) ef koles; de politie hield het steegje in de gaten, want van ~uit was de dief gevlucht: ef polio ef terf ucjyfe mitai ef hajemos, br rifoliy panae (rs!) (rifoliypann) ef zaft itrro; er 2.
  2. (vg) reden/oorzaak: =omdat/doordat) janof {VG}, lifrostiy {VG} (schr), ma {DT}; ik blijf thuis ~ het regent: gress tinde fesrt, janof ef bidale = gress ma tinde fesrt, ef bidalilme; ~ het gevroren heeft, zijn de straten glad: janof ef cryra, ef mirras melde glal.

daarbij:: (=tevens/ook) tjg ef somp (afk= t.e.s.) {C}; (fig) kusamass {I}; ~ kunnen storingen optreden: kusamass henksta quxecos; (lett) daar A.2.

daarentegen:: (daartegenover [staand]): palles {I}.

daargelaten:: ..., nog ~ of: ..., dotoje ef l.

daarginds:: (=verderop) giynsa {I}.

daarheen:: (daar naar toe) henn {III}.

daarna:: (=vervolgens) tillefit {III}; (lett) daar A.2.

daarnaar:: (in overeenstemming met) naar B.4.

daarnet:: (=zo-even) lstr {III}.

daarom:: (om die reden) tanne {III} (refereert aan iets dat niet expliciet is genoemd, of reeds veel vroeger in de context voorkwam); juist ~ (precies om d reden): tanne bloir; (lett) daar A.2.

daartegenover:: ~ [staand] (daarentegen): palles {I}; (lett) daar A.2.

daartoe:: (voor dit doel) frpj mittof.

daaruit:: (=daarvandaan) henoliy {III; [mv=enk]}; (lett) daar A.2.

daarvandaan:: (=daaruit) henoliy {III; [mv=enk]}.

daarvoor:: (lett) daar A.2; hiervoor.

daas:: (paardenvlieg) knka {C} (ihb: L. Tabanus bromius); (bep soort vlieg in Spok: "blauwoogdaas") vpje-knka {C} (L. Chrysops infestus).

dadel:: (vrucht) dts {C; mv= dtse}.

dadelijk:: htra {III}.

dadelpalm:: dtse-vildul {C}, todts {C}.

dader:: painatjen {C}.

dag::

  1. (zn) (concreet gezien v 4-22 uur, maar dikwijls in de betekenis v "etmaal") tof {C; mv= terrats}; (met nadruk op etmaal: dag-en-nacht): gestriy {C}; de vorige ~: ef furtof {C}; vrije ~ (waarop niet gewerkt wordt): jolaiye {C}; de orde van de ~: ef toftiy petsquts; hij heeft zijn ~ niet (alles zit tegen): do nert lelperre sener rovret tof;
  2. (idioom bij tijdsduur/tijdstip) 24 uur per ~: eft gestriy lo tof; wij hebben drie ~en vakantie: kirro lelperre dur gestriys lo zirrot; een dezer ~en: effer tof; [gedurende] de hele ~: lf ef pij tof; tofpip {III}, terratip {III}; zo goed als elke ~ (dagelijks): toftas {III}; alle ~en (elke dag): cradef terrats; werkelijk elke ~ (=dagelijks: 4-22 uur): riyfain toftas; de godganselijke ~: ef lilt-terat tof; volgende ~ (morgen): mas {III}; hij woont [pas] twee ~en in ons dorp: do zre [amii] ten terrats fes kult zeces; ik zal verhuizen op de ~ als/dat hij vertrekt: srtare gress armt ef tof, fara do prate;
  3. (wens) dag! (goedendag!; bij komen of gaan): hato!; tata! (kindertaal: aanstellerigheid);
  4. (idioom met vz) aan de ~ leggen (tonen): ef pilde fes ef ubaralot; om de andere ~: tof nert tof iftam (afk= tnti.); op de ~ dat ...: armt ef tof, den ...; op dezelfde ~: gestriyne {I}; op zekere ~: iftams'ter tof; op klaarlichte ~: gestrer {I}; een roofoverval op klaarlichte ~: eft gestrer krto; op zijn oude ~: fes ef terdor terrats; over twee ~en (overmorgen): mas-kura {III}; van ~ tot ~: ja terrats; voor ~ en dauw: luft slapelira armtat; voor ~ en dauw opstaan (om te gaan jagen/vissen): vizaje {U; gst= vizajet}; het voor ~ en dauw opstaan: vizajos {C}; voor de ~ komen met: ef tuffese ef lejas furt.

dagblad:: (=krant) quiyrda {C}; zie ook Dagbladen in .

dagboek:: (=agenda) jorn {C}.

dagelijks:: (4-22 uur; zo goed als elke dag; spr: zo goed als elk etmaal) toftas {III}; (zonder uitzondering elke dag) riyfain toftas; (daags) toftiy {I}; (huis-tuin-en-keuken) srtsrt {I}; ons ~ brood: kult toftiy tjoks.

dagenlang:: terratsot {I}.

dageraad:: toforigiy {C}.

dagkoekoeksbloem:: mindefit hlfer {C} (L. Melandrium rubrum).

daglicht:: terratat {C}; (fig) in een slecht ~ staan: nge {U}; in een slecht ~ staand (berucht): tild huldufit {I}.

dagpauwoog:: (vlinder) vttiyr-eit {C} (L. Inachis io).

dagschotel:: (eenvoudige maaltijd in caf ed) larde-ttel {C}.

dagvaarden:: tijpre {K}; het ~ (dagvaarding): tijpros {C}.

dagvaarding:: (het dagvaarden) tijpros {C}; (document) tijprafiy {C}.

dahlia:: dalja {C}.

dak:: (op huis) zillepip {Crs}; groot ~ (kap: v station ed): huf {C}; rond ~: krumaros {C}; (=kap: v auto) ro'i {C}; van de ~en schreeuwen dat ... (aan de grote klok hangen dat ...): ef berrare toyclmmsta, den ...; van een leien ~je (op rolletjes): m tr; (sprkw) er is te veel ~ op het huis (er zijn ongewenste toehoorders, we kunnen niet vrijuit spreken): ef flks zirde kir.

dakbedekking:: (alg: in Peg, behalve golfplaat en asfaltpapier) kyrff {C}.

dakgoot:: jrm {C}.

daklijst:: rur {C}.

dakloos:: idesrettor {vdw}; ~ maken: idesrette {K}; het ~-maken: idesrettos {C}.

dakloze:: (persoon) idesretter {C}.

dakpan:: tutt {C}; (ook lei; alg: dakbedekking in Peg, behalve golfplaat en asfaltpapier) kyrff {C}.

dakraam:: (uitbouw) vasista {C}; (lichtkoepel) lankotat {C}.

dal:: armiy {C}; glooiend ~ (vallei): wlj {C}; (v rivier) cliyn {C}.

dalen:: (alg) monente {U}; dalen||stijgen: xme {Uid}; .

dam::

  1. (dijk) grult {C}.
  2. (dubbele damschijf) piy {C}.

damast:: aetto {Sef}; van ~ gemaakt (=damasten): aetto {I} (genoemd naar de stad Asjetto).

damasten:: (van damast gemaakt) aetto {I}.

dambord:: piynregt {C}, piy-olg {C}.

dambordje:: (vlinder) muriy-flyddere {C} (L. Melanargia galathea).

dame:: (=vrouw) mosjeus {C}; (met nadruk op deftig) tjst mosjeus; (v gegoede stand) fema {C; mv= femas}; ~s en heren: eby {S}; mijne ~s en heren! (aanhef bij speech ed): Eby!; mijne ~s en heren, ik heet u welkom!: Eby!, gress vbe furt kirnem!; ~s (opschrift op toiletdeur): sjeus-zip {C}.

damesblouse:: giy {C}.

damhert:: dmsa {C} (L. Dama dama).

dammen:: (damspel beoefenen) piymerre {U}.

damp:: (=gas) gaza {S}; (=stoom) tmp {S}.

dampkring:: gaza-lanko {C}.

damschijf:: piytiyn {C}.

damspel:: piy {C}, piymert {C}.

dan::

  1. (add) (alg) dus {III}, das {III} (arch/poe); (afzwakkend stopwoord in spr:) kom ~ toch!: arfine-te dus!; (spr: inleiding v hoofdzin, als bijzin vooraan staat) als het regent, ~ blijven we thuis: fara ef bidale, dus kirro tinde fesrt; ~ maar/ook (=dus: toegeving/berusting/gevolgtrekking): ijk {III}; ~ blijven we maar thuis (bijv omdat de auto niet blijkt te starten): ijk kirro tinde fesrt; en ~ (vervolgens): colafess {I}, co'ess {I} (pop); en dn (op hetzelfde ogenblik): pejanuf {III}; ik stap in bad en ~ gaat de telefoon: gress lappe fesdu ef wik ur pejanuf ef telefonos rupke; pas dn; eerst dn: denn {III}; pas dn kan hij komen: do arfinec denn = denn do arfinec; (in een bijzin neemt denn de plaats in vh vg den, zodat denn het karakter v vg krijgt:) hij beweert dat hij pas dn kan komen: do zjoffe, denn do arfinec (en niet: do zjoffe, den do arfinec denn); ~ toch (uiteindelijk): dus kiykirot; het is ~ toch gebeurd: ef hftera dus kiykirot. ~ wel: als B.3; hoe; wel B.3;
  2. (vergelijking: alg) dus {VG}; hij is groter ~ ik: do melde hupster terat dus gress; ik ben minder groot ~ jij: gress melde hupster oiba dus tu; hij beledigt haar erger ~ mij (dan hij mij beledigt): do dakre graviy terat hpsat dus tsil = do dakre graviy terat eup dus do gress; hij beledigt haar erger ~ ik [haar beledig]: do dakre graviy terat eup/hpsat dus gress;
  3. (vergelijking: alleen bij vk) fet {VG} (arch); ik ben minder groot ~ jij: gress melde hupster oiba fet tu;
  4. (vergelijking: met bijzin) ~ [dat]: fitus {VG}; hij rookt meer ~ [dat] gezond voor hem is: do uokke vluf, fitus ef melde helt armt do;
  5. (vergelijking: het te vergelijken element refereert aan beide partijen) st {VZ}; Elsa is een aardiger meisje ~ Mariy: Elsa melde eft flifados 'nin st Mariy; hij is slimmer ~ zijn broer: do melde siklaji st sener frera;
  6. (voorwaarde: positief) maar ~, en ~: das {VG/DT}; je mag vanavond uit, maar ~ moet je morgen thuisblijven: tu pratog lelmo luppor, das tintt fesrt mas = tu das pratog lelmo luppor, tu perkilme beri tinde fesrt mas; (das als vg heeft ook een sequentile interpretatie, die de dt niet heeft:) Tonja geeft Qurt een klap, en ~/vervolgens lacht Styna hem uit: Tonja qugle eft strek n Qurt, das Styna obezjerne do; maar ~ wel ...: das ... fit; je mag mee, maar ~ moet je wel wandelschoenen aan doen: tu ventog rala, das tu oimetert fit sener sle-tomust;
  7. (voorwaarde: negatief) maar ~ niet, en ~ niet: dsn {VG/DT} (evtl nert in bijzin); ik geef je voor de laatste keer 10 herco en zeur ~ niet meer: gress kette 10 herco n tu kaf tim aiyk, dsn [nert] wempe-te! = gress dsn kette 10 herco n tu kaf tim aiyk, tu [nert] gelderilme beri wempe;
  8. (add) (refererend aan eerder genoemde tijdsbepaling) dusa {III}; hij laat zijn hond altijd precies om vier uur uit, maar ~ wil dat beest nooit plassen: do brade sener hst riyfain kest bloir fr zurt, tur dena belp gavy kv dusa.
al A.

dancing:: (alg) dane-srt {C}; (disco[theek]) plata-nefr {C}; flerrt {C; mv= regelm.} (pop).

dank:: missos {A}; met ~ aan iets/iemand: misselira flaju/rast (tdw v misse); iets [niet] in ~ afnemen: ef [nert] putte-armt flaju lo merdiof.

dankbaar:: (=erkentelijk) miskn {I}; (voor wat een ander voor je doet/gedaan heeft) merdiof {I}.

dankbaarheid:: (=erkentelijkheid) miskniy {A; mv=enk}.

danken::

  1. (=bedanken) iemand ~ voor iets: misse rast frpj flaju {K}; dank u wel (als men iets krijgt): missjeff! (afk= miss.), miss! (pop); niets te ~!: [mittof] morde nert!;
  2. (toeschrijven) te ~ zijn aan: ef kettelira misse frpj; (te ~ hebben aan) Y heeft hij aan X te ~: X melde nalalvelira Y; zijn verkoudheid heeft hij te ~ aan het feit dat hij zonder jas op straat liep: doex fartos tehaste m kas melde nalalvelira sener marteltiy ral;
  3. danken aan||wijten aan: fesmanne kaf {Kid}; .

dankjewel:: danken 1.

dankuwel:: danken 1.

dankzij:: miyr {VZ2n}; ~ jouw slagvaardigheid is het probleem opgelost: miyr vilt boea blul ef mntyos hchelije.

dans:: danos {C}.

dansen:: dane {U; vdw= dnsen}; de gasten die de hele nacht gedanst hebben: ef hrys, dnsen ef pij kl; hier wordt veel gedanst: k'mije ef t, dnsen pert (spr); ze ~ op wilde muziek: ps dane kaf otlgt musiyc.

dansmug:: triyft {C} (L. Chironomus annularis).

dapper:: hqu {I}.

dar:: (mnl bij) ts {C}.

darm:: intestinn {C}, tarm {C}.

dartelen:: tjerke {U}; (=buitelen) butele {E}; (=stoeien) pe {U}.

das::

  1. (sjaal) cramm {C; mv= cramma};
  2. (zoogdier) btjer {C} (L. Meles meles).

dashboard:: (in auto) moter-rpaaf {C}.

dashond:: txo {C}.

daslook:: armiy-lk {S} (L. Allium ursinum).

dassenburcht:: btjer-husof {C}, btjer-manes {C}.

dat::

  1. (aw)
    {AW} concr/semc abstr
    enk stoff nominale afleiding enk
    neutraal
    ver weg
    contextueel
    dena
    b
    mittof
    tem
    bs
    mittof[s]
    temiy {Cef; mv=enk}
    btiy {Cef; mv=enk}
    -
    -
    -
    k*
    * in Tjemp/Plef wordt mittof ipv k gebruikt
    (idioom) ~ huis van haar: dena/b belt srt; ~ varken van hem: b groft knok; ~ zand van mij: bs kost pleko; welk gebakje wil je? ik wil dt (ver weg) graag: tu zecofe folarra belt-omi? gress zecofe ef btiy; dit rode boek hier en ~ gele daar: lelmo mindefit mimpit ur ef kolai btiy.
  2. (zv)
    1. (deiktisch: enk) k {ZV; gnp= ker; gnz= kcr; rs= ke}; (Jn wijst op het boek en zegt:) ~ is nat: k melde oo; (Mariy wijst op haar tas en zegt:) het handvat ervan ("van ~") is kapot: kcr criakrum melde tirdus; (ik wijs op het zoekende kind en zeg:) zijn jas ("de jas van ~") is weg: ker kas melde tij; (Elsa wijst op de 2 gebakjes en zegt:) wil je dt of dt?: aftel tu bladide lelmo k oft b k?;
    2. (contextueel: enk) pana {ZV; gnp= paner; gnz= panr; rs= panae}; we hebben een nieuw bed gekocht; ~/het is geel en de poten ervan ("van ~") zijn groen: kirro eft kleter slapelsat lorerde; pana melde kolai ur panr lippiones melde mes; in de gang staat een vreemd kind te wachten; het gezicht van ~ (diens gezicht) staat me niet aan: fes ef tult eft tnefer efanty quelira; paner lomk nert insule gress; (kan ook verwijzen naar wat er in gehele zin wordt vermeld) we hebben een nieuwe auto gekocht, en ~ was een moeilijke beslissing: kirro eft kleter oto lorerde, ur pana meldo eft diffiyk faledos;
    3. (idioom) ~ is ~! (klaar is kees!): ef rt bzajer!; ~ is ~! (ziezo!): k tiyn melde!;
    4. (gereduceerde vormen) k {SX.vz}, pann {SX.vz}, pa {SX.vz} (dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky); op dat, daarop, erop: kafk = kaf k; kafpann = kafpa = kaf pana.
  3. (bt)
    1. (enk-concr) t {BT; gnp= tx; gnz= tcr; rs= tt[te]}; ik ben het boek aan het lezen, ~ hij mij gisteren gegeven heeft: gress trempelira ki ef mimpit, do t kette hols n gress; het kind ~ op straat loopt: ef efanty, t farte tehaste; het kind, wiens zuster op straat loopt: ef efanty, tx sour farte tehaste; het huis waarvan het dak (welks dak) van riet was, is afgebrand: ef srt buro, tcr zillepip melde rittiy;
    2. (stoff) t {BT; gnp= tx; gnz= tcr; rs= tt[te]}, mit {BT; gnp= mitex; gnz= mitr; rs= mitte}; het zand ~ wegspoelt: ef pleko, t/mit smlme-tij; het licht ~ ik doof: ef armtat, gress treske tt/ttte/mitte (rs!);
    3. (enk-abstr/semc) sem {BT; gnz= semr; rs= semme}; het voorbehoud ~ onvermijdelijk is: ef feszloffos, sem melde rtjulltt; het conflict waarvan ik het nut (welks nut) niet begrijp: ef hasos, gress nert unere semr hc;
    4. (..lira-constructie: kan elk bt vervangen) het vee ~ in de wei graast: ef fa'i, crazelira fes ef blufk = ef fa'i, t/mit craze fes ef blufk; het kind ~ ik niet ken: ef efanty, gress nert tiffelira = ef efanty, gress nert tiffe t; (..lira-constructie komt direct achter antecedent; bijzin met bt komt achter hoofdzin; als het antecedent van een bt door ki gemarkeerd wordt, wordt de bijzin als inperkend opgevat; een ..lira-constructie heeft meestal een uitbreidende interpretatie); (vgl) hij geeft het bier ~ hij niet lekker vindt aan mij: do kette ki ef bjerr n gress, do nert brae mit (het bier dat hij wel lust behoudt hij zelf!); hij geeft het bier, ~ hij [overigens] niet lekker vindt, aan mij: de kette ef bjerr, do nert braelira, n gress; (in schr wordt ..lira-constructie soms uit ondergeschikte zin gehaald en als bv voor antecedent geplaatst); (vgl) het jongetje, ~ langs de oever loopt, heeft geen broek aan: ef fartelira gy lelperre-armt nf bofs, lango ef klarbr = ef gy, fartelira lango ef klarbr, lelperre-armt nf bofs.
  4. (vg) den {VG}; ..lira; ik vind het goed ~ je vertrekt: gress quistare, den tu prate/tu pratelira; (in spr soms onvertaald bij korte zinnetjes:) ik vind het goed ~ je vertrekt: gress quistare, tu prate.

data:: (gegevens) datas {Cmv}; (=bestand: verzameling gegevens; ook computerbestand) ramos {C}.

dateren:: (van een datum voorzien) datumere |..je| {K}.

datgene::

  1. ~ wat: nem {ZV; gnp= nemer; gnz= nemr; rs= nemme} (enk: bepalingaankondigend);
  2. (als nem = zinskern: 3pv of stus in bijzin) ~ wat door hem beweerd wordt, is onzin: nem westarelije pai do, ef melde nonsens;
  3. (als nem = GEEN zinskern: bt in bijzin) ~ wat hij beweert, is onzin: do westare nem, t melde nonsens; ze vraagt ~ wat ze niet krijgen kan: eup linne nem, eup nert pnsec t.

dato:: de ~: kaf ef datumas (afk= ked).

datum:: datumas {C; mv= datumse}; van een ~ voorzien (dateren): datumere |..je| {K}.

datzelfde:: zelfde.

dauw:: {S}; dag 4.

dauwig:: (=bedauwd) te {I}.

daverend:: dazf {I}; ~e bijval: crubunelira pretrs; ~e klap (dreun): gedrmta {C}.

dazen:: (=bazelen) lte {U}.

de::

  1. (bepaald lw) ef {LW};
  2. (passieve afleiding) fe {LW} (arch); (causatief subj:) Menda laat de slavin de giftige zwam eten: Menda larde fe slaviyta ef tlc = (modern) Menda larde-pe, meldelira ef slaviyta, ef tlc;
  3. (bij obj) ef {LW}; nef {LW}, ennf |emf| {LW} (dl= Centraal-Berref); (= enn + ef; als obj vr het ww staat) ik heb de brief gelezen: gress nef/ennf letra trempe (in standaard-Spok: gress ef letra trempe).

dealer:: (=tussenpersoon) yplelft {C}; (=handelaar) lebetatjen {C}; (=drugsdealer) diller {C}.

debat:: ftiu {C; rs= ftitt}.

debatteren:: ~ [over]: ftiuje [rifo] {U; gst= ftiut}.

debiel:: (achterlijk: persoon) blefmiypiy {I}.

debitcard:: (=bankpasje) benc-krta {C}.

debiteren:: tijstinde {K}.

debitering:: tijstindos {A}.

debutant:: (iemand die voor het eerst in het openbaar optreedt: schrijver, sporter ed) wulparer {C}.

debuteren:: (acteurs, auteurs, sportlieden ed) wulpare {U}.

debuut:: (dat waarmee men debuteert) wulpos {C}; (eerste optreden) wulparos {C}.

debuutconcert:: wulpare-kafnutos {C}.

debuutroman:: wulpare-romn {C}.

decaan:: (=deken) decaniy {C}.

decagram:: (10 gram) dekagrma {C} (afk= dkg).

decaliter:: (10 liter) dekalitriy {C} (afk= dkl).

decameter:: (10 meter) dekameter {C} (afk= dkm).

december:: desembry {Cef} (afk= ds of des).

decennialang:: decadiysot {I}.

decennium:: decadiy {C}.

decigram:: desigrma {C} (afk= dg).

deciliter:: desilitriy {C} (afk= dl).

decimaal:: (zn) desimaliy {C}; (bv) desimalo {I}.

decimeter:: desimeter {C} (afk= dm).

declameren:: (=voordragen) wuxe-furt {K}.

declaratie:: (=rekening) nota {C}; (in rekening brengen v (on)kosten) kafteblaffos {C}; (lijst v ingredinten en andere karakteristieken die op etiketten v voedingsmiddelen moeten worden vermeld) deklarao {C} (met een k!).

declareren:: ((on)kosten in rekening brengen) kafteblaffe {K}.

deconstructie:: idecnstruko {C}.

deconstructivisme:: idecnstruktivesmiy {SC}.

decor:: jeo {C}.

decoratie:: (=versiering) chisros {C}, chisros {C} (arch/poe).

decoreren:: (=versieren) chisre {K; gst= chiss}, chisre {K; gst= chiss} (arch/poe).

decorum:: het ~ bewaren: ef plge ef parfsosz.

decreet:: (=besluit) rsto'ecc {C}.

deeg:: blot {S}.

deeggerecht:: (Italiaanse pasta ed) blot-lardos {C}.

deegwaren:: toblot {C}.

deel:: (alg) kanas {C}; (=onderdeel) partos {C}; alle samenstellende delen van een chemische stof bij elkaar: clobjiyt {C}; ten dele (vrnl fig): furt kanas; in genen dele (helemaal niet): net-kat {III}; voor het belangrijkste ~: mikkelel tu-kanas {III}; voor het grootste ~ (grotendeels): oppelepe {III}; ~ uitmaken van (behoren tot): kanase armt {Upr}; een ~ van: verscheidene 2.

deelbaar:: kanasiy {I}.

deelgenoot:: paine-ralaer {C}.

deelname:: (=deelneming) painos-ral {C}, hliynos {C}.

deelnemen:: ~ aan (meedoen aan): paine-ral fes {U}, hliyne {K}.

deelnemer:: hliyner {C}.

deelneming:: (=deelname) hliynos {C}, painos-ral {C}; (=rouwbeklag) ro-painos {C}.

deels:: kanasiy {I}.

deelteken:: ("gedeeld door": :) parter {C}.

deeltje:: elementair ~: elementanas {C}.

deelwoord:: (taalk) tegenwoordig ~: ralopainn {C}; verleden/voltooid ~: horitpainn {C}.

deemoed:: (=ootmoed) korsocrm {Aef}.

deemoedig:: (=ootmoedig) korsocrm {I}.

Deen:: Denmarky {Cef}.

Deens::

  1. (zn: taal) denise {C};
  2. (bv) denmarko {IIef}; ~e vrouw: Denmarka {Cef}.

deerlijk:: (=jammerlijk) derjiy {I; mv=enk}; (=erg/geducht) graviy {I}.

defensie:: (=verdediging) devendos {C}; (=leger) verest {C}; minister van ~: devendos-menester {C}.

defensief:: (=verdedigend) devenseff {I}.

definiren:: definiere |..je| {K}.

definitie:: definio {C}; per ~: lo qurtos (afk= l.q.) {A}.

definitief:: (=voorgoed) definiteff {I}, wm {III}; (=vaststaand) dren {I}; niet ~ (fig: voorbijgaand): rbaek {I}; ~ zijn (fig: vaststaan): dre {U}; een ~ besluit: eft dren cicralos.

deftig:: tjst {I}.

deftigdoenerij:: (koude drukte) epestrf {C}.

degelijk:: (=stevig) stalate {I}, lryta {I}; (=flink) kogrus {I}; (=duurzaam) wenct {I}; (serieus) torpa {I}.

degelijkheid:: (=stevigheid) stalatiy {C}.

degen:: (=dolk) mast {C}.

degene::

  1. (met de gedachte aan een of meer bepaalde personen) ~[n] die: nem {ZV; gnp= nemer; gnz= nemr; rs= nemme} (enk: bepalingaankondigend); (als nem = zinskern: 3pv of stus in bijzin) ~ die zoiets doet, komt in de gevangenis terecht: nem paine fitaju, stus arfine fes ef leld'srt; (als nem = GEEN zinskern: bt in bijzin) hij scheldt de vriend uit van ~ die de fiets heeft gestolen: do zaare nemer frint, t ef pitter kuntiyre;
  2. (algemeen) ~[n] die (=alle[n] die): crat {ZV; rs= cratte} (enk: bepalingaankondigend); (als crat = zinskern: 3pv of stus in bijzin) ~n die zich inschrijven vr 1 mei, krijgen 10 % korting: crat sen fesstinde futtof 1 mai, stus pnze 10% lo oibniy; voor ~ die mij wil helpen/voor allen die mij willen helpen, heb ik een leuk cadeautje: crat crtiravy gress, gress lelperre eft mindoh pamel fn eup (ik doel slechts op vrw personen, wat blijkt uit eup); (als crat = GEEN zinskern: bt in bijzin) aan ~n/allen waar anderen onderdanig tegen zijn, ergert Elsa zich: lelpirus azje n crat, Elsa ree piti t.

degenereren:: degenerere |..je| {U}.

dgnr:: (gedegenereerd persoon) degenereratjen {C}.

degradatie:: degradao {C}, slompos {A}.

degraderen:: (trans) degradere |..je| {K}; (in rang/waarde achteruitgaan) slompe {U}.

deining:: (lett/fig: =onrust) trquiy {C}.

dek:: (v schip) dec {C}; op het ~ van een schip aan het werk zijn: storiyvve {U}; werkzaamheden op het ~ van een schip: storiyvvos {C}.

dekbalk:: (scheepsterm) haiym {C}.

dekbed:: (donzen deken) dydiy-sako {C}.

deken::

  1. (op bed) lgal {C; mv= lges}, (dik laken) atyje {C}.
  2. (persoon) (RK priester) decann {C}; (=decaan) decaniy {C}.

dekken:: (v tafel) caribe {K}, dreumne {K}; (v schade/tekort) hulle {K}; (fig: omvatten) znynte {K}; de titel dekt niet de inhoud: ef tytle nert znynte ef rtr; zich ~: frajare {Upr}.

dekking:: (fig) hullos {A}.

deklaag:: mennwja (mennja) {Crs}.

deklading:: (=deklast) dec-lados {C}.

deklast:: (=deklading) dec-lados {C}.

deksel:: (alg) decs {C}.

deksels:: ~ moeilijk (verduveld lastig): knurfelbur'-diffiyk {I}.

dekzeil:: (alg) caribefsto {C; mv= caribefste; rsmv= caribefstott}; (scheepsterm) rng {C}.

dele:: ten ~ (vrnl fig): furt kanas {C}.

delegatie:: (=afvaardiging: groep mensen) lozstjos {C}.

delen::

  1. (=splitsen) sperde {K};
  2. (met anderen iets doen/hebben/denken) jesme {K; gst= jess}; de broer en zus ~ de slaapkamer: ef frera ur sour jesme ef slapelmit; de gemeenten willen hun data met de politie ~: ef zomars jessaves sener datas lef ef pippol;
  3. (rekenkundig) parte {K}; gedeeld door: part {VZ}; zes gedeeld door twee is drie: sers part ten kette dur;
  4. ~ [in] (=verdelen in): jesme [kaf] {K; gst= jess}; eerlijk ~!: jesme-te lef tuffes eits! (vaste frase als je denkt dat de ander een groter stuk voor zichzelf opeist);
  5. ~ in (fig): rovrete armt {U}; in de vreugde ~: ef rovrete armt ef hng.

deler:: (v breuk) parte-nmp {C} (afk= PN).

deleren:: tijplae {K}.

deletie:: tijplaos {C}.

delfstof:: hustatiyn {S}.

Delftsblauw:: (aardewerk) delft-blotter |delf-| {I}.

deling:: (=splitsing) sperdos {C}; (rekenkundig) parte-mtos {C}.

delta:: (rivier) opast {C}, delta {C}; zie ook Delta's in .

delven:: (=opgraven) hustae {K}.

delving:: (=opgraving) hustaos {C}.

Democraat:: Demokrater {C} (in Amerika).

democratie:: demokrao {C}.

democratisch:: demokratise {I}.

democratiseren:: demokratisere |..je| {K}.

democratisering:: demokratiseros {C}.

demonisch:: demonise {I}.

demonstrant:: demonstrerer {C}.

demonstratie:: demonstrao {C}; ~ houden: gsare {U}.

demonstratief:: gsariy {I}.

demonstratieoptocht:: (=betoging) gsaros {C}.

demonstreren:: gsare {U}; ~ voor/tegen: demonstrere fes/mip |..je| {U}.

demontabel:: (=uitneembaar) idemnteren {I}.

demontage:: idemnta |..mnta/..mntA| {C; mv= idemntaes}.

demonteren:: idemntere |..je| {K}.

dempen:: (v water) neyle {K}; (v geluid/kleur/licht) hue {K; gst= hut; vdw= hs}.

den:: (=pijnboom) sparot {C} (L. Pinus); grove ~: presr sparot (L. Pinus sylvestris); zwarte ~: doffiy sparot (L. P- nigra); Corsicaanse ~: Urapas-sparot (L. P- nigra var. maritima); Monterey-~: Crwnn-sparot (L. Pinus radiata).

denderen:: (=dreunen) gedrme {U}; (dreunen: zwaar voorwerp, trein) dryche {U}.

Denemarken:: Denmarko {G}.

Den Haag:: Ef Hagiy {G}.

denkbaar:: ~ zijn (voor te stellen zijn): maste {K}.

denkbeeld:: rmetiyn {SC}; (=idee) moris {C; mv= morises}.

denkbeeldig:: fofel {I}.

denken::

  1. (alg: menen, geloven) miype {K}; ~ aan: miype armt {U}; ~ aan (=overdnken; rekening houden met): miypare {K}; het ~: miypos {A}; (ook: menen) ik denk dat het goed is dat/om ...: gress miype ef quista moris, den ...; blijf je thuis? ik denk van wel: aftu tinde fesrt? siy gress miype; ik denk niet dat hij het gedaan heeft: gress nert miype den do paina ef; (abusievelijk menen) tesse {U}; hij dacht dat het regende (maar dat was niet zo): do tesso, ef bidalelira; ~d aan (=gedachtig): miyparelira {VZ};
  2. (mening hebben) wat denk jij ervan?: tu cnsidere kol?; ga je mee? ja natuurlijk, wat denk je?: vende tu rala? gress cnsiderelira!; ga je mee? natuurlijk niet, wat denk je wel?: vende tu rala? cnsidere tu jazy?;
  3. (sterk afwijzen) ik denk er niet aan om dat te doen (ik ben daar gek om dat te doen): gress pre beri paine ef;
  4. ~ te hebben/zijn: fpe fes {U}; mijn nicht dacht schuld te hebben (schuldig te zijn): kost fla fpa fes ftra; Petriy denkt dat hij bedrogen is (meent bedrogen te zijn): Petriy fpe fes ef cjestovlos;
  5. doen ~ aan: herinneren.

denkwijze:: miype-vrk {SC}.

dennenappel:: (=sparappel) quiff {C}; laag ~s en dennennaalden op de [bos]grond: quiffos {C}.

dennenboleet:: sparot-chnt {C} (L. Boletus pinicola).

dennenmoorder:: (paddenstoel) njore-missis {C; mv= ..-missisa} (L. Heterobasidion annosum).

dennennaald:: vriys {C}, quda {C; mv= qude; rsmv= qudatt}; laag ~en en dennenappels op de [bos]grond: quiffos {C}.

dennenzwavelkop:: gewone ~: sparot-rska-missis {C; mv= ..-missisa} (L. Hypholoma capnoides).

departement:: (=ministerie) deprtemen {C}; ministerie.

departementaal:: (=ministerieel) deprtemena {I}.

dependance:: (elders gevestigd deel ve organisatie) nefhuflif = suhuflif {C}; (v universiteit) suuniversitiy {C}.

deportatie:: (=wegvoering) deportao {C}.

deporteren:: (wegvoeren: ook dieren naar het slachthuis) deportere |..je| {K}; (naar concentratiekamp: bij elkaar drijven en vervolgens uitroeien) zaare {K}.

deposito:: mipkett {C}.

depositogarantiestelsel:: Colsmurf furt ef Mipkett-xmarstos {N} (afk= CMX); .

depot:: (=bewaarplaats) zolle-srt {C}; (=voorraad) tozollos {C}; (onderhouds- en stallingsplaats voor locomotieven) frads-pntel {C}.

deppen:: (=betten) wikare {K}.

depressief:: ~ zijn (in mineur gestemd zijn): ef melde fes ict.

derailleren:: (=ontsporen) skne-mip {U}.

derden:: (zn) durtefs {Cmv}.

derdewereldland:: (onderontwikkeld land) primiark {C}.

deren:: (=schelen); het deert mij niet[s] (het kan mij niet[s] schelen): ef nert uxrtec gress; (vgl) ef nert uxrte gress = het doet mij geen verdriet.

dergelijk:: een ~ (zulk een): tek {OV} (enk-concr); [een] ~ (zulk [een]): sest {OV} (enk-semc/abstr; stoff; mv); ~e koeien hebben ze hier niet: stus nert lelperre sest boerts kusami; een ~e liefde kan ik niet vertrouwen: gress nert trustec sest rovretos; ~e klei is niet vruchtbaar: sest klao nert melde frta; iets ~s (zoiets: enk): fitaju {ZV; gnz= fitacr; rs= fitajje}; taju {SX.vz} (gereduceerde vorm; dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky); op iets ~s: kaf fitaju = kaftaju; een ~ persoon: fitaju rast (vaak geringschattend of nietig); en ~e: ur tiyns lo k (afk= u.t.l.k.); (in opsomming) ur idem tiyns (afk= uit.); iets ~s: sest tiyn.

derhalve::

  1. (bv: =bijgevolg) ltiy {I};
  2. (vz: gevolg) ltiy {VG}; gisteren heeft hij een ongeluk gekregen, en ~ moet hij zijn vakantie uitstellen: do eft moplariy pnze hols, ltiy do miptrekkt sener zirrot.

dermate:: (dusdanig) ~ [dat]: festrgiy [fitfara]; ~ ... dat: fit pert ... fitfara; het schip ligt ~ uit de koers dat de kapitein niet meer weet waar hij is: ef kar sen wencate fit pert kusamat ef qurs, fitfara ef cpytenn tiffe fti r do melde; zodanig.

dermatologie:: dermatoliy {C}.

dermatologisch:: dermatologise {I}.

dermatoloog:: (=huidarts) dermatolche {C}.

dertien:: rsen {TW}; (rekenkundig) main-dur {TW}, rsen {TW}.

dertig:: tenerg-ten {TW} (= 28+2); (rekenkundig) dursa {TW}.

des:: ~ te ...er: vluf ... meldelira |meldelira/melira|; de reis was ~ te fijner omdat de zon scheen: ef tupplip ma melda vluf olla meldelira, ef kbo nlilme; hij werkt nu ~ te meer, omdat hij de noodzaak ervan inziet: do ma rme vluf meldelira, do zerfilme ef perkos; als je de jonge merrie aanspoort, loopt ze ~ te langzamer: fara tu ne ef kapa, eup farte vluf lftquar meldelira; dat is ~ te erger: mittof qugle stt; ~ te beter: rifo ef gulderiy {C}.

desalniettemin:: iftamos {III}.

desbetreffend:: antrn {I}; (=eveneens) igt {I}.

deserteren:: mipoume {K}; (=overlopen) mitast[r]e {U; gst= mitaster}.

deserteur:: mipoumer {C}.

desertie:: mipoumos {C}.

design:: design |Eng. / (spr) desnn| {S/I} (de Spok uitspraak wordt als onverzorgd beschouwd, maar steeds meer gebruikt door mensen uit creatieve beroepen die zelf met design bezig zijn); hier verkopen ze duur ~: kusami stus pbare mikar design; ze heeft een ~jurk aan: eup vende fes eft design rob.

desinfecteren:: idefestasse {K}.

deskundig:: tiffiy {I; [mv=enk]}.

deskundige:: tiffatjen {C}.

deskundigheid:: tiffer {A; mv=enk}.

desnoods:: (zo nodig) nestiyelira {III}.

desondanks:: os mittof = os k; miyr {III} (arch/poe).

dessert:: (=nagerecht) dfer {C}.

destabiliseren:: (vooral fig; bijv ve land) ojabrare {K}.

destijds:: (bw: toen) zfiy {III}; fes ef forte (rs!).

destillatie:: tmpjepsos {C}.

destilleren:: tmpjepse {K}.

detachement:: (soldaten/politie) jelpjiy {C}.

detail:: detll {C}.

detailleren:: ([gedetailleerd] omschrijven) detle {K}.

detaillering:: ([gedetailleerde] omschrijving) detlos {C}.

detective:: (persoon) detekteff {C}; (boek) detekmip {C}.

detector:: detecterr {C}.

determinant:: determinent {C}; (taalk ook) mer {C}.

deugd:: vyrtos {A}.

deugdelijk:: (=solide) nemercel {I}; (=eerzaam) nruvva {I}; (=braaf) vyrtosiy {I}.

deugen:: vyrte {U}; nergens voor ~ (vooral v personen): mercele {E}.

deugniet:: (=bengel) knl {C}; (=schelm) kle {C}, myssa {C}.

deuk:: iyc {C}, iycs {C}.

deuntje:: (alg) stmi {C}; (=volksliedje, volkswijsje) hj {C}; gefloten ~: wrros {C}.

deur:: argerat {C}; (in de voorgevel: voordeur) bascerat {C}, prte {C} (dl= (Tigof/Lomky); (anders dan ve huis of gebouw) fers {SX > c}; (bijv) schuurdeur: kulfers; sluisdeur: sluefers; voor de ~ laten staan (niet binnenlaten): mipmte {K}; het is niet naast de ~: ef t nert zirde naponto; hij woont niet bepaald naast de ~: do jazy nert lzre ef t, zirdelira naponto; dat doet de ~ dicht (dat is het toppunt): ef pylses melde refx; (sprkw) ze kunnen niet door n ~: ps nert kurre beri pae mitai ef monta kaltnn.

deurklopper:: zgtos {C}; clenper {C} (in Spok meestal in de vorm ve roofdier).

deurknop:: (=deurkruk) cn {C}, criacn {C}; (rond: draaibaar) gyre-cn {C}.

deurslot:: grent {C}.

deurwaarder:: korhut {C}.

Deuteronomium:: (bijbel) Duteronomim {N}.

devaluatie:: smurfmonentos {A}.

devalueren:: ef kette smurfmonentiy {I}.

devies:: (=leuze) stint {C}; (=motto/kenspreuk) ldo-avis {C}.

deviezen:: (valuta) la'ycs {Cmv}.

deze::

  1. (aw)
    {AW} concr/semc abstr
    enk mv/stoff nominale afleiding enk mv
    neutraal
    dicht bij
    contextueel
    dena
    lelmo
    mittof
    tem
    lelmos
    mittof[s]
    temiy {Cef; mv=enk}
    lelmoiy {Cef; mv=enk}
    -
    -
    -
    k*
    -
    -
    ks*
    * in Tjemp/Plef wordt mittof[s] ipv k[s] gebruikt
    lelmo..: speek uit: |lemo..|
    (idioom) ~ koe van hem: dena/lelmo groft boert; ~ varkens van ons: lelmos kult knoks; ~ klei van mij: lelmos kost klao; welke appel wil je? ik wil dze graag: tu zecofe folarra geffy? gress zecofe ef lelmoiy; die rode jas daar en ~ gele hier: b mindefit kas ur ef kolai lelmoiy; ~ maand/week: lelmo hertel/mink (maand/week die aan de gang is; in tijdsbepalingen altijd lelmo).
  2. (zv)
    1. (deiktisch: enk) k {ZV; gnp= ker; gnz= kcr; rs= ke}; (Jn wijst op de appel en zegt:) ~ is rot: k melde tval; (Mariy wijst op haar auto en zegt:) de motor ervan ("van ~") is kapot: kcr moter melde tirdus; (ik wijs op mijn zoekende vader en zeg:) zijn jas ("de jas van ~") is weg: ker kas melde tij; (Elsa wijst op de 2 appels en zegt:) wil je dze of d?: aftel tu bladide lelmo k oft b k?;
    2. (deiktisch: mv) lelmos |lemos| {ZV; gnp= lelmoser; gnz= lelmosr; rs= lelmoses}; (ik wijs op de boeken en zeg:) ik ken ~ niet: gress nert tiffe lelmos; (Elsa wijst op de aardbeien en de frambozen en zegt:) wil je dze of d?: aftel tu bladide tem lelmos oft bs lelmos?;
    3. (contextueel: enk) pana {ZV; gnp= paner; gnz= panr; rs= panae}; we hebben een nieuwe auto gekocht; ~ is geel en het dak ervan is groen: kirro eft kleter oto lorerde; pana melde kolai ur panr huf melde mes; in de gang staat een vreemde man te wachten; het gezicht van ~ (diens gezicht) staat me niet aan: fes ef tult eft tnefer merater quelira; paner lomk nert insule gress;
    4. (contextueel: mv) panas {ZV; gnp= panaser; gnz= panasr; rs= panases of panses}; we hebben nieuwe stoelen gekocht; ~ zijn wit en de zittingen ervan ("van ~") zijn geel: kirro kleter ferdusz lorerde; panas melde blakker ur panasr felts melde kolai; in de gang staan twee vreemde mannen te wachten; de gezichten van ~ (diens gezichten) staan me niet aan: fes ef tult ten tnefer meraters quelira; panaser lomks nert insule gress; de kaarsen zijn bijna op; je moet ~/ze doven: ef aks melde pordel tij; tu treskt panases/panses;
    5. (gereduceerde vormen) k {SX.vz}, pann {SX.vz}, pass {SX.vz}, pa {SX.vz} (dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky); op deze, hierop, erop: kafk = kaf k; kafpann = kaf pana; kafpass = kaf panas; kafpa = kaf pana[s].

dezelfde:: zelfde.

dia:: dia {C; rs= diat}.

diabolo:: (voorwerp met de vorm hiervan) mstiy {C}.

diadeem:: (klein kroontje) qulta {C}; (haarband) mir-bent {C}.

diagnose:: diagnoss {C; mv= diagnoses}; (vaststelling ve ziekte) ontaros {A}; ~ stellen: ontare {U}.

diagonaal:: eka-jag {I}.

diaken:: djakiy {C}.

diakritisch:: ~ teken: cvyff {C}; (in Spok de tekens op ).

dialect:: dalet {C}, nefmux = sumux {C}; zie ook Spokanische dialecten in .

dialectiek:: kvmpe-narn {SC}.

dialectisch:: daletiy {I}.

dialectologie:: dialektoliy {C}.

dialoog:: (vrnl fig) kura-reppos {C}.

diamant:: (materiaal) djamantiy {S}; (steen) djamantiyn {C}; van ~ gemaakt; met ~en bezet (diamanten): djamanta {I}.

diamanten:: (van diamant gemaakt; met diamant bezet) djamanta {I}; ~ voorwerp: djamantiyn {C}.

diamantslijper:: djamantiy-tosmatjen {C}.

diameter:: (alg) diametra {C}.

diaprojector:: chiqurstat {C}, diatat {C}.

diarree:: slerros {S}; ~ hebben: slerre {U}.

diatonisch:: diatonise {I}.

dicht:: (niet open) ilba {I}; (op slot) closs {I}, trf {I}; nog ~ (onaangebroken: fles wijn): klah {I}; (bos/haargroei) afriyn {I}; ~ raken ([zich] verdichten: bos/haar): afriynare {U}; ~ bij (=vlak bij: plaats): tar {VZ}; ~ bij de brug: tar ef pnt; (het gebruik v danen als vz wordt niet als correct beschouwd, zoals:) hij woont dichter bij het station dan ik: do zre danen ef garrent dus gress (beter: do zre vluf tar ef garrent dus gress).

dichtbevolkt:: zamprtecc {I}.

dichtbij:: (naastbijgelegen) tar {I; vt= danen; ot= wena}; de brug ~/hier in de buurt: ef tar pnt; zeer ~ (op een steenworp afstand): jumpetece-plks {III}; hij woont dichterbij dan ik: do zre danen dus gress; ik geef de voorkeur aan een dichterbij gelegen kruidenier (meer in de buurt): gress armtju'ecce eft danen kruttater; dichterbij komen (naderen: van een afstand) ilbaje {U; gst= ilbat}; dichterbij komen (naderen: terwijl men/het al in de buurt was): tare {U}; dicht.

dichtbinden:: (alg) binde-ilba {K}; (=dichtknopen) ilbatejne {K}.

dichtbundel:: topoitiyn {C}.

dichtdoen:: (=sluiten) ilbaje {K; gst= ilbat}; (op slot) cjole {K}; (=dichtmaken) klahere {K}; (=dichtdraaien: kraan ed) scvze {K}.

dichtdraaien:: (kraan ed) scvze {K}.

dichten:: (gedichten schrijven) poite {U}.

dichter:: (man die dicht) poit {C}.

dichterbij:: dichtbij.

dichteres:: poita {C}.

dichterlijk:: (=potisch) poitise {I}.

dichtheid:: (bos/haargroei) afriyniy {C}; (bevolking) zusliy {C}.

dichtknopen:: (=dichtbinden) ilbatejne {K}.

dichtkunst:: (pozie) posy {S}; (gerijm) cmltos {C} (pej); wat betreft de ~: posyne {I}.

dichtmaken:: (=sluiten) ilbaje {K; gst= ilbat}; (=afdichten) klahere {K}.

dichtmetselen:: matie-ilba {K}.

dichtregel:: seg {C}.

dichtsneeuwen:: plurre-ilba {U}; in sneeuwrijke gebieden laten de dassen de ingangen van hun burchten ~: fes snst ares ef btjers kirture den sener manestecr fesfiys plurre-ilba.

dichtwerk:: (artistiek) qummertiyn {C}.

dictaat:: clafiy {C}.

dictator:: diktaterr {C}.

dictatoriaal:: diktater {I}.

dictatuur:: diktaturiy {C}.

dictee:: copiy {C}.

die::

  1. (aw)
    {AW} concr/semc abstr
    enk mv/stoff nominale afleiding enk mv
    neutraal
    ver weg
    contextueel
    dena
    b
    mittof
    tem
    bs
    mittof[s]
    temiy {Cef; mv=enk}
    btiy {Cef; mv=enk}
    -
    -
    -
    k*
    -
    -
    ks*
    * in Tjemp/Plef wordt mittof[s] ipv k[s] gebruikt
    (idioom) ~ koe van hem: b groft boert; ~ varkens van ons: bs kult knoks; ~ klei van mij: bs kost klao; welke appel wil je? ik wil d graag: tu zecofe folarra geffy? gress zecofe ef btiy; deze rode jas hier en ~ gele daar: lelmo mindefit kas ur ef kolai btiy.

  2. (zv)
    1. (deiktisch: enk) k {ZV; gnp= ker; gnz= kcr; rs= ke}; (Jn wijst op de appel en zegt:) ~ is rot: k melde tval; (Mariy wijst op haar auto en zegt:) de motor ervan ("van ~") is kapot: kcr moter melde tirdus; (ik wijs op mijn zoekende vader en zeg:) zijn jas ("de jas van ~") is weg: ker kas melde tij; (Elsa wijst op de 2 gebakjes en zegt:) wil je dze of d?: aftel tu bladide lelmo k oft b k?;
    2. (deiktisch: mv) lelmos |lemos| {ZV; gnp= lelmoser; gnz= lelmosr; rs= lelmoses}; (ik wijs op de boeken en zeg:) ik ken ~ niet: gress nert tiffe lelmos; (Elsa wijst op de aardbeien en de frambozen en zegt:) wil je dze of d?: aftel tu bladide tem lelmos oft bs lelmos?;
    3. (contextueel: enk) pana {ZV; gnp= paner; gnz= panr; rs= panae}; we hebben een nieuwe auto gekocht; ~ is geel en het dak ervan is groen: kirro eft kleter oto lorerde; pana melde kolai ur panr huf melde mes; in de gang staat een vreemde man te wachten; het gezicht van ~ (diens gezicht) staat me niet aan: fes ef tult eft tnefer merater quelira; paner lomk nert insule gress;
    4. (contextueel: mv) panas {ZV; gnp= panaser; gnz= panasr; rs= panases of panses}; we hebben nieuwe stoelen gekocht; ~ zijn wit en de zittingen ervan ("van ~") zijn geel: kirro kleter ferdusz lorerde; panas melde blakker ur panasr felts melde kolai; in de gang staan twee vreemde mannen te wachten; de gezichten van ~ (diens gezichten) staan me niet aan: fes ef tult ten tnefer meraters quelira; panaser lomks nert insule gress; de kaarsen zijn bijna op; je moet ~/ze doven: ef aks melde pordel tij; tu treskt panases/panses;
    5. (gereduceerde vormen) k {SX.vz}, pann {SX.vz}, pass {SX.vz}, pa {SX.vz} (dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky); op die, hierop, erop: kafk = kaf k; kafpann = kaf pana; kafpass = kaf panas; kafpa = kaf pana[s].
  3. (bt)
    1. (enk-concr en stoff) t {BT; gnp= tx; gnz= tcr; rs= tt[te]}; ik ben de brief aan het lezen, ~ hij mij gisteren gegeven heeft: gress trempelira ki ef letra, do t kette hols n gress; de vrouw ~ op straat loopt: ef tubs, t farte tehaste; de vrouw, wier zuster op straat loopt: ef tubs, tx sour farte tehaste; de schuur waarvan het dak (welks dak) van riet was, is afgebrand: ef kul buro, tcr zillepip melde rittiy; de kaars ~ ik doof: ef ak, gress treske tt/ttte (rs!); de klei ~ wegspoelt: ef klao, t smlme-tij;
    2. (enk-abstr/semc) sem {BT; gnz= semr; rs= semme}; de ondermijning ~ onvermijdelijk is: ef stros, sem melde rtjulltt; de opmerking waarvan ik het nut (welks nut) niet begrijp: ef rviy, gress nert unere semr hc;
    3. (mv en stoff) mit {BT; gnp= mitex; gnz= mitr; rs= mitte}; de honden ~ blaffen: ef hurts, mit helderte; de ondermijningen ~ onvermijdelijk zijn: ef strosz, mit melde rtjulltt; de koffers ~ we achtergelaten hebben: ef vrkyrs, kirro mitte (rs!) afnole; de klei ~ wegspoelt: ef klao, mit smlme-tij; de mannen wier vrouwen moeten werken: ef meraters, mitex tubsz rms;
    4. (..lira-constructie: kan elk bt vervangen) de koe ~ in de wei graast: ef boert, crazelira fes ef blufk = ef boert, t craze fes ef blufk; de mannen ~ ik niet ken: ef meraters, gress nert tiffelira = ef meraters, gress nert tiffe mit; (..lira-constructie komt direct achter antecedent; bijzin met bt komt achter hoofdzin; als het antecedent van een bt door ki gemarkeerd wordt, wordt de bijzin als inperkend opgevat; een ..lira-constructie heeft meestal een uitbreidende interpretatie); (vgl) hij geeft de wijn ~ hij niet lekker vindt aan mij: do kette ki ef wein n gress, do nert brae mit (de wijn die hij wel lust behoudt hij zelf!); hij geeft de wijn, ~ hij [overigens] niet lekker vindt, aan mij: de kette ef wein, do nert braelira, n gress; (in schr wordt ..lira-constructie soms uit ondergeschikte zin gehaald en als bv voor antecedent geplaatst); (vgl) de jongen, ~ langs de oever loopt, heeft geen broek aan: ef fartelira 'jan lelperre-armt nf bofs, lango ef klarbr = ef 'jan, fartelira lango ef klarbr, lelperre-armt nf bofs.

dieet:: regimiy {C}.

dief:: zaft = zft {C}; (gauwdief) jsa {C}.

diefstal:: zaftakyn {C; mv= zaftakynes}; (het stelen) kuntiyros {C}.

diefstalgevoelig:: kuntiyre-etet {I}.

Diego Garcia:: Diego-Garsiy {G}.

dienaar:: marestjer {C}, kniyatjen {C}; (=knecht) ender {C} (arch).

dienblad:: (=presenteerblad) ler {C}.

dienen:: (bedienen) harbe {K}; ~ als: harbe fara {U}; het dient als voorbeeld: ef harbe fara ovos; ~ voor: luftharbe {K}; furtharbe {K} (arch); (zaak voor de rechtbank) stge {U}; (behoren) je dient je netjes te kleden: tu bekace beri helbe pena.

dienovereenkomstig:: fry ef flclos (afk= /f).

dienst::

  1. (alg) harbos {A}; iemand een ~ bewijzen: ef ove ef harbos n rast; in ~ (werkend op een kantoor, bij een bedrijf ed): fes ef fesperkoos; tot uw ~! (als iemand bedankt voor een bewezen dienst): quista-harbe!; Sociale Dienst: Soala Harbos {N} (gemeentelijke instantie om burgers te helpen bij financile problemen, zoals het niet kunnen betalen v belasting, het saneren v schulden, het aanvragen v uitkeringen ed);
  2. (trein/bus ed) fgtexa {C};
  3. ~ doen; ten ~e staan: ef melde ber morde; in ~ zijn van (huishoudelijk personeel): azje n {U; gst= azjet};
  4. ~ verlenen (voor een bepaalde service zorgen): maqute {U}.

dienstbode:: (=dienstmeisje) harbatjen {C}.

dienster:: (serveerster in restaurant) harbatjena {C; mv= harbatjen}.

dienstijver:: perkastiy {C}.

dienstmeisje:: (=dienstbode) harbatjen {C}.

dienstplicht:: verest-duet {SC} (in Spok in 1922 afgeschaft).

dienstregeling:: fort-ram {C}; (spoorboekje) treno-forts {Cmv}.

dienstverlenend:: ~e sector: maqutos-siyclo {C}.

dienstverlening:: maqutos {A}.

dienstvoertuig:: (jur: brandweer, ambulance, leger, politie, vuilniswagen enz) maqutnolac {C}; zie ook Weggebruikers in .

diep:: zefa {I}; van ... ~ (met een diepte van: maat): rys {VZ}; een zee van 850 m ~: eft z rys 850m; diep||ondiep: merrat {Iid}; .

diepblauw:: (=donkerblauw) zefblotter {I}.

diepgang:: (v schip) merratfartos {C}; (fig: =wezen/binnenste) iyc {SC}.

diepgeworteld:: (fig) zefa-moftosor {I}.

diepte:: (lett: het diep zijn) zefaiy {C; rs= zefate}; (verticale afstand) merraty {C}; een ~ van 400 m: eft merraty rifo 400m; in de ~: zefa zjoba {III}; met een ~ van (maat): rys {VZ}; een zee met een ~ van 850 m: eft z rys 850m; een grote ~: eft plks merraty.

diepvries:: ~[product]: martelcryr {C}.

diepvriesproduct:: martelcryr {C}.

diepzeeduiken:: (als sport) zefa-plnsos {C}.

diepzinnig:: plksmiyp {I}.

dier:: belp |belp/bel| {C}; woest ~: hbrciy {C}; gevild ~: idemutos {C}; opgezet ~: rgitt {S} (spr); ~ met een lange snuit: habrynes {C}; zie ook Dieren in .

dierbaar:: heldentar {I}.

dierenarts:: belp-medikiy |belme..| {C}.

dierenpension:: belp-hotela |belho..| {C}.

Dierenriem:: Zoac {N}.

dierentuin:: zoolmento {C}; zie ook Attracties in .

dierkunde:: (=zologie) zooliy {C}.

dierlijk:: belp'et {I}.

diertje:: belt-belp {C}.

dieselmotor:: diesel |dissel| {C}.

dievegge:: zafta = zfta {C; mv= zaft = zft}.

diezelfde:: zelfde.

diffuus:: (v licht) chall {I}.

difterie:: (=difteritis) jrm-stlos {C}.

difteritis:: (=difterie) jrm-stlos {C}.

diftong:: (tweeklank: in het Spok de en ) tergrr {C}.

diftongeren:: ~ [tot]: diftngere [helkara] |..je| {K}.

diftongering:: diftngao {C}.

digitaal:: digitala {I}; digi {I} (spr); (vaak in samenstellingen:) een digitale cursus: eft digi-curs.

digitaliseren:: digitalisere |..je| {K}.

dij:: (=dijbeen) d {C}.

dijbeen:: d {C}.

dijk:: tex {C}, (=dam) grult {C}.

dik:: kea {I; vk= ztsnp; mt= vibrk}; grelfel {I}; (=lijvig) murk {I}; (v rookwolken) afriyn {I}; (bij afmetingen) tuf {VZ}; de plank is ca. 1,5 cm ~: ef nregt melde pl. tuf 1,5sm; het ~ zijn: keatiy {C}; ~ persoon (dikkerd): knojol {C}; ~ en zweterig persoon: jasug {C} (pej); ~/vies/slordig wijf: rsiy-krgt {C} (pej); dik||dun: ulliy {Iid}; ; afwisselend ~ en dun worden: ulliye {E}; het afwisselend ~ en dun worden: ulliyos {C}.

dikheid:: (=dikte) keatiy {C}.

dikhuidig:: (lett) keamutiy {I}; (fig) ftmutiy {I}.

dikkerd:: (dik persoon) knojol {C}.

dikkopje::

  1. (vlinder) tjerkatjen {C}; groot ~: hupster tjerkatjen (L. Ochlodes venata); klein ~: belt tjerkatjen (L. Thymelicus lineola); geel ~: wuma-tjerkatjen (L. Thymelicus sylvestris);
  2. (vis) trejaniy-gobiy {C} (L. Pomatoschistus minutus).

dikte:: (afmeting) keaiy {C}; (dikheid) keatiy {C}; (het al dan niet dik zijn) uller {C}; met een ~ van (maat): tuf {VZ}; een kabel met een ~ van 1 dm: eft rpiyt tuf 1dm.

dikwijls:: (=vaak) lilt {I}, ment {III}; Lerdu slacht zijn koeien ~ zelf (het is vaak Lerdu die slacht, niet zijn broer): lilt Lerdu vlemte sener boerts quandro; Lerdu slacht ~ zijn koeien zelf (koeien slacht hij vaak, andere dieren niet zo vaak): Lerdu vlemte sener lilt boerts quandro; hoe 6.

dikzak:: (dik persoon) knojol {C}.

dilemma:: (keuze uit twee dingen) indos {A}.

dilettant:: (vrijetijdswetenschapsman) totibner {C}; (vrijetijdskunstenaar) tokrater {C}.

dille:: dila {S} (L. Anethum graveolens).

dimensie:: dimeno {C}.

dimensionaal:: dimenonalo {I}.

dimmen:: (koplampen v auto) hue {K; gst= hut; vdw= hs}.

diner:: (=etentje) lardos {C}; (warm eten) leferaknda {C}; (avondeten) dinelo {C}; aan het ~: fes dinelo; ze zitten aan het ~: ps melde fes dinelo.

dineren:: lejonye {U; gst= lejonyt}.

dinergast:: lejonye-gs {C}.

ding:: (=voorwerp) tiyn {C}, t {C/A}.

dingen:: ~ naar: nzje {K; gst= nss}.

dinsdag:: tratof {Cef} (afk= tt of tr).

diode:: dijode = diode {C}.

diploma:: diplomm {C}; iemand die een [bepaald] ~ behaald heeft (gediplomeerde): diplommer {C}; in bezit van ~ (gediplomeerd): lkartafiyor {I}; in het bezit zijn van een ~ (geslaagd zijn): zamtape {U}.

diplomaat:: diplomato {C}.

diplomate:: diplomata {C; mv= diplomatas}.

diplomatenkoffer:: (plat koffertje voor documenten ed) pryk-sviba {C}.

diplomatie:: diplomao {C}; zie ook Diplomatie in .

diplomatiek:: diplomatiyc {I}.

direct:: (alg: =onmiddellijk) nurpel {I}; (zonder aarzelen/te wachten: =meteen) kafr {III}; (kortste weg: =rechtstreeks) direcc {I}.

directeur:: (=hoofd) prest {C}; (=baas) nurp {C}.

directie:: prest-mg {C}, toprest {C}.

directrice:: (alg: vrw directeur) presta {C}.

dirigeerstokje:: nrzor {C}, elbina {C; mv= elbori}.

dirigent:: nr-lydres {C}.

dirigeren:: (muziek) nr-lyde {K}.

disambigueren:: idembiguere |..je| {K}.

discipline:: (=krijgstucht) fesoaros {A}.

disco:: disko {C}, flerrt {C; mv= regelm.} (pop).

disconto:: discnto {C}.

discotheek:: (dancing) plata-nefr {C}, dane-srt {C}, disko {C} (pop); (verzameling grammofoonplaten of cd's) toplata {C}; zie ook Discotheken in .

discrepantie:: diskrepano {C}.

discriminatie:: diskriminao {C}.

discrimineren:: diskriminere |..je| {K}.

discussie:: diskuo {C}; iets ter ~ stellen: ef obiyre flaju lo diskuo; de ~ voeren: ef rate ef diskuo.

discussiren:: diskutere |..je| {E}; ~ over iets: diskutere rifo flaju.

discuteren:: diskutere |..je| {E}; ~ over iets: diskutere rifo flaju.

display:: (beeldschermpje op elektronisch apparaat ed) vitrynn {C}.

dispuut:: disputt {C}.

dissertatie:: (=proefschrift) prifjiofer {C}, priff {C} (pop).

dissimilatie:: disimilao {SC}.

distantiren:: zich ~ van: xolija-kette {K}.

distel:: pprr {C}; knikkende ~: flecs-pprr (L. Carduus nutans); veeldoornige ~: raes-pprr (L. Carduus acanthoides).

distelvlinder:: pprr-gvrcer {C} (L. Cynthia cardui).

distillaat:: izardos {S}.

distilleerderij:: (=stokerij) strlizardatjen {C}.

distilleren:: (=afscheiden) izarde {K}; (stoken v drank) strlizarde {K}.

distinctie:: (=cachet) polmuh {C}.

distingeren:: jesudle {U; gst= jesutt}.

distribueren:: distribuere |..je| {K}.

distributie:: distribuo {C}.

district:: (provincie in Spok) distrycc {C}; (NIET als Spok administratief gebied) arr {C}; zie ook Districten in .

districtaal:: (betr een Spok district) distrycciy {I} (met nadruk op gebied); distrykalo {I} (met nadruk op bestuur); de lokale en districtale politiek: ef lokalo n distrykalo politiycs (mv: twee soorten politiek).

districtsbestuur:: (bestuur ve Spok district; vgl provinciale staten) lebl {C}.

districtsgouverneur:: (in Spok: hoofd ve districtsbestuur) kjelef {C}.

districtshoofdstad:: (in Spok: de hoofdstad ve distrycc) suhurdog {C}, leblsr {C}.

disyllabisch:: tersylabise {I}.

disyllabisme:: tersylabesmiy {C}.

dit::

  1. (aw)
    {AW} concr/semc abstr
    enk stoff nominale afleiding enk
    neutraal
    dicht bij
    contextueel
    dena
    lelmo
    mittof
    tem
    lelmos
    mittof[s]
    temiy {Cef; mv=enk}
    lelmoiy {Cef; mv=enk}
    -
    -
    -
    k*
    * in Tjemp/Plef wordt mittof ipv k gebruikt
    lelmo..: spreek uit: |lemo..|
    (idioom) ~ varken van hem: lelmo groft knok; ~ zand van mij: lelmos kost pleko; welk gebakje wil je? ik wil dt (dicht bij) graag: tu zecofe folarra belt-omi? gress zecofe ef lelmoiy; dat rode boek daar en ~ gele hier: b mindefit mimpit ur ef kolai lelmoiy; ~ jaar: lelmo zemper (jaar dat aan de gang is; in tijdsbepalingen altijd lelmo).
  2. (zv)
    1. (deiktisch: enk) k {ZV; gnp= ker; gnz= kcr; rs= ke}; (Jn wijst op het boek en zegt:) ~ is nat: k melde oo; (Mariy wijst op haar tas en zegt:) het handvat hiervan ("van ~") is kapot: kcr criakrum melde tirdus; (ik wijs op het zoekende kind en zeg:) zijn jas ("de jas van ~") is weg: ker kas melde tij; (Elsa wijst op de 2 gebakjes en zegt:) wil je dt of dt?: aftel tu bladide lelmo k oft b k?;
    2. (contextueel: enk) pana {ZV; gnp= paner; gnz= panr; rs= panae}; we hebben een nieuw bed gekocht; ~/het is geel en de poten ervan ("van ~") zijn groen: kirro eft kleter slapelsat lorerde; pana melde kolai ur panr lippiones melde mes; in de gang staat een vreemd kind te wachten; het gezicht van ~ (diens gezicht) staat me niet aan: fes ef tult eft tnefer efanty quelira; paner lomk nert insule gress; (kan ook verwijzen naar wat er in gehele zin wordt vermeld) we hebben een nieuwe auto gekocht, en ~ was een moeilijke beslissing: kirro eft kleter oto lorerde, ur pana meldo eft diffiyk faledos;
    3. (gereduceerde vormen) k {SX.vz}, pann {SX.vz}, pa {SX.vz} (dl= Zuid-Liftka/Tigof/Lomky); op dit, hierop, erop: kafk = kaf k; kafpann = kafpa = kaf pana.

ditmaal:: (deze keer) kaf ef wyzenn tim.

dito:: c {I}; idem {I}; rode jassen en ~ tassen: mindefit kasz ur c lks; Elsa kreeg een standje en Jan ~: Elsa eft wriy pnze, ur idem Jn; ik rook een sigaret en hij ~ een pijp: gress uokke eft sigarett ur do idem eft pypa.

ditzelfde:: zelfde.

divan:: divn {C; mv= divna}.

diverse:: (van uiteenlopende aard) divers {II}; (=verschillende) querdoelira {I}.

dividend:: quamp-kanas |..mk..| {C}.

divisie:: (legeronderdeel; ook bij voetbal) strettkanas {C}; Divisie A: A-strettkanas.

Djibouti:: Djibutiy {G}.

Djiboutiaan:: Djibutiyny {Cef}.

Djiboutiaans:: (bv) djibutiy {IIef; mv=enk}; ~e vrouw: Djibutiyna {Cef}.

Dnjepr:: Denper {G}.

do:: (muzieknoot) do {C}.

dobbelen:: ternmerre {U}.

dobbelsteen:: ternen {C}.

dobber:: (drijver v hengel) nulliy {C}; (sprkw) er een harde ~ aan hebben: ef crbo'estre eft zagrampor cm.

dobberen:: (drijven) surdare {U}.

docent:: (op universiteit) kolester {C}; hij is ~ dialectologie: do melde kolester furt dialektoliy.

doch:: (positieve toegeving: =maar) liquist {VG} (arch/poe).

dochter:: sto {C}.

doctor:: (hoogste universitaire titel) prifjiof {C} (afk= Pf.).

doctoraal:: ~ examen: primitiy {A; mv=enk; rs= primite}.

doctorandus:: (in Spok: persoon die het 1e universitaire examen heeft afgelegd) primiter {C}.

document:: (=akte) dokumentos {C; mv= dokuments}; zie ook Documenten in .

documentaire:: (film) csrtiyn {C}.

documentatie:: ~[materiaal]: csr {C}; (vastleggen v feiten) dokumentao {C}.

documentatiemateriaal:: csr {C}.

documenteren:: (van bewijzen voorzien) csre {K}.

documentering:: (het documenteren) csros {A}.

dodaars:: (vogel) mindajrm-flech {C} (L. Tachybaptus ruficollis).

dode:: (dood persoon) (alg) koffoner {C}; (Erg) ideiycor {C}.

dodelijk:: koffoniy {I}.

doden:: tte {K}, (=ombrengen) njore {K}.

doding:: ttos {C}.

doe-het-zelver:: (knutselaar: als hobby) iypiyp {C}.

doek:: (stof) fsto {SX > c; mv= fste; rsmv= fstott}; stevig ~ (tentdoek): xobinifsto {C; mv= xobinifste; rsmv= xobinifstott}.

doekje:: (sprkw) je moet er geen ~s om winden: tu nert rafant den tgtjek melde preiptjek.

doel:: col {C; mv= cle}; (=doelstelling) pijfty {SC}; de bijeenkomst begint om 10 uur, met als ~ om de bewoners te informeren over het project: ef gadros finne kest 10z, lelperrelira ef col den informere ef zreldurs kura ef projecc; tot ~ hebben (moeten): colkette beri {U}.

doelbewust:: (=doortastend) lcoliy {I}.

doeleind:: furtcol {C}; voor wetenschappelijke ~en: furt zintes furtcols.

doelloos:: nste {I}.

doelman:: (keeper) coler {C}.

doelmatig:: (=praktisch) nexlmp {I}; (niet ondoelmatig) nemajek {I}.

doelpaal:: col-kib {C}.

doelstelling:: pijfty {SC}.

doeltekst:: (vertaling vd brontekst) col-tece {C}.

doeltreffend:: nast {I}.

doeltreffendheid:: nastiy {A; mv=enk}.

doelwit:: (lett/fig: =mikpunt) butt {C}.

doen::

  1. (alg) paine {K}, tece {K} (arch); (maken) traje {K; gst= trat} (arch); wat ben je aan het ~?: tu paine kluft?; een belofte ~: ef promise eft painos; ik kan er niets aan ~: gress nert prftec; ik wil daar iets aan ~: gress painavy flaju armt mittof; ik moet de was nog ~: gress paint velk ef toluktos; wanneer doe jij het gras? (bijv maaien): tu paine ef kles hojelka?; het ~ (bezigheid): painos {C};
  2. (werken: apparaat) farte {U}; de radio doet het niet: ef rao nert farte;
  3. opnieuw ~ (herhalen): napaine {K}; dat wat opnieuw gedaan wordt/moet worden: napainos {C}; het opnieuw ~ (herhaling): napainos {A};
  4. (uitvoeren: op voorwaarden/tegen betaling) me {K; gst= mt; vdw= pm};
  5. ~ voor (overhebben voor): paine n {K}; Mariy doet alles voor Petriy: Mariy paine pipar n Petriy;
  6. niets anders ~ dan: aenollafyte beri |we..| {U}; hij doet niets dan lachen (hij lacht alleen maar): do aenollafyte beri obezjere;
  7. ~ alsof (veinzen): clovte [beri/den] {U}; hij deed alsof hij ziek was: do clovto kinur;
  8. er goed (beter/verstandig enz) aan ~ om: ef riffe ef quista (gulder/grg enz) stebe beri;
  9. (aanpakken/aanleggen) ef paine leldelira (= tdw v lelde); hij heeft het heel handig gedaan (aangepakt): do paina leldelira ef lo terat habilem ki;
  10. het is te ~ om ...: ef meldelira n ...; het is [nu] te ~ om het opletten (het is nu opletten geblazen): ef meldelira n ef kaftaros; dat doet er niet toe (dat is geen punt): ef lse tlosiy;
  11. te ~ hebben met (medelijden hebben met): rste armt {U};
  12. (zorgen voor, bewerkstelligen) qugle {K}; de ziekte doet de bomen afsterven: ef kin qugle ef dotaros enn ef vilduls;
  13. in goeden ~ zijn (er warmpjes bijzitten): ef zirde fes eft wvet sat; veel te ~ (druk): rtn {I}; uit zijn ~ (van streek): stugt {I}; wat ertoe doet (wat meetelt; succesvol) lo juftelira; zonder er iets aan te hoeven ~ (automatisch): m/m mrtep {C}.

doende:: (bezig) painelira {I}; niet-~ (zich onthoudend): mipnoftatiy {I}; (sprkw) al ~ leert men: paine riffe belde.

doen-en-laten:: painosz {Amv}.

doezelig:: blriy {I; [mv=enk]}.

dof:: (=mat) verfe {I}; (niet glanzend) scma {I}.

doffer:: (mnl duif) erg {C}.

dog:: (hond) kijjiys {C}.

dogma:: dgma {SC}.

dok:: (voor schepen) dok {C}.

dokter:: (=arts) medikiy {C}.

dokwerker:: dokast {C}.

dol::

  1. (zn: roeipen) tvet {C}.
  2. (bv: =woedend/waanzinnig) lc {I}.

dolen:: (=ronddolen) iple {U}; (lett: =dwalen) ge {U}.

dolfijn:: delfenn {C} (L. Delphinus delphis).

dolk:: delg {C}; (=degen) mast {C}.

dollar:: dollar {C} (afk= DL).

dolmen:: (=hunebed) dlmen {C}.

dom::

  1. (zn: domkerk) domiy {C}.
  2. (bv: =stom/bot) pl {I}; ~ zijn (v persoon): ple {U}; te ~/stom zijn: plleve [beri/den] {U}; (sprkw) hij is te ~ om voor de duvel te dansen: do plleve beri terde tukst ten; (=onnozel) knokiy {I}; ~ kijken (schaapachtig): pyjoe {U; vdw= pyjer}; ~ kijkend persoon: pyjatjen {C}.

domein:: (=landgoed) domenn {C}; (fig: =gebied) bavn {C}, are {C; rs= aret}.

domheid:: (=stomheid) pliy {A; mv=enk}.

domicilie:: (vaste woonplaats) rigt-melde-srt {C} (afk= rms).

dominee:: (=predikant) predikent {C}; (sprkw) daar gaat een ~ voorbij: ef jabr kmpae (wordt gezegd als er in een gesprek een plotselinge stilte valt; verwacht wordt dat iemand dan aanvult met: ... ur melde pstiy = en hij heeft berouw).

domineren::

  1. (de overhand hebben) keserfje {U; gst= keserft}.
  2. (domino spelen) dominomerre {U}.

Dominica:: Dominica {G}.

dominicaan:: (mnl lid v RK kloosterorde) dominicer {C}.

Dominicaan:: (man uit Dominica) Dominicer {Cef}.

Dominicaans:: (bv) dominiciy {IIef; mv=enk}; ~e Republiek: Dominiciy Republic {Gef}; ~e vrouw: Dominicera {Cef; mv= Dominiceras}.

dominicanes:: (vrw lid v RK kloosterorde) dominicera {C; mv= dominicer}.

domino:: (het spelen) domino {C}; ~ spelen (domineren): dominomerre {U}.

dominospel:: (alle stenen bij elkaar) dominomert {C}.

dominospeler:: dominomerr {C}.

dominosteen:: dominotiyn {C}.

domkerk:: domiy {C}.

domkop:: (=uilskuiken) ptug {C}, kokk-nurp {C} (pop).

dommekracht:: (=krik) gyfer {C}.

dompelen:: (onderdompelen) plnsare {K}.

donateur:: donaterr {C}.

donatie:: donao {C}.

Donau:: Dona {G}.

donder:: (geraas: onweer) bnk {C}; daar kun je ~ op zeggen: tu chaquintec ef tjftra furt ef.

donderbui:: cyrdrutt {C}.

donderdag:: donatof {Cef} (afk= dt of don).

donderen:: (onweren) cyrdrutte {U}; (=razen: hard v trap vallen ed) rulte {U}.

donderslag:: bmpo {C}; als een ~ bij heldere hemel: eft reff mip eft nelador quut.

donjon:: (grootste toren ve kasteel) dvern {C}.

donk:: (zandheuvel in moeras) andol {C}.

donker::

  1. (kleur/weer ed) zutter {I}; ~ worden (kleur: verschieten): zutterare {U}; het wordt ~ (de zon gaat onder): ef pnze zutter;
  2. (duister: geen licht) lammefiy {I; [mv=enk]}; dok[er] {I} (arch/dl= Zuid-Berref); ~ worden (avond worden): zutte {U}; zeer ~ (zeer duister): finstra {I}; in het ~: fes finstraiy; na ~ thuiskomen: txare {U}; plotseling vanuit het ~ in het licht tredend (alg): tolcrs {I}; de overvallers springen uit het ~ te voorschijn en slaan de bankloper neer: ef kafbyters arfine tolcrs ur knte ef benc-yrgt; de trein reed plotseling/snel de ~e tunnel uit: ef treno ufiro cupp ef tolcrs plkom; de zon schijnt telkens met kracht tussen de ~e wolkenpartijen door: ef kbo nle tolcrs;
  3. (duister: in een afgesloten ruimte, terwijl het erbuiten licht is) lmiy {I; [mv=enk]} (dl= Centraal-Liftka); de dief verschool zich in de ~e kast (dit impliceert dat de kamer waarin deze kast zich bevindt, NIET donker is): ef zft sen tynao fes ef lmiy feldariy;
  4. donker||licht: nso {Iid}; .

donkerblauw:: (=diepblauw) zefblotter {I}; (dikwijls tegen het zwarte aan) nyda {PX.c > c}.

donkergeel:: (oker: zoals van Spok wegwijzers) horerus {I}; (bruin/okerkleurig) mitra {PX.c > c}.

donkergekleurd:: (vrnl v mensen) zutter-marsiy {I}.

donkergroen:: qundy {PX.c > c} (arch/poe).

donkerrood:: kursuus-qundy- {PX} (arch/poe); haar donkerrode lippen: belt kursuus-qundy-tre.

donor:: (iemand die orgaan, weefsel ed afstaat) doner {C}; voor de Wet op orgaandonatie, zie .

dons:: (donshaar[tjes]) nygg {S}; (fijne veren) dydiy {S}.

donshaar:: nygg {S}.

donsvlinder:: ifer wola-flyddere {C} (L. Euproctis similis).

donut:: (rond baksel (zoet brood) met een gat erin) donut {C}.

donzig:: nyga {I}.

dood::

  1. (zn) koffona {SC}; (ve vrouw, tijdens de geboorte van haar eerste kind) merunu-koffona {SC}; heldhaftige ~ (op slagveld): lemrn {C};
  2. (bv) koffon {I}; bijna ~ (veeg): fegg {I}; ~ persoon (alg: dode): koffoner {C}; (Erg: dode): ideiycor {C}; dode bloem/plant/boom (alles wat ~ is, behalve een mens): ficc {C}; hij was op slag ~: do pnzo koffon m miypos; ~ zijn (de pijp uit zijn; iro): ef njebope[lira] blef ef gp; ik mag ~ vallen (mijn kop eraf) als het waar is: gress wufe ef fl, fara ef trufe; ~ aan de dictator!: koffon n diktaterr!.

dooddoener:: (nietszeggend argument) fartos-cor {C}.

doodgaan:: (=sterven) sterde {E}.

doodgraver:: (beroep) koffonater {C}, terrafanatjen {C}; (kever) [gewone] ~: terrafaner {C} (L. Nicrophorus vespilloides).

doodkist:: cista {C}, frolot {C}.

doodlopen:: (weg) sterdare {U}; ~d straatje: toterf {C}; ~de weg: sterdaros {C}.

doodlopend:: ~ straatje (slop): toterf {C}; ~e weg: sterdaros {C}.

doodmoe:: zirde-hmba {I}.

doods:: koffoner {I}.

doodsangst:: tigorus {C}.

doodschamen:: zich ~: ef iyrke lo eft gl ucha'occ.

doodschieten:: lemrne {K}; (=afschieten: v dier) reve {Krs}.

doodshoofd:: ippoka {Crs}.

doodshoofdvlinder:: Neefts-flyddere {C} (L. Acherontia atropos).

doodslaan:: byte {Krs}; ze heeft de kat doodgeslagen: eup byto ef chatte (rs!).

doodstil:: ryje-lirdef {I}; het is ~: stus gissec ef fedres.

doodstraf:: poirtjel {C}.

doof:: deff {I}, rygdiy {I; [mv=enk]}; (gezien als gebrek) pnutiy {I}; Oost-Indisch ~: torygdiy {I; [mv=enk]}; ~ persoon: deffer {C}; kwartel.

doofheid:: deffiy {C}.

doofpot:: iets in de ~ stoppen: ef terrafane flaju [nos] lef ef cista.

doofstom:: zlabideff {I}.

dooi:: tjos {S}.

dooien:: (weer) tje {U; gst= tt}.

dooier:: jx {C}.

doolhof:: ipl {C}.

doop:: (alg) nii {C; rs= nitt}; (RK) bptos {C}; (Erg: ve pasgeboren kind) quiyrts {C}; (Erg: ritueel waarbij baby/kleuter in Erg-kerk aangenomen/gedoopt wordt) kadyr {C}, tokadyr {C}.

doopakte:: nii-kornin {C; mv= ..-kartafiy}.

doopsgezind:: menonitise {I}.

doopvont:: (alg) nii-alstrah {C}; (Erg: wijvont) spony {C}; (Erg: marmeren schaal met mp waarin de te dopen baby gedompeld wordt) ciyter {C}.

door::

  1. (plaats/beweging binnen grenzen) mitai {VZ}; de ijzeren stang zit ~ de muur [heen]: ef zeff melde mitai ef krur; hij loopt ~ het bos: do farte mitai ef fresta (hij komt dus niet buiten het bos);
  2. (richting) mitai {VZrs}; dwars ~ [heen]: fesducupp {VZ}; de kogels dringen ~ de muur [heen]: ef xlegs forse mitai ef krurre (rs!); de kogel gaat dwars ~ de muur: ef xleg vende fesducupp ef krur;
  3. ~ ... heen (gedurende: tijd): langiy {VZ}; ~ de eeuwen heen: langiy ef prs;
  4. ~ [middel van] (met behulp van: vooral v werktuigen): na {VZ}; je kan de spijker niet ~ middel van die schroevendraaier inslaan: tu nert rasec ef nacry na dena fiys-gros;
  5. (markeert subj in passieve zin) pai |pa| {VZ/DT}; het gras wordt ~ Mx gemaaid: ef kles mojelije pai Mx; aan Elsa wordt ~ mij het boek gegeven: Elsa kettelit pai gress enn ef mimpit; (geeft maker/schepper v [kunst]werk aan) een boek ~ (van) Kers Lans: eft mimpit pai Kers Lans; een boot ~ (van) mijn vader (= door mijn vader gebouwd): eft kar pai kost follus;
  6. (vanwege: aanstichter) pai |pa| {VZ}; de huizen worden verpletterd ~ de aardverschuiving: ef srts strite pai ef pazzotujen; het kind is ziek ~/vanwege een verkoudheid: ef efanty kinure pai eft marteltiy; de appelbomen zijn doodgegaan ~ de vorst: ef togeffys doto pai ef vrust;
  7. ~ (als men) ..., [dan] zal men ...: trijelira (= tdw v trije; geeft speciale constructie: zn komt vr trijelira, een ww erachter; de erop volgende bijzin in de toekomende tijd); ~ het samen te vatten, zal het duidelijker worden: nosos trijelira, ef di pnzu raag; ~ met de auto te gaan, zul je er eerder zijn: trijelira vende tjg ef oto, tu di meanu wnta;
  8. ~ middel van (met behulp van): wrtlacc {VZ}; straf kan vermeden worden ~ de boete op tijd te betalen: blul kurre beri albelije ef tjel, wrtlacc ef kaftos enn ef xyfolos fes fort;
  9. (tengevolge van) l {VZ}; ~ de tocht heeft ze een verkoudheid opgelopen: eup marteltiy mippre l ef pntos.

doorbladeren:: prace-fes {K; gst= pract-fes}.

doorboren:: (doorbren: door muur ed) bore-fesdu {K}; (oorlel/neusvleugel) fne {K}.

doorboring:: boros-fesdu {C}.

doorbraak:: (lett/fig: het doorbreken) flastos {C}.

doorbreken::

  1. (doorbrken: hindernis) idelimite {K}.
  2. (drbreken: dijk/zon/tand) flaste {E}; het ~ (lett/fig: doorbraak): flastos {C}; het plotseling ~ van de zon door een zwaar wolkendek: ef kbo-tolcrs {Aef}.

doorbreking:: (doorbrking: v hindernis) idelimitos {C}.

doorbrengen:: (tijd) kafmese {K; gst= kafmest}; het ~: kafmesos {C}.

doorbuigen:: (doorzakken: plank/vloer) nlfe {U}.

doordacht:: goed ~: lkibiraror {I}.

doordat::

  1. (daar/aangezien: oorzaak) janof {VG}; de straten zijn glad, ~ het gevroren heeft: ef mirras melde glal, janof ef cryra;
  2. (omdat/aangezien: reden/oorzaak) ma {DT}, lifrostiy {VG} (schr); de auto slipte ~ de straten nat waren: ef oto ma sliyso, ef mirras ooilme; (expliciete uitdrukking v "rede" met basoiy {I}) de straten zijn nat ~ het regent: ef mirras ma melde basoiym oo, ef bidalilme;
  3. ~ niet (reden/oorzaak): og {VG}, mn[iy] {DT}; de oogsten zijn schraal, ~ het geruime tijd niet geregend heeft: ef ialefs melde jejn, og ef bidala nzja-fort = ef ialefs mn[iy] melde jejn, ef bidalilme nzja-fort.

doordenken:: (doordnken) lkibirare {K}.

doordeweeks:: (=daags/gewoon) toftiy {I}.

doordraaier:: (=losbol) ta'oler {C}.

doordrammen:: (blijven aandringen) keldare {U}.

doordraven:: (fig: zonder na te denken doorredeneren) huffe-fes {U}.

doordrijven:: (mening/wil) dres-splnje {K; gst= ..-splnt}; het ~ (mening/wil): dres-splnjos {C}; (fig) forsere |..je| {K}; het ~: forseros {A}.

doordrijving:: (het doordrijven: mening/wil) dres-splnjos {C}.

doordringen::

  1. (doordrngen: overtuigen) klostege {K}.
  2. (drdringen: dringen door: water ed) fesklte {K}.

doordringend:: (doordrngend) fesklt {I}.

doordringing::

  1. (doordrnging: overtuiging) klostegos {A}.
  2. (drdringing) feskltos {C}.

doordrongen:: ~/bezwangerd zijn met (vocht/stank/slechte eigenschappen ed): hsiopente {K}.

doordrukken:: (v eigen beleid; besluitvorming vertragen) ychfte {U} (zoals ambtenaren doen om de burger te tonen wie er de baas is).

doorgaan:: (niet afgezegd worden: afspraak ed) wencate {Upr}; ~ met: zlte lef {U}; ~ met (vervolgen): colafese {K}; ~ voor (gehouden worden voor): mitaamifftre {K}; ~ voor (tellen als): jufte {K}; ..., en ga zo maar door (enzovoort): ..., ur zlte lef ef.

doorgaand:: ~ verkeer: colafkfs {C}.

doorgang::

  1. (lett) paos {C}; nauwe ~ (=engte): slit {C}; onbelemmerde ~ verlenen aan: tuie n {U; gst= tuit};
  2. (=voortgang) colafesos {C}; ~ hebben (plaatsvinden): crchof'te {U; gst= crchoft}; het ~ hebben: crchof'tos {C}.

doorgave:: wymos {C}.

doorgeven:: wyme {K}.

doorgewinterd:: gffor {I}.

doorgronden:: (=doorzn) mitazerfe {K}.

doorgronding:: (het doorzn) mitazerfos {A}.

doorhalen:: (=doorstrepen) lnte-mip {K}; (met slechts n lijn) lntare {K}.

doorhaling:: (=doorschrapping) lntos-mip {C}.

doorhebben:: (doorgronden) mitazerfe {K}; ik heb hem wel door: gress mitazerfe do jazy.

doorheen:: dyja {III}.

doorkijken:: vluchtig ~ (=overzien): tozerfe {K}.

doorkrijgen:: (beginnen te begrijpen) ef finne beri hagare.

doorkruisen:: (lett: land) krose-fes {K}; (=dwarsbomen) tygtjaflectre {K; gst= tygtjafelec; wst= tygtjaflect}.

doorkruising:: (land) krosos-fes {C}.

doorlaten:: vocht ~ (lekken): lece {U}.

doorlichten:: (met rntgenstralen) dyjastrle {K}.

doorlichting:: (met rntgenstralen) dyjastrlos {C}.

doorlopen::

  1. (doorlpen: =afleggen: lett/fig) fartirare {K}.
  2. (drlopen: =doorgaan, zich vervolgen) colafese {Upr}; de motor blijft ~: ef moter sen colafese; het pad loopt door in de tuin van de buren: ef pt sen colafese fes ef arbe rifo ef ksanuters; (vgl) het pad loopt door de tuin: ef pt vende mitai ef arbe.

doorlopend:: (aanhoudend/constant) fartzjet {I}; (onophoudelijk) jren {I}.

doorluchtigheid:: Hare Doorluchtigheid X-Y (aanspreektitel hertogin; als adellijke titel): Vereslytta X-Y (afk= Vsa.); Zijne Doorluchtigheid X-Y (aanspreektitel hertog; als adellijke titel): Vereslytt X-Y (afk= Vs.).

doormaken:: hale {K}.

doormidden:: (in tween) ttsa {III}.

doormiddengescheurd:: ttsa-piylas {vdw}.

doormiddenscheuren:: piylase-ttsa {K; vdw= ttsa-piylas}.

doorn:: (=stekel) qurt {C}; vol ~en (doornig): qurtt {I}; een ~ in het oog: (alg) eft lart mynall; (bijbel) eft qurt fes eit.

doornat:: (=drijfnat) munt-oo {I}, flmpoo {I}.

doornemen:: (kritisch bekijken: tekst/oefening ed) zzje {K; gst= zss}.

doornhaai:: qurt-haje {C} (L. Squalus acanthias).

doornig:: (=stekelig) qurtt {I}.

doornstruik:: (struik met naalden, zoals jeneverbes, rozenstruik ed) toqurt {C}.

doornzaad:: knopig ~: holfe fyg-lelder {C} (L. Torilis nodosa).

doorreis:: colafese-tupplip {C}; hij is op ~: do vende lef colafese-tupplip.

doorrijden:: (verder rijden) mufire {U}; het ~: mufiros {C}.

doorschemeren:: (lett) rene-fes {U}; iets laten ~: ef kette ef toyrqulos armt flaju {A}.

doorschijnend:: (lett/fig: =transparant) lent {I}.

doorschrappen:: (=doorhalen) lnte-mip {K}.

doorschrapping:: (=doorhaling) lntos-mip {C}.

doorslaand:: (succes) klata {I}, qurtiy {I}.

doorslag:: (kopie met carbonpapier) zjol-copiy {C}; de ~ geven: ef qugle ef njamos {C}.

doorsmeerbeurt:: (doorsmering: auto) oolos {C}.

doorsmeren:: (auto) oole {K}.

doorsmering:: (doorsmeerbeurt: auto) oolos {C}.

doorsnede:: dyjaba'efros {C}.

doorsnee:: dyjaba'efros {C}; (gemiddeld) miytj {I}; een ~-Amerikaan: eft miytj-Amero; een ~gezin: eft miytj-familij.

doorsnee:: doorsnee.

doorsnijden:: (doorsnjden) fesfme {K}; de spoorlijn doorsnijdt de vlakte: ef arnka fesfme ef jakm.

doorspekken:: ~ met (fig: larderen met): fesveve tjg {K}.

doorspoelen:: (=doortrekken: toilet) smlme {K}; het ~ (spoeling): smlmos {C}.

doorstaan:: (=verduren/verdragen) kurahendre {K; gst= kurahender}; (=ondergaan) kuratine {K} (lijden en te boven komen); te ~/verduren hebben, moeten ~/verduren: kurahendrare {K}; het ~: kurahendros {A}.

doorsteken:: gaye-armt {K}.

doorstrepen:: (=doorhalen) lnte-mip {K}; (met slechts n lijn) lntare {K}.

doorstromen:: (verkeer) sompe {K}.

doorstroming:: (drstroming) sompos {C}; (woningen) flgos {A}.

doortastend:: (persoon) hendrelira {I}, fatiy {I}; (doelbewust) lcoliy {I}; doortastend zijn||weifelen: pre {Uid}; .

doortocht:: arvendos-fes {C}.

doortrapt:: armtmqu {I}.

doortrekken:: (door streek) arvende-fes {K}; (leiding/weg) mintepote {K}; (=doorspoelen: toilet) smlme {K}.

doorvoer:: (v buis/leiding) gays {C}.

doorvoeren:: (drvoeren: goederen) luftgabane {K}; (geldig maken) kaflaane {K}.

doorvoering:: (drvoering: goederen) luftgabanos {C}.

doorwaadbaar:: doorwaadbare plaats (in beek/rivier): grl {C}, (diep: voor paarden, vee of jeeps ed): krntsa {C}.

doorwaden:: grle {K}; met een paard een rivier/beek ~: krntse {U}.

doorwading:: (v ondiep water) grlos {C}.

doorweekt:: luktiy {I}.

doorwerken:: (verder werken) rme tyr {U}.

doorzakken:: (doorbuigen: plank/vloer) nlfe {U}; (veel drinken) kalibatse {E}; (boemelen in de kroeg) ef ufirare eft koffon blof; (aan de zwier zijn) ef farte fes ta'olos.

doorzeefd:: (met kogels) nfciy {I}.

doorzenden:: armtzlbinase |andzl..| {K}.

doorzetten:: (=volhouden) fesmikkele {K}, mtrfe {E}.

doorzetter:: (iemand met pit) damaef {C}.

doorzetting:: (=volharding) fesmikkelos {A}, mtrfos {A}.

doorzeven:: (doorzven) fnare {K}.

doorzicht:: zerfos-fes {A}.

doorzichtig:: (lett: =transparant) dyjazerfiy {I}; (lett/fig) lent {I}.

doorzien::

  1. (doorzn: doorgronden) mitazerfe {K}; het ~ (doorgronding): mitazerfos {A}.
  2. (drzien: vluchtig bekijken) lzerfare {K}.

doorzoeken:: (doorzken) lgvrcare {K}.

doorzoeking:: (doorzking) lgvrcaros {C}.

doos:: (v karton) fjatn {C}; (krat/kist) quola {C; mv= quole; rs= quolatt}; (=bak) tr {C}.

doosje:: bx |ks| (bks) {C}; ~ lucifers: flecsrot-bx; lucifers~: flecsrotlot {C}.

dop:: (peul/schil) plf {C}; (stop: om fles/bad af te sluiten) yg {C; mv= iygt}.

dope:: sportman die illegaal ~ gebruikt: priss-zaft = priss-zft {C}.

dopen:: (in vloeistof) nbe {K}; iemand ~: ef qugle ef nii n rast; (RK) bpte {K}; ~ als: bpte fara {K} (naam geven: schip ed).

doperwt:: (n erwt) ereviniyn {C}; ~en: erevin {S}.

dopheide:: gewone ~: dyfmliy {S} (L. Erica tetralix).

dor:: r {I}; (=verdord) lt {I}.

Dordogne:: (rivier) Dordogne |drdonn| {G}.

dorp:: zeces {C}; (in de bergen) bergosr {C}; gehucht; zie ook Dorpen in .

dorpeling:: (=dorpsbewoner) zeceser {C}.

dorpsbewoner:: (=dorpeling) zeceser {C}.

dorpshoofd:: zeces-ziyter {C} (in Spok: hoofd vd dorpsraad).

dorpsomroeper:: (ook aanzegger) rlvs {C}.

dorpsraad: zeces-mg {C} (in Spok: bestuur in een dorp dat verantwoording aan de gemeenteraad schuldig is).

dorsen:: treske {K}; het ~: treskos {C}.

dorsing:: (het dorsen) treskos {C}.

dorsmachine:: (mangel) mnal {C}.

dorst:: ~ hebben: ef perke pliyfonelira (= tdw v pliyfone); ~ lessen: parinne luft {U}; het bronwater lest mijn ~: ef jatty parinne luft gress; ~ en/of honger: verstl {C}; ~ en honger hebben: verstle {U}.

dorstig:: pliyf {II}; zeer hongerig en ~: blof-verstl {I}.

dorstlessend:: parinn {I}.

dorsvloer:: treskoss {C}.

doseren:: (lett/fig: zekere dosis bepalen/geven) dose-qurte {K}.

dosis:: dose {C}.

dossier:: (bundel geschriften die op n zaak betrekking hebben) clobjiytafiy {C}; (in tijdschrift of krant: lang artikel dat gebaseerd is op veel research, of reeks langere artikelen over n bepaald onderwerp) k-stors {C; mv= k-storsa}.

dot:: (=toef/pluk: slagroom/watten/haar): bis {C}.

dotterbloem:: yvall {C} (L. Caltha palustris).

douane:: (tol) ann {C}; zie ook Douane in .

douanebeambte:: anner {C}.

douanebepaling:: ~en: ann-xuriymos {Cenk}; zie ook Douanebepalingen in .

douanedepot:: ann-zollos {C}.

douanekantoor:: annsrt {C}.

douche:: sg {C}; een ~ nemen: sg-wike {E}.

douchen:: (een douche nemen) sg-wike {E}.

Douglasspar:: jabr-le {C} (L. Pseudotsuga menziesii).

dove:: (doof persoon) deffer {C}.

doven:: (licht/kaars ed) (intrans: =uitgaan) treske {Upr}; (trans: =uitdoen) treske {Krs}; het ~: treskos {C}.

dovenetel:: grfyni-notte {C} (L. Lamium); gele ~: kolai grfyni-notte (L. L- galeobdolon); paarse ~: brr grfyni-notte (L. L- purpureum); witte ~: blakker grfyni-notte (L. L- album).

doving:: (het doven) treskos {C}.

downloaden:: corlade {K}.

dozijn:: (12 stuks) terhent {TW}; een ~ (12) eieren: terhent tustus (mv!); (=twaalf) tesen {TW}.

draad:: (garen: dun): riyne {S}, miyns {Cef}; (metaaldraad) drat {C}; (snoer/kabel: elektrisch) patio {C; rs= patie}; van dun ~ gemaakt (geweven): miyns {I}; (fig) tegen de ~ zijn (recalcitrant/onwillig zijn): tygtjare {U}; iemand die tegen de ~ is: kfpainer {C}.

draadloos:: idepatior {I}.

draadnagel:: (=spijker) nacry {C}.

draagbaar::

  1. (zn: =brancard) tins {C}.
  2. (bv: te dragen) tinatt {I}.

draagkrachtig:: ~/welgesteld persoon (juridisch: die geen leningen hoeft te sluiten of afhankelijk is v uitkeringen of andere financile hulp): quandrokafter {C}.

draaglijk:: (te verdragen) reopat {I}; ~ zijn: reopatre {K; gst= reopatt}; (tamelijk goed) quister {I}.

draagvermogen:: dres-tin {C}.

draagwijdte:: (lett/fig) dres-lfs {C}.

draai:: (lett: wending) gros {C}; draai: gre {PX}.

draaibank:: gre-vosite {C}.

draaiboek:: vlazze-mimpit {C} (ook mbt te voeren beleid); feste-mimpit {C} (pop).

draaibrug:: gre-grt {C}, gre-pnt {C}.

draaideur:: grerat {C}, gre-argerat {C}.

draaien:: gre {K/U; gst= gret}; anders ~ (verdraaien): grere {K}; (v watermolenrad) mje {U; gst= mt}; (lopen: motor) poire {U}; (muziek, cd) merre {K}.

draaierig:: (=duizelig) tjerp {I}; ~ zijn: tjerpe {U}; ef lelperre miyrsz fes sener brenk (pop).

draaikolk:: (lett) m'uss {C; mv= m'usta}; (lett/fig) knurfel-gros {C}.

draaiorgel:: greorgan {C}.

draaischijf:: (grammofoon) plata-disc {C}; (kiesschijf: telefoon) hor-disc {C}; (om locomotieven te keren) rngere-disc |..je-| {C}.

draak:: (=monster) draca {C}, rumtra {C}; de ~ steken met (bespotten): rmpnre {K}; de ~ steken met (gekscheren met): vnieste {K}.

drab:: (bruinige drab in asbak) kvmp {S} (in Spok zijn asbakken met wat [geparfumeerd] water gevuld, zodat de as- en tabaksresten veranderen in drab).

drachtig:: (zwanger: alg v dieren) klytjef {I}; (ihb v vee) l {I}; ~ dier: ft {C}.

draf:: (gedraaf) huffos {C}; in ~ gaan (draven): huffe {U}.

dragen::

  1. (alg) tine {K}; het ~: tinos {C}; te ~ (bv: draagbaar): tinatt {I};
  2. (aanhebben: kleren) lelperre-armt {K}, imetere {K} (dl= Centraal-Berref); (v officile kleding, uniform) tine {K}; de vrouwen droegen een gebloemde jurk: ef mosjeusz goe huronst robs lelperre-armt; de monniken droegen een grijze pij: ef bre goe grist kerlys tine;
  3. (op-/omhebben: hoofddeksel, sjaal ed) donne {K};
  4. (op charmante wijze: [sierlijke] kleding) bloe {K}.

dragend:: (lett: ondersteunend) moi {I}.

drager:: (iemand die beroepshalve dingen draagt) tinatjen {C}.

dragline:: (graafmachine) pazzodelper {Crs}.

dragon:: (kruid) targn {C/S} (L. Artemisia dracunculus).

draineren:: (droogleggen) alycre {K; gst= alycer}.

dralen:: (=talmen) crajyve {U}; zonder ~ (ogenblikkelijk): m slapos-mip.

drama:: (in theater) dramm {C}; (droevig gebeuren) pr'uta {C}.

dramatisch:: (vrnl fig) dramatise {I}.

drang:: (fig) forsos {A}, prfos {A}; ~ uitoefenen (drijven): prfe {K}.

drank:: (alg) pliyfonis {C; mv= pliyfonisa}; sterke/alcoholische ~: spiryt {S}, styss {S} (pop); ~[je] (medisch en/of alcoholisch): ny {C}.

drankje:: (medisch en/of alcoholisch) ny {C}.

drankmisbruik:: spirytos {C}.

drankwinkel:: (=slijterij) spiryt-misan {C}.

draperie:: (=sierkleed) tejnfsto {C; mv= tejnfste; rsmv= tejnfstott}.

drassig:: nealycror {I}, drsiy {I; [mv=enk]}, drgt {I}; ~e bodem (met gras begroeid): zvmp {S}.

drastisch:: tnessteriy {I}.

draven:: (snel lopen; minder snel dan frajjaare) frajjae {U}; (in draf gaan) huffe {U}.

dravik:: (grassoort) broms {S} (L. Bromus); ruwe ~: hups broms (L. B- ramosus); zachte ~: wvet broms (L. B- mollis).

dreg:: voqug {C}.

dreggen:: (met een dreg in het water zoeken) voqug-fisae {U}.

dreigbrief:: mkestafiy {C}.

dreigement:: (=dreiging) mkestos {A}; (v persoon tot persoon) loyos {C}.

dreigen:: mkeste {K}; mkeste [beri] {Upr}; ~ [met] (v persoon tot persoon): loye [lef] {K}; ze ~ hem met geweld: ps mkeste do lef ef ymazers; er dreigt gevaar: ef kviksi sen mkeste; de boom dreigt om te vallen: ef vildul sen mkeste beri tassare.

dreigend:: qur {I}.

dreiging:: (iets wat dreigend is/dreigt te gebeuren) quriy {A; mv=enk}; (=dreigement) mkestos {A}.

drempel:: stupp {C}; hoge ~: prart {C}.

drenkeling:: (persoon die aan het verdrinken is) afer {Crs; mv/rsmv= afers}; (reeds verdronken persoon) aferr {Crs; mv/rsmv= aferses}.

drenken:: (te drinken geven: vrnl v paarden) cetrence {K; vdw= cetrent}.

drentelen:: drentule {U}.

drenzen:: (=jengelen; huilerig om iets dwingen) kviyle {U}.

dresseren:: (=drillen) pilfse {K}; (streng drillen) fesaxe {K}.

dressoir:: (meubel) dressiy {C; rs= dresste}.

dressuur:: pilfsos {C}; strenge ~ (drilling): fesaxos {C}.

dreumes:: (=peuter) g {C}.

dreun:: (=smak) smk {C}, spf {C}, crup {C}; (daverende klap) gedrmta {C}; (eentonig geluid) rmme {S}; (=opdonder) dfa {C}, tret {C} (dl= Ales); iemand een ~ verkopen: dfa-kette rast {K}, trete rast {K} (dl= Ales).

dreunen:: crubune {U}; (denderen) gedrme {U}; (denderen: trein/zwaar voorwerp) dryche {U}.

dribbelen:: (lopen met kleine vlugge pasjes) ptse {U}.

drie:: dur {TW}; zij ~n, met hun ~n, alle ~: dursas {ZV; rs= dursat; gnp= dursaser; gnz= dursasr}; jullie ~n: dur tu (om expliciet aan te geven dat tu meervoudig is); wij [met zijn] ~n: kirro dursas; met ons ~n: lef kirro dursas; (sprkw) alle goede dingen bestaan in ~n: ef dur kolinis riffe eft rnter.

drieblad:: durlofa {C}.

driedelig:: dur-kanasiy {I}.

driedimensionaal:: dur-dimenonalo {I}; (3D) DD {I}, 3D {I}; 3D-printer: DD-kabier {C}, 3D-kabier {C}.

driedistel:: blof-pprr {C} (L. Carlina vulgaris).

drie-eenheid:: trisgo {C} (Erg: gesymboliseerd door geesten (=bedreiging), paddenstoelen (=beschermende krachten) en vogelnesten (=bescherming, afweer tegen de bedreiging)).

drienzeventig:: tenrn-r {TW} (=72+1); (rekenkundig) hefergsa-dur {TW}.

driegangendiner:: dur-kerna-dinelo {C}.

driehoek:: durlaf {C}.

driekleurig:: (met drie kleuren) dur-marsiy {I}.

drieling:: duranty {C}.

drienerfmuur:: durnerfiy-miyr {C/S} (L. Moehringia trinervia).

driepersoonsfiets:: (tandem met drie zadels achter elkaar) triogre {C}.

driesprong:: (v wegen) terlaf {C}.

drieteenmeeuw:: hamiy-vlp {C} (L. Rissa tridactyla).

drievoud:: durtimiy {C}; in ~ (met 2 kopien): ten-kanasiy {I}.

driewegwissel:: durloiniy-noftate-rels {C}.

drift:: (=stroming) svm {C}; op ~ geraken: ef rpune fes svm; (=hartstocht) zel {Aef}; (=woede) korsta {Aef}.

driftig:: (=woedend) korsta {I}; (=opvliegend) wstiy {I}; aangebonden.

drijfas:: soe-spil {C}.

drijfijs:: svme-pica {S}.

drijfkracht:: soe-crf {C}.

drijflichaam:: (=vlotter) svmiyn {C}.

drijfnat:: (=doornat) munt-oo {I}, flmpoo {I}.

drijfstang:: soe-zeff {C}.

drijftil:: (=ladde: drijvend eilandje v samengegroeide waterplanten) tue {C}.

drijfveer:: (=beweegreden) zmbaso {C}.

drijfzand:: laess {S}.

drijven::

  1. (op vloeistof) svme {U}; het ~ (gedrijf): svmos {C};
  2. (handel) wencate {K};
  3. (drang uitoefenen) prfe {K};
  4. (v vee) nare {K}; (v zieke dieren of mensen: bij elkaar ~/brengen en vervolgens vernietigen/uitroeien) zaare {K}.

drijver:: (dobber: v hengel) nulliy {C}.

drillen:: (=dresseren) pilfse {K}; (streng dresseren) fesaxe {K}.

drilling:: (strenge dressuur) fesaxos {C}.

dringen:: forse {E}; het ~ (gedrang): forsos {C}; ~ door (water ed): fesklte {K}.

dringend:: (=spoedeisend) forsm {I}.

drinkbaar:: pliyfonamiy {I}.

drinkbeker:: (alg) wt {C}; bewerkte ~ (bokaal): korp {C}.

drinken:: (alg) pliyfone {K}; brette {K} (poe); (sterke drank) pnte {U}; ~ uit (een glas ed): lpliyfone {K}; met kleine slokjes ~ (nippen): smege {K}; veel ~ (zuipen): kalibatse {E}; doen ~, te ~ geven (vrnl v paarden): cetrence {K; vdw= cetrent}; het ~: pliyfonos {C}; te vies om te ~ (ondrinkbaar): maklutiy {I}; wat drink je?; wat wil je van me ~? (vraagt een barkeeper als hij een drankje van de zaak aanbiedt): tu chelte kol?.

drinker:: (die [veel] alcohol drinkt) pliyfonatjen {C}.

drinkfestijn:: eet- en ~ (braspartij): pall {C}.

drinkgelag:: (=zuippartij) kalibatsos {C}.

drinkgelegenheid:: pnte-feslosos {C} (lett: horeca waar je (alcoholische) drank kan nuttigen; ambtelijke term); zie ook Drinkgelegenheden in .

drinkglas:: kliqu {C}.

drinkwater:: pliyfone-knurfel {S}; kupn-knurfel {S} (ook als het niet uit een kupn (drinkwaterput) komt, maar uit de kraan).

drinkwaterput:: kupn {C}.

droef:: (=droevig) druff {I}, pru {I}.

droefenis:: mrjft {Aef}; (=droefheid) druffiy {A; mv=enk}.

droefgeestig:: drakamutiy {I}.

droefgeestigheid:: drakamuter {A; mv=enk}.

droefheid:: mrjft {Aef}; (=droefenis) druffiy {A; mv=enk}.

droesem:: jg {S}.

droevig:: mrjft {I}; (=droef) druff {I}, pru {I}; druf {I} (dl= Tjemp); ~ gebeuren (drama): pr'uta {C}.

drogen:: [af]~: kponje {K; gst= kponn; wst= kpon[j]}; het ~: kponjos {C}; ze hangt de was te ~ (die is eerst dus nog nat): eup munke ef luktsta lo kpony; de was hangt te ~: ef luktsta kponje ur menkerate; gedroogde vruchten: Mari-belk {S}.

drogerij:: kponjs {C} (bedrijf waar iets gedroogd wordt, zoals een gras~).

droging:: (het [af]drogen) kponjos {C}.

drogist:: (persoon) iyler {C}.

drogisterij:: iyls {C} (alg); gemise misan {C} (vrnl verkoop v chemische producten en brandstoffen, zoals schoonmaakmiddelen, verdelgingsmiddelen, kunstmest, terpentine, petroleum en steenkolen).

drogreden:: tobaso {C}.

drol:: pft {C}, cht {C}.

dromedaris:: dromedarr {C}.

dromen:: drme {K}; (zich verbeelden) drote {K}; (=suffen) lme {U}.

dromerig:: lmiy {I}.

drommels:: dat begrijp ik ~ goed: gress unere clerr kat ef.

dronk:: op ~ zijn (v wijn): ef melde armt pliyfon.

dronkaard:: yspatjen {C}, pliyfpft {C} (pop).

dronkelap:: pliyfpft {C} (pop).

dronken:: (alg) ysp {I}; ~ zijn: yspe {E}; ~ worden (zich bezatten): yspare {U}; (=beschonken) plurtor {I}; (=aangeschoten) wltiy {I; [mv=enk]}, ojabriy-muliy {I} (pop); dm {I} (spr).

droog::

  1. (niet nat) kpony {I}; ~ liggen (v water): kiysore {U} (dl= Ren); ze hangt de droge was op, ze hangt de was ~ op: eup munke ef kpony luktsta;
  2. (zonder beleg: v boterham) gl {I}; (niet zuur: v wijn) fyg {I}; (smaak v witte wijn: niet zuur of zoet) olor {I}; zeer ~ (smaak v witte wijn: niet zuur of zoet) tiympiy {I};
  3. droog||nat: nriy {Iid}; .

droogkoken:: tjonde-tij {U}; de pan staat droog te koken: ef pn tjonde-tij; het ~: tjondos-tij {C}; drooggekookte [stoom]ketel (die dan meestal beschadigd is): tjondos-tij {C}.

droogleggen:: (draineren) alycre {K; gst= alycer}; (iemand verbieden alcohol te gebruiken) idepliyfonise {K}.

drooglegging:: (lett) alycros {C}; (alcoholverbod) idepliyfonisos {C}.

droogmaken:: drooggemaakt [deel van een] moeras: frnsper {C}.

droogrek:: wochos {C}.

droogstaand:: (beek ed) wx {I}.

droogte:: (het droog-zijn) kpn {C}; (zandplaat: bij eb droogvallende zeebodem) toopp {C}.

droogvallen:: (beek, zandbank ed) wxe {U}.

droom:: drm {C}; onwerkelijke ~ (visioen): drot {SC}; (iets dat niet te verwezenlijken is) iylcs {Aef}.

droombeeld:: drm-tjef {C}; (=hersenschim) totjef {C}.

droomgezicht:: drme-zerfos {A}.

drop:: (zoethout) grum-moftos {C; mv= ..-moftosz}; (snoepgoed) lacriyts {S}; stuk ~ (als snoepje): lacriytsiyn {C}.

dropje:: (stuk drop, als snoepje) lacriytsiyn {C}.

drugs:: (verdovende middelen) tomissis {C/S}.

drugsdealer:: diller {C}.

druif:: cosis {C}; druiven (tros): piyls |piylas| {S}.

druilerig:: frumbiyl n/ur bidal {I}.

druipen:: prpe {U}, mipjepse {E}; (als je net uit het bad komt) bidale {E}; de jongen komt druipend onder de douche vandaan: ef 'jan arfine bidalelira rifoliy ef sgge.

druiper:: (geslachtsziekte) slic {S}.

druipsteengrot:: tinista {C}.

druivenoogst:: (druiven op het land) piyls-rsdo {S}.

druiventeelt:: (wijnbouw) piylsos {C}.

druiventros:: piyls |piylas| {S}.

druk::

  1. (zn)
    1. (lucht/gas; natuurkundig) pres {C}; neerwaartse ~: tgtpres |..gp..| {C}; opwaartse ~: preippres {C}; onder ~: presor {I}; gas onder ~: presor gaza; er staat ~ op die gasleiding: dena gaza-lftos kette pres = dena gaza-lftos poire;
    2. (=duw) os {C};
    3. (het drukken: v boeken) kabi {C};
    4. (fig) psychische ~: crcros {A}; onder ~ zetten: chiype {K}; (geestelijk) onder ~ zetten: crcre {K}; (fig) ~ uitoefenen op: ef ufne pres armt; onder ~ van: lef pres pai.
  2. (bv)
    1. (=levendig:: persoon/dier) tlgt {I};
    2. (met veel mensen; druk bezocht) centys {I};
    3. (veel te doen) rtn {I}; ~ bezig: rutracc {I}; veel te ~ (fig: overbelast): pltrtn {I}; hij is altijd ~ in de weer: groft palett lelperre riyfain oo lc; zich ~ maken om (zich aantrekken van): crstle {K}; zich ~ maken (zich opwinden): vrennfyte {E}.

drukfout:: kabi-fotel {C}.

drukken:: (=duwen) e {K}; (=knellen) migte {U}; (v boeken/tekst) kabie {K}; het ~ (druk: v boeken): kabi {C}.

drukkend:: (=zoel: weer) rfi {I}; (benauwd: v weer) plaka {I}, nefrsiy {I}.

drukker:: (iemand die drukwerk maakt) kabiiy {C; rs= kabite}; (=drukknoop: aan kleding) e-cn {C}; (=drukschakelaar) e-cn {C}.

drukkerij:: kabir {C}.

drukknoop:: (=drukker: aan kleding) e-cn {C}.

drukknop:: (=drukschakelaar) e-cn {C}.

drukpers:: kabi-pree {C}.

drukproef:: rojite-trijos {C}.

drukschakelaar:: (=drukknop) e-cn {C}.

drukte:: rtn {Aef}; (=omhaal) tosalbos {C}; (bedrijvigheid) flippiy {C}; (veel mensen) centys {Aef}; koude ~ (deftigdoenerij): epestrf {C}.

drukwerk:: kabifon {C}.

drumstick:: (=trommelstok) trumlezor {C}.

drup:: regen.

druppel:: drup {C}, jeps {C}.

druppelen:: kafjepse {K}; (siepelen) jepse {E}.

dubbel:: dubla {I}; (=tweevoudig) teriy {I}; dubbel (twee): ter {PX}; ~e punt (leesteken): terponto {C}; ~ en dwars: fes jadk loin {C}.

dubbelganger:: terfarter {C}.

dubbeltje:: zo plat als een ~: eft olor crepp.

dubbelvouwen:: (n keer) tome {K}; (meerdere keren) tomare {K}.

dubbelzinnig:: terspln {I}; (gewaagd; niet geheel gepast: mop/opmerking/kleding) srtiy {I}; ~e/gewaagde opmerking: srter {C}.

Dublin:: ply {G}.

duchten:: (=vrezen) megiye {K; gst= megiyt}.

duchtig:: (=heftig/flink) n {I}.

duel:: (=tweegevecht) pallepiyrst {Crs}.

duet:: duett {C}.

duf:: (=saai) palgt {I}; (=muf) mm {I}, ks {I}.

duidelijk:: raag {I}; (aanschouwelijk) clerr {I}; ~ zijn: raage {E}; ~ maken (verduidelijken): ragare {K}; dat wat ~ is; ~ voorbeeld: raagos {C}; het wordt/is me niet ~ (het ontgaat me): ef tinde fes ef medriy [furt gress]; kun je een ~e beschrijving van hem geven?: (fig) aftel tu kettec eft klrt foto kura do?.

duidelijkheid:: raagiy {C}, raagiy {A; mv=enk}.

duiden:: iemand op iets ~ (op iets wijzen): prae flajue n rast {Krs}; (minder concreet:) ~ op: prae {K}.

duif:: (mnl/ntr) quratjen {C}; (mnl: doffer) erg {C}; (vrw: duivin) lojek {C}.

duig:: (v ton) lup-closs {C; mv= ..-closes}; in ~en vallen: ef njebope kafonn ef cs/x.

duik:: plnsos {C}; (lett) een ~ nemen [in het meer]: ef paine eft plnsos [fesdu ef ses].

duikboot:: (=onderzeer) plnska {C}.

duikelen:: (=tuimelen) mpe {U}.

duikeling:: (=tuimeling) mper {C}.

duiken:: (in water) plnse {U}; in elkaar ~ (persoon): ole {U}; in elkaar gedoken: olor {I}.

duiker:: (persoon) plnsatjen {C}; (pijpleiding onder water) plnser {C}.

duikplank:: plnse-nregt {C}.

duim:: (vinger) ume {C}; (lengtemaat; in Spok echter ongebruikelijk) umm {C}.

duimstok:: (=centimeter) ins-messer {C}.

duin:: dunje {C}; zie ook Duinen in .

duindoorn:: (struik) dunje-tolab {C} (L. Hippopha rhamnoides).

duinenrug:: dunje-temp {C}.

duingentiaan:: (alg) brbe-huron {C} (L. Gentianella); brede ~: brabrbe-huron (L. G- campestris); slanke ~: mindabrbe-huron (L. G- amarella).

duinpad:: (=duinslag) bengaliy {C}.

duinpan:: fim {C}.

duinroos:: [clko-]paegtan {C} (ihb: L. Rosa pimpinellifolia).

duinsalomonszegel:: dunje-knzor {C} (L. Polygonatum odoratum).

duinslag:: (=duinpad) bengaliy {C}.

duintop:: dunje-nurp {C}.

duister::

  1. (donker: geen licht) lammefiy {I; [mv=enk]}; (zeer donker) finstra {I};
  2. (donker: in een afgesloten ruimte, terwijl het erbuiten licht is) lmiy {I; [mv=enk]} (dl= Centraal-Liftka); de dief verschool zich in de ~e kast (dit impliceert dat de kamer waarin deze kast zich bevindt, NIET duister is): ef zft sen tynao fes ef lmiy feldariy;
  3. (onduidelijk) legquiy {I}.

duisternis:: (alg) oms {C}; (zeer duister) finstro {C}.

duit:: dat kost je een lieve ~!: k melde smurf, was!; een ~ in het zakje doen: ef koldre eft ternen luft ef (1niv!).

Duits::

  1. (zn: taal) mrkalant {C};
  2. (bv) mrkalandes {IIef}; ~e vrouw: Mrkalanda {Cef}.

Duitser:: Mrkalando {Cef}.

Duitsland:: Mrkalandes {G}.

duivekervel:: gewone ~: zlkana {S} (L. Fumaria officinalis).

duivel:: dufja {C; mv= dfts}; duvel.

duivelachtig:: (=duivels) mara {I}.

duivels:: (=duivelachtig) mara {I}.

duivelsnaaigaren:: (plant) belt zmpr-riyne {S} (L. Cuscuta epithymum).

duivelsstoel:: (middeleeuws folterwerktuig: stoel met ijzeren pinnen die uit zitting en rugleuning steken) dufja-ferdu {C}.

duivenhok:: quratjen-celf {C}.

duivenmelken:: (het houden v duiven) quratjen-wencatos {C}.

duiventil:: quratjen-celf {C}.

duivin:: (vrw duif) lojek {C}.

duizelig:: (=draaierig) tjerp {I}; ~ zijn: tjerpe {U}; ef lelperre miyrsz fes sener brenk (pop).

duizeling:: tjerpiy {C}.

duizelingwekkend:: dazf {I}.

duizend:: main-prsa {TW}; ~en (fig): main-perst {I}.

duizendblad:: snar {C} (L. Achillea millefolium).

duizendguldenkruid:: (alg) Eunnes-huron {C} (L. Centaurium); echt ~: dunje-Eunnes-huron (L. C- erythraea).

duizendpoot:: [gewone] ~: plr-tiffug {C} (L. Lithobius forficatus).

dulden:: (=verdragen) fesstune {K}; (=ondergn) kurahendre {K; gst= kurahender}; (=gedogen) dlone {K}; het ~ (gedoging): dlonos {A}.

dumpen:: cortrke {K}.

dun::

  1. (niet dik) fyg {I}; ~ maken (voorwerp): fygare {K}; ~ worden; zich ~ maken (voorwerp): fygare {Upr}; ~ zijn (voorwerp): fyge {U}; (=iel) quns {I};
  2. dun||dik: ulliy {Iid}; ; afwisselend ~ en dik worden: ulliye {E}; het afwisselend ~ en dik worden: ulliyos {C};
  3. (helder: zeer vloeibaar; v soep/saus ed) znt {I}.

dunbevolkt:: vlojaprtecc {I}.

dunk:: een goede||slechte dunk hebben van: calije {Kid}; .

Dunkeldlariks:: Dunkeld-large |..ldl..| {C} (L. Larix x eurolepsis).

duo:: duo {C; rs= dute}.

duozadel:: tandem.

dupe:: de ~ zijn van (het slachtoffer zijn van): dama'ife {K; gst= damaif; vdw= damf}.

duplicaat:: duplikt {C}.

duplicatie:: dupliseros {C}.

dupliceren:: duplisere |..je| {K}.

duren:: (tijd) zurrere [lf] {E}; de grammofoonplaat duurt 3 minuten: ef plata zurrere lf 3 mitarr; het duurt lang: ef zurrere pert = ef zurrere lf liyrs; het duurt kort: ef zurrere litel.

durf:: daros {C}.

durven:: dare [beri/den] {K}; (arch) mofle {K; gst= moflet}; hij durft niet te klagen: do nert dare beri gfque; (=wagen) mrne [beri] {K; vdw= mrnet}.

dus::

  1. (add) (=[al]zo) pek {III}, sv {I} (arch); (toegeving, berusting) ijk {III}; zo, hij is ~ dood: iff, do melde koffon ijk; (leidt een conclusie in, gebaseerd op het direct voorafgaande) tenne pek; het regent, ~ heb ik mijn paraplu weer vergeten: ef bidale, tenne pek gress enn ef lada ufege wet; (drukt uit dat de hoorder de gevolgen snapt) kun je me helpen? nee, ik ben ziek, ~ ...: aftel tu crtirec gress? noft, gress kinure, pek; dan 1;
  2. (vg) (drukt een voor de hand liggende conclusie uit) pek {VG}; (ondergeschikte bijzin) jullie mogen nu naar de bioscoop, [en] ~ moeten jullie morgen thuisblijven: tu quardert ral ef dokerat, pek tu tints fesrt mas; (nevenschikking) de snel [en] ~ gevaarlijk rijdende automobilist: ef hups pek kviksiy ufirelira lenker.

dusdanig:: (in die mate) ~ [dat]: festrgiy [fitfara]; zodanig.

dusver:: tot ~[re] (tot nog toe): furt ral.

dusverre:: dusver.

dutje:: (kort [middag]slaapje) toslapos {C}, helle {C}, frsa {C} (dl= Noord-Ales); een ~ doen: ef zirde fes helle.

duur::

  1. (zn) zurreros {C}; op den ~: luft zurrere.
  2. (bv: veel geld kostend) mikar {I}.

duurzaam:: (=bestendig/degelijk) wenct {I}; (v materiaal) cr {I}; ~ worden (beklijven): cyfje {E; gst= cyfs}.

duurzaamheid:: (materiaal) cr {Aef}.

duvel:: te dom/stom om voor de ~ te dansen: lo pl lo Lotlmensten; (sprkw) als je van de ~ spreekt trap je op zijn staart: ef luberos rifo ef ptner rist levere-de; duivel.

duw:: (=stomp) prynt {C}, bmk {C}; (=druk) os {C}; (=stoot) tk {C}, ommonecoliy |ommnecoliy/regelm.| {C}; harde ~ (harde stomp): ofprynt {C}; een harde ~ (een hevige stoot): eft lpt tk.

duwen:: bmke {K}; (=drukken) e {K}.

dwaalbegrip:: (=idee-fixe) sto'ecc {SC}.

dwaalleer:: sto'ecc-belter {A; mv=enk}.

dwaallicht:: pinne-flm {C}.

dwaalspoor:: (lett/fig) pinne-skn {C}.

dwaas::

  1. (zn: persoon) pluker {C};
  2. (bv) (=onzinnig) plukiy {I; [mv=enk]}; (=idioot) tra {I}.

dwaasheid:: trajiy {C}.

dwalen:: (alg) pinne {E}; het ~: pinnos {C}; weg die men al ~de heeft afgelegd: pinnosiy {C}; (lett: dolen) ge {U}; (fout begaan) taubere {Upr}.

dwaling:: (fig) tauberos {A}.

dwang:: miyros {A}, ylgos {A}.

dwangarbeid:: miyrrm {C}.

dwangarbeider:: miyrer {C}.

dwangbevel:: kindis-blaffos {C}.

dwangbuis:: grp-kas {C}.

dwarrelen:: lore {U}, dvrle {U; gst= dvrr}, tiylvle {U; gst= tiylf}.

dwars:: (lett) kvr {I}; (fig: weerbarstig) jag {I}; ~ door [heen] (richting): fesducupp {VZ}; de kogel gaat ~ door de muur [heen]: ef xleg vende fesducupp ef krur.

dwarsbomen:: (tegenwerken) cjfe {K}; (=doorkruisen) tygtjaflectre {K; gst= tygtjafelec; wst= tygtjaflect}.

dwarsboming:: cjfos {C}.

dwarsligger:: (persoon) tygtjaflectratjen {C}.

dwarsoorvleermuis:: zecerr-zler {C} (L. Barbastella barbastellus).

dwarszitten:: (ermee in je maag zitten) ef migte kest ef molfit; de opmerking zit hem dwars: ef rviy migte kest groft molfit; iemand ~ (pesten): ef paine rast fes ef lup; pesten.

dweepziek:: armthendriy {I}, risitt {I}.

dweil:: mopju {C}.

dwepen:: ~ met: armthendre {K; gst= armthender}.

dweper:: armthendrer {C}.

dwerg:: gnerm {C}.

dwergachtig:: (als een dwerg; in klein formaat) gnermiy {I}.

dwergbegonia:: gnerm-begonja {C} (in Spok een geliefd geschenk).

dwergbolk:: (vis) bulka {C} (L. Trisopterus minutus).

dwergbot:: (vis) belt ts-zirder {C} (L. Phrynorhombus norvegicus).

dwergmeeuw:: gnerm-meve {C} (L. Larus minutus).

dwergmuis:: gnerm-rt {C} (L. Micromys minutus).

dwergsein:: (spoorwegen laag bij de grond staand sein): gnerm-sn {C}.

dwergspitsmuis:: belt-nes-rt {C}, rntiy-rt {C} (L. Sorex minutus).

dwerguil:: bergo-ojel {C} (L. Glaucidium passerinum).

dwergvinvis:: belt-rst {C} (L. Balaenoptera acutorostrata).

dwergvleermuis:: gewone ~: grmiyl-vogily {C} (L. Pipistrellus pipistrellus).

dwergwaaierpalm:: belt msoll-palm {C} (L. Chamaerops humilis).

dwingeland:: ylgatjen {C}.

dwingen:: ~ tot: miyre tukst {K}, ylge armt {K}; gedwongen zijn om/tot ...: ef melde fes ef miyros furt ....

dynamiet:: dynamyto {S}.

dynamisch:: dynamise {I}.

dynamo:: dynamo {C}.

dysenterie:: totarm-stlos {C}.

 

© (2000) De Twee Hanen v.o.f. Kimswerd The Netherlands

DICTIO